Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2603

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-11-2015
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
14/02873
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:174, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 359.2 Sv, slagende klacht m.b.t. uos ertoe strekkende dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat de in een door hem opgesteld taxatierapport opgenomen waarde niet vals is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/02873

Zitting: 10 november 2015

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 20 mei 2014 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “valsheid in geschrift en opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, afleveren, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren, en tot een taakstraf voor de duur van tweehonderd uren, subsidiair honderd dagen hechtenis.

2. Namens verzoeker heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het Hof heeft ten laste van verzoeker bewezenverklaard dat:

“hij op 13 april 2005, in de gemeente Bunnik, opzettelijk als in het register VastgoedCert geregistreerd-taxateur een taxatierapport (gedateerd op 13 april 2005) inhoudend de onderhandse verkoopwaarde (vrij van huur en gebruik) van percelen weiland gelegen aan de [a-straat] te Baarn op de navolgende kadastrale percelen: gemeente Baarn, sectie [A] , nummers [001] en/of [002] en/of [003] , zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid een onderhandse verkoopwaarde (vrij van huur en gebruik) van 2.200.000 euro van voorgenoemd percelen weiland/grond opgenomen terwijl de waarde (in het economische verkeer) meer dan 2.200.000 euro, bedroeg, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken

en

dat hij, verdachte, op 14 april 2005 in de gemeente Hilversum, opzettelijk een kopie van voorgenoemd vals taxatierapport (D-130), zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, heeft afgeleverd bij het notariskantoor [B] te Hilversum, terwijl hij, verdachte, wist dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, namelijk

- dat de waardebepaling in het voorgenoemde kopie taxatierapport te weten een onderhandse verkoopwaarde (vrij van huur en gebruik) van 2.200.000 euro opgenomen zou worden in de akte van levering van voorgenoemd perceel (D-002) door of namens een notaris van [B] te Hilversum en

- dat de in het taxatierapport vermelde waarde zou dienen als grondslag voor de aangifte overdrachtsbelasting”

4. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

In de hierna te melden bewijsmiddelen wordt telkens verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakt overzichtsproces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD-ECD, genummerd 44139, opgemaakt door [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , allen ambtenaar van de Belastingdienst en buitengewoon opsporingsambtenaar gesloten op 16 juli 2010.

1. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor (V01-001, pagina 87 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik ben een taxateur. Vanaf 2000 ben ik gaan werken bij [C] . Zo’n vijf jaar geleden ben ik vertrokken bij [C] en ben ik zelfstandig begonnen als makelaar/taxateur. Ik sta ingeschreven in het register VastgoedCert. U toont mij het taxatierapport “Percelen weiland aan de [a-straat] te Baarn” opgemaakt door [verdachte] van 13 april 2005, gecodeerd D-130. Ik herken mijn handtekening. De inhoud komt mij ook bekend voor. [betrokkene 1] staat met naam genoemd in dit taxatierapport, maar de feitelijke opdracht heb ik ontvangen van [betrokkene 2] van [C] . Hij heeft mij verteld dat de taxatie in opdracht was van [betrokkene 1] . Het doel van het opmaken van het taxatierapport is mij verteld door [betrokkene 2] want [betrokkene 1] wilde het op dat moment kopen. Dus deze taxatie was ten behoeve van een aankoop door [betrokkene 1] .

Ik heb het taxatierapport van 13 april 2005 verstrekt aan het notariskantoor [B] te Hilversum. Ik denk dat ik op 14 april 2005 het taxatierapport daar heb afgegeven. Ik neem aan dat dit te maken heeft gehad met de juridische levering. Op het moment dat er een juridisch levering plaats vindt, dan veronderstel ik dat de notaris een taxatierapport nodig heeft.

Toen mij duidelijk werd dat het taxatierapport gebruikt werd voor de overdrachtsbelasting heb ik het rapport niet ingetrokken. Ik heb de onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik op 13 april 2005 vastgesteld op € 2.200.000 k.k. Deze waarde is gelijk aan de waarde in het economisch verkeer.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakt bovenoemd overzichtsproces-verbaal (OPV-01, pagina 8 e.v.), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 26 februari 1999 zijn twee percelen weiland in de Noordschil te Baarn, met een totale oppervlakte van ongeveer 8,8143 hectare, verkocht aan [betrokkene 1] voor een koopsom van fl. 2.820.575. De overdracht van de percelen aan [betrokkene 1] heeft plaatsgevonden in twee fasen. Op 15 maart 1999 is het economische eigendom overgedragen aan [betrokkene 1] . Hiervan heeft op 21 april 2005 de juridische overdracht plaatsgevonden. Voor de bepaling van de verschuldigde overdrachtsbelasting bij de juridische levering heeft verdachte [verdachte] een taxatierapport d.d. 13 april 2005 opgemaakt.

Door verdachte [verdachte] en [betrokkene 2] is in opdracht van [betrokkene 1] een taxatie van de percelen uitgevoerd waarbij volgens het taxatierapport van l juli 2003 een waarde in het economisch verkeer is toegekend van € 7.620.000.

In het taxatierapport van 13 april 2005, opgemaakt door verdachte, is de waarde van de percelen grond vastgesteld op € 2.200.000.

In het taxatierapport van 1 december 2005, opgemaakt door [betrokkene 3] van [D] , is de waarde van de percelen grond vastgesteld op € 8.260.000.

In het taxatierapport van 2 december 2005, opgemaakt door verdachte, is de waarde van de percelen grond vastgesteld op € 8.285.000.

3. Een geschrift als bedoeld in artikel 344 van het Wetboek van Strafvordering (bijlage D-001, pagina 627 e.v. en bijlage D-130, pagina 1141 e.v.) te weten een taxatierapport van 13 april 2005, opgesteld door verdachte, voor zover inhoudende:

Ondergetekende, [verdachte] , makelaar in en taxateur van onroerende zaken, ingeschreven in het register VastgoedCert, gevestigd te Bunnik, verklaart ten verzoeke van [betrokkene 1] , te hebben opgenomen en gewaardeerd enige percelen weiland, gelegen tussen de [a-straat] en de Rijksweg Al te Baarn, met een gezamenlijke oppervlakte van 88.143 m2. Het getaxeerde is gelegen op de volgende kadastrale percelen: Gemeente Baarn, sectie [A] , nummers [001] en [003] .

Waardebepaling: 88.143 m2 à € 25 per m2 = € 2.203.575.

De onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik: € 2.200.00 (ik begrijp: 2.200.000, AG).

Opgemaakt te Bunnik op 13 april 2005.

4. Een geschrift als bedoeld in artikel 344 van het Wetboek van Strafvordering (bijlage D- 002, pagina 632 e.v.) te weten een akte van levering van [betrokkene 4] , notaris van [B] te Hilversum d.d. 21 april 2005, voor zover inhoudende:

Aan [betrokkene 1] wordt geleverd enige percelen weiland, gelegen tussen [a-straat] en de Rijksweg Al te Baarn, kadastraal bekend gemeente Baarn, sectie [A] , nummers [003] en [002] .

Blijkens een door [verdachte] , makelaar in en taxateur van onroerende zaken gevestigd te Bunnik, op 13 april 2005 opgesteld taxatierapport bedraagt de onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik op € 2.200.000.

5. Een geschrift als bedoeld in artikel 344 van het Wetboek van Strafvordering (bijlage D-001, pagina 627 e.v. en bijlage D-130, pagina 1141 e.v.) te weten een taxatierapport van 16 januari 2009, opgesteld door [betrokkene 5] , als taxateur onroerende zaken werkzaam bij de belastingdienst (bijgevoegd).

6. De verklaring van de deskundige A.C. Hordijk, emeritus hoogleraar taxatieleer afgelegd ter terechtzitting van het hof op 6 mei 2014, zakelijk weergegeven:

De grond is in 1999 gekocht. Ik begrijp nu van de verdachte dat het taxatierapport in 2003 een scenarioanalyse is. In april 2005 was het streekplan inmiddels goedgekeurd. Dan kan je een opgaande lijn verwachten. Waarom zijn de onzekerheden niet in de risicoanalyses opgenomen? Die hadden in ieder geval moeten worden genoemd.

Een taxatierapport kan worden gebruikt voor rechtshandelingen. Daarvan moet een taxateur zich bewust zijn.

Er zijn vier taxatierapporten. In alle rapporten wordt hetzelfde waarde begrip gehanteerd. Ik verwacht een bepaalde lijn en die zie ik niet. Ik heb in de rapporten niet gezien dat er bijzondere uitgangspunten of aannames zijn gehanteerd. Dat is in die rapporten niet vermeld.

Ik heb me gehouden aan de taxatierapporten als zodanig. Aan de inhoud daarvan.”

5. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, nog het volgende in:

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat de door en namens verdachte gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde worden weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt in het bijzonder als volgt.

De belastingdienst heeft in het kader van de landelijke actie "Nokvorst" uit de kadastergegevens aangaande aan- en verkopen vastgoed een opvallende transactie door [betrokkene 1] geselecteerd voor onderzoek vanwege een hoog prijsverschil. Het betreft de juridische verkrijging door [betrokkene 1] in privé op 21 april 2005 van percelen grond aan de [a-straat] in de ‘Noordschil’ te Baarn waarbij die grond werd gewaardeerd op € 2.200.000 en de verkoop ervan op 29 december 2005 aan een besloten vennootschap van [betrokkene 1] voor een bedrag van € 8.260.000.

Op verzoek of in opdracht van [betrokkene 1] is ten aanzien van de bovengenoemde percelen een aantal taxatierapporten opgemaakt en wel op 1 juli 2003, 13 april 2005, 1 december 2005 en 2 december 2005.

In het taxatierapport d.d. 1 juli 2003, opgemaakt door onder andere verdachte, is de waarde van de percelen grond vastgesteld op € 7.620.000.

In het - in de tenlastelegging genoemde - taxatierapport d.d. 13 april 2005, opgemaakt door verdachte, is de waarde van de percelen grond vastgesteld op € 2.200.000.

In het taxatierapport d.d. 1 december 2005, opgemaakt door [betrokkene 3] van [D] (bij welke onderneming deze opdracht via verdachte was binnengekomen), is de waarde van de percelen grond vastgesteld op € 8.260.000.

In het taxatierapport d.d. 2 december 2005, opgemaakt door verdachte, is de waarde van de percelen grond vastgesteld op € 8.285.000.

De rechtbank en de advocaat-generaal zijn van oordeel dat verdachte het taxatierapport vals heeft opgemaakt, omdat de waarde van € 2.200.000 te laag is, gelet op de waarden in de andere rapporten en gelet op het feit dat een waardestijging vanaf 2003 in de lijn der verwachting zou liggen, gezien de stand van zaken in het besluitvormingsproces inzake de realisering van bouwmogelijkheden op de grond in de Noordschil op dat moment.

De verdediging heeft - kort gezegd - betoogd dat de verschillen tussen de rapporten verklaarbaar zijn omdat andere uitgangspunten zijn gehanteerd. De rapporten van juli 2003 en december 2005 betreffen taxaties onder bijzondere aannames, uitgaande van een toekomstig (bebouwings)scenario. De taxatie van 13 april 2005 is de enige taxatie waarin reëel naar de waarde van het perceel op die datum is gekeken, aldus de verdediging.

Met de verdediging gaat het hof er van uit dat de taxaties van juli 2003 en december 2005 taxaties onder bijzondere aannames betreffen, waarbij bepaalde risico’s zijn geëlimineerd. Dat betekent in casu dat in die rapporten ervan uit is gegaan dat op het perceel zeker bebouwing gaat plaatsvinden en wel binnen een bepaalde termijn. Het hof gaat er - eveneens met de verdediging - van uit dat het taxatierapport van 13 april 2005 een waardering naar de waarde in het economisch verkeer is (1)zonder eliminatie van bedoelde risico’s.

Het hof is echter anders dan de verdediging van oordeel dat, ook als er van wordt uitgegaan dat de rapporten van juli 2003 en december 2005 enerzijds en het rapport van 13 april 2005 anderzijds zijn gebaseerd op verschillende uitgangspunten, de waarde genoemd in het rapport van 13 april 2005 onverklaarbaar laag is. Het enorme verschil tussen de door verdachte gedane taxaties van € 2.200.000 op 13 april 2005 en € 8.285.000 op 2 december 2005 kan niet uitsluitend worden verklaard door de eliminatie van de risico’s in het rapport van 2 december 2005. De percelen moeten naar het oordeel van het hof in april 2005 aanzienlijk meer waard zijn geweest dan € 2.200.000. Dat wordt bevestigd door het taxatierapport van de belastingdienst van 16 januari 2009. In dat rapport is de waarde in het economisch verkeer van de percelen per 21 april 2005 geschat op € 6.800.000. Dat is naar het oordeel van het hof een meer realistische waardering van de percelen grond. Het vorenstaande kan, in samenhang bezien met de overige gedingstukken en de door verdachte gegeven verklaringen, tot geen andere conclusie leiden dan dat waarde van € 2.200.000, opgenomen in het rapport van 13 april 2005, in strijd met de waarheid is, dat verdachte zich daarvan bewust is geweest en dat het rapport in zoverre opzettelijk valselijk is opgemaakt.

1 Ook wel: de onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik”

6. Verzoeker is veroordeeld voor het plegen van valsheid in geschrifte en het afleveren van een valselijk opgemaakt geschrift, een en ander als bedoeld in art. 225, eerste onderscheidenlijk tweede lid, Sr. Deze bepalingen luiden als volgt:

“1. Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van het valse of vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst dan wel opzettelijk zodanig geschrift aflevert of voorhanden heeft, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik.”

7. Het geschrift dat volgens het Hof valselijk door verzoeker is opgemaakt en daarna is afgeleverd, betreft het taxatierapport van 13 april 2005 inzake percelen weiland, gelegen tussen de [a-straat] en de Rijksweg A1 te Baarn, met een gezamenlijke oppervlakte van 88.143 m². In dit taxatierapport heeft verzoeker de prijzen voor gronden als de onderhavige, met een agrarische bestemming waarvoor men een bestemmingswijziging naar woningbouw en bedrijfsbebouwing voorziet, in de regio getaxeerd op € 25,- per m² en aldus de onderhandse verkoopwaarde “vrij van huur en gebruik” bepaald op € 2.200.000,- kosten koper. In vier andere taxatierapporten - ik geef aanstonds een overzicht en een samenvatting van de inhoud van ook deze rapporten - zijn de percelen op een waarde getaxeerd die zich bevinden binnen een bandbreedte die gelegen is tussen € 6.800.000,- en € 8.285.000,–. Het is wel duidelijk dat het door verzoeker opgestelde taxatierapport van 13 april 2005 tegenover het viertal andere rapporten een groot verschil in getaxeerde verkoopwaarde laat zien. Het is dit waardeverschil waarop de conclusies van het Hof berusten dat verzoeker in strijd met de waarheid een te laag bedrag bij onderhandse verkoop in het rapport van 13 april 2005 heeft vermeld, dat hij zich daarvan bewust is geweest, dat dit rapport in zoverre opzettelijk valselijk door verzoeker is opgemaakt en dat verzoeker dit valse taxatierapport opzettelijk heeft afgeleverd bij een notariskantoor, wetende dat dit taxatierapport bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, waaraan volgens het Hof niet afdoet dat de uitgangspunten in de rapporten van elkaar verschillen.

8. De vijf rapporten houden, in door mij samengevatte en deels geparafraseerde vorm, aan uitgangspunten en bevindingen het volgende in, waarbij er vooraf op zij gewezen dat het Hof daarvan enkel het tweede (dat wil zeggen enkele passages daaruit) en het vijfde taxatierapport voor het bewijs gebruikt:

1 Taxatierapport d.d. 1 juli 2003

Opgesteld door [betrokkene 2] en verzoeker, makelaars in en taxateurs van onroerende zaken, beiden verbonden aan [C] , in opdracht van [betrokkene 1] .

De opdracht:

Het doel van de opdracht betreft het bepalen van de waarde in het economische verkeer.

Door de taxateurs is het waardebegrip als volgt gedefinieerd: De prijs die, bij aanbieding ten verkoop op de voor het onroerend goed meest geschikte wijze na de beste voorbereiding, door de meest biedende gegadigde zou zijn besteed.

[…]

Gebruik en bestemming:

Het getaxeerde is thans bij de voormalige eigenaar in gebruik als weidegrond. De percelen lenen zich voor herontwikkeling, door het realiseren van woningbouw – zowel in de vrije sector als sociale woningbouw – en bedrijfsmatige bebouwing. De hiertoe benodigde bestemmingswijziging is nog niet gerealiseerd. Volgens mededeling van de zijde van de gemeente Baarn is het echter reëel te veronderstellen dat in het voorjaar van 2006 met de bouw c.q. gronduitgifte kan worden begonnen. Bij deze waardering is uitgegaan van de aanname dat deze veronderstelling juist is.

[…]

Waardebepaling

Bij de waardebepaling is er vanuit gegaan dat 70% van het grondoppervlakte van de percelen beschikbaar is voor bebouwing. Daarvan is de ene helft (50%) beschikbaar voor bedrijfsgebouwen, de andere helft voor woningen. Van deze woningbouw is het aandeel vrije sector gesteld op 70% en het aandeel sociale woningbouw op 30%.

De waarde in het economisch verkeer is berekend op € 7.620.000,- kosten koper.

Geldigheidsduur:

Gezien de steeds wisselende marktomstandigheden, heeft deze waardering een beperkte geldigheidsduur.

2 Taxatierapport 13 april 2005

Opgesteld door verzoeker, makelaar in en taxateur van onroerende zaken, op verzoek van [betrokkene 1] .

De opdracht:

Het doel van de opdracht betreft het bepalen van de onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik en de executiewaarde vrij van huur en gebruik van het object.

Onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik:

De prijs die bij onderhandse verkoop bij aanbieding vrij van huur en gebruik en op de voor het onroerend goed meest geschikte wijze, na de beste voorbereiding, door de meest biedende gegadigde zou zijn besteed.

[…]

Gebruik en bestemming:

Het getaxeerde is in gebruik als weidegrond.

In het streekplan van de provincie Utrecht is het onderhavige perceel aangewezen als mogelijke uitbreidingslocatie ten behoeve van woningbouw en (aan de westzijde) bedrijfsbebouwing. Het bestemmingsplan voorziet vooralsnog niet in deze ontwikkelings-mogelijkheid, zodat voor de realisatie van bouwplannen het bestemmingsplan gewijzigd dient te worden. Het huidige gebruik als weidegrond is in overeenstemming met het vigerende bestemmingsplan.

Marktsituatie en courantheid:

Het feit dat het getaxeerde perceel in het onlangs definitief vastgestelde streekplan is aangewezen als uitbreidingslocatie en geheel valt binnen de bebouwingscontouren, geeft aanleiding te veronderstellen dat in de toekomst bebouwing zal worden toegestaan. Dit leidt ertoe dat de waardering niet slechts kan worden gebaseerd op het thans toegestane agrarische gebruik. Een vergelijkbare situatie doet zich voor op meerdere plaatsen in Nederland. De overheid tracht de openheid van het landschap en aaneengesloten natuurgebieden te bewaren door nieuwe bebouwingsmogelijkheden zoveel mogelijk te beperken tot gebieden die direct aansluiten op de reeds bestaande bebouwing. Projectontwikkelaars zijn op de hoogte van dit gegeven en trachten daarom gronden in gebieden waar een uitbreiding van de bebouwingsmogelijkheden redelijkerwijs verwacht kan worden, ook al verzet het bestemmingsplan zich hiertegen op het moment van aankoop. De prijzen voor gronden als de onderhavige, met een agrarische bestemming, waarvoor men een bestemmingswijziging naar woningbouw en bedrijfsbebouwing voorziet, bewegen zich in de regio rond € 25,= per m2. Overheden en woningbouwcorporaties houden bij het innemen van grondposities eenzelfde bedrag aan als richtprijs.

[…]

Waardebepaling:

Totale oppervlakte: 88.143 m2 à € 25,00 per m2 = € 2.203.575,=

Getaxeerde waarde:

De onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik: € 2.200.000,- kosten koper.

Geldigheidsduur:

Gezien de steeds wisselende marktomstandigheden, heeft deze waardering een beperkte geldigheidsduur.

3 Taxatierapport 1 december 2005

Opgesteld door [betrokkene 3] , in opdracht van [betrokkene 1] .

Waardebegrip:

Het bedrag dat de onroerende zaken bij onderhandse verkoop redelijkerwijs zullen opbrengen nadat verkoper de onroerende zaken, na de beste voorbereiding, vrij van huur en/of huurrechten en ontruimd op de meest geschikte wijze in de markt heeft aangeboden.

[…]

Toelichting op de waardering:
het perceel grond is ten tijde van de waardering in gebruik als weiland. Wij gaan ervan uit dat de grond met dit gebruik, dus niet bouwrijp, aan een derde zal worden opgeleverd. In de waardering gaan we er echter wel vanuit dat de gemeente goedkeuring verleent voor het ontwikkelen van het perceel grond. Wij hebben aangenomen dat de realisatie over 2 jaar, medio 2007, zal plaatsvinden.

Wij gaan er vanuit dat op de locatie circa 50% van de oppervlakte wordt aangewend voor het oprichten van bedrijfsgebouwen. Op de overige 50% mag circa 70% woningen in de vrije sector worden gerealiseerd en circa 30% sociale woningbouw. Voor infrastructuur is 30% van de oppervlakte benodigd.”

[…]

Waardering:

Onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en/of gebruik en ontruimd: € 8.260.000,- kosten koper.

4 Taxatierapport 2 december 2005

Opgesteld door verzoeker op verzoek van [betrokkene 1] .

De opdracht:

Het doel van de opdracht betreft het bepalen van de onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik.

Door de taxateur is het waardebegrip als volgt gedefinieerd: De prijs die bij onderhandse verkoop bij aanbieding vrij van huur en gebruik en op de voor het onroerend goed meest geschikte wijze, na de beste voorbereiding, door de meest biedende gegadigde zou zijn besteed.

[…]

Gebruik en bestemming:

Het getaxeerde heeft thans een agrarische bestemming en is bij de voormalige eigenaar in gebruik als weidegrond. In het streekplan van de provincie Utrecht is deze locatie echter aangemerkt als mogelijke bouwlocatie. Ook de gemeente Baarn heeft aangegeven deze locatie als uitbreidingsgebied te beschouwen. De voor herontwikkeling benodigde bestemmingswijziging is nog niet gerealiseerd, noch is de daartoe benodigde procedure opgestart. Gezien de stellingname van de betrokken overheden ligt het echter voor de hand te veronderstellen dat een bestemmingsplanwijziging binnen redelijke termijn kan worden gerealiseerd.

[…]

Waardebepaling:
Bij de waardebepaling is geanticipeerd op de te verwachten bebouwingsmogelijkheden. Uit verkennende gesprekken met de gemeente Baarn is gebleken dat de meest waarschijnlijke uitkomst van de bestemmingsplanwijziging zal zijn dat 50% van het totale perceel bestemd zal worden voor bedrijfsbebouwing. De overige 50% zal worden bestemd voor wonen, waarvan 30% sociale woningbouw en 70% vrije sector woningen.

Bij de berekening van de waarde wordt, bij gebreke van een concreet uitgewerkt plan, aangenomen dat 30% van de perceelsoppervlakte benodigd zal zijn voor infrastructuur.

De onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik:

€ 8.285.000,- kosten koper.

Geldigheidsduur:

Gezien de steeds wisselende marktomstandigheden, heeft deze waardering een beperkte geldigheidsduur.

5 Rapport Belastingdienst 16 januari 2009

Opgesteld door [betrokkene 5] (Belastingdienst).

Reden voor taxatie:

Overdrachtsbelasting

Gegevens betreffende de onroerende zaak:

Omschrijving object per 21 april 2005
Het object betreft een strook grond parallel gelegen aan de rijksweg A1 tussen een bestand bedrijventerrein (De Noordschil) en de Beltvijver (met vuilstort) in, aan de noordrand van de gemeente Baarn. De onbebouwde percelen hebben een agrarische bestemming volgens het vigerende bestemmingsplan en zijn in gebruik als weiland.
In het Streekplan 2005-2015, vastgesteld door Provinciale Staten op 13 december 2004, wordt toegestaan dat er 5 hectare bedrijventerrein en 200 woningen gerealiseerd mogen worden. Voor deze bebouwing wordt ingeschat dat circa 11 ha plangebied noodzakelijk is. Hiervan is 80% in eigendom bij belanghebbende.

Toelichting:

Per 21 april 2005 zijn de onderhavige percelen getaxeerd op 6.800.000. Deze waarde is afgeleid van een residuele benadering van hetgeen volgens het Streekplan 2005-2015 gebouwd mag gaan worden. Het opnemen van deze bouwmogelijkheid in het Streekplan door de Provincie is geïnitieerd door belanghebbende en de gemeente tezamen.

Het grootste gedeelte van de bebouwingsmogelijkheden zal op percelen in eigendom van belanghebbende plaatsvinden. De bedoeling is dat in samenwerking met de gemeente dit plan gerealiseerd gaat worden. Op basis van het (ingeschatte) benodigde netto plangebied (11 ha) is een grondwaarde bepaald. Van het plangebied bestaat 80% uit eigendommen van belanghebbende. Van de residuele grondwaarde van 8.480.000, is 80% toegekend aan de percelen van belanghebbende: getaxeerde waarde van € 6.800.000.

Uit bijlage 1 valt af te leiden dat 30% van de perceeloppervlakte benodigd zal zijn voor infrastructuur. Van de resterende 77.000 m² zal voor uitgifte t.b.v. bedrijven 30.000 m² en t.b.v. woningen 47.000 m² (waarvan 70% voor de vrije sector en 30% voor de sociale sector) worden bestemd.

Gehanteerde waardebegrip:

Waarde in het economische verkeer: De prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor de onroerende zaak meest geschikte wijze, na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde zou zijn besteed.

Waardebepaling:

De waarde in het economisch verkeer per 21 april 2005 is: € 6.800.000,-.

9. Het eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, keert zich met een drietal motiveringsklachten tegen ’s Hofs bewijsvoering.

10. De klacht die ik als eerste wil noemen, omdat deze in het onderhavige verband het meest verstrekkend is, houdt in dat de gebezigde bewijsmiddelen niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring, nu uit deze bewijsmiddelen niet blijkt dat het taxatierapport valselijk door verzoeker is opgemaakt, laat staan opzettelijk, met het oogmerk om dat als echt en onvervalst te gebruiken, noch dat verzoeker dit taxatierapport opzettelijk heeft afgeleverd bij een notariskantoor, wetende dat dit taxatierapport bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

11. De verdediging heeft zich telkens op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een vals taxatierapport, noch van het opzettelijk opmaken daarvan. Ook heeft verzoeker steeds ontkend dat hij dit taxatierapport opzettelijk heeft afgeleverd bij het notariskantoor, wetende dat de waardebepaling in dit rapport (als ware het echt en onvervalst) zou worden opgenomen in de akte van levering door de notaris respectievelijk dat de in dit rapport vermelde waarde zou dienen als grondslag voor de aangifte overdrachtsbelasting. De raadsman van verzoeker heeft op de terechtzitting van het Hof van 8 juli 2013 overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota uitvoerig verweer gevoerd en afsluitend onder meer het volgende naar voren gebracht:

“Subsidiair: geen opzet op bewijsfunctie

72. Cliënt heeft steeds consequent verklaard dat hij pas nadat hij het rapport had gemaakt op de hoogte kwam van het feit dat het voor de overdrachtsbelasting zou worden gebruikt, waarmee het extern gebruikt zou gaan worden. In zijn verhoren bij de FIOD en ter zitting in eerste aanleg heeft cliënt dit meerdere malen herhaald.

73. Als u aan zou nemen dat de waarde vals is dan heeft cliënt niet het opzet gehad dat dit rapport bestemd was om extern als bewijs van enig feit te dienen, net zoals het rapport van 1 juli 2003 alleen intern is gebruikt als rekensommetje voor het nemen van interne beleidsbeslissingen binnen de ondernemingen van [betrokkene 1] . [betrokkene 6] verklaart dit over het rapport van juli 2003. Voor [verdachte] is uit niets gebleken dat het op 13 april om iets anders ging dan het verstrekken van informatie voor [betrokkene 1] c.s. In dit geval de waarde in het economisch verkeer op die dag, terwijl in 2003 een toekomstig scenario moest worden onderzocht.

74. Ik verzoek u vrij te spreken wegens het ontbreken van de bewijsbestemming.”

12. Het Hof heeft met betrekking tot het eerste gedeelte van de bewezenverklaring het opzet en het oogmerk bij verzoeker niet nader gemotiveerd en slechts volstaan met de overweging dat de daaraan voorafgaande beschouwingen van het Hof “tot geen andere conclusie [kan] leiden dan dat de waarde van € 2.200.000,- opgenomen in het rapport van 13 april 2005, in strijd met de waarheid is, dat verdachte zich daarvan bewust is geweest en het rapport in zoverre opzettelijk valselijk is opgemaakt.” Over de wetenschap van verzoeker omtrent het gebruik van de waardebepaling in de akte van levering respectievelijk als grondslag voor de aangifte overdrachtsbelasting (het tweede gedeelte van de bewezenverklaring) heeft het Hof in het geheel niets gezegd in zijn bewijsoverweging. Kennelijk is het Hof van oordeel dat alleen al de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen (de soliditeit van) het bewijs construeert en deze bewijsconstructie voldoende zichtbaar maakt.

13. Ik meen echter – mede in het licht van al hetgeen door en namens verzoeker op de terechtzitting van 8 juli 2013 naar voren is gebracht - dat dit kennelijke oordeel van het Hof geen stand kan houden. Zo zie ik niet hoe het opzet op het valselijk opmaken van het taxatierapport en het oogmerk om dit geschrift als echt en onvervalst te gebruiken, een en ander in de zin van het eerste lid van art. 225 Sr, uit de door het Hof gebruikte bewijsmiddelen kan worden afgeleid, waarbij ik tevens betrek het betoog van de verdediging dat verzoeker in zijn rapport van 13 april 2005 de comparatieve methode heeft gehanteerd, en ik voeg daaraan toe: met de vermelding dat de toen door hem getaxeerde waarde een beperkte geldigheidsduur heeft gelet op de steeds wisselende marktomstandigheden, en in de andere vier taxatierapporten de residuele wijze van waardebepaling is toegepast, en dat het Hof in dat betoog is meegegaan.1 Voorts ontwaar ik in de gebezigde bewijsmiddelen geen bewijs voor de tenlastelegging voor zover deze inhoudt dat verzoeker het taxatierapport van 13 april 2005 valselijk heeft opgemaakt in de wetenschap dat de waardebepaling in dit rapport (als ware het echt en onvervalst) zou worden opgenomen in de akte van levering door de notaris respectievelijk dat de in dit rapport vermelde waarde zou dienen als grondslag voor de aangifte overdrachtsbelasting. Ik neem aan dat het Hof ervan is uitgegaan dat het bewijs daarvoor genoegzaam kan worden geput uit enkel de eigen verklaring van verzoeker (bewijsmiddel 1). Alle andere bewijsmiddelen – dus inbegrepen het taxatierapport van de Belastingdienst (het taxatierapport- [betrokkene 5] ) van 16 januari 2009 – zeggen immers niets over dit onderdeel van de bewezenverklaring.2 De eigen verklaring van verzoeker houdt, voor zover hier relevant, evenwel niet méér in dan dat hij aanneemt dat het verstrekken van het taxatierapport aan het notariskantoor te maken heeft met de juridische levering en dat hij het taxatierapport niet heeft ingetrokken toen hem duidelijk werd dat het gebruikt zou worden voor de overdrachtsbelasting. Naar mijn inzicht valt daaruit in ieder geval niet af te leiden dat verzoeker opzet had op het valselijk opmaken van het taxatierapport van 13 april 2005 wetende ten tijde van het opmaken van dat rapport respectievelijk op het moment van het afleveren van dat rapport bij het notariskantoor dat de daarin vermelde waarde als grondslag zou dienen voor de aangifte van een overdrachtsbelasting, en dat het rapport met de daarin vastgestelde waarde om die reden is opgemaakt. Overigens wil ik niet onvermeld laten dat het Hof van medeplegen heeft vrijgesproken3en ik in ’s Hofs bewijsvoering (en ook in zijn strafmotivering) niet terugvind welk belang verzoeker bij het valselijk opmaken van het op verzoek van [betrokkene 1] geschreven taxatierapport van 13 april 2005 zou hebben gehad, in aanmerking genomen dat verzoeker (als mederapporteur) toen ook al het taxatierapport van 1 juli 2003 had uitgebracht en daarin de waarde van de percelen, vanuit een andere invalshoek van berekening, wel op een veel hoger bedrag, te weten ruim 7 miljoen euro (kosten koper), had berekend.

14. Verder acht ik mede op grond van het voorgaande niet zonder meer begrijpelijk de overweging van het Hof dat zelfs als er van wordt uitgegaan dat de rapporten van 1 juli 2003 en 2 december 2005 enerzijds en het rapport van 13 april 2005 anderzijds zijn gebaseerd op verschillende uitgangspunten, de in het laatstgenoemde rapport vermelde taxatiewaarde dermate laag is dat reeds daaruit de aan verzoeker tenlastegelegde en bewezenverklaarde opzetvarianten kunnen volgen. Dat het Hof in samenhang daarmee redengevend verwijst naar “de overige gedingstukken en de door verdachte gegeven verklaringen” maakt de bewijsvoering er bepaald niet duidelijker op, nu in het ongewisse blijft op welke gedingstukken en verklaringen het Hof daarbij precies doelt.

15. De volgende klacht luidt dat de bewijsvoering van het Hof tegenstrijdigheden bevat die niet van ondergeschikt belang zijn, als gevolg waarvan de bewezenverklaring onbegrijpelijk is geworden en/of onvoldoende met redenen is omkleed. Daarbij wordt gewezen op het taxatierapport van [betrokkene 5] uit 2009 (bewijsmiddel 5) en de verklaring van Hordijk (bewijsmiddel 6). Ik meen dat deze klacht feitelijke grondslag mist. Wat betreft het taxatierapport van [betrokkene 5] berust zij op de onjuiste opvatting dat het Hof, door voor het bewijs gebruik te maken van het taxatierapport- [betrokkene 5] , toch en in strijd met zijn (impliciete) oordeel dat de waardebepaling in het taxatierapport van 13 april 2005 niet vergeleken kan worden met de waardebepaling in de taxatierapporten van juli 2003 en december 2005 omdat die andere uitgangspunten kennen, vergeleken met een taxatierapport dat andere bijzondere aannames en uitgangspunten kent dan het taxatierapport van 13 april 2005. Een dergelijk (impliciet) oordeel lees ik niet in de bewijsoverweging van het Hof. Wat het Hof mijns inziens heeft gedaan, is de rapporten naast elkaar gelegd – in zoverre is sprake van een vergelijking – en geoordeeld dat ondanks de verschillende uitgangspunten het verschil onverklaarbaar groot is. Dat brengt geen tegenstrijdigheid mee. En wat de verklaring van Hordijk over de vier taxatierapporten op de terechtzitting van het Hof van 6 mei 2014 aangaat – inhoudende dat in de vier taxatierapporten hetzelfde waardebegrip wordt gehanteerd -, doelt hij kennelijk niet op verzoekers taxatierapport van 13 april 2005 maar op de andere vier rapporten. Ik heb er niet aan voorbij gezien dat Hordijk als getuige-deskundige tegenover de rechtbank heeft verklaard dat hij ter voorbereiding van deze zaak kort voor de zitting de (vier) taxatierapporten van 1 juli 2003, 13 april 2005, 1 december 2005 en 2 december 2005 toegestuurd heeft gekregen.4 Dat op zichzelf, zou erop kunnen duiden dat Hordijk wél het oog had op het taxatierapport van 13 april 2005 en niet op het taxatierapport- [betrokkene 5] van 16 januari 2009. Maar daar staat tegenover dat Hordijk zijn verklaring als deskundige in hoger beroep aanvangt met de mededeling dat hem het hele dossier is toegestuurd, waaruit ik afleid dat hij van het hele dossier kennis heeft genomen, althans kennis heeft kunnen nemen, dus inclusief het rapport- [betrokkene 5] uit 2009.5 Dan kan hij ook verklaren dat vier rapporten hetzelfde uitgangspunt hanteren.

16. De laatste klacht in het verband van dit middel luidt dat aan het overzichtsproces-verbaal (bewijsmiddel 2) geen redengevende betekenis voor de bewezenverklaring kan worden toegekend, althans dat die redengevendheid zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is. Ter adstructie wordt echter slechts in zijn algemeenheid verwezen naar “de bewijsoverwegingen in het verkort arrest met betrekking tot de bijzondere aannames in de onderscheidenlijke taxatierapporten”. Maar waarom het overzichtsproces-verbaal redengevende bewijsbetekenis zou missen of waarom die redengevenheid onbegrijpelijk zou zijn, wordt door de steller van het middel in het midden gelaten. Ik meen dan ook dat déze klacht in de overigens helder opgebouwde schrifturen niet voldoet aan de eisen die aan een cassatiemiddel worden gesteld.

17. Het eerste middel slaagt voor zover het de voormelde eerste klacht betreft.

18. Voordat ik inga op het tweede middel en het vierde middel, bespreek ik gezamenlijk het derde en het vijfde middel, nu deze zich eveneens tegen de bewezenverklaring richten.

19. Het derde middel bevat de klacht dat het Hof heeft verzuimd (genoegzaam) de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het namens verzoeker uitdrukkelijk ingenomen standpunt dat het bedrag waarop verzoeker de waarde heeft getaxeerd via de vergelijkende (comparatieve) waardebepaling niet in strijd met de waarheid is. Het vijfde middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd (genoegzaam) de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat – kort samengevat – de waarde die in het taxatierapport van 13 april 2005 is opgenomen niet vals is en het taxatierapport dientengevolge niet valselijk is opgemaakt.

20. Uit vooral het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 juli 2013 en de bij die gelegenheid overgelegde pleitaantekeningen blijkt dat door en namens verzoeker uitvoerig is betoogd dat de rapporten van juli 2003 en van december 2005 ten onrechte door de FIOD en in navolging daarvan door de rechtbank op één lijn zijn gesteld met het rapport van 13 april 2005 waarbij de afwijking in het laatstgenoemde rapport de valsheid daarvan zou tonen.6 De verdediging heeft blijkens de pleitaantekeningen in dit verband het volgende naar voren gebracht (ik houd het beknopt). De vijf rapporten kunnen niet op één lijn worden gesteld vanwege het feit dat de uitgangspunten en bijzondere aannames die aan het taxatierapport van 13 april 2005 ten grondslag liggen wezenlijk verschillen van de andere vier taxatierapporten. De rapporten van juli 2003 en van december 2005 hanteren, evenals het taxatierapport van [betrokkene 5] d.d. 16 januari 2009, met welke rapporten het taxatierapport van 13 april 2005 is vergeleken, alle de residuele wijze van waardebepaling en dus een andere scenarioberekening dan verzoeker in zijn taxatierapport van 13 april 2005. In die andere rapporten is ervan uitgegaan dat de grond direct voor bebouwing gereed was, terwijl verzoeker in het rapport van 13 april 2005, gezien de onzekerheden omtrent de bebouwing op het stuk grond en hoe die bebouwing er uiteindelijk uit zou gaan zien, ten aanzien van de aard en de omvang van de toekomstige ontwikkeling gekozen heeft voor de comparatieve methode als meest adequate, waarbij een vergelijking is gemaakt met overeenkomstige transacties in de markt. Dat verzoeker de comparatieve methode hanteerde en tot een grondprijswaardering van € 25,- per m² kwam, was gerechtvaardigd, zeker wanneer daarbij betrokken wordt het oordeel van diverse deskundigen die het hanteren van deze methode ondersteunen in het licht van de omstandigheden waaronder verzoeker op dat moment heeft getaxeerd.7 Hoewel verzoeker erkent dat hij dingen duidelijker had kunnen opschrijven, ontkent hij enige onjuistheid in het rapport van 13 april 2005 te hebben opgenomen.

21. Hetgeen verzoeker en zijn raadsman te dezer zake hebben aangevoerd, kan naar mijn inzicht bezwaarlijk anders worden verstaan dan als standpunten die duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van ondubbelzinnige conclusies ten overstaan van het Hof naar voren zijn gebracht, zodat het Hof, nu het van deze standpunten is afgeweken, gehouden was daarop in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv te responderen.8 Derhalve dient de vraag te worden bezien of het Hof aan deze motiveringsplicht heeft voldaan.

22. Naar de kern genomen – ik ontkom niet aan een zekere herhaling van wat ik in mijn bespreking van het eerste middel heb opgemerkt - houdt ’s Hofs motivering slechts in dat er een enorm verschil is tussen verzoekers taxatie in het rapport van 13 april 2005 enerzijds en verzoekers taxatie in het rapport van 2 december 2005 anderzijds, dat de percelen in april 2005 aanzienlijk meer waard moeten zijn geweest dan € 2.200.000,-, dat dit wordt bevestigd door het taxatierapport van de Belastingdienst van 16 januari 2009 (het rapport- [betrokkene 5] ), dat dit rapport “naar het oordeel van het hof een meer realistische waardering van de percelen grond [is]” en dat “het vorenstaande (…), in samenhang bezien met de overige gedingstukken en de door verdachte gegeven verklaringen, tot geen andere conclusie [kan] leiden dan dat de waarde van € 2.200.000, opgenomen in het rapport van 13 april 2005, in strijd met de waarheid is, dat verdachte zich daarvan bewust is geweest en dat het rapport in zoverre valselijk is opgemaakt.” Niet evenwel bevat het arrest een nadere motivering van de verwerping van de hier bedoelde uitdrukkelijke onderbouwde standpunten ter zake van (het acceptabel en niet vals zijn van) de comparatieve waardebepaling die verzoeker in zijn taxatierapport van 13 april 2005 heeft gehanteerd en de uitkomst daarvan (de taxatiewaarde). Meer in het bijzonder ontbreekt in ’s Hofs motivering een uitleg waarom de grondwaarde uit het rapport van de Belastingdienst, door [betrokkene 5] berekend aan de hand van een residuele waardebepaling, maatgevend is en verzoekers grondprijswaardering van € 25,- per m², berekend met behulp van comparatieve waardebepaling, vals is en het taxatierapport van 13 april 2005 dientengevolge valselijk (en niet enkel verkeerd) is opgemaakt, terwijl, als eerder gezegd, zulks ook niet besloten ligt in de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen en aan de vage verwijzing naar de overige gedingstukken en verklaringen van verzoeker geen redengevende bewijswerking kan toekomen. Hoezeer verzoeker mogelijk de schijn tegen heeft, de enkele omstandigheid dat de comparatieve waardebepaling ten onrechte is toegepast, brengt nog niet mee dat het taxatierapport van 13 april 2005 opzettelijk valselijk is opgemaakt in de zin van art. 225, eerste lid, Sr. Daarbij wijs ik erop dat uit het taxatierapport van [betrokkene 5] noch uit de verklaring van Hordijk, voor zover deel uitmakend van de bewijsconstructie van het Hof, volgt dat de door verzoeker in zijn rapport van 13 april 2005 gebruikte waarderingsmethode geen acceptabele wijze van waardebepaling was en dat de getaxeerde waarde van € 25,- per m² niet realistisch of zelfs in strijd met de waarheid zou zijn.

23. De balans opmakend, luidt mijn slotsom dat het Hof - in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv - niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die tot de afwijking van de in de middelen bedoelde uitdrukkelijk onderbouwde standpunten hebben geleid. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv (telkens) nietigheid tot gevolg.

24. Het derde middel en het vijfde middel zijn, lijkt mij, terecht voorgesteld.

25. Nu naar mijn oordeel de eerste klacht van het eerste middel, het derde middel en het vijfde middel slagen, denk ik dat het tweede middel9 niet hoeft te worden besproken. Indien Uw Raad hierover anders mocht oordelen, ben ik uiteraard bereid een aanvullende conclusie te nemen.

26. Het vierde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden. Door verzoeker is op 28 mei 2014 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 20 maart 2015 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt met zich dat de hier geldende inzendtermijn van acht maanden met iets minder dan twee maanden is overschreden. Nu deze overschrijding van de inzendtermijn niet meer door een voortvarende behandeling van de zaak kan worden gecompenseerd, dient dit in beginsel te leiden tot strafvermindering. Dit punt behoeft echter in cassatie niet te worden behandeld indien Uw Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest vanwege de eerste klacht van het eerste middel en/of het derde middel en/of het vijfde middel niet in stand kan blijven en de zaak dient te worden teruggewezen.

27. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

28. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Volgens de door de deskundige Hordijk tegenover de rechtbank afgelegde verklaring gaat de comparatieve vergelijkingsmethode uit van de kostenkant en wordt deze meestal gebruikt bij bestaande grond, en betreft de residuele waardemethode de opbrengstkant en wordt zij meestal gehanteerd bij te ontwikkelen grond. Zie het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 15 februari 2011 (blad 7).

2 Dat in het overzichtsproces-verbaal (bewijsmiddel 2) stellend wordt gemeld dat verzoeker voor de bepaling van de verschuldigde overdrachtsbelasting bij de juridische levering het taxatierapport van 13 april 2005 heeft opgemaakt, is slechts een niet nader onderbouwde aanname van de verbalisanten die, tegenover de ontkenning van verzoeker, uit de lucht komt vallen en daarom wat mij betreft niet aan het bewijs kan bijdragen.

3 Volgens de pleitnotities, p. 11 en 12 (onder de punten 60 en 65) heeft ook [betrokkene 1] problemen met het Openbaar Ministerie en de Belastingdienst gehad, maar is zijn zaak geschikt.

4 Proces-verbaal terechtzitting eerste aanleg van 15 februari 2011, blad 6.

5 Proces-verbaal terechtzitting hoger beroep van 6 mei 2014, blad 2.

6 Voor de volledigheid merk ik op dat het Hof de terechtzitting van 8 juli 2013 na het tussenarrest van 22 juli 2013 in dezelfde samenstelling heeft voortgezet op de terechtzitting van 6 mei 2014 en dat het onderzoek op deze terechtzitting is hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van het tussenarrest van 22 juli 2013, zodat het op 8 juli 2013 gevoerde pleidooi intact is gebleven.

7 De verdediging heeft in dat verband rapporten overgelegd van de deskundigen Hendriks, Dorenbosch en Van Hoeken.

8 Zie HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2473, NJ 2006/393 m.nt. Buruma.

9 Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof bij de beoordeling van de verzoeken van de verdediging tot het horen van deskundigen de verkeerde maatstaf heeft gehanteerd dan wel de beslissing tot afwijzing van deze verzoeken (telkens) ontoereikend heeft gemotiveerd, en dat het voorwaardelijk gedane verzoek tot het doen verrichten van een contra- expertise door een onafhankelijk deskundige door het Hof is afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen.