Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2641

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-12-2015
Datum publicatie
09-02-2016
Zaaknummer
14/03929
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:203
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vordering benadeelde partij, schadevergoedingsmaatregel, wettelijke rente. Blijkens de p-v’s van de tz. in h.b. is aldaar noch door de verdachte noch door zijn raadsman aangevoerd dat een gedeelte van de schade waarvan door de b.p.’s vergoeding wordt gevorderd, is ingetreden op een later moment dan de data die door de Rechtbank zijn vastgesteld. Zo een verweer kan niet voor het eerst in cassatie worden gevoerd, aangezien de beoordeling daarvan een onderzoek van feitelijke aard zou vergen. Ook bij het opleggen van de svm kon het Hof ervan uitgaan dat de door X en Y geleden schade is ingetreden op de data die door de Rb – in hoger beroep niet bestreden – als ingangsdata voor de wettelijke rente zijn vastgesteld. In zoverre is het middel tevergeefs voorgesteld. De HR herstelt een kennelijke misslag m.b.t. de ingangsdatum van de wettelijke rente over de vordering van Y. Conclusie AG: anders m.b.t. de wettelijke rente over de svm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/03929

Zitting: 1 december 2015

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 22 juli 2014 de verdachte ter zake van 1 en 2 “met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met de algemene en bijzondere voorwaarden als in het arrest omschreven en met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof onder meer beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest is vermeld.

2. Namens de verdachte heeft mr. A.J. van der Velden, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 1 en 2 op de grond dat het hof deze telkens uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van één getuige, te weten de verklaring van [betrokkene 1] (feit 1) en de verklaring van [betrokkene 2] (feit 2).

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1: hij op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2007 tot en met oktober 2008 in de gemeente Castricum en/of Beverwijk met [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1995, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het wrijven over en/of betasten van de knie en/of het bovenbeen richting de schaamstreek van [betrokkene 1] ;

2: hij op tijdstippen in de periode van 11 oktober 2010 tot en met 20 januari 2011 in de gemeente Castricum en/of Beverwijk met [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 2001, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het over de kleding wrijven over en/of betasten van de vagina en/of de schaamstreek en/of het bovenbeen van [betrokkene 2] .”

5. Deze bewezenverklaringen steunen, met weglating van verwijzingen, blijkens de aanvulling op het verkort arrest op de volgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van feit 1:

1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL10RR 2010143252-1 van 10 januari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op 10 januari 2011 afgelegde verklaring van [betrokkene 3] :

Ik wil aangifte doen van seksueel misbruik van mijn dochter, [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1995, tegen de taxichauffeur die mijn dochter dagelijks ophaalt in Castricum en brengt. Die heet [verdachte] . Ik denk dat zijn achternaam [achternaam verdachte] is.

[betrokkene 1] is een meisje met een verstandelijke beperking. Hierdoor zit zij op het speciaal onderwijs ZMLK-school in [plaats] . Daar gaat ze iedere dag van maandag t/m vrijdag heen.

We waren aan het kijken naar het jeugdjournaal. Toen kwam die grote zaak uit Amsterdam op tv over seksueel misbruik. Toen zei [betrokkene 1] : ‘Mam, ik ben ook misbruikt, hè’. Ik zei toen: ‘Wat bedoel je’. Ik vroeg ook door wie dan? Ze zei: ‘door [verdachte] ’. Ik zei: ‘Wat heeft ie dan gedaan’. Toen vertelde ze dat hij met zijn hand steeds aan haar knie zat en daarbij een wrijvende beweging maakte aan de binnenkant van haar benen, omhoog gaande tussen haar benen, dus bij haar vagina.’ Ze liet het me meer zien met haar hand wat hij dan deed. Ze kan het niet goed vertellen dus ze liet het me zien. Ze zei: ‘Hij deed dit’. Ze maakte toen de wrijvende beweging bij de binnenkant van haar been en bij haar vagina. Ik heb opgeschreven wanneer ze dit vertelde: 13 december 2010. Ik was alleen met haar. Een half uur later kwam mijn man binnen. Ze was vreselijk aan het trillen en overstuur. Ze heeft toen weer hetzelfde aan mijn man verteld.

Ik heb haar gevraagd waar het gebeurde. Ze zei: ‘Als ik stil stond bij de halte’. Ik heb haar gevraagd of ze dan alleen was in de taxi. En dan zei ze: ‘ja’ en dat het ook gebeurde als er kinderen achterin zaten. [betrokkene 1] zit altijd voorin naast hem. Ik denk dat het drie jaar geleden is geweest met de taxichauffeur. Hij is toen van de taxi afgegaan. Hij heeft haar wel drie jaar gereden.

2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 20110404 1200 6145 van 4 april 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 3] . Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang, als de op 22 februari 2011 in de kindvriendelijke studio afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

Het gaat over een man, die heet [verdachte] . Hij heeft wat gedaan met mij in de bus. Hij heeft aan me gezeten de hele tijd. In de bus. En hij raakt me steeds aan bij me knie.

Opm. verb.: [betrokkene 1] wrijft met haar linkerhand over haar linkerknie.

En als ie iedere keer stopt bij de kinderen of bij de haltes bij de kinderen. Dan raakt hij me steeds aan. [verdachte] is taxi buschauffeur. Hij heeft elke dag aan mij gezeten. Ik denk dat ik drie jaar bij hem in de bus ben geweest. Hij zat hier en hier aan me.

Opm. verb.: [betrokkene 1] wrijft met haar linkerhand over haar linkerknie en gaat dan met haar hand naar de binnenkant van haar bovenbeen richting haar vagina.

Hij had hier die stuur waar ie schakelt. Dan ging ie aan mijn knie pakken. Zo, de hele tijd zo.

Opm. verb.: ik zie dat [betrokkene 1] met haar linkerhand haar linkerknie beetpakt.

3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL10RR 2011028422-18 van 14 juni 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] . Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van voornoemde verbalisant:

Van het bedrijf [A] zijn routelijsten ontvangen van verdachte [verdachte] . Dit zijn in totaal 9 lijsten, te weten:

……..

……..

……..

Augustus 2007

Januari 2008

Augustus 2009

……..

……...

………

[betrokkene 4] , eigenaar van [A] , zei dat als er maanden ontbreken, [verdachte] dan de route rijdt die het laatst is opgegeven.

4. Geschriften, zijnde routelijsten van verdachte van augustus 2007 tot augustus 2009, als bijlagen gevoegd bij het hiervoor onder 3 genoemde proces-verbaal.

5. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 februari 2012. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

[betrokkene 1] zat weleens naast mij in de bus. Tijdens de rit reed ik soms in de versnelling. Bij terugschakelen naar de vierde versnelling zou ik haar aangeraakt kunnen hebben.

Ten aanzien van feit 2:

6. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL 10RR 2011028422-1 van 15 april 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op 15 april 2011 afgelegde verklaring van [betrokkene 5] :

Ik wil aangifte doen van het feit dat de chauffeur aan mijn dochter heeft gezeten. Tegen [verdachte] , chauffeur bij [A] .

Mijn dochter heet [betrokkene 2] , geboren [geboortedatum] 2001. Ze heeft een IQ van 72, ze heeft ADHD en ODD. Ze gaat met de bus naar school. Ze zit op de ‘ [B] ’ in [plaats] . Ik woonde in een zomerhuisje in Castricum. [betrokkene 2] zat op de wc en zei: ‘mam, ik moet je wat vertellen, maar je moet niet boos worden’. [betrokkene 2] zei toen: ‘De chauffeur zit steeds aan me’. Ik vroeg: ‘Waar dan’. Toen ging ze staan en wees ze het aan. Ze wees met haar handen tussen haar benen en haar vagina.

Ze vertelde dit op 19 januari 2011. Ik heb toen school gebeld en die hebben toen contact opgenomen met [A] en de chauffeur is toen meteen op een andere route gezet.

Op 15 maart 2011 stond ze onder de douche. Ze vroeg of ik haar wilde helpen afdrogen. Ik heb haar snel en een beetje hardhandig afgedroogd. Toen ik haar tussen haar benen afdroogde, zei ze: ‘Mam, doe nou niet, nu doe je net als de chauffeur’. Ze zei ook dat ze er verder niet over wilde praten, omdat ik dan boos zou worden op de chauffeur. Ik heb gevraagd: ‘Had je wel je broek nog aan?’ [betrokkene 2] zei: ‘Ja’. Uiteindelijk heeft ze het aan haar vader verteld. Ze heeft toen gezegd: ‘De chauffeur zit steeds aan mijn spleetje’. Ze noemt haar vagina haar spleetje.

[verdachte] heeft vanaf oktober 2010 tot 19/20 januari 2011 [betrokkene 2] gereden.

7. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2011028422 van 3 juni 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] . Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang, als de op 18 mei 2011 in de kindvriendelijke studio afgelegde verklaring van [betrokkene 2] :

Ik zat vroeger in de kleine bus om naar school te gaan en een man die zat steeds aan mijn spleetje. En ik vond dat niet zo leuk want hij zat hier zo bij. Zo hier zo.

Opm. verb.: Ik zie dat [betrokkene 2] met haar hand haar benen aanraakt aan de binnenzijde bij haar vagina.

Maar hij zat ook echt aan mijn spleetje dus. Hij zat gewoon aan miijn spleetje. En hij kreeg, en ik kreeg ik ehm pijn van aan mijn spleetje zo. En, en ehm, ja toen was die een beetje rood. Die man heet [verdachte] . Hij rijdt busjes.

Hoe vaak hij aan mijn spleetje heeft gezeten? Ehm ik denk ehm wel heel vaak. Ik denk iets van 7, 8, 10 keer of zo. We zaten aan het rijden en ik zat bij hem voorin en hij doet zo.

Opm. verb.: Ik zie dat [betrokkene 2] met haar rechterhand op de binnenkant van haar bovenbeen slaat. Ik zie dat dit boven haar knie is. Ik zie dat ze dan met haar hand naar boven wrijft richting haar vagina. Ik zie dat ze ook over haar vagina heen wrijft.

En toen zei ik: ‘Kan je stoppen’. Hij hoorde me niet. Hij zat nog steeds zo.

Opm. verb.: Ik zie dat [betrokkene 2] haar vagina aanwijst.

Ik zeg: ‘Kan je stoppen’. Zeg ik, ik zeg dat nog een keer: ‘Kan je stoppen, kan je stoppen’. Hij luistert niet naar me. Als hij mij daar aanraakte, ging ie gewoon zo. Zat ie zo en dan

Opm. verb.: Ik zie dat [betrokkene 2] met haar hand haar vagina aanraakt en een heen en weer gaande beweging maakt met haar hand over haar vagina.

O, zat ie zo en dan ging ie

Opm. verb.: Ik zie dat [betrokkene 2] met haar hand heen en weer wrijft over de binnenkant van haar linker bovenbeen.

Ik had mijn spijkerbroek aan toen hij aan mijn spleetje zat.

8. Een proces-verbaal van verhoor met nummer PL10RR 2011028422-8 van 6 juni 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 1] . Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Ik ben chauffeur bij [A] . We hebben vaste routes. Het is schoolvervoer.

Als u mij vertelt dat er aangifte is gedaan door een moeder van een meisje welke op het vakantiepark woonde te Castricum (het hof begrijpt: door [betrokkene 5] ), dan weet ik wie u bedoelt. Ik breng dat meisje als laatste weg en als tweede of derde haal ik haar op.

Meestal zat ze naast de deur. Als ik dan moet achteruit schakelen, dan zit je aan haar been. Dat is twee keer gebeurd. Dan raak je haar tegen haar bil. Ze zit dan naast me.

Ten aanzien van feit 1 en 2:

9. Een proces-verbaal van verhoor met nummer PL10RR 2011028422-9 van 6 juni 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 6] . Dit proces-verbaal houdt in -voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven - als de op 6 juni 2011 afgelegde verklaring van [betrokkene 6] :

Ik heb gesprekken gevoerd met de directrice van [B] . Zij vertelde dat de zedenpolitie op school was geweest en dat ook over [betrokkene 2] was gesproken. [betrokkene 2] vertelde dat chauffeur [verdachte] [verdachte] regelmatig aan haar been zat. We wilden het zekere voor het onzekere nemen. Het enige wat ik kon bedenken was om [verdachte] zo snel mogelijk van de route te halen. Ik heb hem gebeld en hij is naar kantoor gekomen. [verdachte] was heel erg zenuwachtig. Hij had papieren in zijn handen. Hij kon ze niet stil houden. Normaal is hij een spraakwaterval. Nu had hij geen weerwoord, niets te vertellen. Weinig babbels. Ik vond dat niet zijn normale doen. Ik zei hem dat er problemen met [betrokkene 2] waren. Ik zei hem dat het stoten met schakelen tegen haar been als storend werd ervaren. Om problemen te voorkomen zei ik hem dat hij op een andere route werd gezet. De directrice van school had gezegd dat er een gesprek was geweest met [betrokkene 2] en dat zij had aangegeven dat de chauffeur veelvuldig aan haar been zat. [verdachte] nam de wijziging van de route zonder tegengas in ontvangst. Ik zag wel dat hij minder begon te trillen. Toen bedacht ik bij mezelf: Hij had meer verwacht.

10. Een proces-verbaal van verhoor door de rechter-commissaris van 10 november 2011. Dit proces-verbaal houdt in -voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven - als de op 10 november 2011 afgelegde verklaring van [betrokkene 4] :

Ik weet nog dat ik een gesprek heb gehad met [betrokkene 7] , de directeur van de school. Volgens mij ging dat over [betrokkene 1] . Daarna was er iets met [betrokkene 2] . Ik heb niet veel meer gehoord dan dat er iets zou zijn geweest met het schakelen en het aan de benen zitten van de kinderen. Ik heb [verdachte] gezegd dat er klachten waren en ik heb hem verteld wat ik had gehoord. We hebben hem gelijk gezegd dat hij op een andere route zou gaan rijden. Hij reageerde nerveus. Hij had geen reactie op het verwijt. Hij ontkende niet en bekende ook niet. Hij nam onze beslissing gelaten aan. U vraagt mij of dat past bij het karakter van [verdachte] , aangezien [betrokkene 6] en mijn dochter hem hebben beschreven als iemand die altijd een weerwoord heeft. Zo ken ik hem ook, maar in dit geval heeft hij niet geprotesteerd.”

6. Voorts heeft het hof ten aanzien van de bewezenverklaringen, met weglating van verwijzingen, het volgende overwogen:

“De verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] vinden steun in de verklaringen van hun moeders, nu deze niet alleen een weergave behelzen van hetgeen hun dochters aan hen hebben verteld, maar tevens hun waarneming van het gedrag van hun dochters. Zo verklaart [betrokkene 3] (de moeder van [betrokkene 1] ) dat haar dochter vreselijk aan het trillen en overstuur was toen zij vertelde over het misbruik door de verdachte. [betrokkene 5] (de moeder van [betrokkene 2] ) vertelt hoe haar dochter - na verklaard te hebben hoe de verdachte aan haar had gezeten - er eigenlijk niet over wilde praten en bang was dat haar moeder boos zou worden.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt het hof voorts af dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] elkaar niet kennen. Zij hebben, onafhankelijk van elkaar, op verschillende momenten en onder andere omstandigheden vergelijkbare verklaringen afgelegd over de dingen die verdachte bij hen dan wel met hen deed in de bus. In beide gevallen heeft de verdachte een vergelijkbare werkwijze gehanteerd. Weliswaar vertonen de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] discrepanties, maar ten aanzien van de door het hof voor het bewijs te gebruiken onderdelen van hun verklaringen zijn deze consistent en duidelijk. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om aan de geloofwaardigheid van deze verklaringen te twijfelen en zal deze voor het bewijs gebruiken.

Ook de verklaring van de verdachte draagt bij aan het bewijs, in zoverre dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 2] weleens voorin zaten en dat voor beide meisjes geldt, dat ze ook wel direct naast hem zaten.

(…)

Naast eerder genoemde verklaringen slaat het hof acht op de verklaring van [betrokkene 6] bij de politie op 6 juni 2011 en op de verklaring van [betrokkene 4] bij de rechter-commissaris op 10 november 2011. In beide verklaringen wordt gewag gemaakt van de betrokkenheid van de verdachte bij incidenten als de onderhavige. [betrokkene 4] merkt op dat de verdachte, die hij kent als iemand die altijd een weerwoord heeft, niet bekende en niet ontkende en de beslissing dat hij op een andere route zou gaan rijden gelaten accepteerde, [betrokkene 6] viel de nerveuze reactie van de verdachte op toen deze geconfronteerd werd met de over hem gedane klacht en merkt op dat hij geen weerwoord had en niet doorvroeg, hetgeen niet zijn normale manier van doen was.”

7. De onderhavige zaak betreft twee op zichzelf staande verdenkingen van ontucht door de verdachte gepleegd met twee minderjarige meisjes die hij als (bus)chauffeur van en naar een locatie voor speciaal onderwijs bracht.1 In de kern klaagt het middel, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad, dat in de onderhavige zaak niet aan het bewijsminimumvoorschrift van art. 342, tweede lid, Sv, is voldaan. Ter onderbouwing elimineert de steller van het middel allereerst de tot het bewijs gebezigde verklaringen van de verdachte (bewijsmiddel 5 en 8) aangezien deze geen antwoord zouden geven op de vraag of door de verdachte ontuchtige handelingen zijn gepleegd. Voorts betoogt de steller dat ook de routelijsten (bewijsmiddelen 3 en 4) en verklaringen van de direct leidinggevende [betrokkene 6] en de directeur van [A] [betrokkene 4] (bewijsmiddelen 9 en 10) in het licht van de bewijsvoering opzij kunnen worden geschoven omdat deze, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet redengevend zouden zijn. Ten slotte wijst de steller erop dat de resterende bewijsmiddelen, voor zowel feit 1 als feit 2 betreffen het de verklaring van het slachtoffer en de aangifte van haar moeder, geacht moeten worden afkomstig te zijn uit één bron. Een en ander zou leiden tot een bewezenverklaring die in wezen uitsluitend is gebaseerd op de verklaring van één getuige: het slachtoffer.

8. Bij het middel past de volgende, ook de steller van het middel bekende, vooropstelling. Volgens het tweede lid van art. 342 Sv – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen in geval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.2

9. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden opgemaakt dat niet vereist is dat het springende punt, in casu de ontucht, steun vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van het slachtoffer op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen.3 Tussen de verklaring en het overige gebezigde bewijsmateriaal mag dan geen al te ver verwijderd verband bestaan.4

10. Overvloedig is het bewijs ten aanzien van beide feiten in de onderhavige zaak niet, maar het hof heeft gemotiveerd dat en waarom het van oordeel is dat voldoende steunbewijs te vinden is voor de belastende verklaring van [betrokkene 1] en de belastende verklaring van [betrokkene 2] in de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Zo heeft het ten eerste overwogen dat de verklaringen steun vinden in de door de beide moeders afzonderlijk gedane waarnemingen ten aanzien van het gedrag van hun dochters op de momenten dat zij hen vertelden over het misbruik door de verdachte.5 Voorts heeft het hof benoemd dat beide minderjarigen onafhankelijk van elkaar en op verschillende momenten verklaringen hebben afgelegd over de vergelijkbare modus operandi van de verdachte. In dat oordeel ligt besloten dat de verklaringen van de aangeefsters elkaar over een weer ondersteunen.6 Daarnaast heeft het hof waarde gehecht aan de verklaring van de verdachte waarin hij aangeeft dat beide meisjes weleens direct naast hem “voorin zaten”.7 Ten slotte heeft het hof aangegeven ten aanzien van beide feiten steun te vinden in de verklaringen van [betrokkene 6] en van [betrokkene 4] , die verdachte hebben geconfronteerd met de “klachten” van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , en voorts verklaren dat hen verdachtes ontkennende noch bevestigende (nerveuze) reactie opviel. Voor zover het middel beoogt te klagen over de redengevendheid van deze twee laatste verklaringen vanwege de ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte gegeven (alternatieve) verklaring voor zijn zenuwachtige gedrag, merk ik op dat de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal, behoudens bijzondere gevallen, geen nadere motivering behoeft. In het licht van hetgeen door de verdediging ter terechtzitting is aangevoerd, is het oordeel van het hof toereikend gemotiveerd.

11. Mede gelet op deze nadere motivering van het hof kan niet worden volgehouden dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen van beide slachtoffers onvoldoende steun vinden in de overige bewijsmiddelen. Anders dan in het middel wordt betoogd, is in geen van beide gevallen art. 342, tweede lid, Sv geschonden.8

12. Het eerste middel faalt.

13. Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen en de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen klaagt het tweede middel over de data met ingang waarvan de wettelijke rente is toegekend.

14. Deze klacht stelt mij (en wellicht ook uw Raad) voor de nodige puzzels. Ik bespreek ter inleiding eerst de wettelijke uitgangspunten, die, als ik het goed zie, in cassatie niet ter discussie worden gesteld.

Uitgangspunten inzake schadevergoeding en wettelijke rente

15. Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich op grond van art. 51f Sv ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. In geen geval kan de strafrechter ex art. 361 Sv méér toewijzen dan is gevorderd.9

16. Ongeacht of een vergoeding van die schade door de benadeelde partij is gevorderd, kan de in het eerste lid van art. 36f Sr bedoelde betalingsverplichting worden opgelegd aan degene die naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer aansprakelijk is voor de door het strafbare feit toegebrachte schade.10

17. Zowel bij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bij toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, berekent de strafrechter met inachtneming van de strafprocessuele randvoorwaarden het schadebedrag naar de criteria die gelden krachtens het Burgerlijk Wetboek (BW).11 De vergoeding van schade uit onrechtmatige daad is gestoeld op art. 6:162 BW.

18. Wanneer de verbintenis tot vergoeding van schade voortvloeit uit onrechtmatige daad en zij wordt niet terstond nagekomen, treedt het verzuim ingevolge art. 6:83, aanhef en onder b, BW zonder ingebrekestelling in.

19. De schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat volgens art. 6:119, eerste lid, BW in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is. Ook de wettelijke rente is (dus) zonder ingebrekestelling verschuldigd vanaf het moment van het intreden van de schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad van de verdachte.12

20. Het voorgaande wijst uit dat het de strafrechter bij toewijzing van de vordering van de benadeelde partij niet is toegestaan de hoofdsom te vermeerderen met de wettelijke rente indien en voor zover een civiele vordering daartoe achterwege is gebleven.13 Echter, ook zonder daartoe strekkende vordering van de benadeelde partij staat het de strafrechter vrij te bepalen dat de op de voet van art. 36f Sr opgelegde betalingsverplichting wordt vermeerderd met de wettelijke rente.

21. De omvang van het bedrag van de wettelijke rente behoeft niet nader of in een concreet bedrag te worden uitgedrukt. Het verschuldigde bedrag staat met voldoende mate van nauwkeurigheid vast indien het bedrag van de door het strafbare handelen veroorzaakte schade is bepaald en ten aanzien daarvan is vastgesteld vanaf welke dag de wettelijke rente is verschuldigd.14

De beslissingen en de klacht met betrekking tot de benadeelde partij [betrokkene 1]

22. De rechtbank heeft bij vonnis van 1 maart 2012 de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] toegewezen tot een bedrag van € 1890,26, – te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 13 december 2010 – alsook de maatregel van schadevergoeding als bedoeld in art. 36f Sr. opgelegd voor datzelfde bedrag, doch zonder de hoofdsom daarvan te vermeerderen met de wettelijke rente.

23. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] toegewezen tot een bedrag van € 1819,76 (namelijk € 319,76 ter vergoeding van materiële schade en € 1500 ter vergoeding van immateriële schade), alsmede de schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor datzelfde bedrag. Het hof heeft de (gelijkluidende) hoofdsom vermeerderd met wettelijke rente vanaf 13 december 2010, en dit zowel bij toewijzing van de vordering van de benadeelde partij als bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

24. Ten aanzien van de benadeelde partij [betrokkene 1] klaagt het middel dat het hof ten onrechte heeft bepaald dat het toegekende bedrag aan materiële schade (zowel wat betreft de vordering van de benadeelde partij als wat betreft de maatregel van schadevergoeding) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 december 2010 en niet vanaf het moment van ontstaan van deze kosten; het betreft reiskosten die zijn gemaakt na het delict.

Beschouwingen met betrekking tot de benadeelde partij [betrokkene 1]

25. Blijkens de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep15 is bij die gelegenheden noch door de verdachte noch door zijn raadsvrouw aangevoerd dat de wettelijke rente niet is verschuldigd, zoals door de rechtbank was beslist, vanaf 13 december 2010, de dag waarop [betrokkene 1] het misbruik aan haar moeder vertelde, maar vanaf een latere datum. Zo’n stelling kan niet voor het eerst in cassatie worden betrokken, aangezien de beoordeling daarvan een onderzoek van feitelijke aard betreft, aldus oordeelde uw Raad.16 Het middel moet in zoverre falen.

26. Problematisch is echter dat het middel bovendien klaagt over de (gelijkluidende) ingangsdatum van de wettelijke rente over de hoofdsom van de opgelegde maatregel van schadevergoeding. De stukken van het geding wijzen uit dat de rechtbank is overgegaan tot het opleggen van de wettelijke rente over het gevorderde schadebedrag, maar niet tot de toekenning van de wettelijke rente over de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Het hof is daarvan ten gunste van de benadeelde partij afgeweken, zodat daartegen naar ik vermoed, anders dan bij de vorige deelklacht, in cassatie wel kan worden opgekomen.

27. Het hof oordeelt dat over de toegekende bedragen ter vergoeding van materiële schade wettelijke rente is verschuldigd vanaf 13 december 2010, de dag waarop [betrokkene 1] haar moeder over het misbruik vertelde, waarna haar vader haar dientengevolge zelf naar school is gaan brengen. Ik acht dit oordeel echter zonder nadere motivering niet begrijpelijk, aangezien de materiële schade niet eerder is ingetreden dan op de momenten waarop de desbetreffende vervoerskosten zijn gemaakt. In zoverre moet de klacht slagen.

28. Indien uw Raad mij in een en ander zou volgen ontstaat een eigenaardige toestand: de m.i. onjuiste ingangsdatum van de wettelijke rente over het (op de civiele vordering toegewezen) bedrag van de materiële schade blijft in cassatie intact, terwijl de ingangsdatum van de wettelijke rente over het (gelijkluidende) bedrag binnen het bestek van de schadevergoedingsmaatregel op klacht moet worden gecorrigeerd. De vraag rijst of de verdachte daardoor nog wel belang heeft bij zijn klacht. Hij zal immers de toegewezen vordering van de benadeelde partij moeten voldoen en daardoor over de gehele hoofdsom sowieso wettelijke rente moeten betalen vanaf 13 december 2010.17

29. Mij gaat deze redenering echter te ver. Ik zal dan ook uw Raad voorstellen ambtshalve de beslissing over de ingangsdatum van de wettelijke rente over het (op de civiele vordering toegewezen) bedrag van de materiële schade te vernietigen.

De beslissingen en de klacht met betrekking tot de benadeelde partij [betrokkene 2]

30. De rechtbank heeft bij vonnis van 1 maart 2012 de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2] toegewezen tot een bedrag van € 1033,90, – te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 21 maart 2009 – alsook de maatregel van schadevergoeding als bedoeld in art. 36f Sr. opgelegd voor datzelfde bedrag, doch zonder de hoofdsom te vermeerderen met de wettelijke rente.

31. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2] toegewezen tot een bedrag van € 1033,90 (namelijk € 33,90 ter vergoeding van materiële schade en € 1000 ter vergoeding van immateriële schade), alsook de schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor datzelfde bedrag. Het hof heeft de (gelijkluidende) hoofdsom vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2009, en dit zowel bij de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij als bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

32. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2] klaagt het middel over de beslissing van het hof om het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2009, terwijl het bewezenverklaarde is gepleegd in de periode van 11 oktober 2010 tot en met 20 januari 2011.

Beschouwingen met betrekking tot de benadeelde partij [betrokkene 2]

33. In tegenstelling tot de benadeelde partij [betrokkene 1] heeft [betrokkene 2] noch bij voegingsformulier, noch ter terechtzitting de vermeerdering van het schadebedrag met de wettelijke rente gevorderd. Het hof heeft dus aan [betrokkene 2] – zonder een daartoe strekkende vordering – de wettelijke rente over het schadebedrag toegewezen. Daarover klaagt het middel echter niet.18 Om die reden moet in cassatie aan dit gebrek voorbij worden gegaan. Ik laat overigens daar dat de verzoeker tot cassatie in casu belang bij het succes van een dergelijke klacht zou ontberen vanwege ‘s hofs gelijktijdige toekenning van wettelijke rente over de hoofdsom van de betalingsverplichting ex art. 36f Sr.19 Dat laatste stond de rechter zoals gezegd vrij.

34. Gelijk ten aanzien van de benadeelde partij [betrokkene 1] houden de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep wat betreft de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2] niet in dat bij die gelegenheden door de verdachte of door zijn raadsvrouw is aangevoerd dat de wettelijke rente niet is verschuldigd, zoals door de rechtbank was beslist, vanaf 21 maart 2009, een datum ruim voor het bewezenverklaarde feit, maar vanaf een latere datum. Zo’n verweer kan, zoals gezegd, niet voor het eerst in cassatie worden gevoerd.20 Het middel moet in zoverre falen.

35. Het middel richt zich echter bovendien tegen de ingangsdatum van de wettelijke rente die is opgelegd in het kader van de schadevergoedingsmaatregel. Hier geldt wederom hetzelfde als ten aanzien van de benadeelde partij [betrokkene 1] . De stukken van het geding wijzen uit dat de rechtbank is overgegaan tot het opleggen van de wettelijke rente over het gevorderde schadebedrag, maar niet tot de toekenning van de wettelijke rente over de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Het hof is daarvan ten gunste van de benadeelde partij afgeweken. Daarover kan, naar ik vermoed, in cassatie wél worden geklaagd.

36. De klacht is in zoverre gegrond. Het hof heeft bepaald dat het schadebedrag waarover de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd al vanaf 21 maart 2009 – een datum ruim vóór de bewezenverklaarde periode van 11 oktober 2010 tot en met 20 januari 2011 – wordt vermeerderd met de wettelijke rente. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is dat oordeel niet begrijpelijk. Wettelijke rente over het door de verdachte te vergoeden schadebedrag kan uiteraard niet eerder ingaan dan op de dag van het delict dat die schade heeft berokkend.21

De slotsom

37. Het tweede middel is ten dele gegrond en moet tot vernietiging leiden voor zover het hof heeft bepaald dat de betalingsverplichting op de voet van art. 36f Sr ten aanzien van de materiële schade van de benadeelde partij [betrokkene 1] , alsmede ten aanzien van zowel de materiële als de immateriële schade van de benadeelde partij [betrokkene 2] wordt vermeerderd met de wettelijke rente, respectievelijk vanaf 13 december 2010 en vanaf 21 maart 2009.

38. Het eerste middel en het tweede middel falen voor het overige en kunnen in zoverre met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan.

39. Ik stel voor om de bestreden beslissing ambtshalve te vernietigen voor zover zij betreft de ingangsdatum van de wettelijke rente over het bedrag ter vergoeding van de materiële schade van de benadeelde partij [betrokkene 1] en over het gehele bedrag aan schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene 2] waarmee hun civiele vorderingen als zodanig zijn toegewezen.

40. Ik heb overwogen om u voor te stellen, gelijk aan uw uitspraak van HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3303, de zaak om doelmatigheidsredenen zelf af te doen. De processtukken inzake de door de benadeelde partijen geclaimde schade laten daarvoor echter te veel vragen van feitelijke aard onbeantwoord.

41. Samengevat strekt deze conclusie tot vernietiging van de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] alsook de beslissing tot de oplegging van de hen betreffende maatregelen tot schadevergoeding, doch uitsluitend voor zover daarbij is verzuimd de vergoeding van de wettelijke rente toe te kennen met ingang van de dag waarop de schade is ingetreden, een en ander overeenkomstig het hierboven opgemerkte, en tot terugwijzing van de zaak naar het hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 De ontucht met slachtoffer [betrokkene 1] zou hebben plaatsgevonden tussen 1 augustus 2007 tot en met oktober 2008. De ontucht met [betrokkene 2] zou hebben plaatsgevonden van 11 oktober 2010 tot en met 20 januari 2011.

2 Vgl. HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3549, rov. 2.3; HR 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1354, NJ 2014/329, m.nt. Rozemond, rov. 3.2; HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:957, NJ 2014/328, m.nt. Rozemond, rov. 2.3; HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1158, rov. 3.3; HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, NJ 2013/515 m.nt. Reijntjes, rov. 3.2; HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1890, NJ 2013/279 m.nt. Reijntjes, rov. 3.4; HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ6144, NJ 2012/252 m.nt. Schalken, rov. 3.2; HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BS7910, NJ 2012/251, rov. 2.4; HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6458, NJ 2012/250, rov. 3.2; HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6753, NJ 2011/64, rov. 2.3; HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1728, NJ 2010/612 m.nt. Borgers, rov. 2.4 en HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515 m.nt. Borgers, rov. 2.4. Een bespreking van dit onderwerp op basis van de jurisprudentie tot medio 2011 is te vinden in mijn conclusie (paragraaf 5) voor HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8600, NJ 2012/279.

3 Vgl. HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094, NJ 2010/512, rov. 3.4; HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1728, NJ 2010/612, m.nt. Borgers, rov. 2.5; HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BS7910, NJ 2012/251, rov. 2.5 en HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3549, rov. 2.4 waarin naar het oordeel van de Hoge Raad geen sprake was van schending van art. 342, tweede lid, Sv terwijl steun voor de juistheid van de kern (de ontucht, de schennis van de eerbaarheid en de bedreiging) van het bewezenverklaarde niet in de bewijsmiddelen was terug te vinden.

4 Zie HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094, rov. 3.4.

5 Zie HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:957, rov. 2.4 en HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3549, rov. 2.4 inhoudende dat steunbewijs ook aanwezig kan zijn in de vorm van door derden waargenomen reacties bij het slachtoffer ten gevolge van het misdrijf. Vgl. onder meer HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3052 voor de nuance dat daarvoor geen al te ver verwijderd verband mag bestaan tussen de verklaring van het slachtoffer en de verklaring van een getuige (over het gedrag van het slachtoffer). In deze zaak overwoog de Hoge Raad dat de verklaring van de getuige over “het gedrag van aangeefster tijdens haar slaap niet zonder meer toereikend is voor het leggen van een verband tussen dat gedrag van de aangeefster en de aan de verdachte verweten ontucht”. Alhoewel in de onderhavige zaak ook sprake is van een waarneming van het gedrag van het slachtoffer niet direct na het misdrijf maar enige tijd later, verschilt deze zaak in zoverre van voornoemde dat de waarneming met betrekking tot het trillen van [betrokkene 1] en respectievelijk het bange gedrag van [betrokkene 2] wel direct te relateren is aan het misbruik door hun gelijktijdige verklaringen daarover.

6 Vgl. 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1817, rov. 3.3. waarin het ook ging om twee op zichzelf staande verdenkingen van ontucht en de verklaringen van de twee slachtoffers elkaar over en weer naar het oordeel van de Hoge Raad ondersteunen wat betreft de aard van de ontuchtige handelingen door de verdachte en de wijze waarop die handelingen plaatsvonden.Zie over schakelbewijs in relatie tot het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv: mijn conclusie (paragraaf 5) voor HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8600, NJ 2012/279.

7 Zie rubriek 9 waaruit, anders dan de steller van het middel betoogt, volgt dat de Hoge Raad niet vereist dat de ontucht zelf steun vindt in ander bewijsmateriaal.

8 Vgl. HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1728 voor een soortgelijke casus waarin de getuige, wiens verklaring tot het bewijs is gebezigd, de ontuchtige handeling niet zelf waarnam, maar wel de reactie van het slachtoffer. Daarnaast ontkende de verdachte in deze zaak de ontuchtige handeling, maar verklaarde hij wel in de directe nabijheid van het meisje dat hem beschuldigde te zijn geweest. De Hoge Raad oordeelde dat niet kon worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van het meisje onvoldoende steun vond in het overige gebezigde bewijsmateriaal.

9 Zie wat betreft de toekenning van niet gevorderde wettelijke rente: HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2858, rov. 4.3; HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:547, rov. 2.3; HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:211, rov. 2.3; HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3303, rov. 2.3; HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2652, rov. 2.3, en HR 11 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4262, NJ 2000/217.

10 Zie het tweede lid van art. 36f Sr. en HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6214, rov. 3.3. Zie voorts: HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:211, rov. 2.4; HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2652, rov. 2.4.Recentelijk: HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3362, rov. 2.6.

11 HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:123, NJ 2014/81, rov. 3.4 en 3.5; HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3559, rov. 4.5.2.

12 HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:211, rov. 2.4; HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2652, NJ 2014/400, rov. 2.4, en met name HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6214, rov. 3.5.1 enHR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3559.

13 Zie voetnoot 9.

14 HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6214, rov. 3.5.2.

15 Het betreft de processen-verbaal van 30 november 2012, 21 januari 2014, 3 juni 2014 en 8 juli 2014.

16 Zie HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2478, rov. 2.3.

17 Vgl. HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3362, rov. 2.7.

18 Zoals onder de uitgangspunten opgenomen, zou die klacht op zichzelf terecht zijn.

19 Zie HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3362, rov. 2.7.

20 Zie wederom HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2478, rov. 2.3.

21 Vgl. HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3303, rov. 2.4. Ook een subsidiaire klacht over de ingangsdatum gelijk aan die met betrekking tot de benadeelde partij [betrokkene 1] zou slagen: de materiële kosten bestaan uit vervoerskosten die zijn gemaakt ná het delict.