Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2650

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-11-2015
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
15/01002
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:216
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag op verzekeringspolis en banktegoeden, artt. 94a en 552a Sv. Herhaald beklag? 1. De HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BL2823. HR: v.zv. de Rb als haar oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat X resp. Y en klager als dezelfde (rechts)personen moeten worden aangemerkt, is dat oordeel, en de kennelijk daarop gebaseerde beslissing de klager in zijn klaagschrift n-o te verklaren, niet juist. Het eerste middel klaagt daarover terecht. De overwegingen van de Rb moeten worden verstaan dat naar haar oordeel de beslagen dienen voort te duren, aangezien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend aan klager (als verdachte) de verplichting zal opleggen tot betaling van een bedrag ter ontneming van w.v.v. Aldus heeft de Rb de juiste maatstaf aangelegd. 2. HR: De vraag of sprake is van ‘nieuwe’ feiten kan in het midden blijven. Hetgeen is aangevoerd omtrent het daadwerkelijk w.v.v. dient de strafrechter te beoordelen in de ontnemingszaak, zodat de klager in zoverre geen belang heeft bij zijn klacht. Evenmin belang bij de stelling dat niet eerder is aangevoerd dat een polis van levensverzekering niet vatbaar is voor conservatoir beslag, aangezien die stelling niet juist is.

De HR doet wat de Rb had behoren te doen: de HR verklaart het klaagschrift alsnog ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 15/01002 B

Zitting: 24 november 2015

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[klager]

1. De Rechtbank Oost-Brabant heeft klager bij beschikking van 9 januari 2015 niet ontvankelijk verklaard.

2. Tegen deze beschikking is namens klager cassatieberoep ingesteld.

3. Namens klager hebben mr. R.W.J. Kerckhoffs en mr. J.N. de Boer, advocaten te Breda, een schriftuur houdende twee middelen van cassatie voorgesteld.

4 Voorgeschiedenis

4.1.

Het gaat in deze zaak om een conservatoir beslag op (i) een verzekeringspolis van [A] Ltd. bij Lombard International Assurance S.A. te Luxemburg en (ii) banktegoeden van [B] Ltd. bij CBP Quilvest te Luxemburg. Klager bezit – zo staat vermeld in het klaagschrift – de aandelen aan toonder van [A] Ltd. en [B] Ltd. De beslagen zijn gelegd door de Luxemburgse autoriteiten naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van het Functioneel Parket en het Bureau Ontnemingswetgeving van het Openbaar Ministerie in verband met een strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke frauduleuze activiteiten van klager.1 Namens klager is op 3 oktober 2014 ter griffie van de Rechtbank een klaagschrift ingediend dat strekt tot opheffing van het hiervoor bedoelde conservatoir beslag op de verzekeringspolis en de banktegoeden. Eerder al hadden [A] Limited en [B] Limited een klaagschrift ingediend naar aanleiding van het op de verzekeringspolis en de banktegoeden gelegde beslag. Dat beklag is – bij beschikkingen van 25 april 2014 - ongegrond verklaard door de Rechtbank.2 Ik kom later nog op deze beslissingen terug. Thans verzoekt klager zelf om opheffing van het conservatoir beslag op de verzekeringspolis en de banktegoeden en om teruggave daarvan aan klager. De Rechtbank heeft klager, als gezegd, niet ontvankelijk verklaard.

4.2.

De bestreden beschikking houdt, voor zover relevant – het volgende in:

De Beoordeling

Het klaagschrift is tijdig ingediend, immers binnen twee jaren na voornoemde inbeslagneming.

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat klager niet ontvankelijk moet worden verklaard. De raadsman heeft het tegenovergestelde bepleit. De rechtbank volstaat op dit punt met verwijzing naar de ter zitting van de openbare raadkamer overgelegde schriftelijke standpunten.

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de beklagprocedures met RK-nummers 14/380 en 14/381 de klaagschriften ongegrond zijn verklaard en dat ten aanzien van klager als (onbetwiste) eigenaar van de toen klagende bedrijven [A] Ltd. en [B] Ltd. is overwogen dat het naar het oordeel van de rechtbank niet hoogstonwaarschijnlijk is dat in een latere strafprocedure jegens [klager] wordt gekomen tot een ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor bedoelde beslissingen zich in materiële zin hebben gericht tot de persoon van [klager]. Eén en ander noopt tot de conclusie dat thans hetzelfde klaagschrift voorligt, zij het ingeleid door een andere klager, te weten [klager]. Nu verder geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd, kan de rechtbank niet tot een andere conclusie komen dan dat klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Gelet op deze uitkomst behoeven de overige punten geen bespreking meer.“

5 Middel I

5.1.

Het middel is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van klager in zijn beklag. Het klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat de beslissingen in de beklagprocedures van [A] Ltd. en [B] Ltd. in materiële zin zijn gericht tot de persoon van klager. Volgens het middel heeft de Rechtbank – door klager op basis hiervan niet ontvankelijk te verklaren - miskend dat elke belanghebbende (op grond van art. 552a Sv jo. art. 6 EVRM) “een eigen klaagschrift” moet kunnen indienen.

5.2.

Ingevolge art. 552a, lid 1, Sv kunnen “de belanghebbenden” zich schriftelijk beklagen over (onder meer) inbeslagneming. Een belanghebbende mag zelfs – zolang het beslag niet is geëindigd - meermalen een klaagschrift indienen strekkende tot teruggave aan hem van op de voet van art. 94 of art. 94a Sv inbeslaggenomen voorwerpen, indien een eerder door hem met datzelfde doel ingediend klaagschrift niet heeft geleid tot teruggave aan hem. Wel is het zo dat de klager in een dergelijk herhaald beklag niet-ontvankelijk is, indien hij geen nieuwe feiten en/of omstandigheden aanvoert ten opzichte van die in het eerdere klaagschrift.3 In het oordeel van de Rechtbank – dat de eerdere beslissingen (op het klaagschrift van de vennootschappen) zich in materiële zin richtten tot klager en dat er dus sprake is van “hetzelfde klaagschrift, zij het ingeleid door een andere klager” - ligt besloten dat zij het klaagschrift van klager heeft aangemerkt als een herhaald beklag. De vraag is of dat juist is. Kan klager in procedureel opzicht vereenzelvigd worden met [B] Ltd. en [A] Ltd.?

5.3.

In de beide eerdere beklagprocedures was [klager] (de klager in de onderhavige zaak) als directeur van de vennootschappen namens die vennootschappen bij de openbare behandeling van de klaagschriften in raadkamer aanwezig. Dat blijkt uit de beschikkingen van de Rechtbank Oost-Brabant van 25 april 2014.4 Het klaagschrift van [B] Limited strekte tot opheffing van het conservatoir beslag op de banktegoeden bij CBP Quilvest te Luxemburg. Uit de op dat klaagschrift gegeven beschikking (RK-nummer 14/380) blijkt dat [klager] zich in raadkamer als vertegenwoordiger van de vennootschap op het standpunt had gesteld dat de inbeslaggenomen banktegoeden aan de vennootschap toebehoren. Die beschikking houdt, voor zover relevant, verder het volgende in:

“De raadsman, mr. Kerckhoffs, heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat van een causaal verband tussen het verkregen voordeel (winst behaald met ter beschikking stellen van arbeidskrachten) en het misdrijf (valse oogst-op-stamcontracten) geen sprake is en voornoemd beslag moet worden opgeheven, nu voornoemde vennootschap de rechthebbende is van de bankrekening.

De officier van justitie concludeert primair dat het beklag ongegrond dient te worden verklaard, omdat niet buiten redelijke twijfel is dat klaagster de rechthebbende is op het beslag. De officier van justitie concludeert subsidiair dat het beklag ongegrond dient te worden verklaard, nu zich de omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 94a lid 3 en/of 4 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechter stelt vast dat er in het onderhavige geval sprake is van conservatoir beslag ex artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering. Gebleken is dat er jegens [klager] een gerede verdenking bestaat van misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd dan wel een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Gelet op de omstandigheden van het geval acht de rechtbank het niet hoogst onwaarschijnlijk dat in een latere strafprocedure jegens [klager] de strafrechter komt tot het opleggen van een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank stelt vast dat niet buiten redelijke twijfel is dat klaagster als rechthebbende kan worden aangemerkt, nu [klager] zelf de feitelijk rechthebbende lijkt te zijn van de banktegoeden. Dit kan worden afgeleid uit het feit dat blijkens informatie van FIU Luxemburg [klager] zelf zozeer betrokken is bij de activiteiten van de rechtspersoon en met betrekking tot de gelden zelf actie onderneemt, waaronder het naar een rekening in Polen laten overboeken van deze gelden, dat hij kan worden vereenzelvigd met de rechtspersoon en is aan te merken als de feitelijk rechthebbende van deze tegoeden. Daarmee verzet het belang van strafvordering zich tegen de teruggave van het beslag aan klaagster. Derhalve zal de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaren.”

5.4.

In de andere beklagprocedure, die van [A] Limited, strekte het klaagschrift tot opheffing van het conservatoir beslag op een verzekeringspolis bij Lombard International Assurance S.A. te Luxemburg, zo blijkt uit de beschikking van 25 april 2014 in die zaak (RK nummer 14/381). Uit die beschikking blijkt voorts dat [klager] zich bij de behandeling van het klaagschrift van [A] Limited op het standpunt had gesteld dat de inbeslaggenomen verzekeringspolis aan de vennootschap toebehoort. Verder luidt de desbetreffende beschikking vrijwel hetzelfde als de beschikking op het beklag van [B] Limited. Ik citeer enkel de afwijkende passage:

“De rechtbank stelt vast dat niet buiten redelijke twijfel is dat klaagster als rechthebbende kan worden aangemerkt, nu [klager] zelf blijkens informatie van FIU Luxemburg de beneficial owner is van [A] Limited en daarmee van de verzekeringspolis. Voorts is gebleken dat [klager] zelf bezig is geweest de waarde van de polis uit te keren op rekeningen in Polen. Naar het oordeel van de rechtbank lijkt [klager] de feitelijke rechthebbende te zijn van de polis. Daarmee verzet het belang van strafvordering zich tegen de teruggave van het beslag aan klaagster. Derhalve zal de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaren.”

5.5.

Vaststaat dat het hier gaat om conservatoir beslag ex art. 94a Sv. Dan gelden de volgende toetsingsmaatstaven. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a, lid 1 of 2, Sv, dient de rechter te onderzoeken a) of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b) of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

5.6.

Indien een derde — als zodanig kan ook gelden degene onder wie het beslag feitelijk is gelegd, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht — die stelt eigenaar te zijn, op de voet van 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend, dient de rechter als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk te geven. Indien de klager als eigenaar wordt aangemerkt, zal de rechter tevens moeten onderzoeken en daarvan blijk moeten geven of zich de situatie van art. 94a, lid 3 of 4, Sv voordoet.5

5.7.

De laatst genoemde maatstaf had de Rechtbank mijns inziens moeten aanleggen bij de beoordeling van de klaagschriften van de vennootschappen. Zij moeten in de terminologie van de Hoge Raad worden beschouwd als “derden”. Het strafrechtelijk onderzoek richt zich immers tegen [klager] (lees: klager). De Rechtbank is tot het oordeel gekomen dat niet buiten redelijke twijfel was dat de vennootschappen rechthebbenden waren, en wel omdat [klager] als de feitelijk rechthebbende moest worden beschouwd. Op die grond heeft de Rechtbank kennelijk het beklag in beide zaken ongegrond verklaard. De Rechtbank had het – gelet op de toepasselijke toetsingsmaatstaf – bij dat oordeel moeten laten. In plaats daarvan heeft zij tevens geoordeeld dat (i) er jegens [klager] een gerede verdenking bestaat van misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd dan wel een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en (ii) dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter in een latere strafprocedure tot het opleggen van een ontnemingsmaatregel komt jegens [klager]. Wellicht dat de Rechtbank op het verkeerde been is gezet doordat de discussie bij de raadkamerbehandeling zich toespitste op de vraag of sprake was van door [klager] wederrechtelijk genoten voordeel. Dat neemt niet weg dat het hier op zijn best gaat om overwegingen ten overvloede, waarop de desbetreffende beschikkingen niet steunen.

5.8.

De vennootschappen hebben destijds cassatieberoep ingesteld. De cassatiemiddelen bestreden ook de hiervoor bedoelde overwegingen ten overvloede. Het eerste middel klaagde telkens over het oordeel van de Rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat jegens [klager] in de strafprocedure een ontnemingsvordering wordt opgelegd. Gelet op de toepasselijke maatstaf – namelijk of niet buiten redelijke twijfel was dat de vennootschappen rechthebbenden waren – konden de vennootschappen over dat ten overvloede gegeven oordeel in cassatie niet klagen. Het zal er daarom voor gehouden moeten worden dat de Hoge Raad – die het cassatieberoep in beide zaken met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk verklaarde 6 – om die reden aan het eerste middel voorbij is gegaan. Het bedoelde oordeel lag anders gezegd in cassatie niet ter beoordeling voor.

5.9.

Het voorgaande wordt niet anders doordat de Rechtbank in de bedoelde beschikkingen [klager] met de vennootschappen lijkt te hebben vereenzelvigd. In de beschikking op het klaagschrift van [B] Ltd. heeft de Rechtbank expliciet overwogen dat kan worden gesproken van “vereenzelviging” van [klager] met “de rechtspersoon”. In de andere beschikking ontbreekt een dergelijke expliciete vaststelling, maar de gedachtegang is dezelfde. Niet uit het oog mag worden verloren dat deze “vereenzelviging” betrekking had op de vraag aan wie de voorwerpen toebehoren. Dat bij de beantwoording van die vraag of vereenzelvigd kan worden – hetgeen neerkomt op het oordeel dat de voorwerpen niet uitsluitend aan de rechtspersoon, maar ook aan [klager] toebehoren – wil bepaald niet zeggen dat [klager] en de vennootschappen ook in procedureel opzicht aan elkaar gelijkgesteld kunnen worden. De vraag aan wie de voorwerpen toebehoren, kan alleen rijzen als er in procedureel opzicht onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende personen. Als [klager] als procesdeelnemer gelijkgesteld moet worden met de beide vennootschappen, staat in het proces op voorhand vast dat wat aan de rechtspersoon toebehoort, ook aan [klager] toebehoort. Binnen één pot nat kan nu eenmaal geen verschil worden gemaakt. De consequentie is ook dat volstrekt onhelder wordt aan welke maatstaven het beklag moet worden getoetst. Moet aangenomen worden dat het strafrechtelijk onderzoek zich in feite tegen de beide vennootschappen richtte (omdat zij vereenzelvigd moeten worden met [klager]), zodat geen sprake is van beklag door “derden”, maar door de persoon in wiens zaak de voorwerpen in beslag zijn genomen? In dat geval zou de Rechtbank zich terecht hebben gebogen over de vraag of het hoogst onwaarschijnlijk is dat [klager] door een ontnemingsmaatregel zal worden getroffen. Tegelijk is dan echter de vraag of de Rechtbank niet met één beschikking had moeten volstaan (of een van de klaagschriften niet-ontvankelijk had moeten verklaren) omdat [klager] (die met de vennootschappen moet worden vereenzelvigd) in feite twee keer over hetzelfde klaagde. Kortom, door een vereenzelviging van procesdeelnemers ontstaat een procedurele brei, waarin uiteindelijk eenieder verdrinkt, de rechter incluis.

5.10.

In het verlengde van het voorgaande ligt dat grote terughoudendheid moet worden betracht bij het vereenzelvigen van procesdeelnemers als het gaat om de vraag of sprake is van een herhaald beklag. Ik zou die vereenzelviging niet geheel willen uitsluiten, maar voorwaarde is dan wel dat er geen relevante verschillen zijn in de positie van de desbetreffende procesdeelnemers, zodat het voor de beoordeling niet uitmaakt wie het klaagschrift indient. In de onderhavige zaak is aan die voorwaarde niet voldaan. De maatstaven aan de hand waarvan het beklag moet worden beoordeeld, verschillen immers aanzienlijk.

5.11.

Dat de Rechtbank die verschillen in de eerdere beklagprocedures uit het oog heeft verloren, doet daaraan niet af. Het moge zo zijn dat de Rechtbank, zoals zij in de bestreden beschikking overweegt, in de eerdere beklagprocedures heeft geoordeeld dat het “niet hoogstonwaarschijnlijk is dat in een latere strafprocedure jegens [klager] wordt gekomen tot een ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel”, maar dat oordeel kon noch door [klager] (die geen klager was), noch door de klagende vennootschappen aan de Hoge Raad worden voorgelegd. Ook het enkele feit dat de door de Rechtbank gevolgde aanpak in de hand werd gewerkt door de opstelling die [klager] als ruimschoots van rechtsbijstand voorziene vertegenwoordiger van de beide vennootschappen koos, maakt dit mijns inziens niet anders. Het is primair aan de Rechtbank om de orde van de procedure te bewaken. Dat zij in haar oordelen die orde te buiten ging, kan de klager daarom niet worden tegengeworpen.

5.12.

Het middel is terecht voorgesteld.

6 Middel II

Nu het eerste middel slaagt behoeft het tweede middel, dat klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat klager geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd, geen bespreking meer. Indien de Hoge Raad over het eerste middel anders mocht oordelen, ben ik desgewenst bereid aanvullend te concluderen.

7. Het eerste middel slaagt, het tweede middel behoeft geen bespreking.

8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terugwijzing of verwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 De rechtshulpverzoeken zijn als productie aan het klaagschrift van klager gehecht alsmede aan de “notitie” aan de hand waarvan de officier van justitie het woord heeft gevoerd tijdens de behandeling van het klaagschrift van klager in de openbare raadkamer van 10 december 2014.

2 Beide vennootschappen hebben cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de Rechtbank van 25 april 2014. De vennootschappen werden in cassatie vertegenwoordigd door mr. R.W.J. Kerckhoffs, de raadsman die thans ook klager in cassatie bijstaat (samen met mr. J.N. de Boer). In beide zaken (14/03033 en 14/02980) heeft de Hoge Raad het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet ontvankelijk verklaard.

3 Zie HR 31 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1478; HR 4 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2161 en HR 21 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0838.

4 Beide beschikkingen (RK-nrs: 14/380 en 14/381) behoren tot de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. De beschikkingen zijn niet alleen als productie aan het klaagschrift van klager gehecht, maar ook als productie aan de notitie van het Functioneel Parket “ten behoeve van de raadkamer betreffende de klaagschrift ex art. 552a Sv van [klager]”. Aan de hand van deze notitie heeft de officier van justitie tijdens de openbare raadkamerbehandeling van het klaagschrift van klager ter zitting van 10 december 2014 het woord gevoerd, zo blijkt uit het proces-verbaal van die raadkamerbehandeling.

5 Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.14 en 2.15.

6 De beschikkingen van de Hoge Raad dateren van 10 februari 2015 (zaaknummers 14/02980 B en 14/03033 B).