Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2606

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-10-2015
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
15/00705
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:177, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Gewapende overvallen op coffeeshop en woningen. 1. Verzoek tot gijzeling van getuige, art. 294.1 Sv, 2. Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling, art. 15i Sr, 3. Vordering b.p., onevenredigheidscriterium.

Ad. 1. Afwijzing van het verzoek tot gijzeling van getuige. Het oordeel van het Hof dat een gijzeling van de getuige, een medeverdachte, niet dringend noodzakelijk is voor het onderzoek, waarbij het Hof in aanmerking heeft genomen dat de getuige zich in detentie bevindt en een gijzeling derhalve “niet effectief” is, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Ad. 2. Tijdstip waarop vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling door het OM moet worden ingediend. “Onverwijld” ex art. 15i.2 Sr. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:2647 betreffende de rechtsgevolgen die kunnen worden verbonden aan de niet-naleving van art. 15i.2 Sr. Het oordeel van het Hof dat de vordering niet zodanig laat is ingediend dat zulks dient te leiden tot de afwijzing van de vordering, is niet onbegrijpelijk.

Ad 3. Middel b.p. betreffende niet-ontvankelijkverklaring vordering b.p. m.b.t. vergoeding van verhuis-, aan- en verkoopkosten. Het Hof verklaarde b.p. n-o in haar vordering op de grond dat de behandeling van de vordering met het oog op beantwoording van de vraag of voldaan is aan het vereiste rechtstreeks verband tussen die schade en het bewezenverklaarde feit een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/00705

Zitting: 27 oktober 2015

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 11 november 2014 de verdachte in de zaak met parketnummer 15-740040-12 wegens 1. de voortgezette handeling van “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en “afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en wegens 2. de voortgezette handeling van “afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en in de zaak met parketnummer 15-741187-11 wegens “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de vorderingen van twee benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld. Daarnaast heeft het hof de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toegewezen, gelast dat de verdachte alsnog het door hem niet ondergane deel van de vrijheidsstraf dient te ondergaan en dit deel vastgesteld op 547 dagen.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, bij schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het gaat in deze zaak - kort gezegd - om het volgende. De verdachte wordt ervan verdacht samen met anderen drie gewapende overvallen te hebben gepleegd: op 6 februari 2011 een gewapende overval op coffeeshop “ [A] ” in Haarlem (zaak met parketnummer 15-740040-12 onder 1), op 31 januari 2011 een gewapende overval op een woning in Hillegom (zaak met parketnummer 15-740040-12 onder 2) en op 20 september 2011 een gewapende overval op een woning in Bennebroek (zaak met parketnummer 15-741187-11). In deze zaken hebben de medeverdachten ( [betrokkene 3] in de zaak met parketnummer 15-740040-12 en [betrokkene 1] in de zaak met parketnummer 15-741187-11) voor de verdachte belastende verklaringen afgelegd. De verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2014 erkend betrokken te zijn geweest bij de overval op de genoemde coffeeshop, maar hij heeft zijn betrokkenheid bij de andere overvallen steeds ontkend. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is de verdachte mede op basis van de verklaringen van de medeverdachten ter zake van deze drie feiten veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf.1

4. Het eerste middel behelst de klacht dat de beslissing van het hof tot afwijzing van het verzoek tot gijzeling van de getuige [betrokkene 1] , zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is.

5. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in;

(i) De medeverdachte [betrokkene 1] heeft op 14, 15 en 16 februari 2012 in zijn hoedanigheid van verdachte van de gewapende overval op een woning in Bennebroek op 20 september 2011 verklaringen afgelegd bij de politie. [betrokkene 1] heeft toen - kort gezegd - verklaard dat hij door ene “ [verdachte] ” is benaderd om als “back-up” mee te gaan bij de overval op de woning, dat hij de overval samen met “ [verdachte] ” heeft gepleegd, dat deze “ [verdachte] ” de verdachte betreft en dat de verdachte de vriend van zijn zusje is. Het hof heeft deze verklaringen in de zaak met parketnummer 15-741187-11 als bewijsmiddelen 18, 19 en 20 tot het bewijs gebezigd. In zijn eigen strafzaak heeft [betrokkene 1] op de terechtzitting in eerste aanleg van 10 juli 2012 verklaard dat hij bij zijn eerder afgelegde verklaring(en) (bij de politie) blijft.

(ii) De raadsman van de verdachte heeft op de terechtzitting in eerste aanleg van 30 maart 2012 verzocht om [betrokkene 1] als getuige te horen. De rechtbank heeft dit verzoek op die terechtzitting toegewezen. Vervolgens is [betrokkene 1] op 19 juni 2012 in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte als getuige gehoord door de rechter-commissaris. [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij tijdens zijn verhoren door de politie de waarheid heeft verteld, dat hij echter niet alle keren (bij alle drie verhoren) de waarheid heeft verteld en dat hij zich verder op zijn verschoningsrecht beroept.

(iii) De Rechtbank te Haarlem heeft de verdachte bij vonnis van 22 oktober 2012 veroordeeld. Namens de verdachte is op 2 november 2012 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Bij tijdig ingediende appelschriftuur van 16 november 2012 heeft de raadsman van de verdachte onder meer verzocht [betrokkene 1] als getuige te horen.

(iv) De raadsman van de verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 30 juli 2013 verzocht om [betrokkene 1] als getuige te horen. Het hof heeft dit verzoek op die terechtzitting toegewezen. Vervolgens is [betrokkene 1] op 11 december 2013 in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte als getuige gehoord door de raadsheer-commissaris. Bij dit verhoor heeft [betrokkene 1] verklaard dat hij blijft bij zijn verklaring zoals hij die heeft afgelegd maar dat hij geen antwoord wenst te geven op de vraag of dit betekent dat hij de overval in Bennenbroek op 20 september 2011 heeft gepleegd met de verdachte. Na te zijn gewezen op zijn plicht als getuige op vragen antwoord te geven en op het risico dat hij kan worden gegijzeld, heeft de getuige geantwoord dat hij dat begrijpt maar dat hij verder niets zegt.

(v) Op 31 maart 2014 is [betrokkene 1] nogmaals in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte als getuige gehoord door de raadsheer-commissaris. Tijdens dit verhoor heeft [betrokkene 1] het volgende verklaard. Het is juist dat hij bij de politie heeft verklaard dat hij met een zekere “ [verdachte] ” een overval heeft gepleegd. Het is evenwel onjuist dat uit het proces-verbaal van de politie de conclusie zou kunnen worden getrokken dat hij met “ [verdachte] ” de verdachte heeft bedoeld. De bijnaam van de verdachte is niet “ [verdachte] ”. De verdachte heeft de overval in Bennebroek op 20 september 2011, waarvoor [betrokkene 1] is veroordeeld, niet met hem gepleegd. [betrokkene 1] is niet bereid andere vragen te beantwoorden, ook al is hem uitgelegd dat hij geen verschoningsrecht heeft en dat de mogelijkheid bestaat dat hij wordt gegijzeld. Vervolgens heeft de raadsman van de verdachte de raadsheer-commissaris verzocht om de getuige te gijzelen op de voet van art. 221 Sv. De raadsheer-commissaris heeft het verzoek tot gijzeling afgewezen en daartoe het volgende overwogen. De getuige is medeverdachte geweest van de verdachte in wiens zaak hij thans wordt gehoord. Ten aanzien van de betrouwbaarheid geldt dat de verklaring die een getuige na gijzeling af zou leggen, wordt afgelegd onder een druk die de raadsheer-commissaris ongepast acht.

(vi) De voorzitter van het hof heeft op 24 oktober 2014 bij “voorzittersbevel oproeping getuige” de advocaat-generaal bevolen [betrokkene 1] als getuige op te roepen voor de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2014. Daartoe werd overwogen dat [betrokkene 1] op 31 maart 2014 bij de raadsheer-commissaris als getuige een op essentiële punten andere verklaring heeft afgelegd dan eerder als verdachte tegenover de politie en dat dit het noodzakelijk maakt dat [betrokkene 1] als getuige in hoger beroep wordt opgeroepen. De advocaat-generaal heeft [betrokkene 1] vervolgens gedagvaard om als getuige te verschijnen op de voornoemde terechtzitting.

(vii) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2014 houdt ten aanzien van het verhoor van [betrokkene 1] als getuige het volgende in:

“De voorzitter stelt vast dat inmiddels de getuige [betrokkene 1] ter terechtzitting is verschenen.

De getuige doet op vragen van de voorzitter opgave omtrent naam, voornamen, geboorteplaats, geboortedatum, het adres waarop hij in de basisregistratie personen is ingeschreven en beroep, voor zover hieronder is vermeld. De getuige verklaart geen bloed- of aanverwant van de verdachte te zijn en legt vervolgens op de bij de wet voorgeschreven wijze in handen van de voorzitter de belofte af de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen.

De getuige [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] , beveiliger, thans gedetineerd in PI Zuid-West- Dordtse Poorten, verklaart, - zakelijk weergegeven - :

Het klopt dat ik bij mijn verhoor bij de raadsheer-commissaris van 11 december 2013 heb verklaard dat ik onherroepelijk ben veroordeeld voor de overval in Bennebroek op 20 september 2011. U, voorzitter, houdt mij voor dat ik tegenover de politie heb verklaard dat ik de overval met ene [verdachte] heb gepleegd. Bij het verhoor bij de raadsheer-commissaris van 31 maart 2014 zou ik hebben verklaard dat [verdachte] niet [verdachte] is en dat ik de overval niet met hem heb gepleegd. U houdt mij voor dat ik in het verleden wel over [verdachte] heb gesproken. Mijn laatste verklaring is juist. Dat is juist, omdat ik dat zeg. Wat ik tegen de politie zei, zei ik onder druk. Dat leg ik verder niet uit. U, voorzitter, houdt mij voor dat ik als verdachte ook zou hebben verklaard dat ik de overval op de woning in Bennebroek samen met [verdachte] zou hebben gepleegd. U vraagt mij of ik toen ook onder druk stond. Nee, ik stond toen niet onder druk.

U, voorzitter, houdt mij voor het proces-verbaal ter terechtzitting van 26 juni 2012 aangaande de inhoudelijke behandeling van mijn strafzaak in eerste aanleg voor dit feit. Het is niet zo gegaan zoals u mij voorhoudt. Bij de rechtbank heb ik ook zo maar wat verklaard. Ik mag de verdachte eigenlijk niet zo, omdat ik het er niet mee ééns ben dat hij omgaat met mijn zusje. Ik geef verder geen antwoord op uw vraag met wie ik dan wel deze overval heb gepleegd. Als ik het in mijn verhoor tegenover de politie heb over [verdachte] , heb ik het niet over [verdachte] . Ik heb het dan over de vriend van mijn halfzusje.

U, advocaat-generaal, vraagt mij wie die [verdachte] is waarover ik zou hebben verklaard. Dat was [verdachte] . Ik wil hem er nu niet meer bijlappen, omdat zij nu een kindje hebben.

U, raadsman van de verdachte, vraagt mij hoe ik er bij kwam om [verdachte] te noemen. Dat zeg ik net. Hij is met mijn zusje. Daar ben ik het niet mee eens. Als ik verder geen antwoorden wil geven, kunt u mij niet dwingen. U, raadsman van de verdachte, constateert dat ik geen antwoorden meer wil geven op uw vragen. Dat klopt.

De raadsman van de verdachte verzoekt het hof de getuige met toepassing van artikel 221 Sv in gijzeling te nemen. De raadsman voert hiertoe aan dat hij zijn ondervragingsrecht moet kunnen effectueren.

De advocaat-generaal stelt zich, desgevraagd, op het standpunt dat gijzeling slechts kan worden toegepast als dit in het kader van de waarheidsvinding dringend noodzakelijk is. Aangezien de getuige reeds in detentie zit, acht de advocaat-generaal gijzeling niet effectief en verwijst daartoe naar het arrest van de Hoge Raad van 1 februari 1994, NJ 1994/427.

De getuige antwoordt op vragen van de oudste raadsheer wel te weten wat gijzeling is en dat hij op dit moment niet in de detentiefasering zit.

Na beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek om gijzeling van de getuige wordt afgewezen op grond van hetgeen de advocaat-generaal zojuist heeft aangevoerd.

Met toestemming van de advocaat-generaal, de verdachte en diens raadsman, deelt de voorzitter, als beslissing van het hof mede, dat het verhoor van de getuige wordt beëindigd en beveelt dat de getuige zal worden afgevoerd uit de zittingzaal.

De raadsman van de verdachte verklaart geen afstand te doen van deze getuige en verzoekt het hof om aanhouding van de terechtzitting, teneinde te wachten tot de detentie van deze getuige is beëindigd en hem dan alsnog te horen, zodat deze bedenktijd heeft om zijn standpunt te herzien.

De advocaat-generaal geeft aan zich te verzetten tegen het verzoek om aanhouding en verwijst daartoe naar het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1439. De advocaat-generaal voert daartoe aan dat de verklaring van de getuige voldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen en dat de getuige tevens ter terechtzitting van heden enkele vragen heeft beantwoord.

Na beraad in raadkamer, deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede, dat het verzoek om aanhouding wordt afgewezen. Daartoe overweegt het hof dat de raadsman niet zelfstandig heeft verzocht om het horen van deze getuige en dat voor het overige de raadsman de noodzaak tot het nader horen van deze getuige onvoldoende heeft onderbouwd.”

6. Het op de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2014 gedane verzoek van de raadsman van de verdachte om de getuige [betrokkene 1] in gijzeling te stellen is een verzoek zoals bedoeld in art. 328 Sv, in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv, om gebruik te maken van de in art. 294, eerste lid, Sv omschreven bevoegdheid. De maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek is ingevolge art. 294, eerste lid, Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, of het in gijzeling stellen van de getuige voor het onderzoek dringend noodzakelijk is, in geval de getuige bij zijn verhoor op de terechtzitting in hoger beroep zonder wettige grond weigert de aan hem gestelde vragen te beantwoorden.

7. In de hiervoor onder 5 sub vii weergegeven overwegingen heeft het hof, onder verwijzing naar de gronden die de advocaat-generaal daartoe heeft aangevoerd, overwogen dat de gijzeling van de getuige [betrokkene 1] niet effectief is, aangezien de getuige reeds in detentie zit. De feitelijke vaststelling van het hof dat gijzeling niet effectief is, acht ik niet onbegrijpelijk en kan in cassatie niet verder worden getoetst. Daarbij kan in aanmerking worden genomen dat de getuige reeds was gedetineerd, terwijl het traject van detentiefasering nog niet was aangevangen, en dat de getuige ten overstaan van de raadsheer-commissaris reeds bij herhaling kenbaar had gemaakt dat de mogelijkheid van gijzeling hem er niet van weerhoudt te blijven zwijgen. De reden voor de weigering van de getuige om antwoord te geven op verdere vragen is volgens hem gelegen in het feit dat de verdachte “nu” samen met de (half)zus van de getuige een kindje heeft.

8. In de overweging van het hof dat gijzeling niet effectief is, ligt als het oordeel van het hof besloten dat de gijzeling van de getuige [betrokkene 1] niet in het belang van het onderzoek dringend noodzakelijk is. In geval de gijzeling van de getuige geen effect sorteert, kan de gijzeling het onderzoek immers niet dienen. Aldus verstaan, heeft het hof bij de afwijzing van het verzoek van de raadsman de juiste maatstaf toegepast.2

9. In het licht van het voorgaande geeft het in de overwegingen van het hof besloten liggende oordeel dat de gijzeling van de getuige [betrokkene 1] niet in het belang van het onderzoek dringend noodzakelijk is, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dit oordeel evenmin onbegrijpelijk is. Gelet op hetgeen de raadsman ter onderbouwing van het verzoek heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. Daarbij neem ik in aanmerking dat art. 294 Sv noch enige andere bepaling voorschrijft dat het hof zijn beslissing om geen bevel tot gijzeling van een getuige te geven dient te motiveren. Een dergelijke motiveringsplicht valt in zijn algemeenheid evenmin te ontlenen aan de beginselen van een goede procesorde dan wel art. 6, eerste lid, EVRM. Indien het hof deze beslissing toch motiveert, dient zijn redengeving consistent en begrijpelijk te zijn. In het onderhavige geval is sprake van een consistente en begrijpelijke motivering.3

10. Het middel faalt.

11. Het tweede middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de raadsman niet zelfstandig heeft verzocht om het horen van de getuige [betrokkene 1] en dat voor het overige de raadsman de noodzaak tot het nader horen van deze getuige onvoldoende heeft onderbouwd, niet begrijpelijk is.

12. Het op de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2014 herhaalde verzoek van de raadsman van de verdachte om [betrokkene 1] als getuige te horen, is een verzoek zoals bedoeld in art. 328 Sv, in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv. De maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek is ingevolge art. 315, eerste lid, Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, of van de noodzaak van het verzochte is gebleken.4

13. In de hiervoor - bij de bespreking van het eerste middel - onder 5 sub vii weergegeven overwegingen heeft het hof het herhaalde verzoek om [betrokkene 1] als getuige te horen afgewezen, aangezien de raadsman niet zelfstandig heeft verzocht om het horen van deze getuige en de raadsman de noodzaak tot het nader horen van deze getuige onvoldoende heeft onderbouwd. Daarin ligt als het oordeel van het hof besloten dat het nogmaals horen van deze getuige niet noodzakelijk is. Aldus verstaan, heeft het hof bij de afwijzing van het verzoek van de raadsman de juiste maatstaf aangelegd.

14. Het oordeel van het hof acht ik in het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen niet onbegrijpelijk. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn verzoek tot het nader horen van de getuige slechts aangevoerd dat dient te worden gewacht tot de detentie van de getuige is beëindigd, zodat deze bedenktijd heeft om zijn standpunt te herzien.5 De getuige heeft in algemene zin te kennen gegeven geen verdere vragen te beantwoorden, ook al bestaat de mogelijkheid van gijzeling. Bij dit alles moet worden bedacht dat [betrokkene 1] meermalen, te weten bij de rechter-commissaris, twee keer bij de raadsheer-commissaris en op de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2014, in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte als getuige is gehoord. De raadsman is bij die verhoren in de gelegenheid gesteld vragen aan de getuige te stellen en heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.6 De getuige heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2014 desgevraagd verklaard dat zijn bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring, voor zover inhoudende dat “ [verdachte] niet [verdachte] is” en dat de getuige de overval niet met de verdachte heeft gepleegd, de juiste is. Uit het proces-verbaal van die terechtzitting wordt niet duidelijk over welke punten de raadsman de getuige nader wilde bevragen. In de schriftuur wordt evenmin inzichtelijk gemaakt in welk rechtens te respecteren belang de verdachte zou zijn getroffen door het uitblijven van een aanhouding tot na de detentie van de getuige. Gegeven de reeds afgelegde verklaring van de getuige, de beperkte toetsing in cassatie en de uit art. 80a RO voortvloeiende terughoudendheid bij de toetsing in gevallen waarin het belang bij cassatie niet evident is, meen ik dat het middel geen doel kan treffen.7

15. Bij dit alles moet worden bedacht dat het verzoek is gedaan in het kader van het door de raadsman in hoger beroep gevoerde verweer betreffende de (on)betrouwbaarheid van de door [betrokkene 1] afgelegde verklaringen. Het hof heeft dit verweer in de bestreden uitspraak onder “betrouwbaarheid van de door de medeverdachte afgelegde verklaring” op goede gronden en toereikend gemotiveerd verworpen op de grond dat (kort gezegd) [betrokkene 1] op meerdere essentiële punten consistent en gedetailleerd heeft verklaard en dat zijn verklaringen worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Vervolgens heeft het hof de bij de politie afgelegde verklaringen van [betrokkene 1] als bewijsmiddelen 18, 19 en 20 tot het bewijs gebezigd.

16. Gelet op het voorgaande, geeft het in de overwegingen van het hof besloten liggende oordeel dat het nogmaals horen van [betrokkene 1] als getuige niet noodzakelijk is, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dit oordeel evenmin onbegrijpelijk is. In het licht van hetgeen de raadsman ter onderbouwing van het verzoek heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.8 Daaraan doet niet af dat het middel er op zichzelf terecht over klaagt dat de overweging van het hof dat de raadsman niet zelfstandig heeft verzocht om het horen van deze getuige niet zonder meer begrijpelijk is. Nu evenwel de overweging van het hof dat de raadsman (voor het overige) de noodzaak tot het nader horen van deze getuige onvoldoende heeft onderbouwd de afwijzing van het verzoek zelfstandig kan dragen, is ook deze klacht tevergeefs voorgesteld.9

17. Zoals blijkt uit de toelichting, behelst het middel ten slotte de klacht dat de beslissing van het hof tot afwijzing van het verzoek tot het nader horen van de getuige innerlijk tegenstrijdig is, aangezien het hof enerzijds heeft geoordeeld dat het horen van de getuige dringend noodzakelijk is en het hof anderzijds heeft geoordeeld dat het verzoek tot het horen van de getuige onvoldoende is onderbouwd. In de overweging dat gijzeling niet effectief is, ligt volgens de steller van het middel besloten dat het (nader) horen van de getuige dringend noodzakelijk is voor de waarheidsvinding. Deze stellingname sluit aan bij de gedachte dat de rechter bij een weigerachtige getuige eerst moet nagaan of diens bijdrage aan het onderzoek dringend noodzakelijk is, waarna hij in het bevestigende geval over een eventuele gijzeling beslist. Uit het feit dat het hof zich heeft beraden over de gijzeling, zou vervolgens kunnen worden afgeleid dat het hof de eerste vraag in bevestigende zin heeft beantwoord.10 Een andere opvatting is echter ook denkbaar. Indien in redelijkheid wordt verwacht dat de gijzeling van de getuige niet effectief zal zijn, zal een verzoek om gijzeling reeds op die grond afketsen, wat er ook zij van de vraag of de bijdrage aan het onderzoek van de getuige dringend noodzakelijk is. Aldus bezien, lijdt het bestreden arrest niet aan innerlijke tegenstrijdigheid.

18. Het middel faalt.

19. Het derde middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, tot het oordeel is gekomen dat de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling onverwijld is ingediend.

20. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) De verdachte is bij onherroepelijk geworden arrest van 29 april 2009 van het Gerechtshof te Arnhem veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren en 6 maanden. Daarbij heeft het hof tevens de tenuitvoerlegging gelast van een eerder aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 92 dagen.

(ii) De verdachte is met ingang van 2 mei 2011 overeenkomstig art. 15, tweede lid, Sr voorwaardelijk in vrijheid gesteld.

(iii) In een andere strafzaak tegen de verdachte heeft de politierechter in de Rechtbank te Amsterdam bij vonnis van 24 januari 2012 een vordering tot herroeping van voornoemde voorwaardelijke invrijheidstelling toegewezen. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Vervolgens is de verdachte bij onherroepelijk geworden arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 22 maart 2013 in die zaak vrijgesproken. Bij dat arrest is de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de verdachte afgewezen.

(iv) Op 14 december 2011 is de verdachte aangehouden op verdenking van één van de strafbare feiten die in de onderhavige strafzaak ten laste zijn gelegd (de zaak met parketnummer 15-741187-11). De verdachte is op diezelfde datum in verzekering gesteld (welke inverzekeringstelling op 16 december 2011 is verlengd), waarna hij op 19 december 2011 in bewaring is gesteld en op 28 december 2011 zijn gevangenhouding is bevolen.

(v) De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de officier van justitie is in de onderhavige zaak gedagtekend op 30 maart 2012 en is op 3 augustus 2012 ingekomen op de griffie van de rechtbank.

(vi) De verdachte is opgeroepen om op 7 september 2012 te verschijnen ter terechtzitting van de rechtbank teneinde aanwezig te zijn bij de (eerste) behandeling van deze vordering. Op de terechtzittingen in eerste aanleg van 7 september 2012 en 22 oktober 2012 heeft de rechtbank de vordering gelijktijdig behandeld met de in de onderhavige strafzaak ten laste gelegde feiten. Bij vonnis van 22 oktober 2012 heeft de rechtbank de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toegewezen.

(vii) Na de behandeling van het tegen het vonnis van de rechtbank ingestelde hoger beroep heeft het hof de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toegewezen bij arrest van 11 november 2014.

21. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2014, heeft de raadsman van de verdachte verzocht de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling af te wijzen dan wel het openbaar ministerie in deze vordering niet-ontvankelijk te verklaren. De raadsman heeft daartoe onder verwijzing naar een uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 15 oktober 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:6648 het volgende aangevoerd. De verdachte is op 14 december 2011 aangehouden, terwijl de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling dateert van 30 maart 2012. De vraag is hoe lang het openbaar ministerie mag wachten. De verdachte heeft al die tijd in onzekerheid verkeerd. Juist als het gaat om een forse gevangenisstraf moet de samenleving weten waar zij aan toe is.

22. Het hof heeft de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toegewezen, gelast dat de verdachte alsnog het door hem niet ondergane deel van de opgelegde vrijheidsstraf dient te ondergaan en dat deel vastgesteld op 547 dagen. Het hof heeft daartoe onder “vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling” het volgende overwogen:

“Bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof Arnhem van 29 april 2009, parketnummer 21-002927-08, is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Tevens is bij voormeld arrest de tenuitvoerlegging van 92 dagen voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf ten aanzien van de zaak met parketnummer 16/600858-07 gelast. De tenuitvoerlegging van deze straffen is met ingang van 14 mei 2009 aangevangen.

De veroordeelde is, gelet op artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht, op 6 januari 2011 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder meer, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 30 maart 2012 gevorderd, dat de rechtbank de voorwaardelijke invrijheidsstelling voor een periode van 547 dagen herroept, nu de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, zijnde de zaak met parketnummer 15-741187-11.

De rechtbank Haarlem heeft bij vonnis waarvan beroep de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toegewezen.

De raadsman heeft aangevoerd dat deze vordering door het openbaar ministerie pas enkele maanden na de aanhouding van de verdachte, en derhalve niet onverwijld, is gedaan, zodat deze dient te worden afgewezen.

Het hof overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 15i, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht dient de vordering tot herroeping onverwijld te worden ingediend nadat het openbaar ministerie van oordeel is dat de veroordeelde een voorwaarde niet heeft nageleefd. Dat de verdachte is aangehouden op 14 december 2011 houdt nog niet in dat het openbaar ministerie op dat moment al tot de conclusie was gekomen of had moeten komen dat de voorwaarde niet was nageleefd. Reeds hierom gaat het verweer van de raadsman niet op.

Het hof is van oordeel dat de veroordeelde de algemene voorwaarden van zijn voorlopige invrijheidsstelling heeft geschonden door zich voor het einde van de proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Het hof zal op grond hiervan de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toewijzen.”

23. Het hier toepasselijke art. 15i, tweede lid, Sr luidt als volgt:

“2. Indien het openbaar ministerie van oordeel is dat de veroordeelde een voorwaarde niet heeft nageleefd, dient het onverwijld een schriftelijke vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in bij de rechtbank. De vordering bevat de grond waarop zij berust. Het openbaar ministerie ziet slechts af van de vordering, indien naar het oordeel van het openbaar ministerie met het wijzigen van de voorwaarden of met een waarschuwing kan worden volstaan.”

24. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden voorop gesteld. Indien de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in strijd met art. 15i, tweede lid, Sr niet "onverwijld" is ingediend, leidt dit niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in die vordering. De wet verbindt immers geen rechtsgevolgen aan de niet-naleving van voornoemd voorschrift, terwijl niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vordering evenmin voortvloeit uit de aard van het desbetreffende voorschrift. Dit laat onverlet dat het hof, mede gelet op het bepaalde in art. 6 EVRM omtrent de behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn, andere gevolgtrekkingen kan verbinden aan de omstandigheid dat een vordering laat is ingediend. Beslissingen dienaangaande kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden getoetst.11

25. In de hiervoor onder 22 weergegeven overwegingen ligt als het oordeel van het hof besloten dat de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling “onverwijld” in de zin van art. 15i, tweede lid, Sr is ingediend. In het licht van hetgeen hiervoor onder 24 is voorop gesteld, geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Daarbij merk ik nog op dat de onverwijlde indiening van de vordering ingevolge het tweede lid van art. 15i Sr niet alleen is gekoppeld aan het oordeel van het openbaar ministerie dat de veroordeelde een voorwaarde niet heeft nageleefd, maar ook aan het oordeel dat herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling is geboden. Daarbij dient het openbaar ministerie een zekere armslag te worden geboden, zowel teneinde te beoordelen of naar zijn oordeel een voorwaarde niet is nageleefd als teneinde de opportuniteit van herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling te beoordelen. Een dergelijke armslag is niet in de laatste plaats in het belang van de veroordeelde, teneinde te voorkomen dat nadat een verdenking is ontstaan min of meer automatisch, zonder nadere afweging, wordt gebruik gemaakt van de ingrijpende bevoegdheid tot het indienen van een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Mijn ambtgenoot Knigge heeft in dit verband erop gewezen dat het voorschrift van art. 15i, tweede lid, Sr veeleer strekt ter bevordering van een effectieve en geloofwaardige afdoening dan ter bescherming van de rechtszekerheid ten behoeve van de veroordeelde.12 Daar komt bij dat de strafzaak, waarmee de behandeling van de vordering gelijktijdig plaatsvindt (art. 15i, vijfde lid, Sr), binnen een redelijke termijn, zoals bedoeld in art, 6, eerste lid, EVRM, moet worden behandeld. Zo lang aan die voorwaarde is voldaan, valt niet in te zien welk nadeel de veroordeelde van een eventuele niet onverwijlde indiening van de vordering ondervindt.13

26. Tussen de aanhouding van de verdachte en de dagtekening van de vordering is een termijn van drieënhalve maand verstreken, terwijl tussen de aanhouding van de verdachte en de binnenkomst van de vordering bij de rechtbank zeven en een halve maand is verstreken. Deze duur lijkt mede te kunnen worden verklaard door het feit dat aanvankelijk in een andere strafzaak tegen de verdachte een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling was ingediend. Bovendien was de vordering in die zaak in eerste aanleg (op 24 januari 2012) toegewezen. Voor het openbaar ministerie zal indiening van een vordering in de onderhavige zaak nog niet geboden zijn geweest. Ook betekent de enkele omstandigheid dat de verdachte is aangehouden nog niet dat het openbaar ministerie daarmee een afgerond oordeel heeft over het niet voldoen aan de voorwaarden bij een voorwaardelijke invrijheidstelling. De officier van justitie heeft de vordering opgemaakt op de dag van de eerste terechtzitting in eerste aanleg (op 30 maart 2012). De zaak is in eerste aanleg ruim binnen de daarvoor geldende zestien-maandentermijn afgedaan. De verdachte is immers op 14 december 2011 in verzekering gesteld, terwijl de rechtbank reeds op 22 oktober 2012 uitspraak heeft gedaan. De behandeling van de zaak in eerste aanleg heeft dan ook binnen een redelijke termijn plaatsgevonden. Aldus heeft de officier van justitie de vordering niet zodanig laat ingediend bij de rechtbank dat dit diende te leiden tot afwijzing van de vordering, terwijl voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie op deze grond gelet op hetgeen hiervoor voorop is gesteld geen plaats is. In het licht van hetgeen de raadsman ter onderbouwing van zijn verweer heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.14

27. Het middel faalt.

28. Het vierde middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van feit 2 in de zaak met parketnummer 15-740040-12 niet kan volgen uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Volgens de steller van het middel kan deze bewezenverklaring in strijd met art. 342, tweede lid, Sv slechts volgen uit de verklaring van medeverdachte [betrokkene 3] .

29. Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 15-740040-12 onder 2 bewezen verklaard dat:

“hij op 31 januari 2011 te Hillegom tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [betrokkene 4] heeft gedwongen tot de afgifte van autosleutels behorende bij een personenauto (merk: Audi, type A6) voorzien van het kenteken [AA-00-BB] toebehorende aan BV [B] en met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk: Audi, type A6) voorzien van kenteken [AA-00-BB] ) en een horloge (merk: Maurice Lacroix, type: Master piece) en een geldbedrag van ongeveer EUR 450,- toebehorende aan [betrokkene 4] en/of BV [B] welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [betrokkene 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en welk geweld en bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij verdachte een vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp op [betrokkene 4] heeft gericht en de handen en voeten van [betrokkene 4] door middel van tiewraps heeft vastgebonden.”

30. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

(i) Een op 31 januari 2011 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 4] , voor zover inhoudende (bewijsmiddel 5):

“Tussen maandag 31 januari 2011 te 18.05 uur en maandag 31 januari 2011 te 18.20 uur werd op [adres] , het in de aanhef vermelde feit gepleegd.

Op maandag 31 januari 2011, omstreeks 17.45 uur ben ik thuis gekomen van mijn werk, met de personenauto van het merk Audi, type A6 voorzien van het kenteken [AA-00-BB] . De personenauto is eigendom van de BV [B] . Op maandag 31 januari 2011, omstreeks 18.00 uur werd er op de voordeur bel gedrukt. Ik heb toen de voordeur geopend. Ik zag en voelde dat de deur naar binnen werd open geduwd. Ik zag dat er een man in de deur opening stond. Ik zag dat deze man ongeveer 180 centimeter lang was. Ik zag dat er achter deze man een kleinere iets donker getinte man stond van ongeveer 170 centimeter lang. Ik zag dat de lange man in de voordeuropening stond met een donker handvuurwapen in zijn linkerhand. Ik hoorde dat de man zei: “Je autosleutels”. Ik heb toen gelijk mijn autosleutels van mijn personenauto afgegeven. Ik hoorde dat de lange man vervolgens zei: “liggen”. Ik ben toen met mijn buik op de grond gaan liggen. Ik hoorde dat de lange man zei: “Doe uw handen op uw rug”, of woorden van gelijke strekking. Later bleek dat mijn handen middels tiewraps aan elkaar werden vastgebonden. Dit lukte eerst niet goed, ik vermoed dat de kleine eerst geprobeerd heeft mij te boeien en toen dit niet lukte heeft de lange het verder afgemaakt. Mijn voeten zijn ook aan elkaar gebonden, middels tiewraps.

De politie is vervolgens ter plaatse gekomen. Ik heb toen, nadat de politie de sporen heeft bekeken, gezien dat er uit mijn portemonnee nog ongeveer 400 tot 450 euro was weggenomen. Ik zag ook dat mijn personenauto (merk/type Audi A6; Kenteken: [AA-00-BB] ) weg was genomen van de oprit.

Verder werden weggenomen de goederen, genoemd op de Bijlage goederen.”

(ii) Een “Bijlage goederen” behorende bij het proces-verbaal van aangifte van 31 januari 2011, voor zover inhoudende (bewijsmiddel 6):

“Gestolen goed

Categorie omschrijving : Geld

Object : Euro

Waarde : EUR 450.00

Object : Horloge

Merk/type : Maurice Lacroix Master Piece”

(iii) Een op 15 juni 2012 bij de politie afgelegde verklaring van (medeverdachte) [betrokkene 3] , voor zover inhoudende (bewijsmiddel 7):

“Ik was er bij in Hillegom. [verdachte] heeft in Hillegom met een pistool staan zwaaien. Via [verdachte] zijn [betrokkene 5] en ik erbij gekomen om naar Hillegom te gaan. Wij gingen er naartoe omdat [verdachte] die Audi wilde gaan pakken. Hij heeft van tevoren al de woning in de gaten gehouden. Ik denk een dag ervoor.

We zijn naar Hillegom gereden. [betrokkene 5] was bij de auto in het winkelcentrum gebleven. Ik moest aanbellen van [verdachte] . Bij de voordeur. Ik stond achter [verdachte] . De meneer kwam aanlopen, deed de deur open en [verdachte] trapte de deur naar binnen open en legde de man op de grond. Volgens mij zei hij: ”Op de grond liggen”. [verdachte] had het wapen gericht op die man. Dat was een pistool, zwart van kleur. Ik had niets in mijn handen. [verdachte] zei tegen mij dat ik de man moest vastbinden met tiewraps. Ik zei dat ik dat niet wilde doen. [verdachte] duwde mij opzij en deed het zelf. [verdachte] is naar boven gerend en heeft daar geld, een portefeuille en misschien nog meer spullen gepakt. [verdachte] vroeg eerst aan de man om sleutels en geld. Toen we in de Audi zaten heeft [verdachte] er een heleboel dingen uitgegooid. [betrokkene 5] stond te wachten op ons met de Golf 5.”

(iv) De op de terechtzitting in eerste aanleg van 7 september 2012 afgelegde verklaring van [betrokkene 3] , voor zover inhoudende (bewijsmiddel 8):

“Ik blijf bij de door mij afgelegde verklaringen.”

(v) Een op 11 december 2013 bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 3] , voor zover inhoudende (bewijsmiddel 9):

“Ik blijf bij mijn verklaring waarin ik heb gezegd dat ik de overvallen gepleegd heb met Castelijn. Bij de overval in Hillegom zijn [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] , de verdachte) en ik in de woning geweest. [betrokkene 5] was buiten in een andere auto dan de Audi. [verdachte] wordt [verdachte] genoemd. Ik heb van beide overvallen wel iets van de buit gekregen. Het was sowieso een bedrag onder de 500 euro. [betrokkene 5] reed in een Golf Type 5.”

(vi) Een proces-verbaal van telecommunicatie van de politie van 26 maart 2012, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant] , voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant (bewijsmiddel 10):

“Uit onderzoek Fluoriet is naar voren gekomen dat [verdachte] onder andere gebruik maakt van telefoonnummers 06- [001] en 06- [002] .

De gebruiker van telefoonnummer 06- [002] , [verdachte] , straalt op 30 januari 2011 op verschillende momenten, namelijk rond 16:38 en 19:45 uur de mast op de Vosselaan aan in Hillegom.

Uit de historische verkeersgegevens blijkt dat de gebruiker van het telefoonnummer dat in gebruik is bij [betrokkene 3] een mast aanstraalt. Op 31 januari 2011 om 16:30 straalt de telefoon een mast aan op de Vosselaan in Hillegom. Dit ligt in de nabije omgeving van de woning aan de Doorneburg in Hillegom welke op deze dag rond 18:00 uur wordt overvallen.”

31. Zoals blijkt uit zijn op de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2014 overgelegde pleitnotitie, heeft raadsman van de verdachte bepleit dat de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. Naast de verklaringen van [betrokkene 3] is er geen (steun)bewijs voor dit feit. Het enige “belastende” bewijs naast deze verklaringen zou de omschrijving zijn die aangever [betrokkene 4] heeft gegeven van de overvaller (“een kruising tussen Lange Frans en Koevermans”). Voorts roepen de tien afgelegde verklaringen van [betrokkene 3] nogal wat vragen op. De verklaringen vertonen qua inhoud discrepanties en de verklaringen stroken niet met de feiten, terwijl bepaalde verklaringen onhoudbaar lijken. [betrokkene 3] heeft een aversie tegen de verdachte en tracht de verdachte en ene [betrokkene 6] te belasten.15

32. Het hof heeft dit verweer onder “bewijsoverweging, ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 15-740040-12 onder 2 tenlastegelegde” als volgt samengevat en verworpen:

“De raadsman heeft bepleit tot uitsluiting van de verklaringen van medeverdachte [betrokkene 3] voor het bewijs, nu de verklaringen van de medeverdachte discrepanties vertonen en niet stroken met de feiten. De medeverdachte zou een aversie hebben tegen de verdachte en daarom bewust, ten onrechte, belastend over hem hebben verklaard.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe dat het de verklaringen van medeverdachte [betrokkene 3] voldoende betrouwbaar acht om voor het bewijs te bezigen. Zo heeft de medeverdachte op essentiële punten op verschillende momenten consistent verklaard, welke verklaringen ondersteund worden door andere bewijsmiddelen. Zo heeft de medeverdachte blijkens het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 7 september 2012, alsmede in zijn verhoor bij de Raadsheer-Commissaris van 11 december 2013 nog aangegeven te blijven bij zijn eerder afgelegde verklaringen waarin hij heeft gezegd de overval op het huis in Hillegom te hebben gepleegd met de verdachte. Dat hij samen met de verdachte in deze woning is geweest en dat [betrokkene 5] buiten op hen wachtte in een andere auto, een Golf, type 5. Ook heeft de medeverdachte verklaard dat de verdachte waarschijnlijk een dag voor de woningoverval, de woning in de gaten heeft gehouden. Deze verklaring van de medeverdachte wordt ondersteund door het onderzoek naar de historische verkeersgegevens, welke laten zien dat de gebruiker van het telefoonnummer dat aan de verdachte wordt toegeschreven, zich de dag voor de overval onder het bereik van de zendmast bevond, waar vlakbij zich eveneens de woning aan het perceel de [a-straat 1] in Hillegom bevind.

Het hof ziet voorts geen aanleiding om aan te nemen dat de medeverdachte ten aanzien van de overval op de coffeeshop, die ter terechtzitting door de verdachte is bekend, wel betrouwbaar zou hebben verklaard en ten aanzien van de overval in Hillegom niet. De enkele stelling dat de onderlinge verhoudingen tussen de verdachte en de medeverdachte niet goed zouden zijn, acht het hof onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.”

33. Volgens art. 342, tweede lid, Sv kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de bewezenverklaring als geheel en vereist niet dat elk aspect van de bewezenverklaring door meer dan één bewijsmiddel wordt ondersteund. Voorts strekt de bepaling ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen indien de door één getuige genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.16

34. Voor zover het middel steunt op de veronderstelling dat art. 342, tweede lid, Sv meebrengt dat steunbewijs betrekking moet hebben op de betrokkenheid van de verdachte, mist het zijn doel, omdat die veronderstelling onjuist is. Voorts geldt het volgende. Het hof heeft gemotiveerd dat en waarom het van oordeel is dat voldoende steunbewijs voor de belastende verklaringen van [betrokkene 3] te vinden is in de andere door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft daarbij meer in het bijzonder verwezen naar het onderzoek naar de historische verkeersgegevens, zoals opgenomen in het proces-verbaal van telecommunicatie van de politie van 26 maart 2012. Mede gelet op die nadere motivering, kan niet worden gezegd dat de bij de politie (bewijsmiddel 7), op de terechtzitting in eerste aanleg (bewijsmiddel 8) en bij de raadsheer-commissaris (bewijsmiddel 9) afgelegde verklaringen van [betrokkene 3] onvoldoende steun vinden in ander gebezigd bewijsmateriaal. Te wijzen valt op het aangehaalde proces-verbaal van telecommunicatie (bewijsmiddel 10) en op de bij de politie afgelegde verklaring van aangever [betrokkene 4] (bewijsmiddel 5). Uit het proces-verbaal van telecommunicatie blijkt dat de telefoon van de verdachte de dag vóór de overval op de woning op verschillende momenten in de buurt is geweest van deze woning en dat de telefoon van medeverdachte [betrokkene 3] op de dag van de overval (anderhalf uur daarvóór) aanwezig is geweest in de nabije omgeving van de woning. Voorts komt de beschrijving [betrokkene 4] heeft gegeven van de overval en de rol die “de lange man” (de verdachte; AG) daarbij heeft gespeeld in grote lijnen overeen met de verklaringen die [betrokkene 3] op deze punten heeft afgelegd. Aldus is van strijd met het bepaalde in art. 342, tweede lid, Sv geen sprake en is de bewezenverklaring van feit 2 in de zaak met parketnummer 15-740040-12 naar de eis der wet met redenen omkleed.17

35. Het middel faalt.

36. Het vijfde middel behelst de klacht dat de strafmaatoverweging, inhoudende dat goederen zijn weggenomen met een voor de eigenaren grote emotionele waarde, zoals een trouwring en een mobiele telefoon met daarop foto’s van het net zes maanden oude kindje van de medewerkster van de coffeeshop, niet kan volgen uit de gehanteerde bewijsmiddelen.

37. Het middel keert zich tegen het volgende onderdeel van de strafmotivering van het hof:

“Bij de overvallen werden meerdere geldbedragen buitgemaakt, alsmede auto’s en sieraden. Daarnaast werden goederen weggenomen met een voor de eigenaren grote emotionele waarde, zoals een trouwring en een mobiele telefoon met daarop de foto’s van het 6 maanden oude kindje van de medewerkster van de coffeeshop.”

38. De keuze van de factoren welke voor de strafoplegging van belang zijn te achten, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en deze keuze behoeft geen motivering.18 De enige grens die de rechter in acht moet nemen bij de selectie van de gegevens die hij wil gebruiken bij de straftoemeting, is dat deze moeten zijn gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.19 Voor zover in het middel wordt betoogd dat omstandigheden die worden gebruikt ter motivering van de straf moeten kunnen worden ontleend aan de gebezigde bewijsmiddelen, wordt derhalve een eis gesteld die het recht niet kent.20 Daarmee is het lot van het middel bezegeld. Ten overvloede merk ik nog op dat in cassatie niet is bestreden dat van voornoemde omstandigheden ter terechtzitting is gebleken.21

39. Het middel faalt.

40. De middelen falen, terwijl het tweede middel, het vierde middel en het vijfde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

41. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Daarnaast is de verdachte in eerste aanleg vrijgesproken van de vernieling van een roldeur (zaak met parketnummer 15-740040-12 onder 3). Hof heeft de verdachte op de voet van art. 404, vijfde lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep voor zover dat is gericht tegen deze vrijspraak.

2 Zie HR 1 februari 1994, NJ 1994/427 m.nt. Corstens, rov. 5.3 en Wöretshofer in C.P.M. Cleiren, J.H. Crijns en M.J.M. Verpalen (red.), Tekst & Commentaar Strafvordering, Deventer: Kluwer 2015, aant. 1 onder b bij art. 294 Sv. Vgl. voorts HR 24 november 1981, NJ 1982/138 m.nt. Van Veen, rov. 10 en HR 23 juni 1959, NJ 1960/90 m.nt. Röling.

3 Vgl. HR 1 februari 1994, NJ 1994/427 m.nt. Corstens, rov. 5.2.

4 Vgl. HR 12 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9964, rov. 2.4 en HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702, NJ 2007/626 m.nt. Mevis, rov. 3.3.1.

5 Overigens is noch aangevoerd noch anderszins aannemelijk geworden dat de getuige op korte termijn op vrije voeten zou komen. [betrokkene 1] zelf heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2014 ten aanzien van de duur van zijn nog te ondergane gevangenisstraf verklaard dat hij “op dit moment niet in de detentiefasering zit”.

6 Vgl. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1020, NJ 2014/257, rov. 4.4.

7 Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers, rov. 2.77.

8 Vgl. zaken waarin het hof een verzoek heeft afgewezen met de enkele overweging dat de noodzaak daartoe niet is gebleken, waarna de Hoge Raad die afwijzing gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd niet onbegrijpelijk heeft geacht: HR 6 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL4158, rov. 2 (afwijzing getuigenverzoek) en HR 24 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2971, rov. 4 (afwijzing vordering advocaat-generaal tot nader onderzoek).

9 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 212. Zie voorts HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:487, NJ 2014/374 m.nt. Keulen, rov. 3.5 en HR 19 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH7284, NJ 2009/443, rov. 4.2.

10 Aldus toenmalig A-G Van Dorst in zijn conclusie voorafgaand aan HR 1 februari 1994, NJ 1994/427 m.nt. Corstens.

11 Vgl. HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2647, rov. 3.4

12 Zie zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2014:1523) voorafgaand aan HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2647.

13 Aldus ook Knigge in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2014:1523) voorafgaand aan HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2647.

14 Vgl. HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2647, rov. 3 (periode van vier maanden tussen de aanhouding van de verdachte en het moment waarop de vordering bij de rechtbank is ingekomen) en HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1572, rov. 3 (periode van zes weken tussen de binnenkomst van het desbetreffende proces-verbaal bij het openbaar ministerie en de datum van indiening van de vordering door de officier van justitie).

15 Zie pleitnotitie in hoger beroep van 28 oktober 2014, p. 17-19.

16 Vgl. HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2483, rov. 2.3, HR 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1354, NJ 2014/329 m.nt. Rozemond, rov. 3.2, HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, NJ 2013/515 m.nt. Reijntjes, rov. 3.2, HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1890, NJ 2013/279 m.nt. Reijntjes, rov. 3.4, HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ6144, NJ 2012/252 m.nt. Schalken, rov. 3.2, HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1728, NJ 2010/612 m.nt. Borgers, rov. 2.4 en HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515 m.nt. Borgers, rov. 2.4.

17 Vgl. HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3549, rov. 2, HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1158, NJ 2014/252, rov. 3, HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, NJ 2013/515 m.nt. Reijntjes, rov. 3 en HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR: 2011:BP3747, NJ 2011/170, rov. 2

18 Vgl. HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7805, rov. 3.3, HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9353, rov. 4.3, HR 25 november 2003, NS 2004/18, rov. 4.4, HR 26 juni 1984, NJ 1985/138, rov. 7.5 en A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 313.

19 Vgl. Van Dorst, a.w., p. 310-311.

20 Vgl. HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7119, rov. 4.3 en G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, achtste druk, Deventer: Kluwer 2014, p. 868.

21 Vgl. HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2449 (middel 2; art. 81 RO onder verwijzing naar het hierna te noemen arrest van 9 juni 2015) en HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1505, rov. 2.4 (art. 80a RO).