Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2561

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-12-2015
Datum publicatie
26-01-2016
Zaaknummer
14/05547
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:107, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk opzet op de invoer van cocaïne door op verzoek van een kennis vanuit Suriname bonbons mee te nemen naar Nederland. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/05547

Zitting: 15 december 2015

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 6 september 2012 de verdachte wegens “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod” bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat er sprake is van voorwaardelijk opzet op de invoer van cocaïne onbegrijpelijk is, althans dat de bewezenverklaring dienaangaande onvoldoende met redenen is omkleed. Volgens de steller van het middel is de bewijsvoering niet redengevend voor het bewezen verklaarde opzettelijk handelen, terwijl uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte niet kan volgen dat er sprake is van meer dan (on)bewuste schuld.

4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“zij op 3 december 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

(i) Een proces-verbaal van aanhouding en bevindingen van de belastingdienst/douane van 3 december 2010, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

“Op 3 december 2010 werd door de Douane een verscherpte controle uitgevoerd op vlucht PY994 vanuit Paramaribo. Hier werd een selectiegesprek gehouden, wat tot gevolg had dat de nader te noemen passagier voor verdere controle werd overgebracht naar een visitatieruimte.

Het bleek te gaan om:

[verdachte]

Geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] .

Ik, 2e verbalisant, heb de handbagage van [verdachte] aan een visitatie onderworpen. Ik pakte en opende een plastic witte tas, die voorzien was van het opschrift “Prettige Feestdagen” en zag twee transparante zakken, gevuld met bonbons. Ik pakte een van beide zakken en voelde dat deze erg zwaar was. Ik heb deze zak opengescheurd en rook direct een chemische geur. Ik zag dat beide plastic zakken voorzien waren van een etiket met opschrift het merk “Baronie”, en dat de bonbons verpakt waren in rode en groene wikkels van folie.

Desgevraagd deelde [verdachte] mede dat ze haar bagage zelf heeft ingepakt en dat alle spullen haar eigendom zijn. Ze heeft de twee zakken bonbons van een kennis gekregen en zou de bonbons aan een kennis in Nederland moeten afgeven.

Ik, 1e verbalisant, pakte een bonbon uit de reeds door 2e verbalisant geopende zak bonbons. Ik draaide het papiertje open en zag een witkleurige bonbon. Deze voelde keihard aan en ik rook een sterk chemische geur. Ik heb met mijn fretboortje een opening gemaakt in deze bonbon. Bij het terugtrekken zag ik dat er een witte stof aan mijn boortje bleef kleven, die qua kleur en samenstelling geleek op cocaïne. Ik heb de aangetroffen stof getest met een test-set, de MMC cocaïnetest, en de uitslag gaf een positieve kleurreactie, zodat aangenomen mag worden dat de aangetroffen stof vermoedelijk cocaïne bevat.

Naar aanleiding van het bovenstaande heb ik [verdachte] aangehouden als verdacht van vermoedelijke overtreding van art. 2 ABC van de Opiumwet.

Ik, 1e verbalisant, heb op de witte plastic tas met het opschrift “Prettige Feestdagen” met daarin bonbons inhoudende vermoedelijk cocaïne, een fouilleringszak bevestigd met nummer 40800009131.”

(ii) Een proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee van 9 december 2010, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , voor zover inhoudende als proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen:

“Bij een nader onderzoek van de bij de verdachte [verdachte] aangetroffen verdovende middelen zagen wij het volgende.

Wij hebben van personeel van Bureau Inbeslaggenomen Zaken 1 witte plastic zak overgenomen, waarop de tekst “Prettige Feestdagen” gedrukt stond en waaraan een waardezak was bevestigd met het nummer 40800009131. Wij hebben deze zak geopend en zagen dat hierin (onder meer) aanwezig waren: 2 zakken Baronie bonbons. Deze hadden een bruto gewicht van in totaal 1335 gram. Op de verpakking was vermeld “Baronie kersenbonbons, 150 gram”.

Bij weging bleek het nettogewicht te zijn 1275,3 gram.

Wij hebben deze 2 zakken Baronie bonbons nader onderzocht. Na verwijdering van de laatste verpakkingslaag werd er door ons een witkleurige vaste stof aangetroffen.

Ik, 2e verbalisant, testte de aangetroffen stof, uit alle aangetroffen bonbons met MMC cocaïne testsets. Hierbij trad een positieve kleurreactie op, zodat kan worden aangenomen, dat de geteste stof vermoedelijk cocaïne betrof. Vervolgens nam ik, 1e verbalisant, 2 representatieve monsters van de aangetroffen stof bestemd om ter analyse te worden overgebracht naar het Douanelaboratorium te Amsterdam. Voornoemde monsters zijn vastgelegd door middel van een Sporen Identificatie Nummer (SIN):

A: AACN8495NL

B: AACN8496NL”

(iii) Een rapport van het douane laboratorium van 15 december 2010, opgemaakt door de deskundige M.M. Sarneel, voor zover inhoudende:

“Op 13 december 2010 ontving ik een witte envelop met daarin AACN8495NL 1 verzegeld plastic zakje met bruin, korrelig materiaal AACN8496NL 1 verzegeld plastic zakje met bruin, korrelig materiaal.

Het materiaal werd onderzocht met behulp van microchemische reacties en met behulp van gaschromatografie met massaselectieve detectie.

Hierbij werd vastgesteld dat het materiaal van alle bovengenoemde SIN- nummers cocaïne bevatte.

Conclusie: het materiaal van alle bovengenoemde SIN-nummers bevat cocaïne.”

(iv) Een op 13 december 2010 bij de Koninklijke Marechaussee afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:

“Ik ben aangehouden omdat ze drugs bij me hebben gevonden. Op 2 december 2010 ben ik vertrokken uit Paramaribo met als bestemming Nederland. Ik beken de invoer van verdovende middelen naar Nederland, want ze hebben het toch bij me gevonden. Ik had het bij me, zonder dat ik het wist.

Ik kwam op 30 november in de eetzaak van mijn moeder in gesprek met een vriend van mij. Ik vertelde hem dat ik naar Nederland ging. De volgende dag ontmoette ik hem weer in die eetzaak. Hij vroeg mij of ik chocolaatjes voor zijn nichtje mee wilde nemen naar Nederland. Ik zei tegen hem dat Nederland chocoladeland is. Waarom zou ik dat mee moeten nemen?

De volgende dag kwam hij weer naar de eetzaak en gaf mij de zak met chocolaatjes. Hij zei mij dat zijn nichtje naar de luchthaven Schiphol zou komen om de chocolaatjes in ontvangst te nemen.

Op Zanderij heb ik de chocolaatjes overgeheveld naar de witte plastic tas.

Ik wist dat er een 100% drugscontrole was op Schiphol, want ik heb er vaker op gevlogen. Ik wist natuurlijk wel dat het smokkelen van drugs naar Nederland verboden is.”

(v) De op de terechtzitting in eerste aanleg van 7 maart 2011 afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:

“Omdat Nederland chocoladeland is, heb ik gevraagd waarom ik deze chocolaatjes mee moest nemen. De kennis vertelde mij dat zijn nichtje juist deze chocolaatjes lekker vond. Ik dacht even snel dat het gek was, maar heb er verder niet bij stilgestaan.

Ik heb de bonbons zelf in mijn tas gestopt.”

6. Op de terechtzitting in hoger beroep is door of namens de verdachte geen verweer gevoerd. De verdachte zelf is op die terechtzitting niet verschenen, terwijl de wel aanwezige raadsman heeft medegedeeld dat hij door de verdachte niet is gemachtigd om de verdediging te voeren.

7. Het hof heeft in de bestreden uitspraak onder “bewijsoverweging” het volgende overwogen ten aanzien van het opzet van de verdachte:

“Op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep overweegt hof het volgende.

Op 3 december 2010 werden in de bagage van de verdachte twee zakken bonbons aangetroffen met daarin in totaal netto ongeveer 1275 gram van een materiaal bevattende cocaïne.

Omtrent deze bonbons heeft de verdachte het volgende verklaard.

De verdachte is in Suriname benaderd door een kennis, een vaste klant van het café van haar moeder, met het verzoek chocolaatjes (van het merk Baronie) voor zijn nicht mee te nemen naar Nederland. Deze nicht zou naar Schiphol komen om de chocolaatjes in ontvangst te nemen. Omdat Nederland een chocoladeland is heeft de verdachte aan deze man gevraagd waarom zij de chocolaatjes moest meenemen. Toen de man antwoordde dat zijn nicht juist deze chocolaatjes lekker vindt, dacht de verdachte, ‘even snel dat het gek was’, maar ze heeft er verder niet bij stilgestaan. De verdachte heeft de zakken bonbons, waarin later de cocaïne is aangetroffen, zelf in haar tas gestopt.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Het is een feit van algemene bekendheid dat er vanuit Suriname per vliegtuig veel cocaïne naar Nederland wordt gesmokkeld en dat op het vliegveld Zanderij ook borden zijn geplaatst met de waarschuwing niet zomaar spullen van anderen mee te nemen. Onwaarschijnlijk is dat de verdachte met het eerste niet bekend was en dat laatstgenoemde waarschuwing niet tot haar was doorgedrongen.

De verdachte heeft desondanks verzuimd enig nader onderzoek in te stellen naar de inhoud van de zakken bonbons. De verdachte heeft verklaard dat zij het vertrouwde, omdat de zakken voorzien waren van een etiket; De op de zakken aangebrachte etiketten vermelden echter elk een gewicht van 150 gram, terwijl de inhoud van elke zak een bruto gewicht van ruim 650 gram had. De op de zakken aangebrachte etiketten hebben enige twijfel ten aanzien van de inhoud van de zakken daarom zeker niet kunnen wegnemen.

Ook de vraag naar de noodzaak om vanuit Suriname bonbons mee te nemen die juist in Nederland gemakkelijk verkrijgbaar zijn heeft de verdachte er niet toe gebracht nader onderzoek te verrichten. Dit klemt temeer nu de verdachte heeft verklaard wel te hebben bedacht dat het opmerkelijk is om juist bonbons van Suriname naar Nederland te vervoeren.

Onder de voormelde omstandigheden heeft de verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans, welke kans zij vervolgens bewust heeft aanvaard, dat in de zakken bonbons een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne was verborgen en dat zij deze cocaïne binnen het grondgebied van Nederland zou brengen. Aldus heeft de verdachte het voorwaardelijk opzet gehad op het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.”

8. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden voorop gesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan zodanige kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.1

9. Een bewijsconstructie waarbij mede aan de hand van feiten van algemene bekendheid voorwaardelijk opzet wordt aangenomen, is in Opiumwetzaken niet ongebruikelijk. Daarbij kan ook betekenis toekomen aan het uitblijven van onderzoek in gevallen waarin de omstandigheden van het geval om nader onderzoek vragen. Door bijvoorbeeld geen nader onderzoek in te stellen naar een afgehaald goed dan wel een meegenomen stuk bagage, kan de verdachte, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zich willens en wetens bloot stellen aan de aanmerkelijke kans dat er zich in dat goed dan wel in die bagage drugs bevinden.2 Het achterwege blijven van onderzoek kan in een dergelijke context, anders dan de steller van het middel veronderstelt, niet alleen in het kader van het aannemen van schuld, maar ook voor het bewijs van (voorwaardelijk) opzet betekenis hebben.3 Daarbij kunnen feiten van algemene bekendheid van belang zijn. Als feit van algemene bekendheid kan bijvoorbeeld worden aangenomen dat drugs vaak per vliegtuig vanuit de Nederlandse Antillen en Suriname naar Nederland worden gesmokkeld.4 Een andere algemene ervaringsregel is dat degene die zijn eigen koffers inpakt en meeneemt op reis, bekend pleegt te zijn met wat er in die koffers zit.5

10. In de hiervoor onder 7 weergegeven overwegingen heeft het hof geoordeeld dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne, aangezien zij zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat in de zakken bonbons, die zij voor een ander vanuit Suriname naar Nederland heeft meegenomen, cocaïne was verborgen, terwijl de verdachte die kans vervolgens bewust heeft aanvaard. Dit oordeel geeft in het licht van hetgeen hiervoor onder 8 en 9 is voorop gesteld geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is gelet op de hiervoor onder 5 weergegeven inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in samenhang beschouwd met de nadere bewijsoverwegingen van het hof, niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof het volgende heeft vastgesteld. De verdachte heeft op verzoek van een kennis, een vaste klant van het café van haar moeder, vanuit Suriname per vliegtuig twee zakken met bonbons naar Nederland meegenomen voor de nicht van die kennis. Het is een feit van algemene bekendheid dat er vanuit Suriname per vliegtuig veel cocaïne wordt gesmokkeld, terwijl reizigers op het vliegveld in Zanderij (Suriname) ervoor worden gewaarschuwd om niet zomaar spullen van anderen mee te nemen. De verdachte moet daarvan op de hoogte zijn geweest. Voorts heeft de verdachte verzuimd enig onderzoek te verrichten naar de inhoud van de zakken bonbons. Voor nader onderzoek bestond voldoende aanleiding, mede gelet op het gewicht van de zakken, dat sterk afweek van het gewicht dat stond vermeld op de etiketten van die zakken, en de omstandigheid dat het in het licht van de verkrijgbaarheid van bonbons in Nederland opmerkelijk is dat iemand vanuit Suriname bonbons naar Nederland wenst mee te nemen.6 De verdachte is zich van die omstandigheid bewust geweest. Het hof heeft kennelijk niet aannemelijk geacht dat de bij de verdachte bestaande twijfel is weggenomen door de omstandigheid dat zich op de zakken met bonbons etiketten bevonden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Daaraan voeg ik toe dat het gewicht van de bonbons niet alleen meer dan vier maal zo hoog was als op de etiketten stond aangegeven, maar dat de “transparante zakken” op het eerste gezicht weinig professioneel oogden.7 In dat verband moet voorts worden bedacht dat de desbetreffende bonbons van het merk “Baronie” geen typisch Surinaams product betreffen, doch dat deze bonbons van Nederlandse makelij zijn.8 Het ligt dan ook in de lijn der verwachting dat deze bonbons in Nederland gemakkelijker en goedkoper te verkrijgen zijn dan in Suriname. Daarbij komt dat de verdachte heeft verklaard dat zij haar bagage zelf heeft ingepakt en dat zij de bonbons (met daarin de cocaïne) zelf in haar tas heeft gestopt. Zij zal zich dan ook bewust zijn geweest van het gewicht van de lading. Na het openen van de zak bleek dat sprake was van een “sterk(e) chemische geur” (bewijsmiddel 1). Dat betekent dat bij een vluchtig onderzoek van de zakken had kunnen worden ontdekt dat de lading geen bonbons betrof.9 Ten slotte is van belang dat de verdachte de persoon voor wie de bonbons in Nederland bestemd waren (een nicht van de persoon op wiens verzoek zij de bonbons vanuit Suriname meenam) nauwelijks kende.10 In aanmerking genomen dat door of namens de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep geen verweer is gevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.11

11. Anders dan de steller van het middel aanvoert, doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet af dat de voor het bewijs gebruikte, op de terechtzitting in eerste aanleg afgelegde, verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 5) inhoudt dat zij, toen zij aan de kennis vroeg waarom zij vanuit Suriname chocolaatjes naar Nederland moest meenemen, even snel dacht dat het gek was maar dat zij er verder niet bij stil gestaan heeft. De steller van het middel begrijpt deze verklaring aldus, dat de verdachte er niet aan heeft gedacht dat de zakken met “bonbons” in werkelijkheid verdovende middelen zouden bevatten dan wel dat zij daaraan wel heeft gedacht, maar erop heeft vertrouwd dat het risico dat sprake was van verdovende middelen zich niet zou realiseren. De enkele verklaring dat de verdachte “er” verder niet bij heeft stil gestaan, ondanks het feit dat de verdachte het gek vond dat zij werd gevraagd bonbons mee te nemen naar “Nederland chocoladeland”, kan echter ook duiden op onverschilligheid ten aanzien van de werkelijke lading en daarmee op het zich willens en wetens blootstellen aan de aanmerkelijk kans dat het ging om verdovende middelen. In die zin heeft het hof dit onderdeel van de verklaring van de verdachte kennelijk verstaan en redengevend kunnen achten voor de bewezenverklaring.

12. Daarbij komt dat het hof deze verklaring, die onder omstandigheden ook kan duiden op bewuste schuld in plaats van op voorwaardelijk opzet, weliswaar tot het bewijs heeft gebezigd, maar daaraan voor de bewijsconstructie geen doorslaggevende betekenis heeft toegekend. Het hof heeft het voorwaardelijk opzet van de verdachte immers gegrond op het feit dat de verdachte niet heeft voldaan aan de in verband met de omstandigheden van het geval op haar rustende onderzoeksplicht en op het feit van algemene bekendheid dat verdovende middelen (waaronder cocaïne) vanuit Suriname naar Nederland per vliegtuig plegen te worden gesmokkeld. Aldus heeft het hof op niet onbegrijpelijke wijze niet alleen geoordeeld dat de wetenschap van de aanmerkelijke kans dat het gevolg (in de zakken met bonbons is cocaïne verborgen) zou intreden bij de verdachte moet worden verondersteld, maar ook dat de verdachte die kans op het moment dat zij de bonbons zonder nader onderzoek voor een ander in haar eigen bagage per vliegtuig meenam van Suriname naar Nederland bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).12

13. Ik kom tot de slotsom dat het hof uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de verdachte opzettelijk een hoeveelheid cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht door voor een ander vanuit Suriname per vliegtuig twee zakken met bonbons, met daarin cocaïne verstopt, mee te nemen naar Nederland. Het hof heeft de bewezenverklaring van dit feit voldoende met redenen omkleed.

14. Het middel faalt.

15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5396, NJ 2013/111 m.nt. Keijzer, rov. 2.3, HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7123, NJ 2012/12, rov. 3.4, HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4871, rov. 3.5, HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3888, NJ 2006/123, rov. 3.3, HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR1860, NJ 2005/154 m.nt. De Jong, rov. 3.3 en HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 m.nt. Buruma, rov. 3.6.

2 Vgl. HR 3 juni 2003, NS 2003/240 (uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij een uit het buitenland (Colombia) afkomstig postpakket in ontvangst nam waarin zich verdovende middelen bevonden) en HR 19 april 1988, NJ 1989/206 (het hof heeft uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte zich bewust had blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de door de verdachte en zijn medeverdachte opgehaalde vuilniszak amfetamine zou bevatten, waarbij het hof mede redengevend heeft kunnen achten de geheimzinnige gang van zaken bij het overhandigen en het inladen van de vuilniszak).

3 Vgl. HR 19 februari 1985, NJ 1985/633 en hierover nader: G. Knigge en H.D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 126.

4 Vgl. HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7911, NJ 2007/645: Het hof heeft onder meer op de grond dat de verdachte een van een ander geleende tas zonder deze grondig te controleren heeft vervoerd, geoordeeld dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zich in de bagage die zij meenam uit Curaçao cocaïne zou bevinden. Vgl. voorts de conclusie van de toenmalig Advocaat-Generaal Fokkens (onder 12) voorafgaande aan HR 24 november 1998, NJ 2000/54 m.nt. De Jong: De verdachte had op verzoek van een ander een tas met een voor hem onbekende inhoud meegenomen van Suriname naar Nederland, waarna bleek dat er in die tas cocaïne zat.

5 Zie HR 3 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:AV1127: Bij een vlucht vanuit Peru werd in de bagage van de verdachte cocaïne aangetroffen. Het hof nam tot uitgangspunt dat degene die de eigen bagage inpakt en op reis meeneemt, weet wat hij bij zich heeft. De Hoge Raad liet het arrest van het hof in stand, waarbij ik aanteken dat over dit specifieke punt in cassatie niet werd geklaagd. Vgl. HR 25 november 1986, NJ 1987/493: De Hoge Raad ging uit van de algemene ervaringsregel dat de bestuurder, tevens enige inzittende, van een hem toebehorende auto, waarin zich een niet onaanzienlijke hoeveelheid heroïne bevindt, bekend pleegt te zijn met de aanwezigheid van die heroïne in zijn auto. Vgl. voorts voor voorwaardelijk opzet in Opiumwetdelicten T. Blom, Opiumwetgeving en drugsbeleid, tweede druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 130-131 en T. Blom in C.P.M. Cleiren, J.H. Crijns & M.J.M. Verpalen (red.), Tekst & Commentaar Strafrecht, Deventer: Kluwer 2014, aant. 11 bij art. 2 Opiumwet.

6 Het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen (bewijsmiddel 2) houdt ten aanzien van het verschil in gewicht het volgende in. Op de verpakking van elk van beide zakken stond vermeld dat het ging om 150 gram bonbons, terwijl de 2 zakken tezamen in werkelijkheid 1.275,3 gram (netto), respectievelijk 1.335 gram (bruto) wogen.

7 Foto’s van de zakken met “bonbons” zijn opgenomen onder 1.1 van het doorlopend proces-verbaal. Dit proces-verbaal bevindt zich bij de stukken van het geding.

8 “Baronie” is een Nederlands bedrijf dat in 1920 in Nederland is opgericht en intussen is uitgegroeid tot één van de grootste producenten van chocolade in Nederland en België. Zie www.baronie.com en www.chocolademerken.blogspot.nl.

9 Vgl. HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6140, NJ 2011/327.

10 Tijdens haar verhoor door de Koninklijke Marechaussee op 13 december 2010 heeft de verdachte verklaard dat “de kennis” [betrokkene] heet maar dat ze niet weet hoe zijn nichtje heet, aangezien zij haar maar twee keer eerder heeft ontmoet in het café (de eetzaak) van haar moeder.

11 Vgl. HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6140, NJ 2011/327 (de verdachte heeft kort voor vertrek vanuit Suriname naar Nederland zijn koffer gedurende enkele uren afgestaan aan een man die hij slechts uiterst oppervlakkig kende, waarna drie pakketten met ruim twee kilo cocaïne zijn aangetroffen onder de binnenvoering van zijn koffer) en HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7911, NJ 2007/645 (de verdachte heeft een van een ander geleende sporttas met cocaïne meegenomen vanuit Curaçao naar Nederland).

12 Vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3496 (art. 81 RO). In deze verkeerszaak (poging tot zware mishandeling door op de snelweg een abrupte stuurbeweging te maken in de richting van een andere auto) had het hof in zijn bewijsoverwegingen een overweging opgenomen die kon duiden op bewuste schuld in plaats van op voorwaardelijk opzet. In het licht van het resterende deel van die overwegingen bleef dit in cassatie evenwel zonder gevolgen.