Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2604

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-11-2015
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
14/05245
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:176, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag ex art. 552f Sv. Beslag. Art. 36c en 36d Sr. De Rb heeft vastgesteld dat bij een doorzoeking op het adres X te Y i.h.k.v. een opsporingsonderzoek naar een XTC-laboratorium ook andere goederen in beslag zijn genomen dan de goederen behorende bij het aangetroffen XTC-laboratorium. Het oordeel van de Rb dat die goederen vatbaar zijn voor o.a.h.v. “nu deze combinatie van goederen kennelijk bestemd is voor het opzetten van een hennepkwekerij en het ongecontroleerde bezit van deze combinatie van goederen in strijd is met het algemeen belang", is ontoereikend gemotiveerd. Uit de bestreden beschikking kan niet worden afgeleid dat is voldaan aan de in art. 36c Sr gestelde vereisten die voorwerpen vatbaar maken voor o.a.h.v. en evenmin dat aan de daarvoor in art. 36d gestelde voorwaarden is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 14/05245 B

Zitting: 24 november 2015

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[klager]

1. De Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft bij beschikking van 16 september 2014 op vordering van het Openbaar Ministerie als bedoeld in art. 552f Sv een aantal voorwerpen onttrokken aan het verkeer verklaard.

2. Tegen deze beschikking is namens de belanghebbende cassatieberoep ingesteld.

3. Namens de belanghebbende heeft mr. K.A. Krikke, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

4 Verloop van de procedure

4.1.

Uit het zeer summiere dossier dat aan de Hoge Raad is toegezonden, bleek mij het volgende. Op 6 september 2013 is naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek naar (een) ander(en) dan de belanghebbende binnengetreden in de woning en schuur van de belanghebbende. In de schuur werd een XTC-laboratorium aangetroffen. Tevens werden in de woning en de schuur voorwerpen aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met hennepteelt. Deze voorwerpen zijn ter plaatse direct vernietigd op basis van een machtiging ex art. 117 Sv, omdat de kosten van vervoer en opslag te hoog waren. De belanghebbende heeft gesteld dat de voorwerpen aan hem toebehoorden en niets van doen hadden met enig strafbaar feit. Namens hem is een verzoek tot schadevergoeding ingediend bij het OM voor een bedrag van € 42.949,37. Vervolgens is op 24 juni 2014 door het OM de onderhavige vordering ex art. 36b lid 1 aanhef en onder 4° Sr jo. art. 552f Sv aanhangig gemaakt bij de Rechtbank “daar het ongecontroleerde bezit van deze goederen, met het enkele doel de productie of teelt van verdovende middelen als bedoeld in de Opiumwet te bevorderen, in strijd is met de wet of het algemeen belang.” De vordering wordt verder, onder het kopje “Overwegingen”, als volgt toegelicht:

“4.1 Uit de justitiële documentatie (…) van [klager] komt naar voren dat hij reeds vaker is veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met art. 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, zijnde hennepteelt. Ook op dit moment loopt er een strafzaak tegen deze [klager] waarbij hem onder andere hennepteelt ten laste wordt gelegd.

[klager] stelt eigenaar te zijn van de in beslaggenomen goederen. Dit eigendom is echter niet vast komen te staan. Op het adres waren op het moment van inbeslagname meerdere personen woonachtig. Overigens meldt één van deze personen dat hij het vermoeden heeft dat de goederen (mogelijk) zullen worden gebruikt voor het telen van marihuana. (…)

[klager] , die stelt eigenaar te zijn van de goederen kan overigens niet op enige wijze die eigendom aantonen. Gezien de door [klager] gestelde waarde (ca. € 42.833,21) van de goederen, lijkt dit niet logisch. De raadsman van [klager] heeft weliswaar een offerte weten te overleggen d.d. 14 oktober 2013, maar dat geeft geenszins onderbouwing aan de stelling dat [klager] deze goederen heeft gekocht of anderszins in eigendom heeft verkregen.

Opgemerkt mag worden dat [klager] – mede gezien zijn justitiële documentatie en gezien het feit dat hij niet in staat is de verkrijging van goederen op enige wijze te verantwoorden, noch een geloofwaardige bestemming voor de goederen te hebben – zich met deze goederen mogelijk schuldig heeft gemaakt of zou gaan maken aan enig strafbaar feit.

4.2

Uit genoemde stukken kan daarom worden geconcludeerd dat het ongecontroleerde bezit van de inbeslaggenomen goederen, in de overtuiging van de officier van justitie, zal leiden tot strafbare feiten als omschreven in de Opiumwet. Onttrekking aan het verkeer is dan ook in het belang van het openbaar belang.” 1

4.2.

Het proces-verbaal van de behandeling van deze vordering in raadkamer van 2 september 2014 luidt, voor zover relevant, als volgt:

“De raadsman voert het woord -zakelijk weergegeven-:
Op 6 september 2013 heeft in het kader van een opsporingsonderzoek met betrekking tot een XTC-laboratorium een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden op het adres [a-straat 1] te Bunschoten-Spakenburg, zijnde een perceel met een woonhuis en een schuur. Cliënt was geen verdachte in deze zaak.
Bij die gelegenheid zijn, behalve goederen behorende bij het aangetroffen XTC-laboratorium, ook een aantal andere goederen aangetroffen en in beslag genomen. Deze goederen zaten in een doos en waren niet illegaal. De politie heeft deze goederen ten onrechte in beslaggenomen.
(…)

De lampen en dergelijke die zijn aangetroffen betreffen geen goederen die onder een van de in art. 36 c en d van het Wetboek van Strafrecht genoemde categorieën vallen. Ze zijn niet te koppelen aan een strafbaar feit, ze waren nieuw, maar ook volstrekt legaal en op heel veel plekken vrijelijk verkrijgbaar. Cliënt was niet van plan een hennepkwekerij op te zetten met de goederen; het was gewoon een handeltje. Ook de context maakt dat niet anders. De goederen lagen opgeslagen in een loods.
Ik verzoek de vordering af te wijzen.

De officier van justitie voert het woord -zakelijk weergegeven-:
De in beslag genomen goederen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu deze combinatie van goederen kennelijk bestemd is voor het opzetten van een hennepkwekerij en het ongecontroleerde bezit van deze combinatie van goederen in strijd is met het algemeen belang.”

4.3.

De beschikking van de Rechtbank luidt, voor zover relevant, als volgt:

“Voor de beantwoording van de vraag of voormelde goederen onttrokken aan het verkeer kunnen worden verklaard, gelden de bepalingen van artikel 36b, 36c en 36d van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 36b lid 1 sub 4 van het Wetboek van Strafrecht geeft de officier van justitie de mogelijkheid om bij afzonderlijke met redenen omklede vordering de onttrekking aan het verkeer van een in beslag genomen goed te vragen.

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen goederen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, nu deze combinatie van goederen kennelijk bestemd is voor het opzetten van een hennepkwekerij en het ongecontroleerde bezit van deze combinatie van goederen in strijd is met het algemeen belang.
De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van [klager] dat de goederen bestemd waren voor de handel, nu deze stelling in het geheel niet is onderbouwd. Bovendien is gesteld noch gebleken dat [klager] de goederen los van elkaar zou hebben willen verkopen, terwijl deze goederen in gezamenlijkheid geschikt zijn voor het opzetten van een hennepkwekerij.

De rechtbank zal de vordering van het openbaar ministerie derhalve toewijzen. (…)

De rechtbank:
verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen goederen, te weten:

(ruimte A):
48 armaturen;
48 assimilatielampen;

(ruimte B):
1 assimilatielampen;
elektriciteitssnoeren;
2 schakelborden;
2 tijdschakelaars;
49 transformatoren;
afzuigslangen/koppelstukken (uitgevoerd);
8 koolstoffilters (uitgevoerd);
4 slakkenhuizen;

(ruimte C):
87 armaturen;
134 assimilatielampen;
elektriciteitssnoeren;
4 schakelborden;
4 tijdschakelaars;
88 transformatoren;
afzuigslangen/koppelstukken (uitgevoerd);
8 koolstoffilters (uitgevoerd);
4 slakkenhuizen;
2 ventilatoren;
2 kachels;
sproei installatie (uitgevoerd).”

5 Het eerste en het tweede middel

5.1.

In de middelen kan de klacht worden gelezen dat de Rechtbank er kennelijk – zulks ten onrechte – van is uitgegaan dat de procedure van art. 36b lid 1 onder 4º Sr toepasbaar is op een mogelijk toekomstig strafbaar feit zonder dat sprake is van een verband tussen de onttrekking aan het verkeer en een reeds begaan ‘feit’ als bedoeld in art. 36c Sr, althans dat, indien de Rechtbank heeft geoordeeld dat de inbeslaggenomen goederen verband hielden met een reeds begane strafbare situatie, zij dit oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.2

5.2.

De steller van de middelen wijst erop dat ten tijde van de inbeslagneming geen sprake was van het telen van hennep en dat de voorbereiding van hennepteelt niet strafbaar is. Dat sprake zou zijn van (een verdenking van) deelname door de belanghebbende aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 11a Opiumwet blijkt bovendien nergens uit. Daardoor was geen sprake van een verband tussen de desbetreffende voorwerpen en enig ‘feit’ zoals bedoeld in art. 36c Sr. De steller van de middelen betoogt dat de Rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de desbetreffende voorwerpen desondanks vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer.

5.3.

Ingevolge art. 36b lid 1 aanhef onder 4º Sr in verbinding met art. 552f Sv kan onder meer in de gevallen waarin geen strafvervolging (meer) wordt ingesteld, bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van het OM de onttrekking aan het verkeer worden uitgesproken van in beslag genomen voorwerpen die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.3

5.4.

Het Wetboek van Strafrecht geeft in de artikelen 36c en 36d aan in welke gevallen voorwerpen die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer. Kort gezegd is voor onttrekking aan het verkeer op basis van art. 36c Sr een rechtstreekse relatie tussen het inbeslaggenomen voorwerp en een reeds begaan strafbaar feit vereist, zoals het geval is bij voorwerpen die door het feit zijn verkregen of die bij het plegen van het feit zijn gebruikt. Voor onttrekking aan het verkeer op basis van art. 36d Sr moet het gaan om voorwerpen die aan de dader of verdachte van een strafbaar feit toebehoren, bij gelegenheid van het onderzoek naar dat feit zijn aangetroffen en in de toekomst kunnen worden gebruikt voor het begaan of voorbereiden van een soortgelijk feit of de belemmering van de opsporing daarvan.4

5.5.

Ik wijs erop dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad de beslissing tot onttrekking aan het verkeer de (specifieke) grond moet inhouden waarop zij berust en dat een loutere verwijzing naar art. 36c en 36d Sr daarvoor ontoereikend is, reeds omdat in die bepalingen verschillende gronden worden aangegeven op basis waarvan voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer.5 Nu in de beslissing van de Rechtbank met geen woord wordt gerept van een in art. 36c of 36d Sr vermelde grond, zijn de middelen, voor zover zij klagen dat de bestreden beslissing niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, alleen al daarom terecht voorgesteld.

5.6.

Daarbij komt dat de Rechtbank zonder enige motivering is voorbijgegaan aan de stelling van de belanghebbende dat geen verband bestaat tussen de aangetroffen voorwerpen en een reeds begaan strafbaar feit. Tevens heeft zij niets vastgesteld waaruit kan worden afgeleid dat wel degelijk sprake is van een - laat staan welk - strafbaar feit waarmee de voorwerpen in verband staan.6 Ik breng hierbij in herinnering de niet weerlegde stelling van de raadsman van de belanghebbende dat de voorwerpen nieuw waren en dus kennelijk niet eerder waren gebruikt in verband met bijvoorbeeld een hennepkwekerij. De onderbouwing van de beslissing van de Rechtbank dat de voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer houdt, in navolging van het standpunt van de officier van justitie, in essentie niet meer in dan het oordeel dat de aangetroffen voorwerpen, in onderling verband beschouwd, de mogelijkheid bieden om er op enig moment in de toekomst een hennepkwekerij mee op te zetten. Dit moge zo zijn, maar van een verband tussen de in beslag genomen voorwerpen en een reeds begaan strafbaar feit blijkt niets. De bestreden beschikking houdt derhalve niets in waaruit kan worden afgeleid dat is voldaan aan de vereisten van art. 36c Sr.

5.7.

Aan de mogelijke toepasselijkheid van art. 36d Sr wordt in de schriftuur geen enkele aandacht besteed. Dat neemt niet weg dat het er bezwaarlijk voor kan worden gehouden dat de Rechtbank haar beslissing op dit wetsartikel heeft gebaseerd. Ik stel daarbij voorop dat de Rechtbank verzoeker in cassatie (“ [klager] ”) kennelijk als belanghebbende heeft aangemerkt omdat hij stelde dat de goederen zijn eigendom waren en dat de Rechtbank de juistheid van die stelling minst genomen in het midden heeft gelaten. In cassatie moet daarom ervan worden uitgegaan dat de inbeslaggenomen voorwerpen aan belanghebbende toebehoren in de zin van art. 36d Sr. Dat betekent dat art. 36d Sr alleen toepassing kan vinden als de bedoelde voorwerpen zijn aangetroffen bij gelegenheid van een onderzoek naar een door de belanghebbende begaan feit, dan wel een feit waarvan hij werd verdacht. Daarvan blijkt uit de bestreden beschikking niets. Integendeel, de vondst van de onderhavige voorwerpen is naar het zich laat aanzien gedaan in het kader van een strafzaak tegen (een) ander(en) dan de belanghebbende. In elk geval blijkt uit de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden, niet dat de belanghebbende in dat onderzoek als verdachte is aangemerkt. Daarom kan niet worden gezegd dat is voldaan aan de voorwaarden gesteld in art. 36d Sr.

5.8.

Dit alles brengt mij tot de conclusie dat het oordeel van de Rechtbank dat de voorwerpen waarop de vordering ziet vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende met redenen is omkleed. De middelen zijn in zoverre terecht voorgesteld.

6. De eerste twee middelen slagen gedeeltelijk. Gelet daarop behoeven de overige klachten geen bespreking. Indien uw Raad hierover anders oordeelt, ben ik uiteraard desgewenst bereid aanvullend te concluderen.

7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terug- of verwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Ik merk op dat deze toelichting op twee gedachten lijkt te hinken, nu enerzijds wordt betwist dat de goederen de verdachte toebehoren, terwijl anderzijds wordt gesteld dat de verdachte zich met de goederen mogelijk schuldig heeft gemaakt of zal gaan maken aan een strafbaar feit. Ik merk voorts op dat de vordering in hoge mate lijkt te zijn ingegeven door de justitiële geschiedenis van de belanghebbende, maar dat in de vordering niet is aangegeven welk (voor de toepassing van art. 36c Sr vereiste) feit nu daadwerkelijk zou zijn begaan met betrekking tot de aangetroffen voorwerpen. Vgl. HR 27 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9338, NJ 1993, 586 m.nt. Van Veen, rov. 5.4.

2 Overigens eist art. 36c Sr, anders dan de steller van het middel lijkt te menen, niet dat het feit door de belanghebbende moet zijn begaan.

3 HR 5 september 2005, ECLI:NL:HR:2006:AU6712, NJ 2006, 612 m.nt. Borgers, rov. 9.2.

4 Zie hieromtrent bijv. alinea 9 en 11 van de conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga voor HR 4 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5741.

5 Onder meer HR 29 april 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9332, NJ 1987, 74, rov. 5.1.

6 Zie bijv. HR 12 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7636, NJ 2003, 595, rov. 3.5-3.6.