Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2610

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-10-2015
Datum publicatie
22-03-2016
Zaaknummer
14/04196
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:456
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR wijst overzichtsarrest inzake noodweer en noodweerexces. In de praktijk blijken deze strafuitsluitingsgronden soms aanleiding te geven tot moeilijkheden. De HR geeft daarom in dit arrest - aan de hand van zijn eerdere rechtspraak - een samenvattend overzicht van mogelijke aandachtspunten dat bij de beoordeling van een beroep op noodweer(exces) handvatten biedt.

1. Noodweer. 2. Noodweerexces. Ad. 1 I.c. draagt 's Hofs niet onbegrijpelijke oordeel dat verdachte ver buiten de grenzen van de noodzakelijke verdediging is getreden doordat hij met dodelijk gevolg het slachtoffer zestien maal met een mes heeft gestoken en/of gesneden nadat het slachtoffer – die op dat moment kennelijk ongewapend was – een beweging maakte alsof hij de naar hem toelopende verdachte wilde aanvallen, in welk oordeel besloten ligt dat gelet op de specifieke omstandigheden van het geval die wijze van verdedigen in een onredelijke verhouding tot de ernst van de aanranding staat, de afwijzing van het beroep op noodweer zelfstandig. Ad. 2. Het Hof heeft feitelijk en niet onbegrijpelijk vastgesteld dat a.g.v. van de aanranding bij verdachte een gemoedsbeweging van beperkte intensiteit is teweeggebracht en dat sprake is geweest van een verregaande mate van overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging. Het daarop gegronde oordeel dat het beroep op noodweerexces moet worden verworpen getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is en, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder kan worden getoetst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2016/90 met annotatie van M. van Kuilenburg
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/04196

Zitting: 27 oktober 2015 (bij vervroeging)

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Den Haag wegens “doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd, een en ander op de wijze als weergegeven in het arrest..

2. Namens verdachte heeft mr. R.J.B.G. Baggen, advocaat te Arnhem, vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Alle middelen hebben betrekking op de verwerping van het beroep op noodweer(exces).

4. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

“hij op 29 mei 2013 te Rotterdam opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk [slachtoffer] met een mes in het gezicht en de romp en de arm en de hand(en) gestoken en/of gesneden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”

5. Met betrekking tot het beroep op noodweer(exces) heeft het Hof overwogen:

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte uit noodweer heeft gehandeld, reden waarom hij van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen.

Het hof stelt voorop dat indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer, de rechter zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die houden naar luid van artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. De vraag of een gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging - waarmee onder meer de proportionaliteitseis tot uitdrukking wordt gebracht — van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed leent zich niet voor beantwoording in- algemene zin. Bij de beslissing daaromtrent komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval. Deze proportionali-teitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij - als verdedigingsmiddel - niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding (vgl. HR 24 september 2013, ECL.I :NL: HR: 2013:773 en HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009 :BI3895).

Gedragingen van de verdachte voorafgaande aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer kunnen onder omstandigheden in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer(exces) (vgl. HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9062 en HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8087).

Het hof stelt op grond van de processtukken en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast. Daarbij tekent het hof aan, dat over hetgeen er in de woning van het slachtoffer is voorgevallen in essentie slechts twee personen verklaringen hebben afgelegd: de verdachte en [betrokkene] (verder: [betrokkene]). Deze verklaringen stemmen deels overeen, maar lopen op onderdelen uiteen. Het hof is van oordeel dat het door de verdachte geschetste relaas niet enkel vanwege de op onderdelen andersluidende verklaringen van [betrokkene] als onaannemelijk terzijde geschoven kan worden. Om die reden zal het hof bij zijn beoordeling van het verweer, daar waar verschillen tussen de verklaringen van de verdachte en de verklaringen van [betrokkene] bestaan, de verklaringen van de verdachte tot uitgangspunt nemen.

De verdachte handelde in mei 2013 in verdovende middelen. Het slachtoffer was één van zijn klanten en was hem nog 10 euro schuldig. Op 29 mei 2013 is de verdachte naar de woning van het slachtoffer gegaan. Het slachtoffer had met - de toen ook in de woning aanwezige - [betrokkene] bedacht dat zij de verdachte een lesje zouden leren. Het slachtoffer heeft de verdachte binnengelaten en had op dat moment een verzwaarde sok in zijn handen. De verdachte is met het slachtoffer in gevecht geraakt, in welk gevecht ook [betrokkene] zich mengde. De voordeur van de woning was inmiddels op slot. Het lukte de verdachte niet die deur te openen. De verdachte is met een fles geslagen en met een mes bedreigd. Hij is door zowel het slachtoffer als [betrokkene] geschopt. [betrokkene] heeft de verdachte ook een kopstoot gegeven. De verdachte werd door [betrokkene] onder bedreiging van de fles en door het slachtoffer onder bedreiging van een mes gedwongen zich uit te kleden en zijn spullen af te geven, waaronder zijn voorraad verdovende middelen. [betrokkene] verliet op enig moment met die spullen de woonkamer en zei dat hij over vijf minuten terug zou komen en de verdachte dan zou vermoorden. Daarna legde het slachtoffer het mes op tafel en liep naar de bank in de woonkamer. De verdachte heeft het mes gepakt en is naar het slachtoffer gelopen. Deze draaide zich om en maakte een beweging alsof hij de verdachte wilde aanvallen. Hierop heeft de verdachte het slachtoffer zestien maal met het mes gestoken en/of gesneden.

Vorenstaande door het slachtoffer en [betrokkene] geïnitieerde handelingen zijn aan te merken als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte. Die aanranding eindigde niet op het moment waarop het slachtoffer het mes op tafel legde; een andersluidend oordeel zou de feitelijke situatie op dat moment miskennen. De verdachte bevond zich immers in een woning waarvan de voordeur op slot zat, in aanwezigheid van iemand die tot kort daarvoor nog met hem had gevochten en hem met een mes had bedreigd, wist niet of [betrokkene], die zich aan bedoelde aanranding mede schuldig had gemaakt, zich nog in de woning bevond en leefde in de veronderstelling dat deze naar de woonkamer zou terugkeren om zijn eerder geuite doodsbedreiging tot uitvoering te brengen.

Het enkele feit dat de verdachte zich - kort gezegd - als dealer in verdovende middelen in het drugscircuit heeft begeven, is geen omstandigheid die aan het slagen van een beroep op noodweer(exces) in de weg staat. De andersluidende opvatting van het openbaar ministerie vindt naar het oordeel van het hof geen steun in het recht.

Wel is het hof met het openbaar ministerie van oordeel dat het door de verdachte gekozen verdedigingsmiddel niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Van de verdachte had in redelijkheid mogen worden gevergd dat hij zich op een minder ingrijpende wijze tegen de hierboven beschreven aanranding zou hebben verdedigd. De verdachte had het mes immers inmiddels in handen en was daarmee in het voordeel. Hij had het slachtoffer met het mes kunnen bedreigen en ofwel het slachtoffer aldus kunnen dwingen de voordeur te openen ofwel kunnen proberen de woning - zoals, naar achteraf bleek, [betrokkene] had gedaan - op een andere wijze dan via de voordeur te verlaten. In plaats daarvan heeft hij er evenwel voor gekozen het slachtoffer met het mes zestien maal te steken en/of te snijden, waarmee hij ver buiten de grenzen van een noodzakelijke verdediging is getreden.

Het hof verwerpt daarom het beroep op noodweer. Het bewezen verklaarde is derhalve, nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid daarvan uitsluit, strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op noodweerexces toekomt nu hij als gevolg van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt, de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden.

Het hof stelt in dit verband voorop dat van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:

a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien
b. op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Voorts volgt uit het vereiste dat de gedraging het onmiddellijk gevolg moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging, maar niet dat geheel uitgesloten is dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van een dergelijk "onmiddellijk gevolg" sprake is geweest, kan gewicht toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging (vgl. HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6794) .

De verdachte heeft over zijn gemoedstoestand ten tijde van het steken tegenover de politie, ten overstaan van de rechter-commissaris en tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep niet veel verklaard. Hij heeft gezegd dat hij niets voelde of dacht; hij was zichzelf niet, hij was in shock en bang. Tegen de psychiater heeft de verdachte verteld dat hij erg bang was. De psycholoog heeft genoteerd dat de verdachte over diens verdediging heeft gezegd: "Ik was bang, klaar."

Op grond van vorenstaande uitlatingen stelt het hof vast dat bij de verdachte als gevolg van de aanranding weliswaar een gemoedsbeweging is teweeggebracht, maar dat deze niet als hevig valt aan te merken. Maar zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat er wel van een hevige gemoedsbeweging sprake is geweest, komt het hof tot het oordeel dat de verdachte zich niet met vrucht op de hier besproken schulduitsluitingsgrond van artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht kan beroepen, aangezien het hof, gelet op de beperkte intensiteit van de veronderstelde hevige gemoedsbeweging en gegeven de verregaande mate waarin de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, niet aannemelijk acht dat die gemoedsbeweging voor de gedraging van de verdachte - het tot zestien maal toe steken en/of snijden van het slachtoffer - van doorslaggevend belang is geweest en derhalve niet aannemelijk acht dat deze gedraging het onmiddellijk gevolg van de veronderstelde hevige gemoedsbeweging is geweest.

Het beroep op noodweerexces wordt derhalve eveneens verworpen.

Het - meer subsidiair gedane - beroep op putatief noodweer behoeft geen bespreking, aangezien het hof reeds heeft aangenomen dat van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding sprake is geweest.

Nu het beroep op noodweerexces faalt en ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, is de verdachte strafbaar.”

6. Het eerste, het tweede en het derde middel klagen alle over de toepassing door het Hof van de proportionaliteitstoets. Volgens de toelichting op de middelen
- stond het verdedigingsmiddel (meermalen steken met een mes/doden) in een redelijke verhouding tot de ernst van de voorafgaande aanrandingen en van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding (doden) die nog zou gaan volgen,
- heeft het Hof door te oordelen dat pas aan de proportionaliteitstoets is voldaan als, naast de noodzaak van de verdediging als zodanig, ook de noodzaak van de gekozen wijze van verdediging komt vast te staan een verkeerde invulling aan die toets gegeven, en
- kan het door het Hof voorgestelde alternatief - het slachtoffer met het mes bedreigen, ofwel het slachtoffer dwingen de voordeur te openen, ofwel proberen de woning op een andere wijze te verlaten - in de omstandigheden van het geval niet worden aangemerkt als een reëel alternatief.

7. In zijn arrest van 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI38951 overwoog de Hoge Raad:

“2.5.1 (…) De vraag of een gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging - waarmee onder meer de proportionaliteitseis tot uitdrukking wordt gebracht - van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beslissing daaromtrent komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval (vgl. HR 21 november 2006, LJN AX9177, NJ 2006, 650).

2.5.2. De hiervoor onder 2.5.1 genoemde proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij - als verdedigingsmiddel - niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.”

8. In de zaak die aan dit arrest ten grondslag lag had verdachte, die bij een ruzie tussen een wegwerker en een bestuurder van een auto was gaan staan, een klap van de bestuurder op de borst gekregen en had deze bestuurder tegenover hem een bokshouding aangenomen waarna verdachte de bestuurder met gebalde vuist een klap op diens gezicht gaf met letsel als gevolg. Het Hof oordeelde dat niet was voldaan aan de eis van proportionaliteit, omdat het niet overtuigd was van de noodzaak dat de verdachte de bestuurder met kracht met gebalde vuist op het gezicht moest slaan om zichzelf te ontzetten. Met dat oordeel had het Hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang:

“Indien het heeft geoordeeld dat eerst dan aan de hier te stellen proportionaliteiteis is voldaan indien, naast de noodzaak van de verdediging als zodanig, ook de noodzaak van de gekozen wijze van verdediging komt vast te staan, heeft het een te strenge toets aangelegd. Wat dat laatste betreft is immers beslissend of de desbetreffende gedraging - als verdedigingsmiddel - niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.
Indien het echter die - juiste - maatstaf wel voor ogen heeft gehad, had het gelet op de door hem vastgestelde ernst van de aanranding, zijn oordeel dat de verdachte voor een te zwaar middel heeft gekozen, nader dienen te motiveren.

Wat betreft die aanranding heeft het Hof immers vastgesteld dat de verdachte door de aangever op zijn borst was geslagen en dat de aangever vervolgens een bokshouding jegens de verdachte heeft aangenomen.

Het bestreden arrest lijdt daarom aan een motiveringsgebrek.”

9. Eenzelfde oordeel sprak de Hoge Raad uit in zijn arrest van 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2950. Hier had het Hof geoordeeld dat de verdachte disproportioneel had gehandeld, omdat voor de verdachte andere, minder ingrijpende mogelijkheden openstonden om aan de aanranding door het slachtoffer een einde te maken dan door dat slachtoffer met zijn vuist hard in het gezicht te slaan met zwaar lichamelijk letsel (een gebroken kaak en neus en oogkas) als gevolg. Die aanranding bestond kort gezegd hierin dat het slachtoffer zich verzette tegen verwijdering uit het café waarvan verdachte uitbater was en deze onder meer schopte.

10. In HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:7732 had het Hof geoordeeld dat de wijze van verdediging – gericht schieten op één van zijn achtervolgers - niet in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding omdat de verdachte een andere uitweg had kunnen vinden. Dit oordeel achtte de Hoge Raad gelet op de omstandigheden van het geval – verdachte was door een groep agressieve jongeren, die zich niet lieten afschrikken door dreigen met een vuurwapen, achtervolgd tot in een tram – niet begrijpelijk.

11. Buruma3 vestigt er de aandacht op dat de in HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3895 gevolgde redenering impliceert dat voor een succesvol beroep op noodweer niet vereist is dat de noodzaak van de gekozen wijze van verdediging komt vast te staan.4 Volgens Keulen5 biedt de formulering van de proportionaliteitstoets door de Hoge Raad ruimte om ook een wijze van verdediging die ingrijpender consequenties voor de aanrander heeft gehad of had kunnen hebben dan de aangerande zelf had te vrezen, straffeloos te laten. Beide observaties deel ik.

12. In het onderhavige geval heeft het Hof wel de juiste maatstaf geformuleerd maar deze niet juist toegepast. Het Hof heeft geoordeeld dat verdachtes handelwijze in onredelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding omdat verdachte het slachtoffer met het mes had kunnen bedreigen en ofwel het slachtoffer aldus had kunnen dwingen de voordeur te openen ofwel had kunnen proberen de woning - zoals, naar achteraf bleek, [betrokkene] had gedaan - op een andere wijze dan via de voordeur te verlaten. Dusdoende heeft het Hof verdachtes handelwijze niet afgewogen tegen de ernst van de aanranding maar zich laten leiden door de vraag of de gekozen wijze van verdediging noodzakelijk was. Dat laatste is niet verenigbaar met hetgeen de Hoge Raad in het eerste en het derde hiervoor aangehaalde arrest overwoog.

13. Het oordeel van het Hof is dus ontoereikend gemotiveerd dan wel geeft blijk van een onjuiste hantering van de toe te passen maatstaf.

14. De middelen slagen.

15. Het vierde middel klaagt dat 's Hofs vaststelling dat verdachtes gemoedstoestand niet als heftig valt aan te merken onbegrijpelijk is en/of ontoereikend en/of innerlijk tegenstrijdig is gemotiveerd.

16. Hetgeen het Hof overweegt over verdachtes uitlatingen over zijn gemoedstoestand ten tijde van het bewezenverklaarde feit, in het bijzonder voor zover verdachte verklaart te hebben verkeert in een toestand van shock, maakt niet aanstonds begrijpelijk dat bij verdachte niet sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in art. 41 lid 2 Sr, zeker niet wanneer in aanmerking wordt genomen de penibele situatie waarin de verdachte, belaagd door twee personen, verkeerde.

17. Aan zijn oordeel dat de – door het Hof veronderstellenderwijs aangenomen – hevige gemoedsbeweging van de verdachte niet het onmiddellijk gevolg van de aanranding is geweest legt het Hof mede ten grondslag de verregaande mate waarin de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden.6 Gelet op hetgeen ik hiervoor met betrekking tot het eerste, tweede en derde middel heb uiteengezet is dit oordeel in zoverre ontoereikend gemotiveerd.

18. Het middel slaagt.

19. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 NJ 2010, 391, m.nt. Y. Buruma.

2 NJ 2014, 277, m.nt. B.F. Keulen.

3 Noot bij HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3895, NJ 2010, 391.

4 In Duitsland wordt nog verder gegaan. Vgl. BGH 1 maart 2011, 3 StR 450/10, HRRS 2011, nr. 557: Der Auffassung des Landgerichts, die Messerstiche wären jedenfalls nicht im Sinne von § 32 Abs. 1 StGB geboten gewesen, kann sich der Senat nicht anschließen. Der Angegriffene muss von einer erforderlichen Verteidigungshandlung nicht bereits dann absehen, wenn zwischen der dem Angreifer dadurch drohenden Rechtsgutverletzung und dem angegriffenen eigenen Rechtsgut ein Ungleichgewicht besteht. Rechtsmissbräuchlich und damit nicht mehr geboten ist eine Verteidigungshandlung vielmehr erst dann, wenn die jeweils bedrohten Rechtsgüter zueinander in einem unerträglichen Missverhältnis stehen, etwa wenn die - wie hier - Leib oder Leben des Angreifers gefährdende Handlung der Abwehr eines evident bagatellhaften, bloßem Unfug nahe kommenden Angriffs dient.

5 Noot bij HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:773, NJ 2014, 277.

6 Deze omstandigheid kan overigens wel een rol bij de vraag of de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging door de aanranding veroorzaakt. Ook de aard en intensiteit van de gemoedsbeweging kan hierbij van betekenis zijn. Vgl. HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4459.