Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2664

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-12-2015
Datum publicatie
08-04-2016
Zaaknummer
15/02417
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:612
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht. Recht op inzage in boekhouding gefailleerde (art. 3:15j onder d BW) teneinde aansprakelijkstelling van een derde te onderbouwen? HR 21 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR3406, NJ 2005/250. Betekenis van art. 843a Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2016/180 met annotatie van mr. J.O. Bijloo
Verrijkte uitspraak

Conclusie

15/02417

Mr. L. Timmerman

Zitting 4 december 2015

Conclusie inzake:

Mr. M.C. Schmitz q.q.

verzoekster tot cassatie,

(hierna: de curator)

Tegen

[verweerster]

(hierna: [verweerster] )

1. Feiten

1.1 [verweerster] heeft op 20 april 2009 een koopovereenkomst gesloten met [A] B.V. (hierna “ [A] ”), waarbij [verweerster] aan [A] grondverbetermachines heeft verkocht voor een totaalprijs van € 1.150.000,-.

1.2 [A] heeft de helft van deze koopprijs voldaan.

1.3 [A] is ten aanzien van de resterende helft van de te betalen koopprijs (een bedrag van € 575.000,-) met [verweerster] een overeenkomst van geldlening aangegaan.

1.4 Bij vonnis van 25 januari 2011 van de rechtbank Maastricht is [A] in staat van faillissement verklaard en is Mr. M.C. Schmitz aangesteld als curator.

1.5 [B] B.V. (hierna: [B] ) was voorafgaand aan het faillissement van [A] enig (statutair) bestuurder van [A] . [betrokkene 1] (hierna “ [betrokkene 1] ”) was toen enig bestuurder van [B] .

2 Procesverloop

2.1

[verweerster] heeft de onderhavige procedure bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Maastricht tegen de curator aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 oktober 2011. [verweerster] vordert in dit geding - in conventie - de curator te veroordelen alle medewerking te verlenen aan een door [verweerster] te verrichten onderzoek in de volledige (financiële) administratie van de failliete vennootschap [A] . Daartoe heeft [verweerster] aangevoerd, dat de vennootschap [B] als enig statutair-bestuurder van [A] een verwijt gemaakt kan worden gemaakt van het feit dat de vorderingen van [verweerster] op [A] niet verhaalbaar zijn. Om die reden wenst zij [B] aansprakelijk te stellen op grond van onrechtmatige daad voor de haar geleden schade. Met het oog op de onderbouwing van haar aansprakelijkstelling wenst [verweerster] dat de curator haar inzage in de boeken van [A] verleent.

2.2

[betrokkene 1] , enig statutair-bestuurder van [B] , is volgens [verweerster] op grond van artikel 2:11 BW mede hoofdelijk aansprakelijk voor het feit dat de vorderingen van [verweerster] niet op [A] kunnen worden verhaald. Volgens [verweerster] heeft [B] geen adequate voorzieningen getroffen voor de verplichtingen van [A] uit de onder 1.1 bedoelde koopovereenkomst, zodat er op dit punt sprake is van een onrechtmatige daad jegens [verweerster] .

[B] heeft tezamen met de feitelijk bestuurder van [A] bewerkstelligd dat [A] is “leeggehaald” door projecten aan te nemen op naam van een andere vennootschap, Tuintechnisch Hoveniersbedrijf [betrokkene 2] , om vervolgens de kosten van deze projecten (grondstoffen, materieel en personeel) te laten vallen in de onderneming van [A] , aldus [verweerster] .

2.3

De curator heeft - in conventie - gemotiveerd verweer gevoerd en - in reconventie - afgifte gevorderd van een deel van de administratie van [A] , dat [verweerster] nog onder zich zou hebben, op straffe van een dwangsom. [A] was voorheen gevestigd op de locatie van [verweerster] . [A] is begin 2010 verhuisd. Een deel van de administratie is toen volgens de curator achtergebleven. De curator heeft verzocht om afgifte van de achtergebleven administratie, maar [verweerster] heeft zonder opgaaf van reden geen gehoor gegeven aan dat verzoek, aldus de curator.

2.4.

De voorzieningenrechter heeft [verweerster] in haar vordering in conventie niet-ontvankelijk verklaard, aangezien [verweerster] onvoldoende had gesteld op grond waarvan een spoedeisend belang kon worden aangenomen. De vordering van de curator in reconventie werd door de voorzieningenrechter toegewezen, waarbij de opgelegde dwangsom werd gemaximeerd tot een bedrag van € 10.000,-.

2.5

[verweerster] heeft tegen het vonnis van de voorzieningenrechter hoger beroep ingesteld bij het hof ’s-Hertogenbosch. Het hof heeft bij arrest van 17 februari 2015 het vonnis van de voorzieningenrechter voor zover gewezen in conventie vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de curator veroordeeld om alle medewerking te verlenen aan een onderzoek door [verweerster] in de volledige (financiële) administratie - alle boeken, bescheiden en gegevensdragers daaronder begrepen - van [A] zoals die is gevoerd tot aan de datum van het faillissement en [verweerster] daarbij in de gelegenheid te stellen op eigen kosten kopieën te maken van delen van die administratie. Daarbij heeft het hof bepaald, dat bescheiden, die klaarblijkelijk niets met de aansprakelijkstelling van de door [verweerster] genoemde bestuurders van [A] van doen hebben, niet mogen worden ingezien en gekopieerd. Het in conventie meer of anders gevorderde werd door het hof afgewezen. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen:

“4.7.1.3. De bescheiden waar de vordering van [verweerster] op ziet, zijn volgens de curator (…) onvoldoende bepaald omschreven. Volgens de curator betreft de vordering van [verweerster] feitelijk een fishing expedition. De curator mag alleen informatie verstrekken voor zover noodzakelijk voor het beoogde doel. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan [verweerster] gerechtigd zou zijn tot inzage in de gehele administratie is de curator niet gebleken.

4.7.1.4. Naar de visie van de curator is het inzagerecht van artikel 3:15j aanhef en onder d BW niet bestemd voor het door [verweerster] beoogde doel. Dit artikel bepaalt dat sprake moet zijn van een rechtstreeks en voldoende belang. [verweerster] heeft dit niet bij de inzage van de administratie van [A] . Zij heeft in het onderhavige geval slechts een indirect belang gesteld. Met artikel 3:15j aanhef en onder d BW is beoogd een crediteur de mogelijkheid te bieden zijn vordering jegens de - in dit geval failliete - vennootschap vast te stellen. Niet is bedoeld een recht te creëren tot onderzoek van de gehele administratie van [A] in verband met een mogelijke vordering van [verweerster] op een derde. De vordering van [verweerster] jegens [B] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] laat zich derhalve niet kwalificeren als een “rechtstreeks en voldoende belang” ten aanzien van [A] .

4.7.1.5. Voor zover wel geoordeeld zou moeten worden dat [verweerster] een rechtstreeks en voldoende belang heeft in de zin van artikel. 3:15j aanhef en onder d BW, zal naar de stellingen van de curator een afweging moeten worden gemaakt tussen het belang van [verweerster] bij toewijzing van haar vordering en het belang van de paritas creditorum dan wel het belang van goed boedelbeheer en de belangen van derden, zoals werknemers en degenen die [verweerster] wil aanspreken. Indien deze belangen door vrijwillige voldoening aan een informatieverzoek worden geschaad, kan de curator naderhand worden geconfronteerd met vorderingen tot schadevergoeding. In het onderhavige geval dient de afweging van genoemde belangen naar het standpunt van de curator negatief uit te vallen voor [verweerster] . Voor zover hierover anders zou moeten worden geoordeeld, geldt volgens de curator dat [verweerster] moet wachten met het instellen van de beoogde vorderingen jegens genoemde derden totdat de curator duidelijk te kennen heeft gegeven af te zien van een aansprakelijkheidsactie jegens genoemde (rechts)personen dan wel tot het faillissement is afgewikkeld.

(…)

4.7.2.3. [verweerster] stelt zich op het standpunt dat zij een rechtstreeks en voldoende belang heeft in de zin van artikel 3:15j aanhef en onder d BW. Dat dit artikel de door de curator beschreven beperkte uitleg zou hebben, volgt volgens [verweerster] noch uit de wettekst noch uit de wetgeschiedenis.

4.7.2.4. Ten aanzien van de stellingen van de curator dat inzage in de administratie mogelijkerwijs conflicteert met de belangen van de gezamenlijke schuldeisers en dat een afweging van het belang van [verweerster] , een individuele crediteur, tegen het belang van de gezamenlijke crediteuren zich verzet tegen toewijzing van het verzoek van [verweerster] , heeft [verweerster] gesteld dat uit de wettekst niet meer en niet minder blijkt dan dat, indien sprake is van een rechtstreeks en voldoende belang, de individuele schuldeiser openlegging van de boekhouding van de failliet kan vorderen. De wettekst en de wetsgeschiedenis bevatten volgens [verweerster] geen aanwijzingen dat door de wetgever bedoeld zou zijn dat het inzagerecht beperkt wordt in die zin dat inzage hoe dan ook niet aan de orde is indien het algemeen belang van de boedel zich daartegen verzet. Indien er al plaats is voor een afweging van de belangen van de individuele crediteur en die van de gezamenlijke crediteuren, is in ieder geval het enkele feit dat de belangen van de crediteur met die van de andere betrokkenen conflicteren, niet voldoende om het inzagerecht van een individuele crediteur tegen te houden. [verweerster] acht zich voorts bevoegd naast de curator een vordering tegen genoemde bestuurders in te dienen. Uit niets blijkt bovendien dat van een belangenconflict sprake is, aldus [verweerster] . De stelling van de curator dat [verweerster] met het instellen van een vordering jegens derden zou moeten wachten totdat het faillissement is afgewikkeld dan wel totdat de curator heeft aangegeven zelf deze vordering niet te zullen instellen snijdt volgens [verweerster] reeds feitelijk geen hout. Overduidelijk is immers dat de curator genoemde bestuurders van [A] niet zal aanspreken.

(…)

4.7.3.1. Naar het voorlopig oordeel van het hof falen alle verweren van de curator. Het hof begrijpt dat de mogelijk door [verweerster] tegen [B] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in te stellen vordering gegrond zal worden op het bepaalde in artikel 6:162 BW. De vraag in hoeverre het bepaalde in artikel 2:11 BW in dat kader kan worden toegepast, behoeft hier geen bespreking, aangezien [verweerster] slechts [betrokkene 1] via deze bepaling beoogt aan te spreken en dit de aanspraken van [verweerster] jegens [B] en [betrokkene 2] onverlet laat.

(…)

4.7.3.3. Het hof ziet gegeven de aan de orde zijnde verwijten vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat nadere specificatie door [verweerster] van de open te leggen administratie aangewezen is. De verwijten jegens [B] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn zodanig concreet gesteld dat naar het voorlopig oordeel van het hof van een fishing expedition geen sprake is.

4.7.3.4. Ook het standpunt van de curator betreffende de reikwijdte van artikel 3:15j aanhef en onder d B W deelt het hof niet. De jegens [B] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in te stellen vordering betreft een afgeleide van een vordering die [verweerster] jegens [A] stelt te hebben. De verwijten die [verweerster] vooralsnog jegens [B] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] vermoedt te kunnen maken betreffen alle hun directe optreden en betrokkenheid bij de gang van zaken bij [A] voorafgaand aan het faillissement. Het hof zijn geen aanwijzingen gebleken op grond waarvan het aan de orde zijnde belang van [verweerster] desondanks niet als een rechtstreeks en voldoende belang in de zin van dit artikel zou dienen te worden gezien. De curator heeft zijn verweer op dit punt in elk geval onvoldoende toegelicht. Het hof oordeelt derhalve dat het beroep van [verweerster] op artikel 3:15j aanhef en onder d BW in beginsel gehonoreerd dient te worden. De stelling van de curator dat voorts nog een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van [verweerster] bij de toewijzing van haar vordering en de belangen van de door de curator genoemde betrokkenen is juist. De curator heeft evenwel deze belangen onvoldoende toegelicht. De curator heeft nadrukkelijk naar voren gebracht dat haars inziens geen aansprakelijkheid van [B] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aan de orde is. Het hof leidt hieruit voorshands af dat de curator niet voornemens is [B] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aan te spreken. [verweerster] lijkt daarom met de door haar voorgenomen aanspraak jegens [B] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] de curator, de overige schuldeisers en de boedel niet te benadelen. De door de curator genoemde belangen leggen derhalve geen gewicht in de weegschaal. Wel zullen bescheiden die klaarblijkelijk niets met de aansprakelijkheidsstelling van de door [verweerster] genoemde bestuurders van [A] van doen hebben niet mogen worden ingezien en gekopieerd en dient behoedzaam te worden omgegaan met te in te ziene gegevens gelet op de mogelijke vertrouwelijkheid hiervan. De vraag of [verweerster] zou moeten wachten met het daadwerkelijk instellen van een vordering jegens [B] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] is voor de beslissing op de onderhavige vordering niet relevant en behoeft geen beantwoording.

2.6

De curator heeft bij dagvaarding van 9 april 2015 cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof van 17 februari 2015. Tegen [verweerster] is verstek verleend.

3 Beoordeling van het cassatieberoep

3.1

Het cassatiemiddel (zie met name de onderdelen 2 en 3) komt er in de kern op neer dat het Hof heeft miskend dat geen sprake is van een rechtstreeks en voldoende belang in de zin van artikel 3:15j BW, wanneer de schuldeiser inzage in de administratie van de failliete vennootschap verzoekt in een geval als het onderhavige waarin hij op grond van art. 6:162 BW verhaal zoekt op een (feitelijke) bestuurder van de vennootschap. In zo’n geval bestaat er volgens het middel geen rechtstreeks en voldoende belang.

3.2

De informatierechten van de schuldeisers ten opzichte van de curator zijn onder meer vastgelegd in de Faillissementswet. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende categorieën: informatie over het faillissement en de te volgen procedurele stappen, informatie over het beheer van de boedel en de afwikkeling van het faillissement, informatie in verband met het vaststellen van de hoogte van de vordering van de individuele crediteur en informatie over een eventuele vordering van de individuele crediteur op een of meer derden.1

3.3

De informatievoorziening door de curator aan de schuldeisers over het beheer van de boedel is geregeld in artikel 69 en volgende Fw. Deze bepalingen zijn in het leven geroepen om het mogelijk te maken dat schuldeisers toezicht kunnen uitoefenen op het beheer van de boedel. Indien zij van mening zijn dat de curator bij dat beheer fouten maakt of heeft gemaakt, kunnen zij daartegen opkomen. Artikel 69 Fw geeft zowel de gezamenlijke schuldeisers als de individuele schuldeiser de mogelijkheid om tegen een handeling van de curator op te komen of om een rechterlijk bevel uit te lokken. In dat kader kunnen schuldeisers informatie bij de curator opvragen. In de arresten Jomed I en II heeft de Hoge Raad geoordeeld dat deze informatie zich beperkt tot datgene wat nodig is om een behoorlijk beeld van het beheer van de boedel door de curator te verkrijgen.2 Informatie die niet ziet op het beheer van de boedel maar bijvoorbeeld op de mogelijkheden om derden aansprakelijk te stellen kan langs de weg van artikel 69 Fw niet worden verkregen. Artikel 73a Fw verplicht de curator om verslag te doen van de toestand van de boedel en de door de curator verrichte werkzaamheden. De Hoge Raad heeft in Jomed I geoordeeld dat dit verslag slechts een globaal inzicht behoeft te geven en dat dit geen volledige verantwoording behoeft te bevatten.

3.4

Een schuldeiser kan onder omstandigheden behoefte hebben aan informatie die ziet op de vaststelling van de hoogte van zijn vordering, bijvoorbeeld indien zijn vordering geheel of gedeeltelijk door de curator wordt betwist. In die situatie kan een schuldeiser er belang bij hebben om inzage te verkrijgen in de administratie van de failliet. Artikel 69 Fw biedt de schuldeiser in die situatie geen oplossing. De informatie heeft immers geen betrekking op het beheer van de boedel. In zo’n casuspositie kan een beroep op het inzagerecht van artikel 3:15j BW worden gedaan. Een dergelijk recht was reeds in de 19e eeuw in de wetgeving opgenomen. Het is in 1838 na wijziging opgenomen in artikel 11 Wetboek van Koophandel (WvK) en luidde als volgt:

“Men kan niemand noodzaken zijn boekhouding over te leggen, dan alleen ten behoeve van hem die als erfgenaam, als belanghebbende in eene gemeenschap, als vennoot, als aansteller van factoors of bewindvoerders, daarbij een regelregt belang heeft, en eindelijk in geval van faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen”.

3.5

Aanvankelijk werd aangenomen dat het artikel zich slechts richtte tot de curator en niet tot de individuele schuldeiser.3 In het arrest van 12 april 1901 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat ook een individuele schuldeiser een beroep op deze bepaling kan doen.4 De Hoge Raad overwoog:

“(…) O. dat immers dat het met het in den aard der zaak gelegen en in art. 799 W.v.K. (nu vervangen door art. 92 Faill.wet) aan curators uitdrukkelijk verleend recht om zich in het bezit der boeken van den gefailleerden te stellen, weinig strooken zou, dat art. 11 van hetzelfde wetboek hun het recht, en s l e c h t s het recht, zou geven openlegging dier boeken te vorderen;

O. dat dan ook laatstgemeld recht niet kan worden ontzegd aan dezen eischer, van wien vaststaat, dat hij is schuldeischer maar die beweert grootere schuldvordering te hebben, dan door de verwerende curators wordt erkend.

Overwegende dat, nu bij den eischer in den loop van dit proces, ten gevolge van de betwisting zijner schuldvordering door de verweerders, de behoefte is opgekomen om den omvang zijner rechten ten processe tot klaarheid te brengen door vordering, op grond van art. 11 W.v.K., van openlegging der boeken van den gefailleerde, het Hof den eischer ten onrechte de bevoegdheid heeft betwist, die vordering te doen bij incidentele conclusie (…)”

3.6

Artikel 11 WvK is bij wet van 6 december 2001 als artikel 3:15b in het BW ingevoerd en op 1 januari 2002 in werking getreden.5 In mei 2003 is het artikel vernummerd tot artikel 3:15j BW. Artikel 3:15j BW luidt:

Openlegging van tot een administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers kunnen, voor zover zij daarbij een rechtstreeks en voldoende belang hebben, vorderen:

a erfgenamen, ten aanzien van de boekhouding van de erflater;

b deelgenoten in een gemeenschap, ten aanzien van de boekhouding betreffende de gemeenschap;

c vennoten, ten aanzien van de boekhouding van de vennootschap;

d schuldeisers in het geval van faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, ten aanzien van de boekhouding van de failliet onderscheidenlijk degene ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling van toepassing is.

3.7

Uit het wetsartikel en de wetsgeschiedenis kan niet worden afgeleid of met de onder d. genoemde ‘schuldeisers’ de gezamenlijke schuldeisers worden bedoeld of dat het artikel zich tevens richt tot de individuele schuldeiser. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad uit 1901, waarin is geoordeeld dat de individuele schuldeiser een beroep op het toenmalige artikel 11 WvK kon doen in verband met de hoogte van zijn vordering, ligt het voor de hand dat de individuele schuldeiser een beroep op artikel 3:15j BW toekomt, indien hij inzage in de administratie van de failliet wenst te krijgen om zijn vordering te onderbouwen.

3.8

Ik wijs nog op een ander aspect uit de wetsgeschiedenis. Ik citeer de Memorie van Toelichting6, die luidt:

“Het voorgestelde artikel 15b bevat de materie van artikel 11 van het Wetboek van Koophandel, dat thans komt te vervallen. De redactie is gemoderniseerd en verduidelijkt, waarbij ook aansluiting is gezocht bij artikel 15a van Boek 3. Net als in artikel 2.8.14 is gekozen voor de term «openlegging», omdat voor een afwijkende terminologie geen goede grond bestaat. Het zal zowel bij de toepassing van artikel 2.8.14 als bij de toepassing van artikel 15b van de omstandigheden van het geval afhangen op welke wijze openlegging zal moeten geschieden: door het verlenen van inzage, door het verschaffen van een uittreksel of anderszins. Omdat niet uitgesloten kan worden dat zich ook buiten de in artikel 11 WvK genoemde gevallen verhoudingen kunnen voordoen waarin openlegging gevorderd kan worden, is het limitatieve karakter van die bepaling niet gehandhaafd. Mede in verband daarmee is de – verouderde– verwijzing naar «aanstellers van factoors of bewindvoerders» niet overgenomen. Voor openlegging van de boekhouding aan een schuldeiser in faillissement of schuldsaneringsregeling is mede de eis gesteld dat deze daarbij een rechtstreeks en voldoende belang heeft (curs. A-G). In het kader van het thans in voorbereiding zijnde wetsvoorstel tot vaststelling van titel 7.13 (vennootschap) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek zal overigens een specifieke bepaling worden voorgesteld voor inzage in de boekhouding van een personenvennootschap.”

Art. 11 WvK stelde alleen voor andere gerechtigden dan schuldeisers in faillissement de eis van een ‘regelregt belang’. Art. 3:15j BW stelt inmiddels die eis in de vorm van een voldoende en rechtstreeks belang voor schuldeisers in faillissement nu juist wel. ‘Regelregt’ zal wel –zo vermoed ik- hetzelfde zijn als rechtstreeks. Ik kan hieruit niet afleiden dat de wetgever voor schuldeisers een ruime uitleg van art. 3:15j BW voorstond. Het stellen van dit extra vereiste van voldoende en rechtstreeks belang wijst veeleer op het tegendeel.

3.9

De Hoge Raad heeft in 2005 in het arrest Jomed II geoordeeld dat voor het verzoek om inlichtingen in het kader van toezicht op de werkzaamheden van de curator geen beroep op artikel 3:15j BW kan worden gedaan. In dat geval is volgens de Hoge Raad geen sprake van een rechtstreeks en voldoende belang.7 De Hoge Raad heeft daartoe overwogen:

4.2

Uit hetgeen hiervoor in 4.1 is overwogen, vloeit ook voort dat met betrekking tot de door de curator gevoerde boekhouding van het beheer en de vereffening van de failliete boedel, naast de in art. 76 Fw aan de commissie uit de schuldeisers gegeven bevoegdheid te allen tijde raadpleging van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, op het faillissement betrekking hebbende, te vorderen en de bevoegdheid van een individuele schuldeiser op de voet van art. 69 Fw en binnen de grenzen van die bepaling een bevel aan de curator uit te lokken die boekhouding open te leggen of daarin inzage te verlenen, geen plaats is voor een daartoe strekkende vordering op grond van art. 3:15j BW.

Aangenomen moet dan ook worden dat, zoals het hof met juistheid in zijn rov. 4.9 heeft overwogen, een schuldeiser daarbij niet een 'rechtstreeks en voldoende belang' heeft als in deze bepaling bedoeld, en dat het toepassingsgebied van art. 3:15j, aanhef en onder d, BW beperkt is tot de boekhouding van de failliet, voor zover deze betrekking heeft op het tijdperk tot aan diens faillietverklaring. Met betrekking tot dit laatste heeft het hof terecht nog gewezen op de verschillende formulering van art. 3:15j, onder d, en art. 76 Fw: enerzijds boekhouding 'van de failliet' en anderzijds boeken, bescheiden en andere gegevensdragers 'op het faillissement betrekking hebbende'.

Uit dit arrest van de Hoge Raad leid ik af dat hij aan het vereiste van ‘rechtstreeks en voldoende belang’ zelfstandige betekenis toekent. Dat is in overeenstemming met de hierboven geciteerde wetsgeschiedenis op art. 3:15b BW.

3.10

Naar aanleiding van dit arrest is discussie ontstaan over de reikwijdte ervan en of het arrest ruimte laat voor een beroep op artikel 3:15j BW indien de schuldeiser voornemens is om derden, zoals de bestuurders van de vennootschap, aansprakelijk te stellen. A-G Huydecoper heeft in zijn conclusie bij het arrest Jomed gepleit voor een ruime uitleg van het inzagerecht omdat – kort gezegd – noch de wettekst, noch de wetsgeschiedenis noch de ratio van artikel 3:15j BW aanknopingspunten voor een beperking bieden. Daarbij heeft hij overwogen dat het inzagerecht slechts kan worden beperkt als legitieme (en voldoende zwaarwegende) belangen van de boedel of andere betrokkenen zich tegen inzage verzetten. Of de Hoge Raad die zienswijze onderschrijft lijkt mij twijfelachtig. De vraag naar de reikwijdte van artikel 3:15j BW kwam vervolgens in 2007 aan de orde in de zaak Van der Knaap/Mosele q.q.8 In dit arrest, afgedaan op grond van artikel 81 R.O., was de vraag aan de orde of de schuldeiser op grond van artikel 69 Fw aanspraak kon maken op het inzagerecht. A-G Verkade was van mening dat het belang van de schuldeiser, dat was gelegen in het verkrijgen van informatie op grond waarvan hij kon aantonen dat het bestuur van de gefailleerde vennootschap onrechtmatig jegens hem had gehandeld, in beginsel niet onder de reikwijdte van artikel 69 Fw valt, omdat deze informatie niet is gericht op het verkrijgen van een beeld omtrent het beheer van de boedel, maar dat een verzoek op grond van artikel 3:15j BW en artikel 843a Rv toewijsbaar kan zijn indien de uitkomst van de ingevolge deze bepalingen vereiste belangenafweging op voorhand vaststaat.

3.11

De feitenrechtspraak is verdeeld over de vraag of art. 15j BW zich leent voor het verkrijgen van informatie met als doel derden aansprakelijk te stellen. In een kort gedinguitspraak van 21 oktober 2008 heeft de voorzieningenrechter te Arnhem9 geoordeeld dat de schuldeiser die inzage op grond van artikel 3:15j BW vorderde in verband met eventuele aansprakelijkstelling van de bestuurders op grond van onrechtmatige daad een rechtstreeks en voldoende belang heeft bij inzage in de administratie. Het hof Arnhem heeft het kort gedingvonnis vernietigd en geoordeeld dat artikel 3:15j BW er in beginsel toe strekt de rechtsverhouding van de crediteur met de gefailleerde vennootschap vast te stellen waardoor sprake was van een te ver verwijderd en dus onvoldoende rechtstreeks verband.10 In de bodemprocedure die hierop volgde heeft rechtbank Arnhem, in afwijking van het hof, opnieuw geoordeeld dat sprake was van een voldoende rechtstreeks belang.11 In appel is de zaak weer aan het Hof voorgelegd. De vraag met betrekking tot de reikwijdte van artikel 3:15j BW was in appel echter niet meer aan de orde.12 Rechtbank Groningen heeft in 2011, onder verwijzing naar de uitspraak van hof Arnhem van 12 mei 2009, geoordeeld dat artikel 3:15j BW beperkt moet worden uitgelegd en er in beginsel toe strekt de rechtsverhouding tussen de crediteur en de gefailleerde vast te stellen.13 Rechtbank Overijssel heeft in 2015 in een vergelijkbare situatie eveneens geoordeeld dat geen sprake was van een rechtstreeks en voldoende belang.14

3.12

Ook de literatuur is verdeeld. Een aantal malen is bepleit dat een beroep op artikel 3:15j BW onder omstandigheden mogelijk moet zijn om informatie te verkrijgen ter onderbouwing van een vordering uit onrechtmatige daad jegens bestuurders.15 Het merendeel van de schrijvers pleit voor een restrictieve uitleg. Van Hees leidt uit de MvT zoals hiervoor weergegeven af dat de wetgever met de woorden ‘rechtstreeks en voldoende belang’ een beperking heeft willen opleggen aan het inzagerecht. Hij is van mening dat het voor de hand ligt deze beperking aldus te lezen dat het belang van de schuldeiser gelegen moet zijn in de vaststelling van zijn positie in het faillissement en niet om de schuldeisers van de failliet in de gelegenheid te stellen eventuele vorderingen op derden geldend te maken. De rechtstreeksheid van het belang zit hem dus in deze opvatting in de rechte lijn tussen schuldeiser en boedel.16 Ook Verstijlen huldigt de opvatting dat artikel 3:15j BW er niet toe strekt om een schuldeiser te laten beoordelen of hij een vordering op een derde heeft.17

3.13

Van belang is nog dat art. 843a Rv in de loop van de jaren een steeds ruimere strekking heeft gekregen. Op dit algemene wetsartikel kan een schuldeiser die in faillissement inzage vordert van zich onder de curator bevindende bepaalde bescheiden in beginsel een beroep doen, ook in geval deze schuldeiser een vordering tegen de bestuurder instelt. Zo heeft de Hoge Raad beslist dat de in art. 843a Rv genoemde rechtsbetrekking een verbintenis uit de wet kan zijn.18 Ook heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat het voor het hebben van een rechtsbetrekking in de zin van art. 843a Rv. niet vereist is dat degene die de betreffende bescheiden onder zich heeft partij is bij deze rechtsbetrekking. Dit betekent dat de vordering ex artikel 843a Rv ook tegen de curator die de boekhouding van de vennootschap onder zich heeft kan worden ingesteld. Of de faillissementsschuldeiser succesvol in zijn vordering tot inzage tegen de curator zal zijn, hangt uiteindelijk af van het antwoord op de vraag of hij een rechtmatig belang bij zijn vordering tot inzage heeft en of de curator een gewichtige reden heeft om inzage in documenten te weigeren. Het gaat te ver om in deze conclusie antwoord op deze vraag te geven. Het lijkt mij echter niet bij voorbaat uitgesloten dat een schuldeiser van een failliete vennootschap die de bestuurder van die vennootschap uit onrechtmatige daad wil aanspreken met zijn vordering tot inzage ex art. 843a Rv tegen de curator succesvol kan zijn. Ik wil nog opmerken dat ik de weg van art. 843a Rv aantrekkelijk vind omdat dit wetsartikel zo’n verfijnd toetsingskader kent. Ik vind art. 3:15j BW minder uitgewerkt.

3.14

Het bovenstaande in overweging nemend, ben ik van oordeel dat de woorden ‘rechtstreeks en voldoende belang’ in art. 3:15j BW beperkt dienen te worden uitgelegd. Van een ‘rechtstreeks en voldoende belang’ bij openlegging van de boekhouding is m.i. slechts sprake wanneer de schuldeiser die openlegging vordert daarmee wil bereiken dat een rechtsverhouding van hem tot de gefailleerde wordt vastgelegd. Alleen dan doet zich m.i. een rechtstreeks belang voor. Een dergelijk belang speelt niet in een geval waarin een schuldeiser inzage wenst van de boekhouding van een failliete vennootschap om met succes een vordering tegen een bestuurder van die vennootschap te kunnen instellen. In dat geval is in de woorden van het hof (zie rov. 4.7.3.4 van het bestreden arrest) slechts sprake van een afgeleide van de vordering die de schuldeiser jegens de failliete vennootschap heeft. Ik zou dan van een indirect belang van de schuldeiser willen spreken dat geen rechtstreeks belang in de zin van art. 3:15j Bw oplevert. Dit betekent dat de onderdelen 2 en 3 van het cassatiemiddel doel treffen. Met het oog hierop is bespreking van de overige middelonderdelen niet nodig.

4 Conclusie

Ik concludeer tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie over deze problematiek in het algemeen: W.J.M. van Andel en T.T. van Zanten, Informatieverschaffing door de curator in faillissement, in Insolad Jaarboek 2013, p. 29-52.

2 HR 21 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005: AS3534 en AR3406 (Jomed I en Jomed II)

3 Zie in dat verband: J.C. Voorduin, Geschiedenis en beginselen der Nederlandse wetboeken, deel VIII, I, 1840, p. 79

4 HR 12 april 1901 Weekblad van het Recht 7590 (Kampfraath/curatoren)

5 Staatsblad 2001, 581

6 Kamerstukken II, vergaderjaar 2000-2001, 27 824, nr. 3

7 HR 21 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005: AR3406 (Jomed II)

8 HR 23 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0575 (Van der Knaap/Mosele q.q.)

9 Voorzieningenrechter te Arnhem 21 oktober 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BG3613 (Le Roux/de curator q.q.)

10 Hof Arnhem 12 mei 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BJ3218

11 Rechtbank Arnhem 29 december 2010, ECLI:NL:RBARN:2010:BP1591

12 Hof Arnhem 15 oktober 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:7697

13 Rechtbank Groningen 4 maart 2011, JOR 2011,167

14 Rechtbank Overijssel 6 mei 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:2908

15 Zie onder meer: N.W.M. van den Heuvel, ‘De informatieplicht van de curator’, Bb 2005, 39; J.A.C. van Veersen, ‘Exhibitieplicht ex art. 3:15j BW; een ondergeschoven kindje’, V&O, nr. 1 p. 6; E.W.J.H. de Liagre Böhl in zijn annotatie onder Jomed, Ondernemingsrecht 2005, 212; W.J.M. van Andel, in zijn annotatie onder Hamm q.q./ABN Amro, JOR 2007, 287

16 J.J. van Hees, ‘Schuldeisers en de afwikkeling van het faillissement: de curator onder invloed?’, TvI 2004, 58, p. 294

17 F.M.J. Verstijlen, ‘Wat niet weet, deert Informatierechten van schuldeisers’, TvI, 2010,33, p. 213. Zie ook G. van Daal, ‘Van overlegging naar openlegging: 3:15b BW een Doos van Pandora? TvI 2003, p. 84; J.L.M. Groenewegen en M.J.H Orval, ‘Rechten van schuldeisers op informatie in faillissement: een begaanbare weg of doodlopend pad?’ Curator en Crediteuren, Insolad Jaarboek 2009, p. 48; R.J. Abendroth in zijn annotatie onder Jomed, JOR 2005, 105; P. van Schilfgaarde in zijn annotatie onder Jomed, NJ 2005, 250 en R.D. Vriesendorp in zijn annotatie onder Jomed, AA 2005, p. 254

18 Hoge Raad 20 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1834 (Schietincident Alphen aan den Rijn). Zie ook Kamerstukken II, vergaderjaar 2011-2012, 33 079, nr. 3 p. 1