Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2560

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-11-2015
Datum publicatie
27-01-2016
Zaaknummer
14/04788
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:105, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herroeping en bijzondere voorwaarde voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.).

1. Het recht kent niet de eis dat een schriftelijke vordering tot herroeping van de v.i. onverwijld aan de verdachte wordt betekend. Ingevolge art. 15i.2 Sr dient de vordering onverwijld door het OM bij de Rb te worden ingediend. O.g.v. art. 15i.6 Sr wordt de verdachte vervolgens opgeroepen tot bijwoning van de zitting onder betekening aan hem van die vordering.

2. Aan een voorwaardelijke invrijheidstelling kan niet als bijzondere voorwaarde ex art.15a Sr het verrichten van een taakstraf worden gesteld. Het hof kan niet het OM ex art. 15j.1 Sr adviseren het verrichten van een taakstraf als bijzondere voorwaarde aan de voorwaardelijke invrijheidstelling te verbinden.

3. Het middel, dat klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de art. 15g en 15j Sr de rechter niet de bevoegdheid geven in geval van herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling het alsnog ten uitvoer te leggen gedeelte van de vrijheidsstraf om te zetten in een taakstraf, keert zich tegen een overweging waarop de bestreden beslissing niet steunt en kan daarom niet tot cassatie leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 14/04788

Zitting: 17 november 2015

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Bij arrest van 11 september 2014 heeft het gerechtshof Den Haag de verdachte wegens “poging tot zware mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden. Tevens heeft het hof alsnog de tenuitvoerlegging gelast van de gevangenisstraf die, als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, niet ten uitvoer was gelegd, zulks te ondergaan voor een gedeelte van 120 dagen.

2. Namens de verdachte heeft mr. J. de Visser, advocaat te Den Haag, beroep in cassatie ingesteld. Mr. C.A. Lucardie heeft namens de verdachte een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

3. De drie middelen richten zich tegen de gedeeltelijke herroeping door het hof van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. Daarmee duid ik kortheidshalve de beslissing van het hof aan waarbij het heeft toegewezen “de door het openbaar ministerie onder parketnummer 99-000244-37 ingediende vordering” en heeft “gelast dat het gedeelte van de gevangenisstraf, dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog ten dele, te weten voor de duur van 120 dagen, moet worden ondergaan.

4. Omwille van de overzichtelijkheid geef ik voorafgaand aan een bespreking van de middelen kort de inhoud van de middelen weer en de overwegingen die het hof heeft gewijd aan de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

5. De middelen richten zich tegen een drietal onderdelen van de overwegingen van het hof. Het eerste middel heeft betrekking op het vereiste van “onverwijlde indiening’” van de vordering, het tweede middel op de mogelijkheid een taakstraf als “bijzondere voorwaarde” te stellen aan de voorwaardelijke veroordeling, namelijk bij wijze van een “andere voorwaarde, het gedrag van de veroordeelde betreffende” als bedoeld in artikel 15a, derde lid onder 10°, Sr, terwijl het derde middel betrekking heeft op het al of niet bestaan van de mogelijkheid om in plaats van de te herroepen voorwaardelijke invrijheidstelling een taakstraf te gelasten.

6. Met betrekking tot de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, heeft het hof het volgende overwogen:

“Bij arrest van de meervoudige strafkamer van dit gerechtshof van 26 juni 2012, rolnummer 22-005372-11, is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest. De verdachte is ter zake van die veroordeling per 1 mei 2013 - feitelijke datum einde detentie: 10 juni 2013 - voorwaardelijk in vrijheid gesteld onder - voor zover in dezen van belang - de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van een proeftijd van 365 dagen niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, nu deze eerst op 23 december 2013 aan de verdachte is betekend, niet onverwijld - zoals voorgeschreven in artikel 15i, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht - is ingediend. Zij heeft daaraan de conclusie verbonden dat het openbaar ministerie in die vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het hof kan vorenbedoeld standpunt niet onderschrijven. Blijkens artikel 15i, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, dient het openbaar ministerie - indien het van oordeel is dat de veroordeelde een voorwaarde niet heeft nageleefd - bij de rechtbank onverwijld een schriftelijke vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in, tenzij naar het oordeel van het openbaar ministerie met het wijzigen van de voorwaarden of met een waarschuwing kan worden volstaan. De verdachte is op 8 oktober 2013 - op grond van de verdenking zich aan het ten laste gelegde schuldig te hebben gemaakt - aangehouden, gehoord en in verzekering gesteld. De onderhavige vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling is op 14 oktober 2013 ter griffie van de rechtbank Den Haag ingediend. Daarmee is voldaan aan de eis van een onverwijlde indiening, als bedoeld in voornoemde bepaling. De stelling, dat eerst aan die eis is voldaan indien de vordering ook onverwijld aan de veroordeelde is betekend, vindt naar het oordeel van het hof geen steun in het recht. Die betekening heeft overigens, nadat de dag voor het onderzoek ter terechtzitting was bepaald en - overeenkomstig het voorschrift van artikel 15i, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht - gelijktijdig met de oproeping voor die terechtzitting, alleszins tijdig, te weten op 23 december 2013, plaatsgevonden.

Het verweer, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, wordt dan ook verworpen.

De raadsvrouw heeft subsidiair verzocht de vordering af te wijzen en het openbaar ministerie te adviseren om de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden voorwaarden te wijzigen, in dier voege dat aan de thans geldende voorwaarden onder meer de bijzondere voorwaarde wordt toegevoegd dat de verdachte een taakstraf van (maximaal) 240 uren dient te verrichten, welke voorwaarde, aldus de raadsvrouw, binnen het kader van artikel 15a, derde lid, aanhef en onder 10°, van het Wetboek van Strafrecht tot de mogelijkheden behoort. Meer subsidiair is door haar verzocht de' vordering gedeeltelijk en slechts beperkt toe te wijzen.

In afwijking van de in eerste aanleg onder parketnummer 99-000244-37 ingediende vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, heeft de advocaat-generaal, gegeven het - in een op voorhand toegezonden pleitnota nader gemotiveerde - subsidiaire verzoek, ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd de voorwaardelijke invrijheidstelling gedeeltelijk te herroepen, namelijk voorde duur van 120 dagen en deze 120 dagen om te zetten in een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, om reden dat de verdachte de hiervoor genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte deze voorwaarde inderdaad niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit - een poging tot zware mishandeling - begaan terwijl de aan zijn voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden proeftijd nog niet was verstreken. De vordering van het. openbaar ministerie is derhalve gegrond en het hof acht ook termen aanwezig om deze vordering, toe te wijzen en te gelasten dat het gedeelte van de gevangenisstraf, dat ais gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog ten dele, te weten voor de duur van 120 dagen, moet worden ondergaan.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte zich wel aan de aan zijn voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden bijzondere voorwaarden heeft gehouden, dat hij zich sinds 5 juli 2014, toen de voorlopige hechtenis voor het thans bewezen verklaarde feit eindigde, moeite heeft getroost om zijn leven weer op orde te krijgen en dat hij daarin ook in zoverre is geslaagd dat hij onderdak bij zijn neef heeft kunnen regelen, een uitkering heeft aangevraagd en zich voor hulpverlening en begeleiding bij GGZ Palier heeft gemeld. Een en ander is door het hof bij de beoordeling van de vordering betrokken, maar kan naar zijn oordeel niet een algehele afwijzing van de vordering rechtvaardigen indien tevens in aanmerking wordt genomen dat de verdachte bij voormeld arrest van 26 juni 2012 onder meer voor een tweetal geweldsdelicten is veroordeeld en zich op 1 oktober 2013, slechts enkele maanden nadat hij voorwaardelijk in vrijheid was gesteld, wederom aan een geweldsdelict schuldig heeft gemaakt.

Voor zover de raadsvrouw met haar meer subsidiaire verzoek heeft willen bepleiten het gedeelte van de vrijheidsstraf dat in geval van toewijzing van de vordering alsnog moet worden ondergaan zo beperkt mogelijk te houden en daarbij voor het gedeelte waarover de herroeping zich niet uitstrekt - als het ware bij wijze van compensatie - het openbaar ministerie te adviseren om de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden voorwaarden te wijzigen, in dier voege dat aan de thans geldende voorwaarden onder meer de bijzondere voorwaarde wordt toegevoegd dat de verdachte een taakstraf van (maximaal) 240 uren dient te verrichten, wordt volledigheidshalve nog het navolgende overwogen.

In artikel 15a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat aan de voorwaardelijke invrijheidstelling bijzondere voorwaarden betreffende het gedrag van de veroordeelde kunnen worden gesteld. In het derde lid van' dat artikel is een opsomming gegeven van de bijzondere voorwaarden die in dat verband mogelijk zijn. Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, is niet in die opsomming opgenomen en valt naar het oordeel van het hof, anders dan de raadsvrouw heeft gesteld, ook niet te scharen onder de ‘andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende’, als bedoeld in artikel 15a, derde lid, aanhef en onder 10°, van het Wetboek van Strafrecht. Onder verwijzing naar artikel 14c van dat wetboek, in welk artikel de ‘andere bijzondere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende’ toen al waren vermeld, is in de Memorie van Toelichting bij het voorstel van wet tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht met de straf van onbetaalde arbeid - waarbij het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte, voorloper van de huidige taakstraf, als hoofdstraf werd geïntroduceerd - reeds opgemerkt dat een dergelijke straf in wezen niet ‘het gedrag van de veroordeelde’ betreft en in ieder geval met de invoering van het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte als hoofdstraf niet langer als bijzondere voorwaarde kan worden opgelegd (Kamerstukken II 1986/1987, 20074, nr. 3, blz. 8).

Tenslotte wordt door het hof nog overwogen dat de artikelen 15 e.v. van het Wetboek van Strafrecht, handelende over de voorwaardelijke invrijheidstelling, anders dan de advocaat-generaal kennelijk voor ogen heeft gestaan, geen soortgelijke bepaling behelzen als de bepaling, neergelegd in artikel 14g, tweede lid, van dat wetboek.”

7. Het eerste middel behelst de rechtsklacht dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de vordering “onverwijld” is ingediend als bedoeld in artikel 15i, tweede lid, Sr, terwijl de vordering niet onverwijld aan de verdachte is betekend.

8. De wet schrijft in artikel 15i, tweede lid, Sr voor dat het OM in het daar omschreven geval de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling “onverwijld” indient “bij de rechtbank”. De wet schrijft in artikel 15i, zesde lid, Sr niet voor dat de vordering “onverwijld” aan de veroordeelde wordt betekend, maar dat het OM de veroordeelde doet oproepen tot bijwoning van de zitting “onder betekening van de vordering aan de veroordeelde”.

9. Het oordeel van het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, zodat het middel faalt.

10. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip “bijzondere voorwaarden” in artikel 15a, derde lid onder 10°, Sr.

11. In aansluiting bij de thans in artikel 14c, tweede lid onder 14°, Sr genoemde “andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende”, heeft het hof overwogen dat het verrichten van onbetaalde arbeid (een “taakstraf”) niet kan worden geschaard onder de “andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende” die worden genoemd in artikel 15a, derde lid onder 10°, Sr.

12. Het hof heeft voor deze uitleg een beroep gedaan op de parlementaire voorbereiding van de wet waarbij de voorloper van de taakstraf – de straf van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte – als hoofdstraf werd geïntroduceerd. De memorie van toelichting bij het betreffende wetsvoorstel, houdt het volgende in:

“Voorts betekent de kwalificatie van dienstverlening als hoofdstraf dat de andere rechterlijke modaliteit, te weten dienstverlening op te leggen als een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke veroordeling, niet meer mogelijk is. Het opleggen van dienstverlening als een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke veroordeling zou er dan namelijk op neer komen dat in strijd met het bepaalde in artikel 9, tweede lid, een hoofdstraf (dienstverlening) te zamen met een ander hoofdstraf (vrijheidsstraf of geldboete) wordt opgelegd. Bovendien moet de voorwaarde bij een voorwaardelijke veroordeling ingevolge artikel 14c, eerste lid, sub 4, van het Wetboek van Strafrecht, betrekking hebben op het gedrag. Een straf als dienstverlening kan niet als zodanig worden aangemerkt.”1

13. Ook voor artikel 15a, derde lid onder 10°, Sr geldt dat het in strijd zou zijn met het wettelijke systeem indien een hoofdstraf kan worden opgelegd bij wijze van een te stellen bijzondere voorwaarde voor een voorwaardelijke invrijheidstelling. De wetgever heeft voor de systematiek van de voorwaardelijke invrijheidstelling immers aansluiting gezocht bij de systematiek van de voorwaardelijke veroordeling, zodat wetssystematische argumenten gelijkelijk opgaan.2

14. Ook voldoet de taakstraf niet aan het uitgangspunt dat de bijzondere voorwaarden in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling in het teken staan van de begeleide terugkeer in de samenleving. “Doelen zijn daarbij de beveiliging van de samenleving en het voorkomen van recidive. Bij de voorwaardelijke veroordeling gelden deze doelen ook, maar staan de bijzondere voorwaarden veel meer in het teken van een vorm van bestraffing die een alternatief is voor een gevangenisstraf.3 Vanuit dit perspectief bezien past de taakstraf nog eens te minder bij de in artikel 15a Sr genoemde bijzondere voorwaarden.

15. Hierbij komt dat de bijzondere voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling op de voet van art. 15a, vijfde lid, Sr door het OM kunnen worden vastgesteld. Dit zou betekenen dat het OM in dat kader in feite zou kunnen bepalen dat de veroordeelde onbetaalde arbeid moet verrichten teneinde een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling te voorkomen. De bevoegdheid tot het stellen van “het verrichten van onbetaalde arbeid” als voorwaarde ter voorkoming van strafvervolging is het OM uitdrukkelijk gegeven in artikel 74, tweede lid onder f, Sr. Ik acht het niet zonder betekenis dat een dergelijke uitdrukkelijke grondslag in art. 15a, derde lid, Sr niet te vinden is. Bovendien zouden in het kader van de bijzondere voorwaarden nadere regels ontbreken zoals die in artikel 9, vierde lid, Sr zijn gegeven met betrekking tot de verhouding tussen de taakstraf en de hoogte van het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel van de gevangenisstraf, en de uitzondering van misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van meer dan zes jaar, die in artikel 74, eerste lid, Sr is gegeven.

16. Het oordeel van het hof dat het verrichten van onbetaalde arbeid geen gedragsvoorwaarde kan betreffen, als bedoeld in artikel 15a, derde lid onder 10°, Sr, is juist.

17. Het middel faalt.

18. Het derde middel behelst de klacht dat het hof de artikelen 15g en 15j Sr heeft geschonden door de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling niet om te zetten in een taakstraf voor de duur van 240 uren.

19. Bij de beoordeling van het middel moet de redactie van de wettelijke regeling voorop staan. Die verankert in artikel 15j, eerste lid, Sr het alsnog geheel of gedeeltelijk ondergaan van “het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling niet ten uitvoer is gelegd”. De wet voorziet in het kader van de beoordeling van de vordering, naar de letter dus slechts in de tenuitvoerlegging van een “vrijheidsstraf” en niet in het tenuitvoerleggen van een andere (hoofd)straf. Wel kan de rechtbank in haar beslissing “adviseren omtrent aan de voorwaardelijke invrijheidstelling te verbinden bijzondere voorwaarden”, zoals in artikel 15j, eerste lid, Sr is bepaald. Zoals bij de bespreking van het tweede middel is uiteengezet, valt daaronder niet het verrichten van een taakstraf. Kortom, de rechtbank noch het hof kunnen in de beslissing omtrent de vordering adviseren tot het verrichten van een taakstraf. Naast de mogelijkheid van advisering, biedt artikel 15j, eerste lid, Sr slechts ruimte om de vordering toe te wijzen of geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

20. Bij de parlementaire voorbereiding is ervan uitgegaan dat de beslissing van de rechtbank (hetzelfde geldt voor het hof) tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling tot gevolg heeft dat (een deel van) het niet ten uitvoer gelegde gedeelte van de vrijheidsstraf alsnog ten uitvoer wordt gelegd. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat leidde tot de wet Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met de wijziging van de vervroegde invrijheidstelling in een voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: de Wet), houdt het volgende in:

“De herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling brengt mee dat de verdere tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf wordt gelast. De veroordeelde wordt weer ingesloten in een penitentiaire inrichting.”4

21. De wet kent een zekere gestrengheid in geval van het niet naleven van een voorwaarde door een veroordeelde die voorwaardelijk in vrijheid is gesteld. Artikel 15i, tweede lid, eerste volzin, Sr schrijft voor dat het OM “onverwijld” een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling indient indien het van oordeel is dat de veroordeelde een voorwaarde niet heeft nageleefd, terwijl in de laatste volzin is bepaald dat het OM “slechts” van de vordering afziet indien naar zijn oordeel met het wijzigen van de voorwaarden of met een waarschuwing kan worden volstaan. Hieruit volgt dat in de wettelijke regeling het herroepen van de voorwaardelijke invrijheidstelling als regel voorop is gesteld en dat de andere sanctiemodaliteiten – waarop ik nog terugkom – te weten, het wijzigen van de voorwaarden of het geven van een waarschuwing, tot de uitzonderingen behoren.

22. Niettegenstaande die gestrengheid van de wettelijke regeling, blijkt in de praktijk de behoefte te bestaan om ingeval van overtreding van de voorwaarden, niet de vrijheidsstraf ten uitvoer te leggen maar te volstaan met een lichtere sanctie, zoals in dit geval een taakstraf. Als voorbeeld wijs ik op een vonnis van de rechtbank Noord-Holland:

“Hoewel de rechtbank van oordeel is dat, gelet op de bedoeling van tenuitvoerlegging van resterende voorwaardelijke invrijheidsstelling er in beginsel geen plaats is voor omzetting in een taakstraf ziet de rechtbank in voornoemde bijzondere omstandigheden aanleiding om in dit specifieke geval de gevorderde 100 dagen detentie in een werkstraf om te zetten.”5

23. De rechtbank Noord-Holland lijkt in haar vonnis te onderkennen dat omzetting van een tenuitvoerlegging van de resterende vrijheidsstraf in een taakstraf haaks staat op de (onverbiddelijke) geest van de wettelijke regeling. De onderhavige zaak illustreert dat zelfs bij het OM de opvatting leeft dat de wet ruimte laat voor een rechterlijke conversie van het restant van de vrijheidsstraf in een taakstraf.

24. Ook de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling biedt – zij het tot op zekere hoogte – de mogelijkheid gedifferentieerd te reageren op een schending van algemene of bijzondere voorwaarden die aan de voorwaardelijke invrijheidstelling zijn verbonden. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat leidde tot de Wet, wijst op drie sanctiemodaliteiten:

“Van het grootste belang voor de effectiviteit en geloofwaardigheid van de nieuwe regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling is dat het overtreden van de voorwaarden niet zonder gevolgen blijft. Gebrek hieraan leidde immers tot de zo bekritiseerde regeling van vervroegde invrijheidstelling. Het uitgangspunt is derhalve dat steeds een reactie volgt op iedere overtreding van de voorwaarden. Afhankelijk van de ernst van de overtreding van de voorwaarden kunnen drie reacties volgen: herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, wijziging van de bijzondere voorwaarden of een waarschuwing indien er sprake is van een zeer geringe schending van de voorwaarden.”6

25. Indien het OM eenmaal een vordering tot de herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling heeft ingediend, dan resteren echter niet de drie sanctiemodaliteiten die hierboven zijn opgesomd. Voor de rechtbank resten als modaliteiten slechts de vordering af te wijzen of die vordering toe te wijzen. In het laatste geval kan zij overigens nog bepalen dat de veroordeelde het restant van de straf slechts gedeeltelijk zal hebben te ondergaan.

26. De wet voorziet dus niet in de mogelijkheid om het te herroepen gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, om te zetten in een taakstraf. In de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling, die in deze zaak aan de orde is, is niet voorzien in de mogelijkheid die uitdrukkelijk is gegeven in de regeling van – kort gezegd – de voorwaardelijke veroordeling, namelijk om in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, een taakstraf te gelasten. Het hof heeft terecht geconstateerd dat deze in artikel 14g, tweede lid, Sr gegeven mogelijkheid niet van toepassing is.

27. Kortom, naar mijn inzicht laat de wet geen ruimte voor de omzetting in een taakstraf van het te herroepen gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd.

28. De middelen falen.

29. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zou moeten leiden.

30. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Kamerstukken II 1986/87, 20 074, nr. 3, p. 8.

2 Kamerstukken II 2009/10, 32 319, nr. 3, p. 14. Zie ook Rapport van de Commissie Vrijheidsbeperking, Vrijheidsbeperking door Voorwaarden. De voorwaardelijke veroordeling en haar samenhang met de taakstraf, de voorlopige hechtenis en de voorwaardelijke invrijheidstelling, Den Haag: ministerie van Justitie/Sdu 2003, p. 65, waar de “andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende” worden gekwalificeerd als “restvoorwaarde” met een klein domein: “Er is derhalve een restvoorwaarde nodig met als uitgangspunt dat, hoe meer bepaald de overige voorwaarden zijn, des te kleiner het domein van de restcategorie wordt. In het kader van de restcategorie mogen alleen zeer weinig ingrijpende interventies worden toegepast. Dit uitgangspunt past in de noodzaak de straftoemeting verdergaand te normeren: een terughoudende strafrechtstoepassing dwingt tot een bewuste – zo men wil zuinige – toepassing van de voorwaardelijke veroordeling. Doordat de andere genoemde voorwaarden nader zijn omlijnd, is de ruimte van de rechter bij deze restvoorwaarde immers klein.

3 Kamerstukken II 2009/10, 32 319, nr. 3, p. 14.

4 Kamerstukken II 2005/06, 30 513, nr. 3, p. 15.

5 Rb. Noord-Holland 9 september 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:12958.

6 Kamerstukken II 2005/06, 30 513, nr. 3, p. 14.