Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2605

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-11-2015
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
15/00705
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:177, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Gewapende overvallen op coffeeshop en woningen. 1. Verzoek tot gijzeling van getuige, art. 294.1 Sv, 2. Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling, art. 15i Sr, 3. Vordering b.p., onevenredigheidscriterium.

Ad. 1. Afwijzing van het verzoek tot gijzeling van getuige. Het oordeel van het Hof dat een gijzeling van de getuige, een medeverdachte, niet dringend noodzakelijk is voor het onderzoek, waarbij het Hof in aanmerking heeft genomen dat de getuige zich in detentie bevindt en een gijzeling derhalve “niet effectief” is, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Ad. 2. Tijdstip waarop vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling door het OM moet worden ingediend. “Onverwijld” ex art. 15i.2 Sr. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:2647 betreffende de rechtsgevolgen die kunnen worden verbonden aan de niet-naleving van art. 15i.2 Sr. Het oordeel van het Hof dat de vordering niet zodanig laat is ingediend dat zulks dient te leiden tot de afwijzing van de vordering, is niet onbegrijpelijk.

Ad 3. Middel b.p. betreffende niet-ontvankelijkverklaring vordering b.p. m.b.t. vergoeding van verhuis-, aan- en verkoopkosten. Het Hof verklaarde b.p. n-o in haar vordering op de grond dat de behandeling van de vordering met het oog op beantwoording van de vraag of voldaan is aan het vereiste rechtstreeks verband tussen die schade en het bewezenverklaarde feit een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 15/00705

Zitting: 17 november 2015

Mr. Bleichrodt

Aanvullende conclusie inzake:

[verdachte]

1. Op 27 oktober 2015 heb ik in de onderhavige zaak een conclusie genomen, ertoe strekkende dat het cassatieberoep dient te worden verworpen. In die conclusie heb ik de namens de verdachte voorgestelde cassatiemiddelen besproken. Nadien heeft mr. R. van den Berg, advocaat te Haarlem, binnen de daarvoor geldende termijn namens de benadeelde partij [betrokkene 2] bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.1 In deze aanvullende conclusie zal ik mij beperken tot de bespreking van dit middel.

2. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel behelst de klacht dat het hof de benadeelde partij ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering ten aanzien van de gevorderde verhuiskosten en aan- en verkoopkosten. Volgens de steller van het middel is het oordeel van het hof dat de vordering van de benadeelde partij op deze punten een onevenredige belasting van het strafproces vormt, onvoldoende gemotiveerd.

3. De benadeelde partij [betrokkene 2] heeft zich in eerste aanleg gevoegd in het strafgeding voor een schadebedrag van in totaal € 17.101,89. De door de benadeelde partij geleden schade zou zijn veroorzaakt door het in de zaak met parketnummer 15-741187-11 ten laste gelegde feit, te weten de op 20 september 2011 gepleegde gewapende overval op de woning van [betrokkene 2] in Bennebroek. Het schadebedrag betreft materiële schade (€ 12.601,89) en immateriële schade (€ 4.500,-). De materiële schade bestaat volgens het door de advocaat van de benadeelde partij ingediende “Schadeopgaveformulier Misdrijven” onder meer uit “aan- en verkoopkosten” à € 2.500,- en “verhuiskosten” à € 2.500,-.

4. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in eerste aanleg van 8 oktober 2012 overgelegde pleitnota, heeft de advocaat van de benadeelde partij ter onderbouwing van de schadeposten “aan- en verkoopkosten” en “verhuiskosten” opgemerkt dat de benadeelde partij niet zou zijn verhuisd als hij niet was overvallen. Het schadefonds geweldsmisdrijven kent voor beide posten een maximumbedrag van € 2.500,- toe indien de verhuizing op grond van een sociaal-psychische indicatie plaatsvindt. Dit wordt in het algemeen aangenomen, indien het misdrijf in de eigen woning heeft plaatsgevonden, aldus de advocaat van de benadeelde partij. De officier van justitie heeft gevorderd dat de volledige vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen. Hoewel over de veiligheids- en de verhuiskosten kan worden getwijfeld, is de officier van justitie ervan overtuigd dat de benadeelde partij de intentie had om in de woning te blijven wonen maar dat uiteindelijk wegens een blijvend gevoel van onveiligheid is besloten om te verhuizen. De raadsman van de verdachte heeft op voornoemde terechtzitting verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, gelet op de bepleite vrijspraak voor het desbetreffende feit. De rechtbank heeft in haar vonnis de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 10.301,89 voor geleden materiële en immateriële schade. Ten aanzien van de gevorderde verhuiskosten en de aan- en verkoopkosten heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering op de grond dat de vaststelling van het causale verband tussen de gestelde (toekomstige) schade en de bewezen verklaarde overval een onevenredige belasting van het strafproces meebrengt. Dit causale verband is volgens de rechtbank op basis van het onderzoek ter terechtzitting en de stukken in het dossier onvoldoende komen vast te staan. Zoals blijkt uit het namens de benadeelde partij ingevulde “wensenformulier” van 26 juni 2013, heeft de benadeelde partij zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en zijn eerder ingediende verzoek tot schadevergoeding (volledig) gehandhaafd.

5. De advocaat van de benadeelde partij heeft, zoals blijkt uit zijn op de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2014 overgelegde pleitnota, ter onderbouwing van de vordering ten aanzien van de posten “aan- en verkoopkosten” en “verhuiskosten” onder verwijzing naar HR 21 september 1999, NJ 1999/801 het volgende aangevoerd. Ook ten aanzien van deze posten is sprake van rechtstreekse schade. De verdachte en zijn medeverdachte zijn de woning van de benadeelde partij binnengedrongen, hebben de benadeelde partij onder schot gehouden en hebben hem vastgebonden. Deze actie heeft een diepe indruk gemaakt op de benadeelde partij. Door de overval is de woning voor altijd verbonden met die nare herinnering. De benadeelde partij heeft zijn woning eerst extra beveiligd. Dit bood hem echter onvoldoende geruststelling, waarna hij heeft besloten om met zijn gezin te verhuizen. Er bestaat voldoende causaal verband tussen het misdrijf en de schade, aangezien er geen plannen waren om te verhuizen. Er is tevens sprake van “relativiteit”, aangezien het belang om gevrijwaard te blijven van gewelddadige overvallen in de eigen woning een belang is dat door de overtreden strafbepaling (art. 312 Sr) wordt beschermd. Omdat door de benadeelde partij slechts een (klein) gedeelte van de daadwerkelijke schade wordt gevorderd, kan niet worden gesteld dat de vordering te ingewikkeld is en daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, aldus de advocaat van de benadeelde partij. Voorts heeft de advocaat van de benadeelde partij op voornoemde terechtzitting in reactie op het pleidooi van de raadsman van de verdachte nog het volgende opgemerkt. Op grond van het civiele recht vallen ook de verhuiskosten onder “rechtstreekse schade”. Wanneer een trauma zich later manifesteert, heeft dit nog steeds te gelden als rechtstreekse schade. Het begrip “rechtstreekse schade” moet niet zo eng worden uitgelegd als de raadsman van de verdachte heeft bepleit.

6. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2014, heeft de raadsman van de verdachte ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij opgemerkt dat hij de door de benadeelde partij gevorderde verhuiskosten niet ziet als rechtstreekse schade. De verhuizing is een vrijwillige keuze geweest, althans is niet direct te relateren aan het ten laste gelegde feit. Zoals blijkt uit de op voornoemde terechtzitting overgelegde vordering, heeft de advocaat-generaal bij het hof gevorderd dat vordering van de benadeelde partij volledig dient te worden toegewezen.

7. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2] toegewezen tot een bedrag van € 11.751,89, bestaande uit € 7.601,89 voor materiële schade en € 4.150,- voor immateriële schade. Het hof heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering voor zover deze vordering betrekking heeft op de gemaakte verhuiskosten en aan- en verkoopkosten. Daartoe heeft het hof onder “vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2]” het volgende overwogen:

“De benadeelde partij [betrokkene 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 17.026,89, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.301,89 en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De vordering bestaat uit de volgende posten:

Materieel:

a. Het eigen risico voor de Porsche Cayenne € 711,--

b. Eigen risico VW Transporter € 127,85

c. Kleding (shirt, sjaal, riem, badjas) € 155,--

d. Bankbiljet fl. 25,- € 11,50

e. Reiskostenvergoeding € 124,95

f. Parkeerkostenvergoeding € 45,-

g. Extra telefoon-, kopieer-, en portokosten € 75,--

h. Beveiligingskosten € 2.456,59

i. Sieraden € 3.895,--

j. Aan- verkoopkosten € 2.500,--

k. Verhuiskosten € 2.500,--

€ 12.601,89

Immaterieel € 4.500,--

Totaal € 17.101,89

Standpunt verdediging

Door de raadsman van de verdachte is bepleit dat de posten ‘Aan- verkoopkosten’ en ‘Verhuiskosten’ dienen te worden afgewezen nu de gemaakte kosten niet rechtstreeks voortvloeien uit de tenlastegelegde gedraging.

Standpunt benadeelde partij

Namens de benadeelde partij is aangevoerd dat ten aanzien van de aan- en verkoopkosten, alsmede de verhuiskosten, sprake is van rechtstreekse schade. Daartoe heeft de raadsman van de benadeelde partij, kort gezegd, aangevoerd, dat de tenlastegelegde gedraging een diepe indruk heeft achtergelaten bij de benadeelde partij. De woning waar de overval heeft plaatsgevonden is voor altijd verbonden met nare herinneringen en de verhuizing is daarom een rechtstreeks gevolg van de tenlastegelegde gedraging.

Oordeel van het hof.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij in de navolgende posten, die niet door de verdediging zijn betwist, als gevolg van het in de zaak met parketnummer 15-741187-11 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

a. Het eigen risico voor de Porsche Cayenne € 711,--

b. Eigen risico VW Transporter € 127,85

c. Kleding (shirt, sjaal, riem, badjas) € 155,--

d. Bankbiljet fl. 25,- € 11,50

e. Reiskostenvergoeding € 124,95

f. Parkeerkostenvergoeding € 45,--

g. Extra telefoon-, kopieer-, en portokosten € 75,--

h. Beveiligingskosten € 2.456,59

i. Sieraden €3.895,--

Het rechtstreeks verband tussen de posten die betrekking hebben op de door de benadeelde partij gemaakte verhuiskosten en de aan- en verkoopkosten zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende komen vast te staan. Beantwoording van de vraag of sprake is van een causaal verband brengt een onevenredige belasting van het strafproces met zich mee. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

Het hof acht de gestelde immateriële schade voor een bedrag van € 4.150,--, gelet op de ter terechtzitting en in hoger beroep gegeven toelichting en onderbouwing daarvan, billijk.

Verdachte is tot vergoeding van de voornoemde schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.”

8. Ingevolge art. 361, derde lid, Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, kan het hof, indien het van oordeel is dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, op verzoek van de verdachte, op vordering van de advocaat-generaal dan wel ambtshalve bepalen dat de vordering in het geheel of ten dele niet-ontvankelijk is en bepalen dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Indien het hof die vordering gedeeltelijk niet-ontvankelijk oordeelt, is het hof noch op grond van art. 361 Sv noch op grond van enige andere bepaling gehouden dat oordeel nader te motiveren.2

9. Zoals blijkt uit de toelichting, neemt het middel tot uitgangspunt dat het hof zou hebben geoordeeld dat er geen sprake is van een (voldoende) causaal verband tussen het strafbare feit enerzijds en de door de benadeelde partij gemaakte verhuiskosten en aan- en verkoopkosten van de woning anderzijds. Dit uitgangspunt berust op een verkeerde lezing van de overwegingen van het hof en mist daardoor feitelijke grondslag. In de hiervoor onder 7 weergegeven overwegingen heeft het hof immers overwogen dat (op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de stukken van het geding) onvoldoende is komen vast te staan dat er sprake is van een rechtstreeks verband tussen het bewezen verklaarde feit en voornoemde schadeposten en dat de beantwoording van de vraag of er daadwerkelijk sprake is van een causaal verband een onevenredige belasting van het strafproces meebrengt.

10. In deze overwegingen ligt als het oordeel van het hof besloten dat de benadeelde partij niet in zijn vordering kan worden ontvangen ten aanzien van de door hem gevorderde verhuiskosten en aan- en verkoopkosten, omdat de behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Door aldus te oordelen heeft het hof de juiste maatstaf toegepast. Dit oordeel is feitelijk van aard en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.3 Het oordeel van het hof acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik de inhoud van de ingediende vordering van de benadeelde partij en hetgeen namens de benadeelde partij ter onderbouwing van die vordering naar voren is gebracht in het voegingsformulier en op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep, in aanmerking. Voorts is van belang dat de raadsman van de verdachte de desbetreffende schadeposten gemotiveerd heeft betwist. Het hof heeft niet onbegrijpelijk geoordeeld dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een causaal verband nader onderzoek nodig is en dat de uitvoering daarvan zou meebrengen dat het strafgeding onevenredig zou worden benadeeld. Anders dan de steller van het middel aanvoert, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.4

11. De in de toelichting op het middel aangevoerde omstandigheden, die voortborduren op de verkeerde lezing van de overwegingen van het hof en die deels een herhaling behelzen van de in hoger beroep namens de benadeelde partij betrokken stellingen, doen niet af aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof.5 Voor zover wordt betoogd dat het oordeel van het hof ten aanzien van het causale verband tussen het strafbare feit en de gemaakte verhuiskosten en aan- en verkoopkosten tegenstrijdig zou zijn met het desbetreffende oordeel van het hof in de zaak tegen de medeverdachte [betrokkene 1], richt het middel zich tegen een oordeel van het hof in de onderhavige zaak dat niet te verenigen zou zijn met een oordeel van het hof in een andere zaak.6 Het oordeel van het hof in de zaak tegen de medeverdachte [betrokkene 1] en de daaraan gegeven motivering zijn echter niet aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen. Dat brengt mee dat de vraag of het oordeel van het hof in de onderhavige zaak zich verdraagt met het oordeel van het hof in de zaak tegen de medeverdachte [betrokkene 1], in cassatie niet ten toets kan komen.7 Ten overvloede merk ik op dat het hof in de zaak tegen de medeverdachte [betrokkene 1] de vordering van de benadeelde partij tot (nagenoeg) hetzelfde bedrag heeft toegewezen en dat het hof in die zaak de benadeelde partij eveneens niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering, voor zover deze vordering betrekking heeft op de gemaakte verhuiskosten en aan- en verkoopkosten.

12. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De termijn voor indiening van een schriftuur (de zogenoemde dertig-dagentermijn) is voor de benadeelde partij geëindigd op 2 november 2015, aangezien de desbetreffende kennisgeving op 2 oktober 2015 is verzonden naar de gemachtigde van de benadeelde partij. De namens de benadeelde partij ingediende schriftuur is op 30 oktober 2015 bij de Hoge Raad ingekomen.

2 Vgl. ten aanzien van het oude criterium (het eenvoudcriterium) HR 17 juni 1997, DD 97.301, rov. 4.2 (geen motiveringsplicht wanneer het hof de vordering van de benadeelde partij ontvankelijk oordeelt ondanks een verzoek van de verdachte).

3 Vgl. ten aanzien van het oude criterium HR 21 maart 2006, nr. 00338/05, rov. 4 (niet gepubliceerd) (het oordeel dat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in de strafzaak, is feitelijk en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst) en HR 17 juni 1997, DD 97.301, rov. 4.3 (het oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van eenvoudige aard is, is feitelijk en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst).

4 Zie voor zaken waarin de Hoge Raad het enkel noemen van het onevenredigheidscriterium toereikend acht voor de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering: HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:476, NJ 2014/281, rov. 4, HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3751, NJ 2012/451, rov. 4 en HR 20 maart 2012, ECLI:NL: HR:2012:BU7349, NJ 2012/520 m.nt. Keulen, rov. 4. Vgl. voorts J. Candido, De vordering benadeelde partij in het strafproces en de onevenredige belasting van het strafgeding, in: Trema 2011, nr. 10, p. 354-359: Mede gelet op het accessoire karakter van de vordering van de benadeelde partij betekent het onevenredigheidscriterium geen grote verschuiving ten opzichte van het oude recht.

5 Volgens de steller van het middel is het oordeel van het hof tegenstrijdig met het oordeel van het hof in de zaak tegen de medeverdachte [betrokkene 1], heeft het hof gelet op de toewijzing van de beveiligingskosten en art. 6:98 BW ten onrechte geoordeeld dat er geen sprake zou zijn van een causaal verband en heeft het hof in het licht van de wetsgeschiedenis en HR 21 september 1999, NJ 1999/801 ten onrechte geoordeeld dat er geen sprake zou zijn van rechtstreekse schade.

6 Een afschrift van het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 december 2012 in de zaak tegen de medeverdachte [betrokkene 1] is gehecht aan de pleitnota van de advocaat van de benadeelde partij, die op de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2014 is overgelegd. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2] toegewezen tot een bedrag van € 11.742,39, bestaande uit € 7.592,39 voor materiële schade en € 4.140,- voor immateriële schade. Het hof heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering, voor zover deze vordering betrekking heeft op de gemaakte verhuiskosten en aan- en verkoopkosten, op de grond dat er in zoverre geen sprake is van rechtstreekse schade.

7 Vgl. HR 16 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3370, NJ 2010/121, rov. 3.4 en HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4736, NJ 2010/117 m.nt. Keijzer, rov. 2.4 (de vraag of de motivering van de bewezenverklaring zich verdraagt met de aan de vrijspraak gegeven motivering, kan in cassatie niet ten toets komen).