Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2590

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-10-2015
Datum publicatie
30-03-2016
Zaaknummer
14/06384
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:529, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht mensenhandel. Art. 273f Sr. De HR merkt op dat de opvatting dat van mensenhandel slechts sprake kan zijn als de bewezenverklaarde gedragingen een schending van art. 4 EVRM opleveren geen steun vindt in het recht. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/06384

Mr. Harteveld

Zitting 13 oktober 2015

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 4 december 2014 verdachte ter zake van “mensenhandel, meermalen gepleegd”, “mensenhandel” en “mensenhandel en poging tot mensenhandel”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met een bijzondere voorwaarde. Het Hof heeft de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 8] gedeeltelijk toegewezen en heeft de benadeelde partij [betrokkene 1] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. I. van Straalen, advocaat te Den Haag, heeft bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld. De middelen zien op de onder parketnummer 05-860748-13 tenlastegelegde feiten.

3.1. Ten laste van verdachte is – in zoverre – bewezen verklaard dat:

“Feit 1

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2011 tot en met 1 oktober 2011 in de in Nederland, een ander, genaamd [betrokkene 8],

(lid 1, onder 1)

door dreiging met geweld en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft vervoerd met het oogmerk van uitbuiting van [betrokkene 8],

en

(lid 1, onder 4°)

(telkens) met één of meerdere van de onder 1° van dit artikel genoemde middelen, te weten door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie, [betrokkene 8], heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten mede bestaande uit seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling dan wel onder de onder 1 ° van dit artikel genoemde omstandigheden, te weten door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden, dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan hij, verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [betrokkene 8] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten,

en

(lid 1, onder 6)

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting (in de prostitutie) van [betrokkene 8],

en

(lid 1, onder 9)

(telkens) een ander, genaamd [betrokkene 8], door dreiging met geweld en/of één of meer andere feitelijkhe(i)d(en), door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie [betrokkene 8], heeft gedwongen dan wel bewogen, verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handeling(en) met of voor een derde,

immers heeft hij, verdachte, (telkens):

- tegen [betrokkene 8] verteld dat hij, verdachte, haar geweldig vond, en dat ze samen een mooie toekomst zouden hebben en/of dat hij, verdachte, voor haar zou zorgen en/of [betrokkene 8] "gouden bergen beloofd" en

- (telkens) aan [betrokkene 8] geld te leen gevraagd en/of (telkens) [betrokkene 8] beloofd het geleende geld terug te betalen en

- [betrokkene 8] bewogen/gedwongen om één of meerdere telefoonabonnement(en) op afbetaling/krediet en/of haar naam af te sluiten

- [betrokkene 8] bewogen/gedwongen om seksadvertenties (en seksueel/erotische getinte foto's van [betrokkene 8]) op internet (seksadvertenties.nl) te plaatsen en

- [betrokkene 8] werkinstructies gegeven en/of medegedeeld welke prijzen zij voor prostitutiewerkzaamheden moest vragen en

- (nadat [betrokkene 8] afspraken had afgewimpeld) dreigend tegen [betrokkene 8] gezegd dat hij de mensen die nog geld van hem zouden krijgen op haar af zou sturen en/of zijn foute vrienden op haar af zou sturen (de verhalen die ze had gehoord over vrienden die allemaal al in de gevangenis hadden gezeten voor drugs of voor wapenhandel) en

- [betrokkene 8] naar een klant in Groenlo gebracht en/of weer opgehaald en [betrokkene 8] verteld wat ze aan moest trekken (een strak jurkje zonder ondergoed) en

- het door [betrokkene 8] verdiende geld afgepakt/afgenomen en

- [betrokkene 8] één auto op afbetaling/krediet laten kopen en heeft hij, verdachte, die auto (weer) doorverkocht en

- [betrokkene 8] bewogen om een laptop (Acer) op afbetaling en/of op naam te kopen

- door welke feiten en omstandigheden voor voornoemde [betrokkene 8] een (afhankelijkheids) situatie is ontstaan waaraan zij zich niet heeft kunnen onttrekken en/of ten gevolge waarvan zij geen weerstand aan verdachte heeft kunnen bieden en

- terwijl [betrokkene 8] rekeningen van de telefoonmaatschappij(en) heeft ontvangen en/of schrijven(s) van incassobureau('s) en/of aanmaningen heeft ontvangen en

- aldus en/of op enigerlei (andere) wijze in de communicatieve en/of feitelijke omgang met [betrokkene 8] een situatie gecreëerd en/of in stand gehouden, waarin verdachte door de feitelijke omstandigheden een overwicht verkreeg over [betrokkene 8] en/of misbruik heeft/hebben gemaakt van het uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht dat verdachte over [betrokkene 8] had.

Feit 2

hij op (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2011 tot en met 1 november 2011 in Nederland een ander, genaamd [betrokkene 1],

(lid 1, onder 1)

(telkens) door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft vervoerd en/of overgebracht met het oogmerk van uitbuiting van [betrokkene 1],

immers heeft/hebben hij, verdachte (telkens):

- terwijl [betrokkene 1] hoge schulden had

- (nadat [betrokkene 1] brieven van schuldeisers kreeg en/of toen tegen verdachte had gezegd dat ze aan geld moest komen en dat het haar niet uitmaakte hoe ze dit kon verdienen, al moest ze in de prostitutie werken) [betrokkene 1] aangeboden om haar te helpen met het werken in de prostitutie en

- [betrokkene 1] voorgesteld om naar Arnhem te komen om daar wat foto’s voor een site te maken en

- [betrokkene 1] voorgesteld aan een ander/persoon die haar zou helpen en/of wegwijs zou maken en/of begeleiden in de prostitutie en

- met [betrokkene 1] besproken/afgesproken dat het met prostitutiewerkzaamheden verdiende geld zou worden verdeeld in vieren en/of dat een oom haar zou rijden om bescherming te bieden.

Feit 3

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2011 tot en met 31 december 2011 in Nederland, een ander, genaamd [betrokkene 9],

(lid 1, onder 1)

door misleiding dan wel door misbruik van een kwetsbare positie, heeft geworven en vervoerd met het oogmerk van uitbuiting van [betrokkene 9],

immers heeft hij, verdachte (telkens):

- meermalen, althans één maal met [betrokkene 9] contact gezocht via de Black Berry "ping" (pingfriends.nl) en

- op 5 december 2011 met [betrokkene 9] een afspraak gemaakt om haar te ontmoeten in Zutphen en

- (terwijl [betrokkene 9] verliefd was (geworden) op verdachte) en er een aanzienlijk leeftijdsverschil tussen verdachte en [betrokkene 9] bestond en

- [betrokkene 9] gevraagd en/of bewogen om een telefoonabonnement voor hem op haar naam af te sluiten en/of tegen [betrokkene 9] gezegd dat het een kwartier later veranderd kon worden naar zijn, verdachtes, rekeningnummer en adres en/of tegen [betrokkene 9] gezegd dat ze hem moest/kon vertrouwen en/of dat zij dan ook te vertrouwen was en/of dat hij, verdachte, het heel erg nodig had, maar dat het niet op zijn naam kon, omdat hij schulden had en/of

- tegen [betrokkene 9] gezegd dat wanneer ze het zal doen, hij, verdachte, een sleutel van zijn woning zou namaken en haar zal laten zien waar hij woonde en/of dat hij, verdachte, haar echt leuk vond en/of dat hij geen geintjes met haar zou uithalen en/of tegen [betrokkene 9] gezegd "nu weet ik dat je voor me wil gaan" en

- die telefoon in zijn bezit genomen/gehouden en

- tegen [betrokkene 9] gezegd dat [betrokkene 10] en [betrokkene 2] voor hem en/of een neef in de prostitutie werkten en dat ze het vrijwillig deden en dat er altijd iemand ter bescherming meeging en/of dat ze zelf alles mochten bepalen en

- [betrokkene 10] en [betrokkene 2] aan haar, [betrokkene 9], laten vertellen over hun (zogenaamde) prostitutiewerkzaamheden en hen daarbij een positief beeld over het prostitutiewerk laten schetsen (terwijl [betrokkene 10] en [betrokkene 2] niet in de prostitutie werkzaam waren) en

- tegen [betrokkene 9] gezegd dat als ze zou willen ze die avond nog kon beginnen en

- tegen [betrokkene 9] gezegd dat ze heel veel geld kunnen maken door een auto op haar naam te zetten en/of (toen [betrokkene 9] zei dat ze daar eigenlijk niet zoveel zin in had) en/of (vervolgens) kwaad tegen [betrokkene 9] gezegd dat ze hem moest helpen en dat ze dingen voor hem moest doen en

- op 7 december 2011 [betrokkene 9] vervoerd met een auto en/of met [betrokkene 9] naar een of meerdere telefoonwinkels in Deventer gereden/gegaan en [betrokkene 9] bewogen om meerdere telefoonabonnementen op haar naam af te sluiten en

- [betrokkene 9] gedwongen (je moet hem bellen en je moet je gegevens doorgeven) en/of bewogen om telefonisch haar persoonsgegevens/bankrekeningnummer door te geven aan een garagehouder opdat ze een soort lening kon krijgen om een auto te kopen op afbetaling en

- de (eigen) mobiele telefoon van [betrokkene 9] verpand en

- op 8 december 2011 [betrokkene 9] vervoerd met een auto naar een autobedrijf/garage in Elburg en

- op 14 december 2011 [betrokkene 9] bewogen om 0,01 cent te pinnen voor een televisie en/of telefoon op afbetaling en/of bestelling en/of (vervolgens) [betrokkene 9] bewogen om naar het pandjeshuis in Arnhem te gaan om de televisie te verpanden omdat verdachte geld nodig had

- door welke feiten en omstandigheden voor voornoemde [betrokkene 9] een (afhankelijkheids) situatie is ontstaan waaraan zij zich niet heeft kunnen onttrekken en/of ten gevolge waarvan zij geen weerstand aan verdachte heeft kunnen bieden.“

3.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die in het bestreden arrest zijn weergegeven.

3.3.

Het Hof heeft voorts onder “Oordeel hof” in zijn arrest – voor zover voor de beoordeling van de middelen relevant en met weglating van voetnoten – het volgende overwogen:

Reikwijdte artikel 273f lid 1 onder 4 Wetboek van Strafrecht mede in verband met het laten afsluiten van telefoonabonnementen

Het hof gaat ervan uit dat, waar aan verdachte ten laste is gelegd het strafbare feit van artikel 273f lid 1 onder 4 Wetboek van Strafrecht, aan de termen in de tenlastelegging dezelfde betekenis toekomst als in de delictsomschrijving.

Artikel 273f lid 1 Wetboek van Strafrecht luidt, voor zover van belang, als volgt:

Als schuldig aan mensenhandel wordt met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie gestraft:

4°. degene die een ander met een van de onder 1° genoemde middelen dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar te stellen dan wel onder de onder 1° genoemde omstandigheden enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar stelt.

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat deze deel uitmaakt van de wetgeving die strekt tot uitvoering van een aantal internationale instrumenten die ertoe strekken uitbuiting te voorkomen en strafbaar te stellen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever aan artikel 273f Wetboek van Strafrecht, in het bijzonder het bepaalde onder ten vierde, een ruimere strekking heeft willen geven.Dat heeft tot gevolg dat de delictsomschrijving en - nu in de tenlastelegging dezelfde woorden zijn gebezigd - de tenlastelegging aldus dienen te worden gelezen dat “uitbuiting” daarvan deel uitmaakt, in die zin dat aan de in de delictsomschrijving (en in de tenlastelegging) voorkomende termen, ‘het verrichten van arbeid of diensten’ een zodanige uitleg wordt gegeven dat het gaat om arbeid en/of diensten die vanwege hun aard (zoals prostitutiewerkzaamheden) en/of omstandigheden waaronder die werkzaamheden worden verricht (bijvoorbeeld geen betaling, lange werkdagen etc.) - in combinatie met een in artikel 273f lid 1 onder 1 genoemd middel - een situatie van uitbuiting opleveren. Naar het oordeel van het hof ligt het - nu de kern van artikel 273f lid 1 onder 4 de strafbaarstelling van uitbuiting betreft - meer voor de hand om het vereiste van uitbuiting aan te merken als impliciet bestanddeel en ligt het minder voor de hand om dit aan te merken als voorwaarde voor kwalificatie.

In zijn arrest van 27 oktober 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI7099) heeft de Hoge Raad als volgt overwogen:

“Het in art. 273a, eerste lid, (oud) Sr voorkomende bestanddeel (oogmerk van) uitbuiting is in de wet niet gedefinieerd, anders dan door de opsomming in het tweede lid van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder gedwongen of verplichte arbeid of diensten. Blijkens de (...) memorie van toelichting doelt deze bepaling op een verscheidenheid aan moderne vormen van slavernij, waarbij als voorbeeld wordt genoemd een extreem lange werkweek tegen onevenredig lage betaling onder slechte werkomstandigheden. De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van 'uitbuiting' in de zin van de onderhavige bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt in een geval als het onderhavige onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. (...)”.

Uit het voorgaande vloeit voort dat een gedraging als het “afsluiten van een telefoonabonnement” niet zonder meer is aan te merken als arbeid of een dienst tot het verrichten waarvan iemand wordt gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen. Voor bewezenverklaring is vereist dat op grond van de omstandigheden van het geval uitbuiting komt vast te staan, waarbij onder meer betekenis toekomt aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald en dat bij de weging van deze en andere relevante factoren de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader dienen te worden gehanteerd. Het hof zal deze vraag voor elk tenlastegelegd feit afzonderlijk dienen te beantwoorden.

[betrokkene 8] (feit 1, 05-860748-13)

Uit de verklaring van zowel [betrokkene 8] als verdachte volgt dat verdachte een relatie met [betrokkene 8] onderhield met als doel financieel van [betrokkene 8] te profiteren. Verdachte profiteerde van [betrokkene 8] door haar goederen aan hem te laten leveren, die verdachte vervolgens verkocht. De goederen betroffen telefoons, een auto en een laptop. Daarnaast kreeg verdachte de beschikking over het geld dat [betrokkene 8] had verdiend met haar prostitutiewerkzaamheden.

[betrokkene 8] heeft verschillende redenen genoemd waarom het mogelijk was dat verdachte van haar kon profiteren. In de eerste plaats was verdachte soms lief en zorgzaam en beloofde hij haar een mooie toekomst met hem. [betrokkene 8] wilde graag een relatie. In de tweede plaats werd zij bedreigd door verdachte. Hij dreigde zijn verkeerde vrienden op haar af te sturen en ook stuurde hij haar een keer een foto met daarop een vuurwapen. Dit, in combinatie met het feit dat verdachte heel boos op haar kon worden als aangeefster niet deed wat hij wilde, maakte haar bang. Ten derde was het zo dat aangeefster het contact met verdachte wilde behouden omdat ze hoopte ooit het geld terug te krijgen dat hij haar verschuldigd was.

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte van aangeefster kunnen profiteren omdat sprake was van een (combinatie van) dreiging met geweld, misleiding (namelijk de belofte om het geld terug te betalen en het beloven van een mooie gezamenlijke toekomst), misbruik van een kwetsbare positie waarin [betrokkene 8] ten opzichte van verdachte was komen te verkeren (waarbij het ging om de hoop van [betrokkene 8] op een gezamenlijke toekomst en vervolgens de hoop op het geld dat verdachte haar schuldig was terug te krijgen) en het overwicht dat verdachte op aangeefster had (onder meer door haar te intimideren).

Aangeefster heeft verklaard dat zij twee keer voor een escort naar Groenlo is geweest. Zij heeft verklaard dat de enige reden dat zij dit deed de geldbehoefte van verdachte was. Het contact met de klant werd gelegd, nadat verdachte boos was geworden toen hij er achter kwam dat [betrokkene 8] contact met klanten (die reageerden op de advertentie) afwimpelde. Het hof acht (ook) dit onderdeel van de verklaring van [betrokkene 8] betrouwbaar, mede nu dit onderdeel (enige) steun vindt in ander bewijsmateriaal. Verdachte heeft immers verklaard dat hij de relatie met aangeefster onderhield in verband met zijn behoefte aan geld voor zijn drugsverslaving, hij in die tijd (als gevolg van zijn drugsgebruik) niet zijn agressie kon bedwingen en hij financieel profijt had van de prostitutiewerkzaamheden van aangeefster. Verder heeft [betrokkene 3] verklaard dat hij van [betrokkene 8] hoorde, toen zij naar de klant werd gebracht, dat ze het met tegenzin deed.

[betrokkene 8] heeft verder verklaard dat zij al het geld dat ze met haar prostitutiewerkzaamheden (op de fooi na) aan verdachte heeft afgestaan. Hoewel verdachte heeft verklaard dat hij ‘slechts’ de helft kreeg, gaat het hof uit van de verklaring van [betrokkene 8] mede gelet op het feit dat die past in het patroon van de financiële uitbuiting van [betrokkene 8] zoals die plaats vond gedurende de relatie die verdachte met [betrokkene 8] had.

De wijze waarop aangeefster werd bewogen door verdachte de prostitutiewerkzaamheden te verrichten, valt onder het bereik van artikel 273f lid 1 onder 4 Wetboek van Strafrecht. Het afstaan door aangeefster van het met de prostitutiewerkzaamheden verdiende geld, valt onder het bereik van artikel 273f lid 1 onder 6 en 9 Wetboek van Strafrecht. Nu verdachte haar onder de hierboven genoemde omstandigheden en voor zijn financieel profijt heeft gebracht naar de klant, is ook sprake van overtreding van artikel 273f lid 1 onder 1 Wetboek van Strafrecht.

Nu door de prostitutiewerkzaamheden reeds sprake was een uitbuitingssituatie als bedoeld in artikel 273f lid 1 onder 4 Wetboek van Strafrecht, acht het hof eveneens bewezen dat die uitbuitingssituatie niet alleen de prostitutiewerkzaamheden omvatte, maar ook de andere werkzaamheden (diensten) [betrokkene 8] ten behoeve van verdachte verrichtte en waarbij het weliswaar niet ging om inbreuken op haar lichamelijke integriteit, maar waarbij zij wel door verdachte financieel werd kaal geplukt. Deze diensten betroffen de aankoop en/of het leveren van goederen (namelijk een auto, een laptop en telefoons) door [betrokkene 8] aan verdachte.

[betrokkene 1] (feit 2, 05-860748-13)

[betrokkene 1] wilde geld verdienen om haar schulden af te lossen. Ze wilde om die reden wel in de prostitutie werken en verdachte heeft aangeboden haar daarbij te helpen. Verdachte heeft haar naar Arnhem gebracht om daar foto’s van haar te maken. Ook heeft hij haar naar een kennis in Twello gebracht. Deze kennis zou [betrokkene 1] wegwijs maken in de prostitutie. Het was de bedoeling van verdachte dat [betrokkene 1] slechts een vierde deel van haar verdiensten mocht behouden. De rest zou naar de verdachte en nog twee andere mannen gaan. Een situatie waarin een prostituee (als gevolg van bijvoorbeeld misbruik van een kwetsbare positie en/of overwicht van de verdachte) slechts een kwart van haar verdiensten mag behouden, levert in de regel financiële uitbuiting op, zoals strafbaar is gesteld in artikel 273f lid onder 9 Wetboek van Strafrecht. Niet is gebleken van een bijzondere omstandigheid die maakt dat bovengenoemde verdeling geen situatie van uitbuiting zou opleveren.

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte zich daarom schuldig gemaakt aan het vervoeren van [betrokkene 1] met het oogmerk van uitbuiting. Hij heeft daarbij misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin [betrokkene 1] verkeerde en van het overwicht dat hij had op [betrokkene 1]. [betrokkene 1] zat in de schulden en wilde van alles doen om van die schulden af te komen, ook werk in de prostitutie. Zij heeft dit tegen verdachte gezegd en verdachte heeft haar toen aangeboden om haar te helpen bij het vinden van werk in de prostitutie. [betrokkene 1] voelde zich kennelijk afhankelijk van verdachte, omdat zij zijn hulp nodig meende te hebben bij het vinden van werk in de prostitutie. Onder die omstandigheden kon verdachte met haar afspreken dat zij slechts een kwart van haar verdiensten zou behouden.

[…]

[betrokkene 9] (feit 3, 05-860748-13)

Uit verschillende verklaringen volgt dat verdachte [betrokkene 9] zag als object om financieel kaal te plukken. Meteen al tijdens de eerste ontmoeting, wist verdachte [betrokkene 9] over te halen om een telefoonabonnement af te sluiten. Ook werd [betrokkene 9] voorgesteld aan [betrokkene 2] en [betrokkene 10]. Zij deden (op verzoek van verdachte) net alsof zij in de prostitutie werkzaam waren en vertelden [betrokkene 9] over de positieve kanten van het vak. Ook verdachte deed daaraan mee door te vertellen dat het geheel vrijwillig was en dat ze altijd beschermd werden. Lukte het de verdachte om [betrokkene 9] tijdens de eerste ontmoeting een telefoonabonnement te laten afsluiten, voor het [betrokkene 9] laten werken in de prostitutie meende hij kennelijk meer tijd en anderen nodig te hebben. Ook [betrokkene 8] werd ingeschakeld om [betrokkene 9] ontvankelijker te maken voor het prostitutiewerk. [betrokkene 9] heeft niet in de prostitutie gewerkt. Wel heeft verdachte nog getracht op naam van [betrokkene 9] een auto aan te schaffen en goederen op haar naam te laten bestellen. Ook heeft verdachte [betrokkene 9] tijdens de tweede ontmoeting telefoonabonnementen laten afsluiten en daarna voor de ontvangst van een televisie laten tekenen die op haar naam was besteld.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit de afgelegde verklaringen voldoende dat verdachte zoveel mogelijk wilde verdienen aan [betrokkene 9]; niet alleen door haar telefoonabonnementen te laten afsluiten en goederen te laten kopen, maar ook door haar in de prostitutie te laten werken. Verdachte heeft via de ‘ping’ contact gelegd met [betrokkene 9], die toen 19 jaar oud was. Verdachte heeft zich voorgedaan als iemand die geïnteresseerd was in een relatie en heeft tegen [betrokkene 9] gezegd dat hij haar knap vond, het wel zag zitten en dat hij 24 jaar oud was, terwijl hij toen in werkelijkheid 31 jaar oud was. Nadat [betrokkene 9] (door de valse voorstelling van zaken) geïnteresseerd was geraakt in verdachte, heeft verdachte een afspraak met haar gemaakt. Verdachte, die slechts het oog had op de financiële exploitatie van [betrokkene 9], heeft aldus bij haar een valse voorstelling van zaken gewekt en ingespeeld op de interesse [betrokkene 9] voor verdachte toonde. [betrokkene 9] heeft verklaard dat zij reeds tijdens de eerste ontmoeting verliefd op verdachte was. Door die valse voorstelling van zaken en/of verliefdheid is [betrokkene 9] op verzoek van verdachte naar Zutphen gereisd en kon verdachte beginnen met het financieel profiteren van [betrokkene 9]. Na die eerste ontmoeting heeft verdachte [betrokkene 9] naar andere plekken vervoerd om opnieuw aan haar te verdienen onder meer door haar telefoonabonnementen te laten afsluiten.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat verdachte [betrokkene 9] door misleiding en/of misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven en vervoerd met het oogmerk van uitbuiting van [betrokkene 9] en dat verdachte zich aldus schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 273f lid 1 onder 1 Wetboek van Strafrecht.

Het hof is niet van oordeel dat verdachte [betrokkene 9] daadwerkelijk heeft uitgebuit, zoals is strafbaar gesteld in artikel 273f lid onder 4 Wetboek van Strafrecht. [… Weliswaar heeft verdachte door misleiding en misbruik van een kwetsbare positie [betrokkene 9] weten over te halen om - verspreid over twee dagen - vier telefoonabonnementen af te sluiten en op een derde dag een tv - die op haar naam was besteld - in ontvangst te nemen, maar het gaat daarbij niet om werkzaamheden die qua aard, duur of andere aan dat werk gerelateerde omstandigheden een uitbuitingssituatie opleveren in de zin van artikel 273f lid 1 onder 4 Wetboek van Strafrecht.

[…]

Ten aanzien van de poging tot overtreding van artikel 273f lid 1 onder 4 Wetboek van Strafrecht, overweegt het hof dat gelet op de feitelijke uitwerking, het Openbaar Ministerie kennelijk ten laste heeft willen leggen dat verdachte gepoogd heeft [betrokkene 9] de prostitutie in te krijgen. Naar het oordeel van het hof is ten aanzien van het werken in de prostitutie nog geen sprake van een begin van uitvoering. Er is slechts met [betrokkene 9] gesproken over prostitutiewerkzaamheden, de activiteiten van verdachte waren nog niet zodanig dat gesproken kan worden van uitvoeringshandelingen.”

4.1.

Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde en richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de uitbuitingssituatie ten aanzien van aangeefster [betrokkene 8] niet alleen prostitutiewerkzaamheden omvatte, maar ook andere diensten die zij ten behoeve van verdachte verrichte.

4.2.

Anders dan de steller van het middel voorstaat, is dat oordeel van het Hof niet gestoeld op de enkele grond dat ten aanzien van aangeefster [betrokkene 8] reeds sprake was van seksuele uitbuiting. Waar het Hof onder verwijzing naar artikel 273f, eerste lid, onder 4, Sr rept van ‘die uitbuitingssituatie’ (p. 29 arrest, laatste alinea) doelt het Hof kennelijk op de in de voorafgaande alinea’s geschetste situatie. In zijn overwegingen heeft Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de combinatie en cumulatie van gebeurtenissen zoals die in de beschrijving van de feitelijke gang van zaken is weergegeven met zich brengt dat sprake is van uitbuiting. De bewuste overwegingen van het hof omvatten veel meer dan een vaststelling dat sprake is van seksuele uitbuiting, maar schetsen de gehele situatie waarbinnen (en de wijze waarop) verdachte aangeefster heeft bewogen om voor hem werkzaamheden te verrichten.

4.3. '

s Hofs oordeel dat de combinatie en cumulatie van de gebeurtenissen een zodanig ernstige inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van [betrokkene 8] opleveren dat sprake is van uitbuiting in de zin van art. 273f Sr, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.1

4.4.

Waar de steller van het middel betoogt dat het nastreven van dan wel hopen op een relatie en de hoop om eerder ontstane schulden alsnog afgelost te krijgen onvoldoende grond vormen voor het oordeel dat van een dergelijke situatie sprake is, geeft de steller van het middel de door het Hof gebezigde motivering onvolledig weer. Het Hof heeft immers niet slechts overwogen dat verdachte [betrokkene 8] een mooie toekomst met hem beloofde en dat [betrokkene 8] hoopte ooit het geld terug te krijgen dat verdachte haar verschuldigd was. De derde pijler van ’s Hofs motivering (ondubbelzinnig in een drieledige opsomming weergegeven) is gelegen in de vaststelling dat [betrokkene 8] door verdachte werd bedreigd en geïntimideerd.

4.5.

Ik ben dan ook van mening dat de door het Hof gebezigde bewijsmotivering, daar waar de steller van het middel onvolkomenheden meent te bespeuren, de toets der kritiek kan doorstaan, zodat het middel niet kan slagen.

4.6.

Het middel faalt.

5.1.

Het tweede middel komt op tegen de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde.

5.2.1.

Ten eerste is aan dit middel ten grondslag gelegd de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte aangeefster [betrokkene 1], zoals is bewezenverklaard, heeft ‘vervoerd en/of overgebracht’.

5.2.2.

Onderdeel van ’s Hofs bewijsvoering is, zoals de steller van het middel reeds opmerkt, dat [betrokkene 1] de politie heeft medegedeeld dat verdachte haar heeft meegenomen naar Twello en haar daar heeft voorgesteld aan een vriend van hem.

5.2.3.

Volgens de steller van het middel impliceert de term ‘meenemen’ echter niet zonder meer tevens ‘vervoeren’ of ‘overbrengen’. Iemand meenemen kan immers ook inhouden dat men gezamenlijk met een derde meerijdt, dat de meenemende persoon met de meegenomen persoon meerijdt of dat men gezamenlijk met het openbaar vervoer reist. Dat levert niet op het ‘vervoeren’ dan wel ‘overbrengen’ van die persoon, aldus de steller van het middel.

5.2.4.

Over de uitleg die aan de in art. 273f, eerste lid, onder 1, Sr omschreven handelingen moet worden gegeven laat Machielse zich in Noyon/Langemeijer & Remmelink als volgt uit:

“Werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en opnemen zullen moeten worden uitgelegd in overeenstemming met het gewone dagelijks spraakgebruik enerzijds, maar anderzijds zullen zij een inhoud moeten krijgen die in overeenstemming is met de wens om mensenhandel zo breed mogelijk te kunnen aanpakken. Met die strekking is het onverenigbaar om de genoemde woorden beperkt en enkel letterlijk uit te leggen.”2

5.2.5.

Dat verdachte aangeefster [betrokkene 1], zoals zij heeft verklaard, heeft ‘meegenomen’ naar Twello kan onder omstandigheden inhouden dat zij daarheen zijn gereisd in een vervoermiddel dat niet door verdachte werd bestuurd.3 Hetzelfde geldt echter voor de bewezenverklaarde handeling van verdachte, te weten dat hij [betrokkene 1] heeft ‘vervoerd en/of overgebracht’. De eis die de steller van het middel kennelijk stelt met betrekking tot bewezenverklaring van deze handelingen, namelijk dat de reis is gemaakt in een vervoermiddel dat verdachte zelf bestuurde, is een eis die het recht niet kent. Aan de termen ‘vervoeren’ en ‘overbrengen’ kan immers niet redelijkerwijs een zodanig enge uitleg worden gegeven dat het enkele feit dat bijvoorbeeld met het openbaar vervoer wordt gereisd zou betekenen dat van deze handelingen geen sprake is. Kortom: de precieze wijze waarop verdachte [betrokkene 1] heeft ‘vervoerd en/of overgebracht’ is met het oog op de bewezenverklaring van ondergeschikt belang. Deze klacht kan het middel dan ook niet tot steun dienen.

5.3.1.

Voorts is aan dit middel ten grondslag gelegd de klacht dat het bewezenverklaarde oogmerk van uitbuiting niet uit de bewijsmiddelen kan volgen.

5.3.2.

Deze deelklacht keert zich in het bijzonder tegen ’s Hofs oordeel dat het de bedoeling van verdachte was dat [betrokkene 1] slechts een vierde deel van haar verdiensten mocht behouden. In de toelichting op het middel wordt daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat uit de verklaring van aangeefster dat het met het prostitutiewerk verdiende geld in vieren zou worden verdeeld niet zonder meer volgt dat het zou gaan om vier gelijke delen, noch dat deze afspraak van verdachte afkomstig was. Evenmin volgt eruit dat reeds sprake was van een gemaakte afspraak of dat het bereiken van zo een afspraak tot het oogmerk van verdachte kan worden gerekend.

5.3.3.

Dat sprake was van een concrete afspraak over de verdeling van de inkomsten, waarbij [betrokkene 1] zelf slechts een vierde deel zelf zou behouden, heeft het Hof genoegzaam uit de verklaring van [betrokkene 1] kunnen afleiden, gezien haar gedetailleerde verklaring ten aanzien van de verdeling over vier personen.

Daarbij moet worden opgemerkt dat de vraag of ook reeds sprake was van een vaststaande afspraak, in die zin dat daaraan al enig gevolg was gegeven, niet ter zake doet, nu het voor het voor het vervullen van de delictsomschrijving niet nodig is dat het slachtoffer daadwerkelijk wordt uitgebuit.4

Ook het oordeel van het Hof dat het verdachte was die deze verdeling beoogde kan niet onbegrijpelijk worden genoemd, gelet op onder meer de woorden ‘naar zijn oom’ en ‘naar hem’ in de verklaring van [betrokkene 1], waar zij gelet op het daaraan voorafgaande niet op een ander dan verdachte kan hebben gedoeld.

Dat betekent dat ook deze deelklacht het middel niet tot steun kan dienen.

5.4.1.

Ten slotte is aan dit middel ten grondslag gelegd de klacht dat het Hof de bewezenverklaring ontoereikend heeft gemotiveerd, nu onvoldoende uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid dat sprake is geweest van ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of […] misbruik van een kwetsbare positie’.

5.4.2.

Het Hof heeft overwogen dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie waarin [betrokkene 1] verkeerde en van het overwicht dat hij had op [betrokkene 1].

Waar het Hof overweegt dat [betrokkene 1] in de schulden zat en van alles wilde doen om van die schulden af te komen, ook werk in de prostitutie en dat [betrokkene 1] zich kennelijk afhankelijk voelde van verdachte, omdat zij zijn hulp nodig meende te hebben bij het vinden van werk in de prostitutie, heeft het Hof kennelijk bedoeld dat hieruit een uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht van verdachte ten opzichte van [betrokkene 1] en/of een kwetsbare positie van [betrokkene 1] kan worden afgeleid.

5.4.3.

Blijkens de memorie van toelichting (MvT) bij de wijzigingswet van 1994, die zag op de toenmalige artikelen 250bis en 250ter Sr (seksuele uitbuiting/mensenhandel) – welke wetsgeschiedenis ook voor art. 273f Sr relevant kan worden geacht5 - wordt het element “misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht” verondersteld aanwezig te zijn indien een prostitué(e) in een situatie verkeert of komt te verkeren die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostitué(e) in Nederland pleegt te verkeren.6 Voorts blijkt uit dezelfde MvT7:

"De in dit verband verboden gedragingen, bestaande in het aanwenden van dwang door geweld of een andere feitelijkheid, het misbruik maken van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding, beïnvloeden de wil waaronder is begrepen de keuzemogelijkheid van het slachtoffer, in die zin dat zij leiden tot het ontbreken van vrijwilligheid waartoe ook behoort het ontbreken of de vermindering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken.”

De factoren die kunnen leiden tot tenminste de vermindering van de mogelijkheid een bewuste – vrijwillige – keuze te maken worden nader geëxpliciteerd in de memorie van antwoord:8

“Het woord 'uitbuitingssituatie' (...) wordt in de memorie van toelichting gebruikt ter verduidelijking van het begrip 'misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht' (...). In die memorie wordt gesteld dat van een zodanige uitbuitingssituatie sprake is indien de betrokkene in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostitué(e) in Nederland pleegt te verkeren.

Daarbij kan onder meer worden gedacht aan schulden, aangegaan om de reis naar Nederland te betalen. De afbetalingsverplichting kan van dien aard zijn dat de zich prostituerende gedwongen is zich te blijven prostitueren. Meer in het algemeen kan worden gesteld dat het niet kunnen beschikken over eigen financiële middelen als een uitbuitingssituatie moet worden aangemerkt.”

5.4.4.

In het licht van de aangehaalde wetsgeschiedenis lijkt mij het door het Hof bij zijn oordeel, dat sprake is van misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en een kwetsbare positie, toekennen van gewicht aan de financiële situatie van [betrokkene 1] niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting omtrent dat bestanddeel. Dat deze financiële situatie een relevante vermindering van de mogelijkheden inhield van [betrokkene 1] om een ‘bewuste” – beter gezegd vrijwillige - keuze te maken om zich al of niet te laten prostitueren heeft het Hof op niet onbegrijpelijke wijze kunnen afleiden uit haar verklaring, er op neer komende dat [betrokkene 1] in de schulden zat en van alles wilde doen om van die schulden af te komen, ook werk in de prostitutie.

5.4.5.

Het kennelijke oordeel van het Hof dat bij de vraag naar het misbruik van uit feitelijke omstandigheden overwicht en een kwetsbare positie situatie ook de gemaakte afspraak over de verdeling van het met de prostitutie te verdienen geld dient te worden betrokken lijkt mij evenmin onbegrijpelijk. Daarmee wordt het begrip ‘uitbuitingssituatie’ nader’ ingevuld. Het enkele feit dat iemand in een zakelijke relatie met een prostituee geld verdient aan haar werkzaamheden maakt naar het mij voorkomt nog niet dat gesproken kan worden van uitbuiting – dat kan passen in de bedrijfsvoering van de in de wetsgeschiedenis genoemde ‘mondige prostituee.’ Niettemin kan de mate waarin een ander meeprofiteert van de prostitutie wel een omslagpunt vormen. Over (economische) uitbuiting overwoog de Hoge Raad (HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, onder 2.6.1.):

“De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van 'uitbuiting' in de zin van de onderhavige bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt in een geval als het onderhavige onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd.”

Het oordeel van het Hof dat het feit dat een prostituee slechts een kwart van haar verdiensten mag behouden, in de regel financiële uitbuiting oplevert lijkt mij tegen de achtergrond van in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven niet onbegrijpelijk.

5.5.

Het middel faalt in alle onderdelen.

6.1.

Het derde middel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde. Blijkens de toelichting is aan dit middel ten grondslag gelegd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet een oogmerk volgt om een situatie in het leven te roepen die zou vallen onder het verbod van art. 4 EVRM en dat de bewezenverklaring ook overigens ontoereikend is gemotiveerd, nu onvoldoende uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid dat sprake is geweest van misleiding of misbruik van een kwetsbare positie.

6.2.

Allereerst is van belang hetgeen mijn ambtsgenoot Knigge in zijn conclusie voor het arrest van de Hoge Raad van 27 oktober 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI7099) heeft uiteengezet met betrekking tot de verhouding tussen art. 4 EVRM en uitbuiting in de zin van art. 273f Sr (in die zaak gold nog het oude art. 273a Sr):

“Schendingen van art. 4 EVRM vormen wel de kern van uitbuiting in arbeidssituaties, maar art. 4 EVRM begrenst de strafbaarstelling niet. Anders gezegd: als sprake is van "slavery", "servitude" of "forced or compulsory labour" in de zin van art. 4 EVRM is steeds sprake van uitbuiting in de zin van art. 273a (oud) Sr. Het omgekeerde is echter niet het geval: als geen sprake is van een schending van art. 4 EVRM, kan toch sprake zijn van arbeidsuitbuiting.”9

Dat verdachte niet het oogmerk heeft gehad een situatie in het leven te roepen die onder art. 4 EVRM zou vallen, betekent derhalve nog niet dat geen oogmerk op uitbuiting heeft bestaan, zodat het middel in zoverre niet kan slagen.

6.3.

Voorts moet worden vooropgesteld dat niet is bewezenverklaard dat verdachte [betrokkene 9] daadwerkelijk heeft uitgebuit. Sterker, het Hof overweegt expliciet zulks niet van oordeel te zijn. Dat de reeds door [betrokkene 9] ten faveure van verdachte verrichte diensten geen situatie opleveren waarbij fundamentele mensenrechten in het geding zijn, zoals de steller van het middel naar voren brengt, heeft het Hof derhalve niet miskend. Met betrekking tot de vrijspraak ten aanzien van art. 273f, eerste lid, onder 4, Sr, heeft het Hof immers overwogen dat het niet gaat om werkzaamheden die qua aard, duur of andere aan dat werk gerelateerde omstandigheden een uitbuitingssituatie opleveren in de zin van artikel 273f, eerste lid, onder 4, Sr.

Dat ten aanzien van eventueel door [betrokkene 9] te verrichten werkzaamheden als prostituee geen verdergaande afspraken waren gemaakt, bijvoorbeeld over opbrengstverdeling, heeft het Hof blijkens diens overweging die ten grondslag ligt aan de vrijspraak ten aanzien van poging tot overtreding van art. 273f, eerste lid, onder 4, Sr, eveneens uitdrukkelijk onderkend.

6.4.

Ten aanzien van verdachtes oogmerk heeft het Hof overwogen dat uit verschillende verklaringen volgt dat verdachte [betrokkene 9] zag als object om financieel kaal te plukken en dat naar het oordeel van het Hof uit de afgelegde verklaringen voldoende blijkt dat verdachte zoveel mogelijk wilde verdienen aan [betrokkene 9].

Gelet op hetgeen het Hof heeft overwogen omtrent de positie van verdachte ten opzichte van [betrokkene 9] en de overigens vastgestelde feitelijke gang van zaken, acht ik 's Hofs oordeel omtrent verdachtes oogmerk niet onbegrijpelijk. Ook geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

6.5.

Blijkens de al eerder aangehaalde memorie van toelichting bij de wijzigingswet van 1994, die zag op de toenmalige artikelen 250bis en 250ter Sr (seksuele uitbuiting/mensenhandel), geldt voor de verboden gedraging, bestaande uit misleiding, eveneens dat deze de wil beïnvloedt waaronder is begrepen de keuzemogelijkheid van het slachtoffer, in die zin dat zij leidt tot het ontbreken van vrijwilligheid waartoe ook behoort het ontbreken of de vermindering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken.10

Onder misleiding moet hier worden begrepen het in woord of gedrag voorspiegelen van een onware stand van zaken, waardoor de ander over de streep wordt getrokken.11

6.6.

Verdachte heeft, zoals het Hof heeft overwogen, contact gelegd met de 19-jarige [betrokkene 9] en zich voorgedaan als een 24-jarige die geïnteresseerd was in een relatie (verdachte was in werkelijkheid 31 jaar oud). Hij heeft, terwijl hij slechts het oog had op de financiële exploitatie van [betrokkene 9], haar voorgespiegeld dat hij daadwerkelijk affectieve gevoelens voor haar had en zo een valse voorstelling van zaken gewekt en ingespeeld op de interesse die zij voor hem toonde.

6.7.

Voorts heeft verdachte getracht [betrokkene 9] ontvankelijker te maken voor prostitutiewerk, door anderen aan haar onwaarheden te laten vertellen over hun (gefingeerde) werk in de prostitutie en hiervan zelf eveneens een onwaarachtig beeld te schetsen.

6.8.

Of [betrokkene 9], die gelet op haar toenmalige persoonlijke omstandigheden naar regulier spraakgebruik zonder meer als een kwetsbaar persoon kan worden aangemerkt, ook op zichzelf gezien in een kwetsbare positie in de zin van art. 273f Sr verkeerde, is gelet op het voorgaande van ondergeschikt belang.

6.9.

Nu op verschillende vlakken zonder meer sprake is van het voorspiegelen van een onware stand van zaken, waarbij de wil van [betrokkene 9] werd beïnvloed met de kennelijke bedoeling haar over te halen (prostitutie)werkzaamheden en/of diensten voor verdachte te verrichten, is ’s Hofs oordeel dat sprake is van misleiding dan wel misbruik van een kwetsbare positie immers niet onbegrijpelijk.

6.10.

Uit het voorgaande volgt dat het middel tevergeefs is voorgesteld.

7. Alle middelen falen. Het eerste en het derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6691.

2 Zie Noyon/Langemeijer & Remmelink, Wetboek van Strafrecht, aant. 3.2 bij art. 273f Sr (bijgewerkt tot 1 januari 2015).

3 Dat lijkt zelfs waarschijnlijk, gelet op de door het Hof tot het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 3].

4 Zie HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099.

5 Zie HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, onder 2.4.1.

6 Kamerstukken II 1988/89, 21 027, 3, p. 3-4

7 p. 8.

8 Kamerstukken II, 1988-1989, 21 027, nr. 5, p. 3.

9 Zie HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI7099.

10 Kamerstukken II 1988/89, 21 027, 3, p. 8

11 Zie Noyon/Langemeijer & Remmelink, Wetboek van Strafrecht, aant. 3 bij art. 248a Sr (bijgewerkt tot 24 april 2014).