Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2587

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
04-12-2015
Datum publicatie
29-01-2016
Zaaknummer
15/05155
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:161, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

BOPZ. Voorlopige machtiging. Persoonlijk onderzoek van betrokkene door niet-behandelend psychiater; art. 5 lid 1 Wet Bopz. HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:187, NJ 2015/333.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

15/05155

Mr. F.F. Langemeijer

4 december 2015

Conclusie inzake:

[betrokkene]

tegen

Officier van Justitie Limburg

In deze Bopz-zaak wordt geklaagd over een voorlopige machtiging m.b.t. een drugsverslaafde patiënt.

1 De feiten en het procesverloop

1.1

Op 23 juli 2015 heeft de officier van justitie in het arrondissement Limburg aan de rechtbank aldaar verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om het verblijf van verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren1. Bij het verzoekschrift was een afschrift van een door de waarnemend geneesheer-directeur [geneesheer-directeur] ondertekende verklaring d.d. 22 juli 2015 gevoegd. Ten behoeve van die geneeskundige verklaring is psychiatrisch onderzoek verricht door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [psychiater]. De verklaring vermeldt dat betrokkene weigerde de psychiater te woord te staan.

1.2.

Op 30 juli 2015 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. De rechtbank heeft betrokkene en haar advocaat gehoord, alsmede een sociaal-psychiatrisch verpleegkundige en de eerstverantwoordelijke verpleegkundige. Bij beschikking van 5 augustus 2015 heeft de rechtbank een voorlopige machtiging verleend om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van ten hoogste zes maanden.

1.3.

Namens betrokkene is – tijdig2 – beroep in cassatie ingesteld.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.

Het cassatiemiddel betreft achtereenvolgens de vraag of de geneeskundige verklaring aan de wettelijke vereisten voldoet, of sprake is van een stoornis van de geestvermogens en ten slotte, of sprake is van door de stoornis veroorzaakt gevaar.

2.2.

Onderdeel A klaagt dat alle informatie op basis waarvan het inleidend verzoek is gedaan en door de rechtbank is toegewezen, van de behandelaar(s) afkomstig is en niet berust op een eigen onderzoek van betrokkene door de psychiater [psychiater]. Volgens de klacht is dit in strijd met de wet, althans is onbegrijpelijk op welke gronden de rechtbank heeft aangenomen dat de psychiater [psychiater] betrokkene persoonlijk heeft onderzocht.

2.3.

Met het oog op de te verlenen machtiging is een onderzoek naar de geestelijke toestand van betrokkene ingesteld door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [psychiater]. In art. 5 lid 1 Wet Bopz heeft de wetgever een onderzoek voor ogen gestaan, waarbij de psychiater de betrokkene in een direct contact spreekt en observeert. Evenwel kan niet worden aanvaard dat, indien zulk een contact als gevolg van een weigering van de betrokkene om daaraan mee te werken niet of slechts in een beperkte mate mogelijk is, geen voorlopige machtiging kan worden verleend. Wel zal in een dergelijk geval de psychiater in zijn verklaring uiteen dienen te zetten waarom hij de betrokkene niet of slechts in beperkte mate heeft kunnen onderzoeken en op welke gronden hij, mede aan de hand van van derden verkregen informatie, niettemin tot de slotsom is gekomen dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat een geval als bedoeld in art. 2 Wet Bopz zich voordoet. De rechtbank zal dan dienen na te gaan of de psychiater heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kan worden verwacht om het door de wet vereiste onderzoek te doen plaatsvinden. Voorts zal de rechtbank dienen na te gaan of ondanks de aan de verklaring klevende beperking voldoende is komen vast te staan dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat een geval als bedoeld in artikel 2 zich voordoet3.

2.4.

In de geneeskundige verklaring (rubriek 4.a) heeft de psychiater opgenomen:

“[…] ben als onafhankelijk psychiater 2 x bij mevrouw langs geweest voor Rm beoordeling: eerste keer was ze er niet, had geen behoefte aan gesprek met mij. Tweede maal deed ze de deur open van haar appartement doch gaf direct aan mij niet te willen spreken, keek mij niet meer aan en deed zeer denigrerende uitspraken richting teamlid.”

Op de vraag (in rubriek 4.c) welke gedragingen niet door de psychiater zelf zijn waargenomen, maar door anderen aan hem of haar zijn medegedeeld, heeft de psychiater geantwoord:

“Mn (zie ook hierboven, patiënte weigert het gesp[r]ek aan te gaan met mij !!) medegedeeld door eigen behandelaar”.4

2.5.

Het verwijt dat het oordeel van de psychiater [psychiater] uitsluitend is gebaseerd op informatie die van de behandelaar(s) afkomstig is, valt aan de hand van de genoemde gedingstukken eenvoudig te pareren: indien betrokkene weigert de psychiater te woord te staan, moet – en mag – deze terugvallen op andere bronnen van informatie5. Het probleem is evenwel, dat de rechtbank in haar beschikking de weigering door betrokkene niet noemt. Op blz. 2 overweegt de rechtbank slechts dat “betrokkene is gezien en onderzocht door de niet bij haar behandeling betrokken psychiater [psychiater]”.

2.6.

De subsidiaire klacht is moeilijker te weerleggen. In eerste aanleg ging het debat over de vraag of de inhoud van de geneeskundige verklaring toereikend is om een voorlopige machtiging te rechtvaardigen (zie de betrekkelijk uitvoerige pleitnota). Indien de rechtbank bij beantwoording van die vraag ervan is uitgegaan dat de psychiater [psychiater] betrokkene in een rechtstreeks contact heeft gesproken en geobserveerd, is dat oordeel onbegrijpelijk in het licht van de gedingstukken: zie de hiervoor aangehaalde passages uit de geneeskundige verklaring. Indien de rechtbank ervan is uitgegaan dat de psychiater [psychiater] – gelet op de weigering van betrokkene om hem te woord te staan – heeft volstaan met een bureau-onderzoek aan de hand van het medisch dossier en de van de behandelaars verkregen informatie over betrokkene, blijkt uit de beschikking niet dat de rechtbank heeft nagegaan of de psychiater heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kan worden verwacht om het door de wet vereiste onderzoek te doen plaatsvinden, noch heeft de rechtbank in dat geval zich uitdrukkelijk rekenschap gegeven of, ondanks deze aan het onderzoek klevende beperking, voldoende is komen vast te staan dat betrokkene gestoord is in haar geestvermogens en dat een geval als bedoeld in artikel 2 Wet Bopz zich voordoet. In beide lezingen schiet de motivering dus tekort. Om deze reden acht ik deze klacht gegrond en kan de bestreden beschikking mijns inziens niet in stand blijven.

2.7.

Indien onderdeel A slaagt, kunnen de beide andere onderdelen onbehandeld blijven. Volledigheidshalve ga ik kort daarop in. Onderdeel B klaagt dat het gegeven dat betrokkene als gevolg van amfetamine-gebruik gaat hallucineren en psychotisch wordt, nog niet hoeft te betekenen dat bij haar sprake is van een stoornis in de zin van de Wet Bopz, althans dat de rechtbank op dit punt haar oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.

2.8.

In een beschikking van 10 oktober 2014 overwoog de Hoge Raad6:

“[…] Mede tegen de achtergrond van de uit art. 5 lid 1 EVRM voortvloeiende waarborgen tegen willekeurige vrijheidsbeneming, kan verslaving aan middelen als drugs en alcohol niet tot toepassing van de Wet Bopz leiden, tenzij de verslaving gepaard gaat met (andere) psychische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed, dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst.” (rov. 3.3.2)7

2.9.

Het is waar dat de enkele constatering dat betrokkene als gevolg van amfetamine-gebruik gaat hallucineren en psychotisch wordt niet voldoet aan deze jurisprudentienorm. Het middelonderdeel ziet eraan voorbij dat de rechtbank het niet hierbij heeft gelaten. In de bestreden beschikking spreekt de rechtbank immers van “een drugsgerelateerde stoornis van de geestvermogens, waarbij betrokkene onder invloed van gebruik van amfetamine gauw floride psychotisch raakt.”; deze stoornis kenmerkt zich door achtervolgingsideeën en auditieve hallucinaties. De rechtbank verwijst ter onderbouwing van deze vaststelling naar de geneeskundige verklaring, waarin inderdaad sprake is van een “psychotische stoornis NAO” naast “stoornissen door gebruik van middelen”. In eerste aanleg heeft de advocaat van betrokkene met name op dit punt verweer gevoerd:

“Het is een feit van algemene bekendheid dat amfetamine het centrale zenuwstelsel stimuleert. Volgens het Trimbos Instituut beïnvloedt amfetamine het gedrag; het kan de gebruiker bij frequenter gebruik prikkelbaar, depressief of agressief maken. Soms leidt dit tot verward denken, achterdocht en achtervolgingswaanzin.

Zonder nader uitleg van een deskundige (psychiater) kunt u niet vaststellen of deze verschijnselen het gevolg zijn van een psychische stoornis (psychotische stoornis NAO) of van het gebruik van amfetamine, dat deze verschijnselen nu eenmaal ten gevolge heeft.” (pleitnota blz. 2).

Voor zover de Hoge Raad aan deze klacht toekomt, komt het mij voor dat zij faalt. Betrokkene heeft geweigerd om mee te werken aan het onderzoek door de psychiater. Dan is het voor de psychiater nauwelijks mogelijk een nadere uiteenzetting te geven waarop de constatering van de psychotische stoornis NAO (niet anders omschreven) berust, anders dan aan de hand van informatie in het medisch dossier en de informatie van de behandelaars. De rechtbank heeft bovendien overwogen dat betrokkene steeds verder afglijdt en dat de houding die betrokkene aanneemt strookt met de bevindingen van psychiater [psychiater]. De rechtbank heeft in haar motivering kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat sprake is van een wisselwerking tussen de geestelijke stoornis en het gebruik van amfetamines door betrokkene. Daarin ligt besloten dat niet slechts sprake is van een drugsgebruik dat op de eigen wilsbekwame keuze van betrokkene berust. Op de aangegeven grond heeft de rechtbank tot het oordeel kunnen komen dat sprake is van een stoornis in de zin van art. 1 Wet Bopz. De klacht faalt.

2.10.

Onderdeel C klaagt dat vrijheidsbeneming niet mag worden gebruikt om iemand te dwingen geen drugs meer te gebruiken, urinecontroles toe te laten, coöperatief te worden en gesprekken aan te gaan en zich respectvol tegenover de verpleging te gaan gedragen. Dit zou volgens het middelonderdeel neerkomen op een vrijheidsberoving ‘om bestwil’. Het middel acht het oordeel van de rechtbank dat sprake is van door de stoornis veroorzaakt gevaar onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd.

2.11.

De geneeskundige verklaring noemt in rubriek 5 verschillende vormen van gevaar8. Volgens de rechtbank bestaat gevaar voor betrokkene zelf, te weten: het gevaar van maatschappelijke teloorgang, “mede in verband met de andere in de geneeskundige verklaring beschreven gevaren”9. De rechtbank verwijst naar de geneeskundige verklaring, waaruit volgt dat betrokkene de innerlijke motivatie voor abstinentie ontbeert, urinecontroles weigert, amfetaminen gebruikt, dreigend en niet respectvol is naar het verplegend personeel, in algemene zin gesprekken afhoudt en niet coöperatief is. Hiermee zet betrokkene, die een zeer beperkt sociaal en familiair netwerk heeft, haar verblijf in de beschermde omgeving van ‘Akkerweide’ op het spel. Bovendien is zij een kwetsbaar persoon, die aan weerbaarheid en assertiviteit dient te winnen.

2.12.

Anders dan het middel veronderstelt, gaat het de rechtbank niet erom of een gedwongen verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis het belang van betrokkene dient, méér dan een afwijzing van het verzoek van de officier van justitie (met mogelijk de consequentie dat betrokkene niet langer in ‘Akkerweide’ zal kunnen verblijven). Het gaat in de redenering van de rechtbank erom, of een ernstig en reëel gevaar bestaat dat betrokkene maatschappelijk te gronde zal gaan en of dit gevaar kan worden voorkomen door een onvrijwillige opname in een psychiatrisch ziekenhuis; zie blz. 3 van de bestreden beschikking, waarin de rechtbank uitdrukkelijk afstand neemt van het ‘bestwil-criterium’. In zoverre kan niet worden gezegd dat het oordeel van de rechtbank rechtens onjuist is. Wel acht ik de klacht gegrond dat het gevaar dat betrokkene maatschappelijk te gronde gaat, ontoereikend is gemotiveerd. De rechtbank heeft weliswaar uiteengezet dat betrokkene een zeer beperkt sociaal en familiair netwerk heeft en een kwetsbaar persoon is die aan weerbaarheid en assertiviteit dient te winnen – hetgeen voor de lezer voldoende begrijpelijk is, mede in het licht van de geneeskundige verklaring en het verhandelde ter zitting −, maar dat laat de vraag onbeantwoord wat er volgens de rechtbank zou (kunnen) gebeuren indien betrokkene in vrijheid zou blijven (waarbij de rechtbank kennelijk ervan uitgaat dat het risico niet langer kan worden gekeerd door een voortzetting van het vrijwillig verblijf in ‘Akkerweide’). De term ‘maatschappelijke teloorgang’ is hier te weinig specifiek gebruikt. De redengeving laat de lezer gissen: welke zijn de door de rechtbank veronderstelde bedreigingen of verwachte nadelen, waarvoor betrokkene een sociaal of familiair netwerk en/of de genoemde toename van weerbaarheid en assertiviteit nodig heeft? Ook om deze reden houdt de bestreden beschikking tot vrijheidsbeneming geen stand.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing naar de rechtbank Limburg.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. – g.

1 Blijkens het inleidend rekest verbleef betrokkene toen in een accommodatie van Zorggroep Mondriaan te Hoensbroek en werd een onvrijwillige opname in een psychiatrisch ziekenhuis van Mondriaan te Maastricht beoogd.

2 Het cassatieverzoek is per faxbericht ingekomen op 5 november 2015, een dag later gevolgd door het door een advocaat bij de Hoge Raad ondertekende origineel.

3 Zie onder meer: HR 6 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2766, NJ 1999/103; HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG5860, NJ 2009/25, BJ 2009/6; HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:187, JVggz 2015/9 m.nt. W.J.A.M. Dijkers.

4 Zie in gelijke zin: rubriek 5.c van de geneeskundige verklaring. Ter zitting heeft de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige bevestigd dat betrokkene tot tweemaal toe heeft geweigerd de psychiater [psychiater] te woord te staan (p.-v. blz. 1).

5 Dit strookt met de rechtspraak van het EHRM. Zie reeds het arrest-Varbanov (EHRM 5 oktober 2000, BJ 2001, 36 m.nt. W. Dijkers, rov. 47): "Where no other possibility exists, for instance due to a refusal of the person concerned to appear for an examination, at least an assessment by a medical expert on the basis of the file must be required (...)".

6 HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2937, NJ 2014/439, JVggz 2014/37 m.nt. W. Dijkers.

7 Zie ook: HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU0372, NJ 2007/230 m.nt. J. Legemaate; BJ 2005/35 m.nt. W. Dijkers; HR 8 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1227, JVggz 2015/20.

8 Te weten: “agressief jegens personeel; maatschappelijke teloorgang; zelfverwaarlozing”.

9 Art. 1 lid 1 Wet Bopz spreekt van: het gevaar dat betrokkene maatschappelijk te gronde gaat.