Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2645

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-12-2015
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
15/01341
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:208, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verklaring getuige wiens identiteit niet blijkt? De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:1999:ZD1460 en ECLI:NL:HR:2002:AE1195. Het Hof heeft een in een bewijsmiddel weergegeven verklaring kennelijk niet opgevat als een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt doch als een verklaring afgelegd door een bewoonster van de portiekgalerij behorende bij het perceel. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen hetgeen het pv waaraan het bewijsmiddel is ontleend inhoudt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/01341

Zitting: 1 december 2015

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 28 augustus 2014 de verdachte wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en 2. “diefstal” veroordeeld tot een taakstraf van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis.

2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het Hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van een schriftelijk bescheid houdende een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, zonder dat gebruik naar de eis der wet te motiveren.

4. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

“1. hij in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 2 maart 2011 te Huizen opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [a-straat 1] een groot aantal hennepplanten;

2. hij in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 2 maart 2011 te Huizen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid kilowatturen elektrische energie toebehorende aan Liander N.V.”.

5. Deze bewezenverklaring berust onder meer op het volgende bewijsmiddel:

“Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1405 2011010494-19 van 20 maart 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6], doorgenummerde pagina 86.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 20 maart 2012 stelden wij een buurtonderzoek in, bij de portiekgalerij, horende bij perceel [a-straat 1] te Huizen.

Bij dit onderzoek spraken wij een vrouw, welke anoniem wenste te blijven. Zij verklaarde dat zij de bewoner kent onder de naam [verdachte]. Deze [verdachte] zou in de weken voordat de politie de hennepplantage in zijn woning ontdekte, bijna nooit meer thuiskomen. Ze zag hem slechts af en toe in- en uitlopen. Hierbij bracht hij dan soms een gesloten kartonnen doos vanuit zijn huis naar zijn auto. Andere personen dan [verdachte] heeft zij nooit bij de woning gezien.”

6. De bewezenverklaring is in het bestreden arrest voorts als volgt gemotiveerd:

“De verdachte heeft steeds ontkend enige betrokkenheid bij de hennepkwekerij te hebben gehad. Hij heeft verklaard dat hij in 2009 de woning aan de [a-straat 1] te Huizen heeft verlaten en dat hij de woning vanaf dat moment steeds heeft onderverhuurd. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij de persoon die als laatste het pand wilde huren medio oktober/november 2010 het telefoonnummer van de verhuurder [betrokkene 2] heeft gegeven, omdat hij niet als tussenpersoon wilde blijven fungeren. Ook zou hij toen de huissleutels van de woning aan deze persoon hebben gegeven en zich telefonisch hebben afgemeld bij NUON. Tot slot heeft de verdachte steeds verklaard dat het enige wat hij met betrekking tot opgenoemde woning nog gedaan zou hebben is het in ontvangst nemen van de huurpenningen van de onderhuurder voor de maanden oktober en november 2010 en deze aan de verhuurder [betrokkene 2] te hebben overgemaakt.

Op grond van de stukken van het dossier stelt het hof vast dat de verdachte, vanaf 15 november 2005 huurder en gebruiker was van de woning aan de [a-straat 1] te Huizen. Het dossier biedt geen enkel aanknopingspunt voor de stelling van de verdachte dat een ander dan de verdachte van die woning gebruik heeft gemaakt. Ook is op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat de verdachte de woning onderverhuurde. De verdachte heeft daartoe geen enkel identificerend gegeven van een onderhuurder of anderszins stukken ter onderbouwing van zijn stelling overgelegd. Daarbij komt dat buurtbewoners geen andere personen dan de verdachte bij en rond de woning hebben waargenomen.

Uit de verklaring van de verhuurder [betrokkene 2] blijkt dat de verdachte zich pas begin maart 2011 telefonisch heeft laten ontvallen dat hij de woning had onderverhuurd. Aangezien de hennepkwekerij op 2 maart 2011 door de politie is ontdekt, maakt dit de verklaring van de verdachte niet geloofwaardiger, integendeel.

Voorts heeft navraag bij liet elektriciteitsbedrijf NUON uitgewezen dat een afmelding door de verdachte bij hen niet bekend is en dat (ook) van een telefonische afmelding een registratie in het systeem wordt opgemaakt en dat er van een dergelijke registratie ten aanzien van de verdachte geen sprake is.

De stelling van de verdachte omtrent betaling van de huurpenningen voor de maanden oktober/november 2010 wordt weerlegd door bankafschriften die door de verhuurder [betrokkene 2] zijn overgelegd. Uit deze bankafschriften blijkt dat van een op naam van de verdachte staand rekeningnummer op 10 januari 2011 en 3 februari 2011 telkens een bedrag van € 2.000,00 aan huur is betaald. Blijkens de daarbij genoteerde opmerkingen van - kennelijk - [betrokkene 2] zien deze betalingen van de huur op respectievelijk de maanden oktober en november 2010 en de maanden december 2010 en januari 2011. Het hof betrekt hierbij de door de verdachte aangebrachte betalingskenmerken bij de huurbetalingen op 17 augustus 2010 en 23 september 2010. Deze zouden betrekking hebben op de maanden augustus 2010 respectievelijk september 2010.

Op grond van het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat de verdachte wetenschap had van de hennepkwekerij. Nu op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat de hennepkwekerij door een ander dan de verdachte is geëxploiteerd en het hof de verklaring van de verdachte daaromtrent ongeloofwaardig acht, kan het niet anders zijn dan dat het de verdachte is geweest die in de bewezenverklaarde periode hennep heeft geteeld en elektriciteit heeft weggenomen.”

7. Art. 344a, derde lid, Sv staat eraan in de weg dat voor het bewijs gebruik wordt gemaakt van een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, tenzij de bewezenverklaring in belangrijke mate steun vindt in andersoortig bewijsmateriaal en door of namens de verdachte is niet op enig moment in het geding de wens te kennen is gegeven om deze persoon te (doen) ondervragen. Op grond van het eerste lid van art. 360 Sv moet het gebruik voor het bewijs van een dergelijk bescheid nader te worden gemotiveerd. In die nadere motivering moet de rechter aangeven dat aan de eisen van art. 344a, derde lid, Sv is voldaan en ervan blijk geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de anonieme verklaring te hebben onderzocht.1 Art. 360, vierde lid, Sv stelt nietigheid op het ontbreken van deze nadere motivering. Cassatie volgt echter niet, indien de verklaring betrekking heeft op een omstandigheid die in het licht van de gehele bewijsvoering van zo ondergeschikte aard moet worden gedacht dat het verzuim nader te motiveren aan de toereikendheid van de bewijsmotivering niet afdoet.2

8. De enkele omstandigheid dat iemand niet met naam in een proces-verbaal wordt genoemd, maakt niet noodzakelijkerwijze dat sprake is van een verklaring als bedoeld in art 344a, derde lid, Sv. Zo is geen sprake van een dergelijke verklaring als vaststaat dat de verklarende persoon op andere wijze zodanig kan worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst diens verhoor als getuige door de rechter-commissaris of ter terechtzitting kan verzoeken.3 In HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5731, NJ 2011/452 ging het om de verklaring van de aangever over wat een “getuige” hem had verteld. Nu de verklaring voorts inhield dat de getuige een “vaste klant” van de aangever was en de persoonsgegevens van de aangever wel bekend waren, behoefde het hof hetgeen deze "getuige" de aangever had verteld volgens de Hoge Raad niet op te vatten als een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt. De identiteit van deze getuige zou immers, zo nodig, via de aangever kunnen worden achterhaald. Iets vergelijkbaars lijkt te spelen in HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:1265. Daar verklaarde de Hoge Raad de verdachte met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep. Zulks in afwijking van de tot vernietiging strekkende conclusie. In die zaak ging het om een vechtpartij in een discotheek en was voor het bewijs gebruik gemaakt van een verklaring van “een getuige die niet met haar naam vermeld wil worden”. Deze verklaring hield onder meer in dat deze getuige medewerkster van de desbetreffende discotheek was en op de in de bewezenverklaarde datum aldaar achter de bar stond. Onder die omstandigheden kan worden aangenomen dat, zo nodig, de identiteit van de getuige kan worden achterhaald.

9. In het onderhavige geval heeft het Hof voor het bewijs gebruikt gemaakt van een proces-verbaal, waarin een weergave is opgenomen van een verklaring van een vrouw die “anoniem wenste te blijven”. Dit proces-verbaal houdt in dat de verbalisanten deze vrouw hebben gesproken in het kader van een buurtonderzoek, dat zij instelden bij de portiekgalerij behorende bij het perceel [a-straat 1] te Huizen. Het gaat hier kennelijk om een buurtbewoner, iemand die een woning bewoont die het portiek deelt met de in de bewezenverklaring genoemde woning. Dat wordt ook bevestigd door de inhoud van de verklaring. Daarin worden immers meerdere waarnemingen beschreven, die rond laatstgenoemde woning werden gedaan. Dat betekent dat de identiteit van de vrouw, indien nodig, door het herhalen van dit (niet zeer omvangrijke) buurtonderzoek kan worden achterhaald.

10. In HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3151 ging het om de verklaring van een onbekend gebleven man. Ook daar ging het niet om een verklaring over een eenmalige waarneming. In die verklaring wordt gesproken van “sinds enige tijd” en “regelmatig”. Dat wekt het vermoeden dat het ook in dat geval ging om een buurtgenoot. Uit het proces-verbaal waarin de verklaring werd opgenomen, blijkt daarvan echter niet. Wel blijkt daaruit dat de verbalisanten door de man werden aangesproken en het initiatief kennelijk uitging van deze man. Dat laat de mogelijkheid open dat deze man niet een buurtgenoot was, maar bijvoorbeeld een regelmatige passant. Die onduidelijkheid, maakt dat niet zomaar kan worden aangenomen dat, zo nodig, de identiteit van deze man kan worden achterhaald. Van dergelijke onduidelijkheid is in het onderhavige geval geen sprake. Het Hof behoefde de verklaring van de vrouw dan ook niet op te vatten als een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt.

11. Het middel faalt.

12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 11 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1460, NJ 1999/526 en meer recentelijk HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3151.

2 HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5731, NJ 2011/452.

3 HR 4 juni 2002, LJN AE1195, NJ 2002/416, herhaald in HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5731, NJ 2011/452.