Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2602

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-11-2015
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
15/01513
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:173, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Beklag. Beslag i.v.m. vermoeden onregelmatigheden aanleg geluidswal. Art. 94a Sv. Het toetsingskader voor de beoordeling van een klaagschrift als i.c. brengt mee dat, in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, het klaagschrift (afgezien van het antwoord op de vraag van proportionaliteit en subsidiariteit) enkel gegrond mag worden verklaard indien zich het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klager (verdachte) een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel van een geldbedrag ter ontneming van w.v.v. zal opleggen. De Rb heeft het klaagschrift gegrond verklaard en daartoe overwogen dat “niet zonder meer gezegd kan worden dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter later oordelend een geldboete dan wel een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen”. Aldus heeft de Rb, die weliswaar het juiste toetsingskader heeft vooropgesteld, de beoordelingsmaatstaf niet juist toegepast en als gevolg daarvan is zij niet toegekomen aan de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/01513 B

Zitting: 24 november 2015

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[klaagster].

1. De Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, heeft bij beschikking van 11 februari 2015 het door klaagster ingediende klaagschrift ex art. 552a Sv gegrond verklaard en de opheffing gelast van het conservatoir beslag gelegd op de in de beschikking aangeduide onroerende goederen.

2. Tegen deze beschikking heeft officier van justitie, mr. D. van Ieperen cassatieberoep ingesteld. Mr. M. van der Horst, plaatsvervangend officier van justitie te Zwolle, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft namens klager het cassatieberoep schriftelijk tegengesproken.

3. Het middel klaagt, kort samengevat, over de gegrondverklaring van het beklag tegen het conservatoir beslag gelegd op een aantal de klaagster toebehorende onroerende goederen. Het middel houdt in dat de Rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift teveel is vooruitgelopen op de mogelijke uitkomst van een nog aanhangig te maken strafzaak en een in te dienen ontnemingsvordering.

4 De bestreden beschikking

4.1.

De bestreden beschikking houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“5. De beoordeling
Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer het volgende vast.

Feiten en omstandigheden
In 2008 is door de gemeente Menameradiel aan [klaagster] een aanlegvergunning verleend voor het aanleggen van een geluidswal gelegen aan de Rijksstraatweg te Menaldum. In december 2012 is geconstateerd dat de geluidswal groter is geworden dan vergund. Daarnaast bestaat het vermoeden dat onder en nabij de geluidswal ontgrondingen hebben plaatsgevonden zonder dat daarvoor een ontgrondingsvergunning was verleend door Gedeputeerde Staten van Friesland. De rechter-commissaris heeft op 10 juli 2014 op vordering van de officier van justitie een machtiging verleend tot het leggen van conservatoir beslag tot verhaal van een op te leggen geldboete en/of een op te leggen betalingsverplichting aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en/of een op te leggen schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr. De vordering is door de rechter-commissaris geschat op een bedrag van € 1.239.040,00. Op 24 juli 2014 is door de officier van justitie een bevel tot inbeslagneming uitgevaardigd inzake de onder paragraaf 1 genoemde onroerende zaken.

Maatstaf
In geval van beslag op grond van artikel 94a Sv dient de rechter te beoordelen of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en of zich niet het geval voordoet dat hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 7 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:38, NJ 2014/66) volgt dat de toe te passen maatstaf niet uitsluit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Overwegingen
Klaagster wenst primair de inbeslaggenomen onroerende zaken terug te krijgen en wenst subsidiair dat het beslag wordt beperkt.

De raadkamer overweegt daarover het volgende.
Vooropgesteld moet worden dat volgens vaste jurisprudentie het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Van de rechter in de beklagprocedure kan niet worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruit loopt op het in de hoofdzaak te geven oordeel. De rechter tekent hier echter bij aan dat moet worden beslist op grond van alle relevante feiten en omstandigheden van het geval op het moment van het beoordelen van het beklag. Ondanks het summiere karakter van de beklagprocedure dient dus kritisch naar deze feiten en omstandigheden te worden gekeken.

Gelet op alle stukken in het onderhavige dossier, die elkaar op diverse punten tegenspreken, in elk geval geen eenduidige conclusies bevatten met betrekking tot bijvoorbeeld de omvang van de geluidswal en of er, en zo ja in hoeverre, ontgronding zonder vergunning heeft plaatsgevonden alsmede met betrekking tot het bedrag dat door de vermeende strafbare feiten eventueel aan wederrechtelijk verkregen voordeel zou zijn verkregen door klaagster (gedoeld wordt op de bij de stukken gevoegde bescheiden, te weten het rapport van [A] met bijlagen van 18 december 2014, opgemaakt door [betrokkene 1] en [betrokkene 2], het rapport van het NFI van 31 december 2014 met bijlage, opgemaakt door ir. A.K. van den Eijkel, het rapport van [B] met bijlagen van 22 oktober 2013 met projectnummer [001], de rapporten van [C] alsmede de beslissing op bezwaar van de gemeente Menameradiel van 12 januari 2015 en het aangepaste besluit op bezwaar van 8 januari 2015, de beslissing op het bezwaarschrift tegen het besluit van 10 april 2014 van de Provincie Friesland en de door de raadsman ter zitting overgelegde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 december 2014 en bescheiden met facturen van [klaagster]), is de raadkamer van oordeel dat op basis van het opgemaakte proces-verbaal weliswaar aangenomen kan worden dat er een verdenking bestaat jegens [klaagster] van handelen in strijd met bepalingen van de Wet Milieubeheer en de Ontgrondingenwet, voor welke misdrijven een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Echter is in de voornoemde rapportages en overige overgelegde stukken sprake van dermate veel tegenstrijdige feiten, althans van uiteenlopende conclusies die multi-interpretabel zijn, dat om die reden niet zonder meer gezegd kan worden dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter later oordelend een geldboete dan wel een bedrag ter ontneming van het eventueel wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Zo staat niet de exacte omvang vast van het aantal kubieke meters aan aangevoerde industriegrond voor de aanleg van de geluidswal buiten de vergunning om, evenmin als de waarde die die industriegrond in het economisch verkeer vertegenwoordigt waardoor de schatting van het eventueel wederrechtelijk verkregen voordeel door klaagster een slag in de lucht lijkt te zijn. Daarnaast staat niet vast of niet alsnog een uitbreidingsvergunning door de gemeente zal worden verleend voor het buiten de bestaande vergunning om uitbreiden van de geluidswal. Wat de ontgronding betreft heeft klaagster zich op het standpunt gesteld dat de haar verweten ontgrondingen zonder vergunning niet hebben plaats gevonden. In elk geval is er verschil van opvatting over ontgrondingen voor zover die dieper gaan dan een halve meter onder het maaiveld. Op basis van de thans aanwezige stukken in het dossier heeft de raadkamer niet buiten redelijke twijfel kunnen vaststellen dat dieper is ontgrond dan tot een halve meter onder het maaiveld. De mededeling van de officier van justitie ter zitting - en de korte passage daarover in het zogenoemde start proces-verbaal van de politie - dat de verdenking mede gestoeld is op het eerder in 2012 en 2013 tegen [klaagster] en haar bestuurders uitgevoerde onderzoek onder de naam [D], kan naar het oordeel van de raadkamer niet dienen ter onderbouwing van het thans gelegde conservatoire beslag, nu aan het onderhavige dossier geen enkel stuk uit dat onderzoek is toegevoegd en het beslag bovendien gelegd is op grond van verdenking van strafbare feiten in het onderhavige onderzoek onder de naam [E]. Gelet op het hiervoor overwogene is de raadkamer van oordeel dat de vraag of de voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteitgeen bespreking behoeft.

Conclusie
De raadkamer is op grond van het voorgaande van oordeel dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard en dat het gelegde conservatoire beslag moet worden opgeheven.”

5 Beoordeling van het middel

5.1.

Bij inbeslagneming op basis van art. 94a Sv dient de rechter te onderzoeken a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.1

5.2.

De Rechtbank heeft het hiervoor opgenomen wettelijk kader in de bestreden beschikking onder het kopje “Maatstaf” correct verwoord. Toch is de vraag of de Rechtbank de juiste maatstaf heeft aangelegd. Het middel klaagt als gezegd dat de Rechtbank teveel vooruitgelopen is op het oordeel van de strafrechter en de ontnemingsrechter. Daarmee zou zij het summiere karakter van de beklagprocedure hebben miskend en aldus een onjuiste maatstaf hebben toegepast. Nu zijn het summiere karakter van de beklagprocedure en de te hanteren beoordelingsmaatstaven van elkaar te onderscheiden grootheden, maar dat neemt niet weg dat tussen beide een nauw verband bestaat. De Hoge Raad heeft in zijn overzichtsbeschikking opgemerkt dat het beperkte karakter van de beklagprocedure “tot uitdrukking [komt] in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven”. 2 Daarbij zal de Hoge Raad mede het oog hebben gehad op de in deze zaak toepasselijke maatstaf of het kort gezegd hoogst onwaarschijnlijk is dat een veroordeling of ontnemingsmaatregel zal volgen. Die maatstaf impliceert dat de beklagrechter niet ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure mag treden en daarop dus niet te ver mag vooruitlopen. Ik begrijp het middel dan ook aldus, dat het erover klaagt dat de Rechtbank de beoordelingsmaatstaf van de hoogste onwaarschijnlijkheid heeft miskend, althans heeft toegepast op een wijze die onbegrijpelijk is.

5.3.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van dermate veel tegenstrijdige feiten, althans van uiteenlopende conclusies die multi-interpretabel zijn, dat om die reden “niet zonder meer” gezegd kan worden dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter later oordelend een geldboete dan wel een bedrag ter ontneming van het eventueel wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De hier door de beklagrechter aan te leggen maatstaf houdt in dat het beklag enkel gegrond mag worden verklaard als zich het geval voordoet dat hoogst onwaarschijnlijk is dat een veroordeling en/of een ontnemingsmaatregel zal worden uitgesproken. Dat “niet zonder meer” gezegd kan worden dat dit geval zich niet voordoet, is wat anders. Dat het bedoelde geval zich voordoet, is daarmee niet gezegd. Ik meen niet dat gezegd kan worden dat het hier enkel gaat om een ongelukkig uitgevallen formulering. Ook andere formuleringen wijzen op een miskenning van de aan te leggen maatstaf. Zo overweegt de Rechtbank dat bepaalde feiten “niet vaststaan” en dat zij “niet buiten redelijke twijfel [heeft] kunnen vaststellen” dat een bepaalde omstandigheid zich voordoet.

5.4.

Daar komt bij dat de beoordelingsmaatstaf die door de Hoge Raad wordt voorgeschreven, betrekking heeft op de vraag of “een” ontnemingsmaatregel zal worden opgelegd, en dus niet op de hoogte van de eventueel op te leggen ontnemingsmaatregel. Dat “de schatting van het eventueel wederrechtelijk verkregen voordeel door klaagster een slag in de lucht lijkt te zijn”, wil niet zeggen dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat een ontnemingsmaatregel zal worden opgelegd. Daarmee wil ik niet zeggen dat de hoogte van het vermoedelijk verkregen voordeel een omstandigheid is die in de beklagprocedure in het geheel niet ter zake doet. Als aannemelijk is dat de hoogte van het te ontnemen bedrag door het openbaar ministerie veel te hoog is ingeschat, kan dat een reden opleveren om het gelegde beslag disproportioneel te achten. Dat echter is, gelet op het slot van de overweging van de Rechtbank dat de vraag naar de proportionaliteit en subsidiariteit geen beantwoording behoeft omdat daaraan niet wordt toegekomen, niet de gedachtegang van de Rechtbank geweest.

5.5. .

.Als toch zou moeten worden aangenomen dat de Rechtbank de juiste maatstaf heeft toegepast, meen ik dat die toepassing in dit geval niet begrijpelijk is. Volgens de Rechtbank kan aangenomen worden dat “een verdenking” bestaat jegens klager dat er is gehandeld in strijd met de bepalingen van de Wet milieubeheer en de Ontgrondingswet. Ik neem aan dat de Rechtbank daarmee bedoelt uit te drukken dat die verdenking naar haar oordeel redelijk is. Het behoeft dan bepaald verklaring waarom een veroordeling, ondanks het bestaan van een redelijke verdenking, als hoogst onwaarschijnlijk moet worden aangemerkt. Het feit dat er (nog) tal van onduidelijkheden zijn en verschillen van opvatting bestaan over de feiten, brengt niet zonder meer mee dat een veroordeling hoogst onwaarschijnlijk moet worden geacht. Daar komt bij dat de gesignaleerde onzekerheden vooral betrekking lijken te hebben op de omvang van het eventuele wederrechtelijke voordeel. Dat de “exacte omvang” van de buiten de vergunning om aangevoerde grond niet vaststaat, lijkt te impliceren dat de Rechtbank aanneemt dat er buiten de vergunning om grond is aangevoerd. Dat een veroordeling (en de oplegging van een geldboete) zo goed als uitgesloten moet worden geacht, is dan niet begrijpelijk. En er volgt ook niet uit dat zo goed als zeker is dat geen wederrechtelijk voordeel is genoten.

5.6.

Het middel slaagt.

6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzing of terugwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010, 294, rov. 2.14.

2 Rov.2.2. Vgl. ook HR 10 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9222 en HR 25 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2279.