Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2599

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-12-2015
Datum publicatie
02-02-2016
Zaaknummer
14/03636
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:169, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Zwembadmoord in Marum. Medeplegen van moord en medeplegen van diefstal van de bij die moord gebruikte auto. HR: art. 81.1 RO en strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/03636

Zitting: 15 december 2015

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 26 juni 2014 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens 1 primair “medeplegen van moord” en 2 “diefstal door twee of meer verenigde personen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

  2. De onderhavige zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte met nummer 14/03638 P, waarin ik vandaag eveneens concludeer.

  3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft namens de verdachte zeven middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Alvorens de middelen te bespreken, zal ik de door het hof gebezigde bewijsconstructie weergegeven.

  5. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat:

“hij op 10 juli 2012 in de gemeente Marum, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, genaamd [slachtoffer] , van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen [slachtoffer] een kogel in de borstkas geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden”.

6. Onder 2 is ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

“hij op 3 juli 2012 in de gemeente Oldebroek, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf een terrein aan de Rondweg te Wezep heeft weggenomen een auto (merk Chrysler, gekentekend [AA-00-BB] ), toebehorende aan [betrokkene 2] of [A] .”

7. De bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van relaas, proces-verbaal nr. 2012068332, d.d. 19 april 2013, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] , brigadier van politie, district Groningen, bevattende diverse processen-verbaal, waaronder:


1.2 een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 10 juli 2012, 1 oktober 2012, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 2] , brigadier van Politie Groningen, inhoudende-zakelijk weergegeven-:
als verklaring van voornoemde verbalisant (blz. 154 tot en met 156, ordner 1):

Toedracht:
Op 10 juli 2012 omstreeks 07.10 uur was ik samen met collega [verbalisant 3] op weg naar Zuidlaren. Op dat tijdstip werd collega [verbalisant 3] gebeld op zijn diensttelefoon. De chef van dienst deelde mede dat er een schietincident had plaatsgevonden op/aan de Langestraat te Marum. Wij hebben ons dienstvoertuig onmiddellijk gekeerd en zijn naar Marum gereden.

Tijdstip overlijden:
Kort nadat ik daar ter plaatse was hoorde ik de MMT arts J.P. Valk zeggen dat er geen levensteken meer was en dat de patiënt was overleden.

Partner-slachtoffer:
Omstreeks 08:00 uur stond ik bij de afzetting van de Langestraat met de Sportlaan. Aldaar meldde zich een vrouwspersoon die verklaarde dat het dodelijke slachtoffer waarschijnlijk haar partner betrof. Zij had inmiddels gehoord dat de persoon die daar in de berm lag overleden was. In overleg ben ik vervolgens met de vermoedelijke partner van het dodelijke slachtoffer naar haar woning te Marum gegaan. In de woning aangekomen heb ik direct gevraagd of ik in het bezit kon komen van een foto waarop haar partner stond afgebeeld. Ik kreeg een foto van haar waarop zij met haar partner stond afgebeeld. Ik heb haar vervolgens meegedeeld dat ik er zeker van was dat de manspersoon van de foto, de persoon is die dodelijk gewond lag in de berm. Zij deelde mij mede dat haar partner is: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1972.

1.3 een Voorlopig Sectierapport van het Nederlands Forensisch Instituut, NFI zaaknr. 2012.07.10.206, d.d. 11 juli 2012, opgemaakt door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog en M. Buiskool, arts en patholoog, nfi deskundige in opleiding, inhoudende –zakelijk weergegeven-:
als verklaring van voornoemde deskundigen (bijlage 1.9, ordner Bijlage AV):
Naam: [slachtoffer]
Geboren: [geboortedatum] 1972

Voorlopige Conclusie
Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] wordt het intreden van de dood zonder meer verklaard door verwikkelingen van uitwendig mechanisch perforerend geweld passend bij 1 doorschot door de borstkas.

1.4 een proces-verbaal, d.d. 30 augustus 2012, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , beiden brigadier van de regiopolitie Drenthe, inhoudende - zakelijk weergegeven-:
als verklaring van [betrokkene 1] (blz. 2491 tot en met 2495, ordner 8):
[verdachte] kwam bij mij aan met deze moord. Hij had een klus. Ik heb die man doodgeschoten daar. Bij het zwembad. [verdachte] had een auto zien staan in Wezep. Het was een Chrysler Voyager met Gensing stickers. De sleutels zaten in de auto. Ik heb deze auto op een camping neergezet.
[verdachte] zou € 30.000,- ontvangen voor de moord en ik € 15.000,- met aftrek van de kosten. Ik had informatie. Ik had een foto waarop het slachtoffer op de motor zat. Ik ben een paar keer door Marum gereden. [verdachte] heeft mij uitgelegd waar het slachtoffer woonde. Ik was alleen met [verdachte] . Ik reed in die Voyager. Vanaf de camping in Meppel reed ik naar Marum. Ik ben met [verdachte] in Wezep geweest, bij [A] . Daar stond die Voyager. Het hek stond open. [verdachte] was die dag al bij [A] geweest. Ik wist dat die auto gebruikt zou worden voor de liquidatie van die man.
Ik was al eerder in Marum geweest, maar het liep niet zoals het moest. [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) zou volgens [verdachte] een BMW hebben. [verdachte] had zijn voorwerk gedaan.
Ik ben op de dag van het schietincident met [verdachte] naar Marum gereden. We waren met twee Volvo’s V70. De Voyager stond toen op een carpoolplek (het hof leest : parkeerplaats). Ik heb mijn Volvo bij Frieschepalen neergezet en ben toen bij [verdachte] ingestapt. We zijn toen naar de Voyager gegaan. De beide Volvo’s zijn van [verdachte] .
De ene is groen en de andere zwart. Ik reed in de zwarte Volvo, [verdachte] in de groene. Waar die auto is uitgebrand, van daar ben ik met [verdachte] in de auto naar de Volvo op de carpoolplaats gegaan.
Ik heb op de dag van het schietincident een half uur in de bosjes gezeten. Ik had twee vuurwapens bij me. Ik herkende het slachtoffer van de foto. Ik stapte uit de bosjes. Ik schoot en hij fietste mij voorbij. Ik richtte met het laatste schot op hem. Ik heb hem in de romp geraakt. Ik hoorde een kreet van hem en toen ben ik in de auto weggegaan. Ik ben naar de parkeerplaats gereden waar die auto (het hof begrijpt: de Voyager) in de brand is gestoken. Ik had die parkeerplaats van tevoren bekeken. Ik wist waar ik heen moest. [verdachte] was vlakbij die parkeerplaats. Ik reed [verdachte] voorbij en [verdachte] reed achter mij aan. Ik stak de auto (het hof begrijpt: de Voyager) in de fik. De jerrycan met benzine stond er al. Ik had de plek zelf uitgezocht.


1.5 een proces-verbaal, d.d. 30 augustus 2012, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , beiden voornoemd, inhoudende - zakelijk weergegeven -:
als verklaring van [betrokkene 1] (blz. 2498 tot en met 2502, ordner 8):
Met [verdachte] bedoel ik [verdachte] . Na vijf dagen tot een week na de moord kwam [verdachte] bij mij langs en gaf mij toen het geld. [verdachte] bracht mij het geld (€ 14.000,- en volgens mij € 700,-) bij mij thuis.

Met het slachtoffer bedoel ik [slachtoffer] . [verdachte] heeft mij een maand of anderhalve maand voor het overlijden van [slachtoffer] gevraagd om de klus te doen.

[verdachte] heeft mij de wapens geleverd. Ik heb alleen met [verdachte] te maken gehad.

Ik heb een tattoo in mijn nek.

1.6 een proces-verbaal, d.d. 4 september 2012, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 6] , brigadier van politie Drenthe en [verbalisant 5] voomoemd, inhoudende - zakelijk weergegeven -:
als verklaring van [betrokkene 1] (blz. 2510 tot en met 2518, ordner 8):
[verdachtes] groene Volvo is volgens mij een automaat. Die staat volgens mij bij een huisje van [verdachte] ergens in Zwolle.
Bij het in de brand steken van de Chrysler heb ik in de fik gestaan en mijn gezicht verbrand. Het doel van het tanken was dat de Voyager in de brand moest worden gestoken. Dit was het idee van [verdachte] . [verdachte] heeft deze jerrycan zelf gekocht en deze stond al in de auto.

1.7 een proces-verbaal, d.d. 5 september 2012, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 6] en [verbalisant 5] , beiden voornoemd, inhoudende - zakelijk weergegeven
als verklaring van [betrokkene 1] (blz. 2523 tot en met 2532, ordner 8):
[verdachte] heeft mij de foto van het slachtoffer gegeven. De eerste keer dat ik hem zag was het slachtoffer op dezelfde plaats waar ik hem later heb doodgeschoten. [verdachte] heeft mij informatie over het uiterlijk van het slachtoffer op een papiertje aangeleverd. [verdachte] is met de klus, de informatie en foto bij mij aan gekomen. Ik heb daarover alleen met [verdachte] contact gehad.
Ik ben ongeveer drie weken tot een maand voor de moord voor het eerst in Marum geweest. Ik ben daar gekomen met [verdachte] in de auto. De eerste keer dat we in Marum waren, liet [verdachte] mij zien waar het slachtoffer woonde. De plaats waar het moest gebeuren, liet [verdachte] mij ook zien. Dat was het terrein waar ik de auto heb neergezet. Dat heeft [verdachte] mij toen laten zien. Ook het zwembad en de bosjes. Dat was de plaats waar ik op 10 juli 2012 het slachtoffer heb neergeschoten. Volgens [verdachte] was dit de juiste plek waar het moest gebeuren. Ik ben totaal drie of vier keer in Marum geweest. [verdachte] was daar steeds bij. De eerste keer dat ik in Marum kwam, hadden we de wapens niet bij ons. Daar is [verdachte] later mee bij mij thuis gekomen.
Toen die auto is gestolen (het hof begrijpt: de Voyager, feit 2), moest ik van [verdachte] op hem wachten bij een benzinepomp. Dat heb ik gedaan tot [verdachte] met zijn Volvo kwam aanrijden.
Na de moord wilde ik direct naar huis vanwege mijn brandblaren. [verdachte] wilde dat niet hebben en zei dat ik eerst de achtergelaten sporen moest vernietigen.
Ik moest van [verdachte] aan de waterkant bij Kampen de wapens in een zak met snel cement of -beton doen. Alles moest weg van [verdachte] . In Kampen kreeg ik van [verdachte] dat cement/beton en een emmer erbij waarin ik de wapens moest gieten. De kleding moest ook weg van [verdachte] .
Ik ben met de rode Peugeot van [verdachte] naar huis gereden en heb deze neergezet op de parkeerplaats nabij mijn woning. Even later kwam [verdachte] bij mij thuis en zei dat de gedragen kleding ook weg moest. De kleding heb ik toen in de container gegooid.
Mijn dochter was er toen en heeft gezien dat mijn gezicht was verbrand. Ook [betrokkene 3] (het hof begrijpt: [betrokkene 3] ) heeft gezien dat mijn gezicht verbrand was. Ze schrok er wel van.
[verdachte] en ik hadden van tevoren afgesproken dat de auto (het hof begrijpt: de Voyager) in de brand moest.
[verdachte] heeft me de opdracht gegeven het slachtoffer door het hoofd te schieten, maar dat kon ik niet.

1.8 een proces-verbaal van bevindingen en verhoor tijdens autorit met verdachte [betrokkene 1] op 10 september 2012, d.d. 12 september 2012, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 6] en [verbalisant 5] , beiden voornoemd, inhoudende - zakelijk weergegeven -:
als verklaring van voornoemde verbalisanten en [betrokkene 1] (blz. 2536 tot en met 2543. ordner 8):
A = antwoord van de verdachte

Trimunt
We zijn linksaf de Kloosterweg op gereden en zijn terechtgekomen bij de parkeerplaats Trimunt, de plaats waar de Voyager in brand is gestoken.
A: Daar is die parkeerplaats.

1.9 een proces-verbaal, d.d. 1 oktober 2012, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 6] en [verbalisant 5] , beiden voornoemd, inhoudende - zakelijk weergegeven-:
als verklaring van [betrokkene 1] (blz. 2596 tot en met 2610, ordner 81):
Ik ken [verdachte] ik geloof sinds 2008. Op een gegeven ogenblik zag ik hem als mijn broer. [verdachte] kwam altijd bij mij langs. Dit was na het incident (het hof begrijpt: de moord op 10 juli 2012) en voordat ik mij ging melden bij de politie op die zondag (het hof begrijpt: zondag 26 augustus 2012). Wanneer ik voor [verdachte] chauffeerde dan kreeg ik daar niet voor betaald. Ik deed dit meer als broeder- of vriendendienst.
De eerste keer dat we in Marum zijn geweest, was in de Audi. Toen hebben we een fiets gestolen en neergezet bij een tunneltje. Later bleek dat de fiets weg was. Toen zijn we weer bij het slachtoffer door de straat gereden. [verdachte] zei dat ik het ook bij de voordeur mocht doen.
De aanslag was eerder al eens mislukt. Het slachtoffer was toen al voorbij gefietst. Ik zat om half zeven al in de bosjes, omdat het slachtoffer tegen zevenen zou passeren. Dat was op een doordeweekse dag. Er waren teveel mensen op straat. Een andere keer is het ook mislukt volgens mij ook omdat er toen teveel mensen op straat waren. Ik ben er constant toen met [verdachte] mee bezig geweest. Ik heb twee of drie keer in die bosjes gezeten.

1.10 een proces-verbaal, d.d. 11 juli 2012, op respectievelijk ambtseed en ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 7] , hoofdagent en [verbalisant 8] , aspirant werkzaam bij de Regiopolitie Groningen, inhoudende - zakelijk weergegeven -:
als verklaring van [betrokkene 4] (blz. 1452 tot en met 1454, ordner 5):
Op dinsdagochtend 10 juli 2012 ben ik op de fiets vertrokken vanaf mijn huis aan de Molenlaan in Marum. Omstreeks 7.00 uur reed ik op de Postdijk toen ik achter mij een auto hoorde aankomen met hoge snelheid. Het was een paarsachtige auto, model Grand Voyager, op de achterkant stond ‘Ging cheng’ in goudkleurige letters. De auto reed met hoge snelheid bij het viaduct over de A7 omhoog. Ik zag dat vanuit het doodlopende straatje Het Korige een auto kwam. Ik fiets hier elk ochtend en er komt praktisch nooit een auto uit dit straatje. Ik kan deze auto als volgt beschrijven: een Volvo station, oud model. De auto was groenkleurig. Ik had het idee dat de Volvo achter de paarsige Voyager aan reed. De Volvo reed er net zo snel achter aan. Ze reden samen het viaduct op. Ik fietste op de oprijlaan richting mijn ouders huis. Toen ik op driekwart van de oprijlaan was, zag ik rookpluimen. Ik ben in de bus gestapt en richting de rook gereden. Toen ik bij de parkeerplaats kwam, zag ik de Voyager die ik beschreef in brand staan.

1.11 een proces-verbaal, d.d. 4 oktober 2012, op respectievelijk ambtsbelofte en ambtseed opgemaakt door [verbalisant 14] en [verbalisant 4] , beiden brigadier van respectievelijk Regiopolitie Groningen en Regiopolitie Drenthe inhoudende - zakelijk weergegeven -:
als verklaring van [betrokkene 8] (blz. 2352 tot en met 2355, ordner 71):
Ik stond op 10 juli 2012, ’s morgens kort na 7.00 uur op de carpoolplaats Frieschepalen te wachten op een collega. Er kwam toen een donkere Volvo stationcar. Misschien een V70, maar dat weet ik niet zeker. Ik zag dat deze auto stopte achter een daar geparkeerd staande auto. De man die uitstapte was blank, stekelig haar, netjes gekleed, had een tatoeage op de rechterkant van zijn nek. Hij pakte iets uit de auto waarmee hij was gekomen. De man met tatoeage liep naar een andere geparkeerde staande auto, ook een donkere Volvo stationcar, zelfde type. Hij stapte daar in. De eerste auto reed weg en ging de oprit richting Drachten op. De man met de tatoeage ging enkele seconden daarna ook weg en reed dezelfde kant op richting Drachten.

1.12 een proces-verbaal, d.d. 1 september 2012, op respectievelijk ambtsbelofte en ambtseed opgemaakt door [verbalisant 9] , brigadier van politie Friesland en [verbalisant 10] , hoofdagent van politie Groningen, inhoudende - zakelijk weergegeven -:
als verklaring van verdachte (blz. 2653 tot en met 2662, ordner 8):
Ik ken [betrokkene 1] vanaf 2008/2009. Ik maak gebruik van het telefoonnummer 06- [001] .
Ik maak gebruik van een grijze Volvo V70, bouwjaar 2000. De groene Volvo is van [betrokkene 6] . Die heb ik een keer gebruikt. Deze auto is geschorst. Die auto heb ik laatst een keer gebruikt. Er was iets met de auto van [betrokkene 5] . En toen heeft hij deze auto in de verzekering gezet. En heb ik deze een keer geleend.
V: [betrokkene 1] is op 29 augustus 2012 aangehouden. [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij [slachtoffer] in opdracht van jou heeft vermoord.
A: In opdracht van mij?
V: [betrokkene 1] heeft hierover veel details gegeven, vandaar dat jij hier zit.
A: Dus ik heb tegen [betrokkene 1] gezegd schiet die maar dood. Oh, fijn is dat.
V : Je mag daar op reageren, het zit zus of zo.
A: Waar haalt hij het verhaal vandaan. Heel verbazend wekkend.
V : Jij kent [slachtoffer] niet? Niets over gehoord of gelezen?
A: Nee. Doodschieten?
V: Dat hebben wij niet gezegd. We zeiden vermoord.

1.13 een proces-verbaal, d.d. 11 september 2012, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 9] , voomoemd, inhoudende - zakelijk weergegeven -:
als verklaring van [betrokkene 6] (blz. 2144 tot en met 2150, ordner 71):
Ik heb de groene Volvo van [verdachte] met kenteken [CC-00-DD] op 26 april 2012 op naam gekregen. [betrokkene 5] heeft de auto op naam gehad van 28 juni 2012 tot 15 juli 2012.

1.14 een proces-verbaal, d.d. 21 september 2012, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 9] , voornoemd, inhoudende - zakelijk weergegeven -:
als verklaring van [betrokkene 5] (blz. 2214 tot en met 2218, ordner 7):
Vanwege problemen met mijn Peugeot vroeg ik aan [betrokkene 6] , die bij mij in huis verblijft, of ik de groene Volvo V70 dieselautomaat die hij van [verdachte] had, kon gebruiken. Op 28 juni 2012 heb ik die auto op mijn naam laten zetten. Ik denk dat ik die auto vier dagen heb gebruikt en toen heb ik hem weer op de oprit van de Reviuslaan in Zwolle gezet. Ik heb de Peugeot vervolgens weer vier of vijf dagen gebruikt, maar de problemen bleken niet opgelost. Ik bracht hem weer naar de garage en heb de Volvo weer opgehaald in Zwolle. Ik heb die slechts een paar dagen gebruikt. De Volvo werd op 15 juli weer overgezet op de naam van [betrokkene 6] . [betrokkene 6] en [verdachte] huren een woning aan de Reviuslaan en gebruiken die Volvo wel om daar heen te rijden.

1.15 een proces-verbaal bevindingen telecommunicatie gegevens, d.d. 17 januari 2013, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 11] , brigadier Regiopolitie Groningen en [verbalisant 12] , inspecteur Regiopolitie Groningen, inhoudende - zakelijk weergegeven -:
als verklaring van voornoemde verbalisanten (blz. 1248 tot en met 1258, ordner 41):
2. Onderzoeksresultaten met betrekking tot de verdachten
2a: Verdachte [betrokkene 1] :
Gedurende het onderzoek werd [verdachte] aangehouden. Bij zijn aanhouding was hij in het bezit van een mobiele telefoon met het nummer 06- [001] . Blijkens CIOT is dit nummer afgegeven aan [verdachte] . Van dit telefoonnummer zijn de printgegevens opgevraagd vanaf 1 januari 2012.
Uit de printlijst blijkt dat het telefoonnummer op 3 juli 2012 om 16.43 uur een mast heeft aangestraald die staat aan de [a-straat] 3 te Wezep.
Uit de printgegevens blijkt tevens dat op 9 juli 2012 om 18.49 uur van het telefoonnummer van [verdachte] een sms werd verstuurd, waarbij een mast wordt aangestraald aan de Wortmanstraat te Kampen. Daarna wordt de telefoon niet meer gebruikt.
Op 10 juli 2012, om 9.02 uur belt [betrokkene 7] met haar nummer 06- [002] naar het nummer van verdachte [verdachte] . Op de printlijst van [verdachte] staan deze gegevens niet vermeld. Deze gegevens staan uitsluitend op de printlijst van [betrokkene 7] , waarbij door ons wordt opgemerkt dat er geen mastgegevens worden meegestuurd van het telefoonnummer dat wordt gebeld. Dat impliceert dat het toestel van [verdachte] geen verbinding met het netwerk heeft. Het eerstvolgende contact is op 10 juli 2012 om 9.57 uur. Daarbij wordt een mast in IJsselmuiden aangestraald.

(…)

1.17 een proces-verbaal, d.d. 4 september 2012, op respectievelijk ambtsbelofte en ambtseed opgemaakt door [verbalisant 10] , hoofdagent van Regiopolitie Groningen en [verbalisant 9] voomoemd, inhoudende - zakelijk weergegeven -:
als verklaring van [betrokkene 3] (blz. 2083 tot en met 2096, ordner 71):
Dinsdagochtend 10 juli 2012 rond een uur of 9.00 kwam [betrokkene 1] terug. Hij had zijn kop kapot. Tien minuten later kwam [verdachte] . Ik moest mijn bus halen naar mijn werk om 9.20 uur. [betrokkene 1] had wonden aan zijn gezicht. Ik moest brandwondenzalf voor hem halen. [betrokkene 1] vroeg toen of ik mij ziek kon melden. Ik heb dat gedaan. Nadat [betrokkene 1] thuis kwam, kwam [verdachte] . Die vroeg ‘gaat het’ en ze zijn samen weg gegaan.
V: Bij thuiskomst van [betrokkene 1] , wanneer zei [betrokkene 1] dat jij je ziek moest melden?
A: Voordat [verdachte] bij ons kwam. Hij zat met zijn gezicht. Hij wilde zó niet de kinderen van school halen, vandaar dat ik me ziek moest melden.
Het viel me op dat [betrokkene 1] na 10 juli in een keer geld uit gaf. Hij deed niet zo moeilijk meer over geld. Normaal moesten we op geld letten omdat we krap zaten.

(…)

1.22 een proces-verbaal van aangifte, d.d. 4 juli 2012, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 13] , hoofdagent van Regio Noord- en Oost Gelderland, inhoudende - zakelijk weergegeven -:
als verklaring van [betrokkene 2] (blz. 1305 tot en met 1307, ordner 43):
Ik doe aangifte van diefstal van een auto. Ik ben de eigenaar van [A] , gevestigd aan [adres] . Gisteravond, dinsdag 3 juli 2012, omstreeks 17.30 uur, heb ik het hek van mijn autobedrijf afgesloten. Ik werd vanochtend omstreeks 10.10 uur gebeld door een klant. Ik kwam iets later en zag dat het hek open stond. De klant zei mij dat het hek ook al openstond toen hij hier vanochtend was. Ik zag toen dat de Chrysler weg was. Dat is een Chrysler Voyager voorzien van het kenteken [AA-00-BB] . Op de auto staat reclame, dat is de tekst Ginseng.nl. Ik laat de sleutels altijd in de auto zitten.”

8. Voorts heeft het hof in het verkorte arrest, voor zover voor de bespreking van de middelen relevant, de volgende overwegingen opgenomen:

Verweer raadsman
De raadsman heeft zich, onder verwijzing naar artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wegens gebrek aan voldoende wettig bewijs. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat een bewezenverklaring niet enkel kan berusten op de belastende verklaringen van de medeverdachte [betrokkene 1] . De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de verklaringen van de medeverdachte [betrokkene 1] als onbetrouwbaar aangemerkt moeten worden nu [betrokkene 1] “een motief zou kunnen hebben” om een ander uit de wind te houden en daarom jegens verdachte belastende verklaringen af te leggen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof heeft geconstateerd dat voor de verklaringen van [betrokkene 1] op verschillende punten, hieronder nader te noemen, steunbewijs voorhanden is.
Anders dan de raadsman heeft aangevoerd zijn er geen aanwijzingen dat [betrokkene 1] de schuld op verdachte afschuift om zichzelf en/of een ander vrij te pleiten. [betrokkene 1] heeft immers in de eerste plaats zichzelf ernstig belast.

Voor de suggestie van de raadsman dat [betrokkene 1] een motief heeft om verdachte ten onrechte te belasten, namelijk angst van [betrokkene 1] voor de werkelijke mededader, ziet het hof geen aanknopingspunten. Deze suggestie van de raadsman is ook niet met feitelijkheden onderbouwd. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt het tegendeel van wat de raadsman heeft gesteld. Daaruit komt het beeld naar voren dat verdachte en [betrokkene 1] voor, tijdens en ook na de moord goede vrienden waren. De beide mannen trokken veel met elkaar op en [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij verdachte zag als een broer. Van omstandigheden die afbreuk zouden kunnen doen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van medeverdachte [betrokkene 1] is het hof ook overigens niet gebleken. Het hof acht die verklaring derhalve betrouwbaar en als zodanig bruikbaar voor het bewijs.

Medeverdachte [betrokkene 1] heeft bekend dat hij op 10 juli 2012, rond zeven uur in de ochtend in Marum, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd. Volgens [betrokkene 1] heeft hij dit gedaan op verzoek van verdachte tegen betaling van bijna € 15.000,-. Omtrent de gang van zaken op de ochtend van de moord blijkt uit [betrokkene 1] verklaringen, kort gezegd, dat hij - nadat hij het slachtoffer had beschoten - naar de vluchtauto (de Chrysler Voyager, met op (o.a.) de achterkant het woord 'Ginseng') is gerend en daarmee naar de afgesproken parkeerplaats is gereden. Verdachte, die in de buurt van het schietincident in een groene Volvo in een zijweggetje stond te wachten op [betrokkene 1] , is volgens [betrokkene 1] achter hem aangereden naar dit parkeerterrein.
Nadat [betrokkene 1] op dit parkeerterrein volgens afspraak de Chrysler Voyager in brand had gestoken (waarbij hij gewond is geraakt en brandwonden in zijn gezicht heeft opgelopen) is hij naar zijn zeggen bij verdachte in de groene Volvo gestapt en zijn ze naar een carpoolplaats in Frieschepalen gereden. Daar is [betrokkene 1] overgestapt in een grijs/zwarte Volvo, die ze hier tevoren hadden geparkeerd, waarna ze beiden naar de woning van [betrokkene 1] in Zwolle zijn gereden. Volgens [betrokkene 1] was hij rond 9.00 uur thuis en kwam [verdachte] tien minuten na hem in de woning.

Deze verklaring van [betrokkene 1] vindt bevestiging in verklaringen van onafhankelijke getuigen. Getuige [betrokkene 4] werd op 10 juli 2012 omstreeks 07.00 uur op de Postdijk te Marum gepasseerd door een auto die met hoge snelheid reed. Deze auto was paarsachtig van kleur, had het model van een Grand Voyager en op de achterkant van deze auto stond in goudkleurige Chineesachtige letters het woord 'Ging cheng'. Deze auto reed met hoge snelheid het viaduct over de A7 op. Vanuit een doodlopend zijstraatje zag deze getuige vervolgens een groenkleurige Volvo station, type V70 aan komen rijden. Deze Volvo reed met hoge snelheid achter de Voyager aan. Wanneer deze getuige later rookpluimen ziet en gaat kijken, ziet hij de eerder genoemde Voyager op een parkeerterrein in brand staan.

Getuige [betrokkene 8] stond op 10 juli 2012 kort na 7.00 uur op de carpoolplaats bij Frieschepalen te wachten. Hij zag toen een donkergekleurde Volvo stationcar aan komen rijden waarin twee personen zaten. Een van deze personen stapte uit de auto. De getuige zag dat deze persoon een tatoeage in zijn nek had. (Opmerking Hof: verdachte [betrokkene 1] heeft een tatoeage in zijn nek.) Nadat deze persoon was uitgestapt en hij nog iets uit de auto had gepakt, was deze persoon, volgens [betrokkene 8] , naar een reeds geparkeerd staande eveneens donkergekleurde Volvo gelopen en was ingestapt, waarna beide Volvo’s weg reden.

De verklaringen van [betrokkene 1] dat het de persoon van verdachte is die bij de moord op [slachtoffer] betrokken is, vinden voorts bevestiging in het navolgende:
Zowel [betrokkene 1] als de getuigen [betrokkene 4] en [betrokkene 8] verklaren over Volvo's die zijn gebruikt bij het wegvluchten na de moord. Verdachte beschikte over een grijze/zwarte Volvo en had ook een groene Volvo tot zijn beschikking die hij, zo blijkt uit zijn eigen verklaring, in de periode dat de moord is gepleegd heeft geleend van [betrokkene 5] .

Getuige [betrokkene 3] , de vriendin van verdachte [betrokkene 1] , heeft verklaard (en daarmee de verklaring van [betrokkene 1] bevestigd) dat [betrokkene 1] op dinsdagochtend 10 juli 2012 rond negen uur 's ochtends thuis kwam. Volgens [betrokkene 3] had [betrokkene 1] zijn jas niet uitgedaan en was kort nadat [betrokkene 1] thuis was gekomen ook verdachte bij hen in de woning aangekomen. Bij het zien van het verbrande gezicht van [betrokkene 1] vroeg hij slechts aan [betrokkene 1] : ’”Gaat het?”.

In dit verband merkt het hof op - evenals de rechtbank - dat een dergelijke uitlating kan worden gezien als daderwetenschap, nu een reactie met de woorden “gaat het?” past bij iemand die al op de hoogte is van het feit dat [betrokkene 1] gewond is. Dit vooral nu de brandwonden in het gezicht van [betrokkene 1] aanzienlijk moeten zijn geweest aangezien [betrokkene 3] daarover heeft verklaard dat [betrokkene 1] 'zijn kop kapot had' en hij met dit verbrande hoofd de kinderen niet uit school wilde halen.

Ter zitting van het hof d.d. 12 juni 2014 heeft verdachte beweerd dat hij die ochtend om half negen, dus voordat hij in de woning van [betrokkene 1] kwam, al contact met [betrokkene 1] had gehad op het parkeerterrein voor de woning van [betrokkene 1] . Hij zou toen al de verwondingen in het gezicht van [betrokkene 1] hebben gezien, en wist hier derhalve al vanaf toen hij later - omstreeks twintig over negen - in de woning van [betrokkene 1] kwam en [betrokkene 1] nogmaals zag. Dit zou zijn reactie met de woorden “gaat het?”, in het bijzijn van [betrokkene 3] , kunnen verklaren, aldus verdachte. Verdachte heeft hierover verder verklaard dat hij om half negen die ochtend de (grijs/zwarte) Volvo bij [betrokkene 1] heeft opgehaald en daarmee naar Kampen is gereden. Omdat [betrokkene 1] wel een auto wilde gebruiken die dag heeft verdachte in Kampen een rode Peugeot geleend en is daarmee teruggereden naar de woning van [betrokkene 1] in Zwolle. Om twintig over negen was verdachte voor de tweede maal die ochtend bij [betrokkene 1] en is hij in de woning van [betrokkene 1] geweest. [betrokkene 1] zou verdachte daarna, in de rode Peugeot, terug gebracht hebben naar Kampen.

Het hof acht de uitleg van verdachte dat hij die ochtend tweemaal in korte tijd bij de woning van [betrokkene 1] is geweest niet geloofwaardig. Over deze - in de visie van het hof onlogische en omslachtige - gang van zaken heeft verdachte voor het eerst op de zitting in hoger beroep expliciet verklaard, terwijl hij eerder, zowel bij de politie als op de zitting in eerste aanleg, op dit punt is bevraagd en hierover andersluidende verklaringen heeft afgelegd.
Daar komt bij dat deze verklaring van verdachte niet past bij die van [betrokkene 3] , inhoudende dat [betrokkene 1] die dag rond negen uur pas voor het eerst thuis kwam en niet reeds om half negen.

Ook de reactie van verdachte wanneer de politie hem voor het eerst voorhoudt dat hij volgens [betrokkene 1] de opdrachtgever van de moord is, getuigt naar het oordeel van het hof van daderwetenschap. Terwijl hem dan nog geen details zijn verteld over deze moord, en hij zelf heeft verklaard niets over de moord te hebben vernomen uit de media, is zijn reactie op de in zijn richting geuite beschuldiging: 'Dus ik heb tegen [betrokkene 1] gezegd schiet die man maar dood'. Verdachte wist dus blijkbaar dat het om een schietpartij ging. De uitleg van verdachte dat hij meteen aan een schietpartij dacht, omdat hij bij een moord automatisch denkt aan het schieten met een pistool, acht het hof niet plausibel.

Tot slot heeft verdachte geen sluitend alibi voor de ochtend van 10 juli 2012. Zijn aanvankelijke verklaring dat hij die ochtend naar het zwembad in Kampen was geweest bleek na onderzoek van de politie niet te kloppen.

De daaropvolgende verklaring van verdachte dat hij de nacht van 9 op 10 juli 2012 heeft doorgebracht in de woning van zijn (ex)vriendin [betrokkene 7] , waarna zij samen op 10 juli 2012 ’s morgens tussen 8.15 en 8.30 uur naar Zwolle zijn gereden is in eerste instantie enkele malen met een grote mate van stelligheid door [betrokkene 7] weersproken. Zij heeft pas ter terechtzitting in eerste aanleg op 26 september 2013 iets anders verklaard, namelijk dat zij niet meer weet of verdachte die nacht bij haar in huis heeft geslapen.
[betrokkene 7] heeft toen ook aangegeven dat ze is benaderd door [betrokkene 9] die haar op verzoek van verdachte vanuit de penitentiaire inrichting (P.I.), een doos overhandigde met daarin onder andere de door haar bij de politie afgelegde verklaringen. Hierbij werd gezegd dat [betrokkene 7] deze verklaringen nog maar eens moest nalezen. Deze verklaring van [betrokkene 7] wordt door [betrokkene 9] bevestigd. [betrokkene 9] is een aantal keren bij verdachte in de P.I. geweest en verdachte heeft hem toen verzocht naar [betrokkene 7] te gaan. [betrokkene 9] verwoordde het op 8 mei 2013 bij de politie aldus: ' [verdachte] heeft mij gisteren ook weer verzocht om naar [betrokkene 7] te gaan. Zodat [betrokkene 7] haar verklaring kan herzien'. In het licht hiervan acht het hof deze bijstelling van [betrokkene 7] van haar eerder bij de politie afgelegde verklaringen niet geloofwaardig.

De verklaringen van verdachte over zijn bezigheden die ochtend vinden derhalve geen bevestiging in andere verklaringen of onderzoeksbevindingen.

Concluderend is het hof van oordeel dat de verklaringen van medeverdachte [betrokkene 1] voldoende steun vinden in het overig te bezigen bewijsmateriaal, zodat er bij veroordeling van verdachte geen sprake is van schending van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Uit de eventueel later op te maken bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en medeverdachte [betrokkene 1] opzet op de dood van het slachtoffer hadden. Alle voorbereidende en uitvoerende handelingen waren gericht op de dood van [slachtoffer] . Tevens kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat zij handelden met voorbedachte raad. Al weken vóór 10 juli 2012 waren zij begonnen met het treffen van voorbereidingen, zoals het stelen van een auto om die bij de moord te gebruiken, het voorverkennen van de situatie in Marum, het aanschaffen van wapens en het zich voorzien van informatie over het slachtoffer. Zij waren voor 10 juli 2012 zelfs al enkele malen in Marum geweest met de bedoeling om de moord daadwerkelijk te plegen. Dat lukte toen niet, onder invloed van externe factoren. Verdachte en zijn medeverdachte hebben dan ook voldoende tijd en gelegenheid gehad om zich te beraden op hun voorgenomen besluit om [slachtoffer] te doden, om na te denken over de betekenis en gevolgen van hun voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Verdachte en medeverdachte [betrokkene 1] handelden in nauwe en bewuste samenwerking. Er was sprake van een rolverdeling: verdachte is degene die het plan heeft uitgedacht, informatie en middelen heeft verschaft aan medeverdachte [betrokkene 1] en medeverdachte [betrokkene 1] vlak voor en vlak na het neerschieten van [slachtoffer] heeft vervoerd, terwijl [betrokkene 1] verantwoordelijk is geweest voor de fatale uitvoeringshandelingen.

Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat verdachte zich samen met medeverdachte [betrokkene 1] heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van moord.

Overweging met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde.
Het hof overweegt met betrekking tot de diefstal van de Chrysler Voyager dat uit de eventueel later in de aanvulling op dit arrest te vermelden bewijsmiddelen blijkt dat verdachte zich hieraan, samen met medeverdachte [betrokkene 1] , eveneens schuldig heeft gemaakt. Uit de aangifte blijkt dat deze auto is ontvreemd van het bedrijventerrein van [A] tussen 3 juli 2012 te 17:30 uur en 4 juli 2012 om 10:00 uur. Deze auto is dezelfde auto als die uitgebrand is aangetroffen op het parkeerterrein in Trimunt op de ochtend van de moord. Medeverdachte [betrokkene 1] heeft erkend dat hij deze auto heeft weggenomen bij een autobedrijf in Wezep, op aanwijzingen van verdachte. Uit de verklaring van [betrokkene 1] valt af te leiden dat deze auto is gestolen op 3 juli 2012. Verdachte zou deze auto, aldus [betrokkene 1] , diezelfde middag daar al hebben zien staan op het bedrijventerrein. Verdachte had gezien dat de sleutels in deze auto zaten en ook dat het toegangshek open was. De verklaring van medeverdachte [betrokkene 1] vindt bevestiging in de gegevens van het telefoonverkeer van het telefoonnummer dat in gebruik is bij verdachte. Uit deze gegevens blijkt dat verdachte op 3 juli 2012 om 16:43 uur in de buurt was van de [a-straat] te Wezep. De [a-straat] is vlakbij de Rondweg gelegen, waar het autobedrijf van [A] is gevestigd. De uitkomsten van het hiervoor genoemde onderzoek zijn vastgelegd in een proces-verbaal d.d. 17 januari 2013. Dit maakt dat [betrokkene 1] deze informatie (nog) niet tot zijn beschikking had op het moment dat hij op 29 augustus 2012 hierover heeft verklaard.
Het hof acht de verklaring van verdachte, dat hij op die dag waarschijnlijk om een andere reden toevallig in de buurt is geweest van deze omgeving, niet geloofwaardig.”

9. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring van feit 1, in strijd met het bepaalde in art. 342, tweede lid, Sv, slechts heeft doen steunen op de verklaring van één getuige.

10. Het volgende kan worden voorop gesteld. Volgens het tweede lid van art. 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.1

11. Volgens de steller van het middel heeft het hof de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit zonder voldoende steunbewijs gebaseerd op de verklaringen van één getuige, te weten [betrokkene 1] , die tevens de status van medeverdachte heeft. Daarmee zou de vereiste tweede bewijsgrond, die steun zou moeten bieden aan de betrokkenheid van de verdachte bij het bewezen verklaarde, ontbreken.

12. Het middel berust op de veronderstelling dat het steunbewijs in het kader van art. 342, tweede lid, Sv specifiek betrekking dient te hebben op de betrokkenheid van de verdachte bij het bewezen verklaarde. Die veronderstelling vindt geen steun in het recht.2 Het steunbewijs kan in voorkomende gevallen ook betrekking hebben op andere onderdelen van de bewezenverklaring dan op de betrokkenheid van de verdachte bij het feit.3 Dat is niet anders in geval de getuige wiens verklaringen tot het bewijs worden gebezigd een medeverdachte betreft. Illustratief is in dit verband het arrest van de Hoge Raad van 6 maart 20124, waarin het medeplegen van een diefstal van een scooter centraal stond. De bewezenverklaring berustte in die zaak in hoofdzaak op de verklaring van de medeverdachte, inhoudende dat hij de scooter samen met de verdachte uit een tuin had weggenomen. De Hoge Raad oordeelde dat niet kon niet worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van de medeverdachte onvoldoende steun vond in het overige bewijsmateriaal. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat het overige bewijsmateriaal inhield dat de scooter, die de medeverdachte na de confrontatie met de politie had achtergelaten en waarover hij in zijn verklaring had gesproken, bij navraag bij de Rijksdienst voor het wegverkeer op naam bleek te zijn gesteld van degene die aangifte had gedaan van de diefstal van haar scooter, terwijl zij deze scooter ook als de hare had herkend. In zoverre kon het aanvullend bewijsmateriaal bijdragen aan de verificatie van het scenario dat in de tenlastelegging en de verklaring van de getuige was neergelegd en was van schending van het bepaalde in art. 342, tweede lid, Sv geen sprake, ook al had het steunbewijs geen betrekking op de betrokkenheid van de verdachte bij de diefstal van de scooter.

13. Naar mijn mening kan niet gezegd worden dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen van de getuige [betrokkene 1] onvoldoende steun vinden in het overige bewijsmateriaal, zoals dat onder 7 van deze conclusie is weergegeven. Daarbij komt betekenis toe aan het feit dat het hof zijn oordeel dat het bewijsminimumvoorschrift van art. 342, tweede lid, Sv niet is geschonden uitvoerig heeft gemotiveerd. Het hof heeft, in de onder 8 van deze conclusie weergegeven overwegingen, gemotiveerd uiteengezet dat de verklaringen van [betrokkene 1] ten aanzien van de omstandigheden rond de moord bevestiging vinden in het overige bewijsmateriaal, waaronder de verklaringen van diverse (onafhankelijke) getuigen. Deze bevestiging ziet onder meer op de wijze waarop het slachtoffer om het leven is gekomen (bewijsmiddel 1.3), de wijze waarop [betrokkene 1] volgens zijn verklaringen na de moord met de verdachte is gevlucht en op het gebruik dat daarbij is gemaakt van een drietal auto’s, waaronder een grijze/zwarte en een groene Volvo (zie onder meer de bewijsmiddelen 1.10 en 1.11). Uit de bewijsvoering blijkt voorts dat de verdachte beschikte over een grijze/zwarte Volvo en een groene Volvo had geleend (bewijsmiddelen 1.12, 1.13 en 1.14, in samenhang met de geciteerde bewijsoverweging). Verklaringen van [betrokkene 1] over verwondingen die hij heeft opgelopen na het verbranden van een vluchtauto vinden bevestiging in de getuigenverklaring van [betrokkene 3] (bewijsmiddel 1.17). Het hof heeft ten slotte uit de inhoud van verschillende bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte beschikte over daderwetenschap (bewijsmiddelen 1.12 en 1.17) en dat verklaringen van de verdachte die zouden duiden op een alibi niet op waarheid bleken te berusten.5

14. Gelet op het voorafgaande, geeft het oordeel van het hof dat de verklaringen van de getuige [betrokkene 1] voldoende steun vinden in het overige gebezigde bewijsmateriaal geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk, terwijl het toereikend is gemotiveerd. Het hof heeft aldus het onder 1 bewezen verklaarde naar de eis der wet met redenen omkleed.6

15. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

16. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring van feit 2, in strijd met het bepaalde in art. 342, tweede lid, Sv, slechts heeft doen steunen op de verklaring van één getuige.

17. Ook het tweede middel berust op de veronderstelling dat de bewezenverklaring in strijd is met het bepaalde in art. 342, tweede lid, Sv, omdat het steunbewijs geen betrekking heeft op de betrokkenheid van de verdachte bij het feit. Bij de bespreking van het eerste middel heb ik opgemerkt dat de veronderstelling dat het steunbewijs de betrokkenheid van de verdachte bij het feit dient te bevestigen geen steun vindt in het recht. Ik volsta, in aanvulling op de bespreking van het eerste middel, met het volgende.

18. Naar mijn mening kan niet gezegd worden dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen van de getuige [betrokkene 1] ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde onvoldoende steun vinden in het overige bewijsmateriaal, dat onder 7 van deze conclusie is weergegeven. Daarbij komt betekenis toe aan het feit dat het hof zijn oordeel dat het bewijsminimumvoorschrift van art. 342, tweede lid, Sv niet is geschonden ook ten aanzien van de diefstal van de auto op 3 juli 2012 uitvoerig heeft gemotiveerd (zie onder 8 van deze conclusie). Uit de bewijsvoering volgt voorts het volgende. Het hof heeft vastgesteld dat de medeverdachte [betrokkene 1] heeft verklaard op aanwijzingen van de verdachte een Chrysler Voyager bij een autobedrijf te Wezep te hebben weggenomen. [betrokkene 1] heeft verklaard dat de verdachte een “Chrysler Voyager” met “Gensing” stickers in Wezep had zien staan met de sleutels er nog in. De verdachte was op 3 juli 2012 al in Wezep, bij [A] (waar de auto stond), geweest. De getuige verklaarde dat hij wist dat de auto gebruikt zou worden voor de liquidatie. Hij verklaarde deze auto op een camping te hebben neergezet (bewijsmiddelen 1.4 en 1.7). De verklaringen van de getuige vinden steun in de verklaring van de getuige [betrokkene 2] , die op 4 juli 2012 aangifte deed van de diefstal van een “Chrysler Voyager”, met de reclametekst “Ginseng.nl” erop. Daaruit volgt dat de auto is ontvreemd van het bedrijventerrein van [A] tussen 3 juli 2012 om 17.30 uur en 4 juli 2012 om 10.00 uur. De aangever verklaarde dat hij de sleutels altijd in de auto laat zitten (bewijsmiddel 1.22). Voorts vindt de verklaring van [betrokkene 1] steun in het onderzoek naar het gebruik van de mobiele telefoon die in het bezit was van de verdachte. Uit de printgegevens volgt dat het telefoonnummer op 3 juli 2012 om 16.43 uur een mast heeft aangestraald die staat aan de [a-straat] 3 te Wezep, in de nabijheid van het autobedrijf van [A] (bewijsmiddelen 1.15 en 1.22).

19. Gelet op het voorafgaande, geeft het oordeel van het hof dat de verklaringen van de getuige [betrokkene 1] voldoende steun vinden in het overige gebezigde bewijsmateriaal geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk, terwijl het toereikend is gemotiveerd. Het hof heeft de bewezenverklaring van feit 2 aldus naar de eis der wet met redenen omkleed.

20. Het middel faalt.

21. Het derde middel klaagt over het bewijs van het onder 1 ten laste gelegde, in het bijzonder ten aanzien van het onderdeel ‘tezamen en in vereniging met een ander’.

22. Het hof heeft onder 1 bewezen verklaard hetgeen onder 5 van deze conclusie is weergegeven. Daaruit volgt dat de verdachte zich naar het oordeel van het hof heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van moord. De steller van het middel betoogt dat uit de bewijsmiddelen naar voren komt dat de verdachte zelf geen uitvoeringshandelingen heeft verricht en dat zijn bijdrage aan het delict van onvoldoende gewicht is geweest om van medeplegen te kunnen spreken.

23. Bij de beoordeling van deze klacht kan het volgende worden voorop gesteld. In zijn arrest van 2 december 20147 heeft de Hoge Raad algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en meer in het bijzonder met het oog op gevallen waarin het medeplegen niet bestaat in een gezamenlijke uitvoering.8 Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Eén en ander brengt mee dat indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan of helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

24. Met de steller van het middel kan worden aangenomen dat zich in deze zaak de situatie voordoet waarin geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering van de moord. Uit de bewijsvoering volgt immers dat de medeverdachte [betrokkene 1] degene is geweest die het slachtoffer heeft opgewacht, heeft beschoten en daarmee van het leven heeft beroofd. Het hof heeft echter niet alleen in de bewijsmiddelen, maar ook in een uitvoerige bewijsoverweging invulling gegeven aan de motivering dat de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt.

25. De steller van het middel betoogt dat het handelen van de verdachte in de kern heeft bestaan uit gedragingen die in verband worden gebracht met medeplichtigheid. Dat standpunt deel ik niet. Hoewel de verdachte ook gedragingen heeft verricht die - als zij geïsoleerd zouden worden beschouwd - in verband kunnen worden gebracht met medeplichtigheid, zoals het vervoeren van de medeverdachte, verschilt de onderhavige zaak van andere zaken waarin sprake was van dergelijke gedragingen en de veroordelingen wegens medeplegen in cassatie niet in stand bleven.9 In de bewijsvoering komt immers de substantiële bijdrage van de verdachte aan het misdrijf nadrukkelijk naar voren. Volgens de vaststellingen van het hof heeft de verdachte zijn medeverdachte gebracht tot het begaan van de moord en hem opdracht gegeven het slachtoffer door het hoofd te schieten. De verdachte heeft daartoe in een bewuste en nauwe samenwerking met de medeverdachte voorbereidingen getroffen, waaronder het leveren van wapens en het verschaffen van inlichtingen, terwijl de verdachte en de medeverdachte kort na de moord samen zijn gevlucht, mede in een daartoe gestolen auto, waarna de verdachte aan zijn medeverdachte de opdracht heeft gegeven sporen te vernietigen (bewijsmiddelen 1.4 tot en met 1.7). Ook de omstandigheid dat de verdachte € 30.000,- voor de moord zou ontvangen, waarvan de medeverdachte [betrokkene 1] € 15.000,- in het vooruitzicht is gesteld, impliceert dat de rol van de verdachte verre van ondergeschikt aan die van [betrokkene 1] is geweest (bewijsmiddel 1.4).10 Het hof heeft aldus uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat het gewicht van de intellectuele en materiële bijdrage van de verdachte aan het misdrijf een veroordeling wegens medeplegen rechtvaardigt.

26. Tegen de achtergrond van de uit de bewijsvoering volgende intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding en de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, getuigt het oordeel van het hof dat de verdachte als medepleger van de moord kan worden aangemerkt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk, terwijl het toereikend is gemotiveerd.11

27. Het middel faalt.

28. Het vierde middel klaagt over het onder 2 bewezen verklaarde medeplegen (‘tezamen en in vereniging met een ander’).

29. Het hof heeft onder 2 bewezen verklaard hetgeen onder 6 van deze conclusie is weergegeven. De verdachte heeft zich naar het oordeel van het hof schuldig gemaakt aan het medeplegen van de diefstal van een auto van het merk Chrysler, toebehorende aan [betrokkene 2] of [A] . De steller van het middel betoogt dat uit de bewijsmiddelen naar voren komt dat de verdachte zelf geen uitvoeringshandelingen heeft verricht en dat zijn bijdrage aan het delict van onvoldoende gewicht is geweest om van medeplegen te kunnen spreken.

30. Verwezen kan worden naar hetgeen bij de bespreking van het derde middel is voorop gesteld. Uit de bewijsvoering volgt dat de medeverdachte [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij de Chrysler Voyager op aanwijzingen van de verdachte heeft weggenomen (bewijsmiddel 14.4, in samenhang met de bewijsoverweging ten aanzien van feit 2). De verdachte had in Wezep een auto zien staan waarvan de sleutels in de auto zaten. Voorts was de medeverdachte op 3 juli 2012 met de verdachte in Wezep geweest, bij [A] , waar de verdachte die dag al eerder was geweest (bewijsmiddel 1.4). De verdachte had de medeverdachte opdracht gegeven na de diefstal van de auto op de verdachte te wachten bij een benzinepomp. De verdachte kwam daar met een Volvo aanrijden (bewijsmiddel 1.7). Uit de printgegevens van het nummer van de telefoon die bij de verdachte in gebruik was, volgt dat op 3 juli 2012 om 16.43 uur een mast te Wezep wordt aangestraald, in de nabijheid van het autobedrijf van [A] (bewijsmiddelen 1.15 en 1.22). Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat het de verdachte is geweest die de auto (mede) heeft weggereden. Het hof heeft vastgesteld dat de medeverdachte [betrokkene 1] de auto op aanwijzingen van de verdachte heeft weggenomen. De vraag rijst of zulks toereikend is voor het bewijs van medeplegen van de diefstal.

31. Bij de beantwoording van de voorliggende vraag moet worden bedacht dat het verschaffen van inlichtingen ten aanzien van een te stelen auto een gedraging betreft die met medeplichtigheid in verband pleegt te worden gebracht.12 Naar mijn mening kan de vraag naar de bijdrage van de verdachte aan de diefstal echter niet geïsoleerd worden beantwoord, maar moet deze in onderlinge samenhang worden bezien met de onder 1 bewezen verklaarde moord op [slachtoffer] .13 Uit de bewijsvoering ten aanzien van de beide feiten, in onderlinge samenhang bezien, wordt immers duidelijk dat de diefstal van de auto niet op zichzelf stond, maar onderdeel vormde van de voorbereiding van de moord op [slachtoffer] . De auto was bestemd gebruikt te worden voor - de vlucht na - de liquidatie van [slachtoffer] en is daarvoor ook daadwerkelijk gebruikt (bewijsmiddel 1.4). Er was tevoren afgesproken dat de auto na de moord in brand moest worden gestoken (bewijsmiddel 1.7). Bij de bespreking van het derde middel kwam naar voren dat uit de bewijsvoering volgt dat het plan voor de moord afkomstig was van de verdachte en dat ook in het kader van de voorbereiding sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte. Het hof heeft voorts overwogen dat alle voorbereidende en uitvoerende handelingen waren gericht op de dood van [slachtoffer] . Daartoe rekende het hof ook het stelen van de auto.14 In de bewijsvoering ligt besloten dat de verdachte een initiërende en regisserende rol heeft vervuld in het kader van de voorbereidingen van de moord, waaronder het stelen van de auto. In dat perspectief past ook dat de medeverdachte [betrokkene 1] van de verdachte na het stelen van de auto op hem bij een benzinepomp moest wachten en dat de verdachte het idee had dat er moest worden getankt, zodat de auto in brand zou kunnen worden gestoken. De jerrycan waarmee de auto in brand is gestoken, heeft de verdachte gekocht (bewijsmiddelen 1.6 en 1.7).

32. Aldus kan uit de bewijsvoering worden afgeleid dat het stelen van de auto onderdeel is geweest van de “klus” die de verdachte aan de medeverdachte [betrokkene 1] gevraagd heeft te doen (bewijsmiddelen 1.4 en 1.5). In dat licht bezien is de rol van de verdachte bepaald niet beperkt geweest tot het geven van inlichtingen of het aanwijzen van de te stelen auto. Ik begrijp de term ‘aanwijzingen’ in de bewijsoverweging ten aanzien van feit 2 aldus, dat het hof daarmee tot uitdrukking heeft willen brengen dat de verdachte ook bij het stelen van de auto een cruciale rol heeft gespeeld, zowel in het kader van de voorbereiding als bij het vervolg, en zijn medeverdachte in dat verband heeft geïnstrueerd. Daaruit kon het hof afleiden dat de intellectuele en materiële bijdrage aan de diefstal een veroordeling wegens medeplegen rechtvaardigt. Gelet op de mede in verband met feit 1 uit de bewijsvoering volgende rol van de verdachte, de intensiteit van de samenwerking met zijn medeverdachte en de rol van de verdachte bij de voorbereiding en de afhandeling van het delict, getuigt het oordeel van het hof dat de verdachte als medepleger van de diefstal kan worden aangemerkt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk, terwijl het toereikend is gemotiveerd.

33. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

34. Het vijfde middel behelst de klacht dat het hof in strijd met het bepaalde in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de betrouwbaarheid van de verklaringen van de medeverdachte [betrokkene 1] .

35. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 juni 2014 blijkt dat de raadsman van de verdachte het woord heeft gevoerd overeenkomstig zijn pleitnota. De pleitnota bevat een tot vrijspraak strekkend verweer. Daarin komen ook aspecten aan bod die raken aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de medeverdachte [betrokkene 1] .

36. Voor zover het middel tot uitgangspunt neemt dat het hof ongemotiveerd aan dit verweer voorbij is gegaan, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en faalt het derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag. In de onder 8 van deze conclusie geciteerde overwegingen heeft het hof, onder de aanhef “verweer raadsman”, immers uitvoerig gemotiveerd waarom het hof de verklaringen van [betrokkene 1] betrouwbaar acht en waarom het geen aanknopingspunten ziet voor de suggestie van de raadsman van de verdachte dat [betrokkene 1] een motief zou hebben om de verdachte ten onrechte te belasten.

37. Het oordeel ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [betrokkene 1] acht ik voorts niet onbegrijpelijk. Daarbij stel ik voorop dat de selectie en waardering van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter.15 Voorts kan het volgende worden opgemerkt. De raadsman heeft gesuggereerd dat de medeverdachte [betrokkene 1] bang was voor zijn opdrachtgevers en dat hij daarom de verdachte als initiator had aangewezen. Het hof heeft uitvoerig gemotiveerd welke rol de verdachte bij de moord heeft vervuld. Daarbij kon het de vraag of de verdachte op zijn beurt door één of meer anderen ertoe is aangezet deze rol te vervullen in het midden laten.16 Die eventuele omstandigheid doet immers aan het ten laste van de verdachte bewezen verklaarde niet af. Ten slotte merk ik op dat de motiveringsverplichting van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv niet zo ver gaat dat bij de niet-aanvaarding van een ‘uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’ op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.17

38. Het middel faalt.

39. Het zesde middel bevat de klacht dat het hof een verweer, waarin werd onderbouwd dat de medeverdachte [betrokkene 1] de feiten met iemand anders dan de verdachte heeft begaan, onbesproken heeft gelaten dan wel heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen. Volgens de steller van het middel heeft het hof de reële mogelijkheid open gelaten dat [betrokkene 1] heeft gelogen over de identiteit van de persoon met wie hij heeft samengewerkt.

40. Het middel faalt op de gronden die bij de bespreking van het vijfde middel zijn weergegeven. Het hof heeft zijn oordeel dat het de suggestie die door de verdediging is gedaan onaannemelijk acht met redenen omkleed. Het heeft voorts zijn oordeel dat de verklaring van [betrokkene 1] dat het de verdachte is die bij de moord op [slachtoffer] is betrokken, bevestiging vindt in het overige bewijsmateriaal, uitvoerig gemotiveerd. Daarbij heeft het hof ook de verklaring van de getuige [betrokkene 8] kunnen betrekken, die op 10 juli 2012 kort na 7.00 uur twee mannen in een donkerkleurige Volvo heeft gezien (bewijsmiddel 1.11). Eén van de mannen - met een tatoeage in zijn nek, een kenmerk van de medeverdachte [betrokkene 1] - stapte naar zijn zeggen uit de auto en liep naar een andere Volvo. Beide Volvo’s reden vervolgens weg. De getuige kon weinig over de andere persoon in de auto verklaren en wat hij daarover heeft gezegd, heeft het hof voor het bewijs terzijde gesteld. Gelet op de vrijheid van de feitenrechter in het kader van de selectie en waardering van het bewijsmateriaal, stond dat het hof vrij. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.18

41. Het middel faalt.

42. Het zevende middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

43. De verdachte, die zich zowel ten tijde van het instellen van het cassatieberoep als ten tijde van de betekening van de aanzegging in cassatie in voorlopige hechtenis bevond, heeft op 2 juli 2014 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 29 mei 2015 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendingstermijn van zes maanden is overschreden. Voorts zal de Hoge Raad uitspraak doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM inderdaad is overschreden. Het middel is terecht voorgesteld. Dat moet leiden tot strafvermindering.

44. Het eerste tot en met het zesde middel falen. Behoudens het vierde middel, kunnen deze middelen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Het zevende middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

45. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van de hoogte daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. onder meer HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515 m.nt. Borgers en HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2483.

2 Zie nader M.J. Borgers, De toepassing van de bewijsminimumregel, DD 2012/82.

3 Vgl. ook de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voorafgaand aan HR 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:2364 en de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter voorafgaand aan HR 12 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1763. In beide zaken verwierp de Hoge Raad het beroep in cassatie met toepassing van art. 81 RO.

4 HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ6144, NJ 2012/252 m.nt. Schalken.

5 Bewijsmiddelen 1.16 en 1.18, die onder 7 niet zijn weergegeven. In de onder 8 geciteerde overwegingen gaat het hof wel op de inhoud van deze bewijsmiddelen in.

6 Daarbij merk ik, in reactie op het in de toelichting op het middel gestelde, nog op dat ik geen grond zie de Hoge Raad in overweging te geven een andere koers in te slaan ten aanzien van de bewijskracht van verklaringen van medeverdachten in niet gevoegde zaken.

7 HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis.

8 Vgl. ook HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2860.

9 Vgl. HR 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1307, NJ 2014/511 m.nt. Mevis en HR 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:928, NJ 2015/393 m.nt. Mevis en HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637, NJ 2015/391 m.nt. Mevis.

10 De inhoud van bewijsmiddel 1.4 zou de suggestie kunnen wekken dat het bedrag dat de medeverdachte ontving niet in mindering is gebracht op het bedrag van € 30.000,- dat de verdachte zelf zou ontvangen. In de verwante ontnemingszaak heeft het hof echter op basis van een verklaring van [betrokkene 1] aangenomen dat de verdachte zelf € 15.000,- aan voordeel uit de moord heeft ontvangen en [betrokkene 1] € 15.000 met aftrek van de kosten (bewijsmiddel 1.5). Vgl. voor de rol die de hoogte van de geldelijke vergoeding kan spelen bij de beantwoording van de vraag of de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2015:244) onder 16 (slot) voorafgaand aan HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:708 (middel 2; de Hoge Raad heeft dit middel onbesproken gelaten, omdat de uitspraak van het hof reeds op een andere grond is vernietigd).

11 Zie in dit verband ook HR 8 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3494 (art. 81 RO) en in het bijzonder de voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Knigge (ECLI:NL:PHR:2015:2363).

12 Vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis, HR 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3317 en mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2015:244) voorafgaand aan HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:708 (middel 2; de Hoge Raad heeft dit middel onbesproken gelaten, omdat de uitspraak van het hof reeds op een andere grond werd vernietigd).

13 Zie HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1964, NJ 2014/514, rov. 2 en HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1966, rov. 2. In deze “Nijmeegse scooterzaken” heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in het geval het verweten medeplegen van een met de vlucht verband houdend misdrijf is voorafgegaan door het mogelijk daarmee samenhangende medeplegen van een ander strafbaar feit, geenszins is uitgesloten dat de voor het medeplegen van dat misdrijf relevante samenwerking reeds vóórdien is ontstaan. Vgl. HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2855, NJ 2014/450 (middel 2, art. 81 RO): In deze “Zaanse Schans zaak” kon uit de nauwe en bewuste samenwerking tijdens de gewapende overval op een juwelier en de wijze waarop de verdachte en zijn medeverdachten gezamenlijk zijn gevlucht, met toepassing van geweld en inbreuken op de eigendomsrechten van omstanders, worden afgeleid dat ook wat betreft de tijdens die vlucht door hen gepleegde bedreigingen kon worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten. Vgl. voorts HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637 (middel 2, art. 81 RO): In deze andere “Zaanse Schans zaak” kon de omstandigheid dat de verdachte in het kader van een gewapende overval op een juwelier met drie medeverdachten had samengewerkt, worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of de verdachte zich tevens schuldig had gemaakt aan opzetheling van de beoogde vluchtauto bij die overval.

14 Zie de bewijsoverweging na de aanhef “verweer raadsman”, zoals hiervoor onder 8 geciteerd.

15 Zie recent: HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2842, NJ 2015/418, rov. 4.2.1.

16 Daarbij wijs ik erop dat het hof wel tot het bewijs heeft gebezigd de verklaring van de getuige [betrokkene 1] , voor zover inhoudende dat de verdachte € 30.000,- voor de moord zou ontvangen en [betrokkene 1] € 15.000,-. Die verklaring duidt inderdaad op de betrokkenheid van (een) derde(n), maar doet aan het ten laste van de verdachte bewezen verklaarde niet af.

17 Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.4 onder d.

18 Vgl. HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359, NJ 2010/314 m.nt. Buruma, rov. 2.5.