Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2643

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-12-2015
Datum publicatie
09-02-2016
Zaaknummer
15/01587
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:205, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid in h.b. Ontbreken appelmemorie. Het Hof heeft mede op de grond dat door verdachte geen appelschriftuur is ingediend, verdachte ex art. 416.2 Sv n-o verklaard in het ingestelde h.b. De inhoud van de aan de cassatieschriftuur gehechte “transactierapporten” biedt echter voldoende grond voor het ernstige vermoeden dat namens verdachte per fax een schriftuur houdende grieven is ingediend. Op grond hiervan moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat een dergelijke schriftuur wel is ingediend. De HR wijst de zaak terug.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/01587

Zitting: 1 december 2015

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 30 januari 2015 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. S. Ben Tarraf, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat de verdachte ten onterechte niet-ontvankelijk is verklaard in zijn hoger beroep nu het Hof geen betekenis heeft toegekend aan het grievenformulier voorzien van een tweetal faxberichten dat zich bevindt in het dossier dat aan de raadsman van de verdachte ter beschikking is gesteld.

4. In de toelichting op het middel wordt de stelling betrokken dat wanneer de raadsman een document faxt aan de Rechtbank en beschikt over een verzendbewijs met de melding ‘ok’, het ervoor moet worden gehouden dat het desbetreffende document ook is aangekomen bij de Rechtbank.

5. De zaak is behandeld op de terechtzitting in hoger beroep van 16 januari 2015. Het proces-verbaal van die zitting houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:

“(…)

De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte genaamd:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

is niet ter terechtzitting aanwezig.

De raadsman van verdachte, mr. P.D. Popescu, advocaat te Amsterdam, is evenmin ter terechtzitting verschenen.

De voorzitter deelt mede.

De raadsman heeft via de deurwaarder laten weten tien minuten later te zijn. Er is een half uur verstreken maar de raadsman is nog niet verschenen.

Als tolk in de Roemeense taal is verschenen mw. L.S. Hoefsmit-Ionescu, zijnde een in het register als bedoeld in artikel 2 van de Wet beëdigde tolken en vertalers ingeschreven tolk onder nummer 628. Nu verdachte niet ter terechtzitting is verschenen deelt de voorzitter de tolk mede dat haar bijstand ter terechtzitting niet wordt vereist en geeft de tolk toestemming de zaal te verlaten.

Hierop verlaat de tolk de zittingszaal.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor een kort moment.

Na hervatting van het onderzoek komt mr. S. Ben Tarraf, advocaat te Amsterdam, de zittingszaal binnen.

De raadsman deelt mede.

Mijn excuses voor de vertraging mijnerzijds. Ik heb mijn best gedaan maar ik ben vanwege het verkeer niet in staat geweest om op tijd te komen.

De voorzitter deelt mede dat de tolk voor de onderbreking van de zitting toestemming heeft gekregen de zaal te verlaten.

De voorzitter stelt voorts vast dat de dagvaarding in hoger beroep op juiste wijze is betekend.

De raadsman deelt desgevraagd mede.

Ik weet niet waarom cliënt niet ter terechtzitting is verschenen. De dagvaarding is op juiste wijze betekend en hij had derhalve van de zitting op de hoogte moeten zijn. Ik ben niet uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd de verdediging te voeren.

Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt, dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor.

Door de voorzitter wordt de korte inhoud van de stukken in deze zaak medegedeeld.

De advocaat-generaal voert het woord tot requisitoir, leest zijn vordering voor en legt deze aan het hof over.

De advocaat-generaal deelt mede.

Verdachte heeft geen grieven tegen het vonnis ingediend. Ik vorder dat het hof verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep.

De raadsman deelt mede.

Hoewel ik niet gemachtigd ben, wens ik op te merken dat zich een grievenformulier in het dossier bevindt. De advocaat die het appel heeft ingesteld, heeft het grievenformulier ingevuld.

De advocaat-generaal deelt mede geen ingevuld grievenformulier in het dossier te hebben aangetroffen.

De voorzitter en de leden van het hof stellen vast dat zich in het dossier geen grievenformulier bevindt.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 30 januari 2015 te 09.00 uur.

(…)”

6. Als bijlage bij de schriftuur zijn aangehecht twee zogenoemde ‘transactierapporten’, aangaande een ingevuld grievenformulier en kennelijk afkomstig van de fax van de (voorgaande) raadsman van de verdachte. Uit deze transactierapporten zou moeten blijken dat het betreffende grievenformulier op 8 mei 2014 tweemaal per fax is verzonden aan de Rechtbank Oost-Brabant1, te weten naar twee verschillende faxnummers, waaronder het faxnummer van de centrale balie.2 Bovenaan beide transactierapporten staat de melding ‘ok’. Deze twee transactierapporten zouden zich tezamen met het grievenformulier in het dossier bevinden zoals dat - ik begrijp door de voorgaande raadsman - aan de (opvolgend) raadsman ter beschikking is gesteld.

7. Het Hof heeft - kennelijk naar aanleiding van de opmerkingen van de niet-gemachtigde raadsman - ter terechtzitting in hoger beroep vastgesteld dat het grievenformulier zich niet in het dossier bevindt. Tussen de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich voorts noch een (ingevuld3) grievenformulier, noch een faxbericht van verdachtes raadsman aan de strafgriffie van de Rechtbank Oost-Brabant betreffende voornoemd formulier met grieven, noch een verzendbericht respectievelijk mutatierapport waaruit verzending kan blijken, noch enige andere vorm van ontvangstbevestiging door de griffier, respectievelijk de griffie van de Rechtbank.

8. De inhoud van de aan de schriftuur gehechte stukken biedt evenwel grond voor het ernstige vermoeden dat namens de verdachte een schriftuur houdende grieven als bedoeld in art. 410 Sv is ingediend. Op grond hiervan moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat een dergelijke schriftuur is ingediend.4

9. Het middel slaagt.

10. Het voorgaande leidt ertoe dat het tweede middel dat erover klaagt dat het Hof ter terechtzitting van 16 januari 2015 aan de niet gemachtigde raadsman de mogelijkheid heeft onthouden om het grievenformulier te overleggen, geen bespreking behoeft. Overigens faalt het, omdat het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 januari 2015 niets vermeldt over een voorstel van de niet gemachtigde raadsman om een grievenformulier te overleggen, noch over een reactie daarop van het Hof. Het moet er in cassatie derhalve voor worden gehouden dat het gestelde niet heeft plaatsgehad.5

11. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 De Rechtbank Oost-Brabant heeft inderdaad het vonnis in eerste aanleg gewezen. In zoverre zou het grievenformulier aan de juiste Rechtbank zijn gezonden.

2 Dat het ingevulde grievenformulier is verzonden, kan uit de verzendrapporten worden afgeleid nu het grievenformulier verkleind op de rapporten is afgedrukt. Vgl. HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1375. Uit de aan de schriftuur gehechte transactierapporten blijkt dat er is gefaxt naar twee faxnummers, te weten: om 18:35 uur naar 073-6204489 en om 18:36 uur naar 073-6202583. Controle op de website van de Rechtbank Oost-Brabant wijst uit dat deze faxnummers momenteel niet in gebruik zijn bij de griffie, respectievelijk de centrale informatiebalie aldaar. Bij telefonische navraag bij de Rechtbank blijkt evenwel dat de beide faxnummers op de datum van de transactierapporten nog wel in gebruik waren. In verband met onder meer de wens om over te gaan naar digitaal faxen zijn de nummers in de loop van 2015 komen te vervallen, aldus de geraadpleegde medewerker van de Rechtbank. Voorts merk ik hier terzijde nog op dat de omstandigheid dat het grievenformulier pas na sluitingstijd van de griffie is gefaxt, niet afdoet aan de tijdigheid gezien de vaste rechtspraak van Uw Raad dat ‘een per fax verzonden appelschriftuur die ter griffie van het gerecht is beginnen binnen te komen vóór 24.00 uur op de laatste dag van de ingevolge art. 410.1 Sv geldende termijn van 14 dagen na het instellen van het hoger beroep, moet worden aangemerkt als binnen deze termijn ingediend’, vgl. HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2746.

3 In het (Rechtbank)dossier bevindt zich wel een oningevuld grievenformulier.

4 HR 25 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:8. Ik heb mij afgevraagd of uit HR 4 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6130, NJ 2011/467 moet worden afgeleid dat de HR een faxverzendrapport (communicatie resultaten rapport) toentertijd in het algemeen onvoldoende oordeelde voor het ernstige vermoeden dat een appelschriftuur was ingezonden. Anders dan kennelijk mijn ambtgenoot Knigge (ECLI:NL:PHR:2014:1505; het betrof daar overigens een machtiging instellen hoger beroep) meen ik dat de uitspraak van 4 oktober 2011 een bijzonder geval betreft. Ik sluit niet uit dat de Hoge Raad in het geval van 2011 bijvoorbeeld aarzeling had bij de authenticiteit van het faxverzendrapport. Ik ga er vanuit dat de Hoge Raad ten aanzien van schrifturen houdende grieven geen hogere eisen stelt of heeft gesteld, dan ten aanzien van het verzenden en ontvangen van een stelbrief (HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1375) en cassatieschrifturen (HR 18 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8293, NJ 2004/178). Voor een verschillende benadering van stelbrieven, appel- en cassatieschrifturen en machtigingen instellen rechtsmiddelen ontbreekt een goede grond .

5 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: 2015, p. 197-206.