Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2529

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-10-2015
Datum publicatie
27-01-2016
Zaaknummer
14/01999
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:106, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Noodweer. Onttrekkingsvereiste na aanval met hondenriem. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BI3874 m.b.t. het feit dat van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding niet kan worden gesproken, indien degene die zich verdedigt zich aan de (dreigende) aanranding had kunnen en moeten onttrekken. Hof heeft de verwerping van het beroep op noodweer doen steunen op de grond dat geen sprake is geweest van een noodzaak tot verdediging omdat verdachte zich aan de aanval had kunnen onttrekken. ‘s Hofs kennelijke oordeel dat van verdachte ook mocht worden gevergd zich - nog verdergaand dan hij deed - te (blijven) onttrekken aan de confrontatie, is niet begrijpelijk. HR neemt daarbij in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat aangever verdachte met een hondenriem heeft geslagen, dat verdachte een paar keer heeft getracht zich te onttrekken aan een door aangever gezochte (verdere) confrontatie en dat aangever de confrontatie bleef zoeken hoewel verdachte intussen een mes bij zich had gestoken en dat aan aangever had getoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/01999

Zitting: 6 oktober 2015

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 7 april 2014 de verdachte vrijgesproken van het primair tenlastegelegde en de verdachte wegens subsidiair “zware mishandeling”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarde zoals in het arrest omschreven, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en verdachte dienaangaande een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals in het arrest nader is bepaald.

2. Namens verdachte heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld en bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld. Op 25 augustus 2015 is een fax ontvangen van de raadsman, waarin het tweede middel wordt ingetrokken.

3. Het eerste middel klaagt over de motivering van het bewezenverklaarde nu het “zwaar lichamelijk letsel” niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen en het Hof in strijd met het recht het voegingsformulier van de benadeelde partij tot het bewijs heeft gebezigd.

4. Het Hof heeft ten aanzien van de verdachte subsidiair bewezenverklaard dat:

“hij op 17 augustus 2012 te Amsterdam aan [betrokkene 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een doorgesneden pees en een doorgesneden ader en doorgesneden zenuwen in de linker-onderarm, heeft toegebracht door opzettelijk met kracht met een mes in de arm van voornoemde [betrokkene 1] te steken.”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de navolgende bewijsmiddelen.

“1. Een proces-verbaal van aangifte [met nummer PL133C 2012216234-1] [van 20 augustus 2012], in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] [doorgenummerde pagina’s 066 - 069].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Plaats delict: [a-straat 1] , Amsterdam

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 20 augustus 2012 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

Ik ben op vrijdagavond 17-08-2012 om ongeveer 22:00 uur met een mes gestoken door ene [verdachte] .


Hij kwam op mij af met het mes. Ik heb mij afgeweerd met mijn linkerarm. Daar stak hij toen. In mijn onderarm heeft hij een pees doorgesneden en ook een ader.

2. Een geschrift, zijnde een brief van 18 augustus 2012 opgemaakt door [betrokkene 2] [doorgenummerde pagina’s 180- 181].

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Betreft: [betrokkene 1]

Op 2012.08.17 om 22:18:00 zagen wij bovengenoemde patiënt op onze eerste hulp wegens steekverwondingen.

4. Lichamelijk onderzoek:

drukverband linker elleboog met tourniquet v/d bovenarm, steekwond L elleboog ulnair 5 cm, radiaal 2 cm, a. ulnaris: +, a. radialis + met doptone, NB dropping hand, zonder gevoel dorsaal.

3. Een geschrift, zijnde een voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces op naam van de benadeelde partij [betrokkene 1] .

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik ben gestoken. Ik heb het meest last van de wond aan mijn arm: mijn zenuwen zijn aangetast omdat mijn pees was doorgesneden. Door middel van een operatie hebben de doktoren geprobeerd de pees/zenuwen te herstellen.

4. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 17 april 2013:


Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven (en bezien in samenhang met de desbetreffende pagina’s in het dossier):


Op 17 augustus 2012 te Amsterdam heb ik samen met [betrokkene 1] bij het verkeersbord met een P gestaan, zoals afgebeeld op foto 2, p. 132. Ik ben overgestoken op de plek waar die boom staat. De vechtpartij tussen mij en [betrokkene 1] heeft op de stoep op foto 5, p. 134, plaatsgevonden.


Ik kwam op 17 augustus 2012 van het huis van [betrokkene 3] vandaan en ik ging op de fiets sigaretten voor haar halen. [betrokkene 1] schreeuwde allerlei dingen naar mij toen ik met de fiets terug kwam bij het huis van [betrokkene 3] . Ik zette daarna mijn fiets op slot en toen stond [betrokkene 1] plotseling vlak achter mij.


Ik ben naar mijn fiets gelopen en heb ik uit mijn fietstas een mes gepakt en ben ik naar de overkant gelopen. Ik had dat mes in handen. Ik heb dat mes gebruikt. Ik heb gestoken.

5. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 24 maart 2014:


Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:


Ik heb een mes uit mijn fietstas gepakt en ik ben er mee naar de overkant gelopen. Ik heb het mes opengeklapt toen ik aan de overkant stond.”

6. Om met de tweede klacht in het middel te beginnen. De opvatting in het middel dat een voegingsformulier van de benadeelde partij niet tot het bewijs mag worden gebezigd vindt geen steun in het recht en met name niet in art. 339, eerste lid, Sv en art. 344, eerste lid onder 5º, Sv. De wettelijke regels voor het bewijs sluiten immers niet uit dat een voegingsformulier van de benadeelde partij kan worden aangemerkt als een ander geschrift in de zin van art. 344, eerste lid sub 5º, Sv en aldus tot het bewijs wordt gebezigd.

7. Voor de overige klacht in het middel is de vraag van belang wat onder zwaar lichamelijk letsel moet worden verstaan. Artikel 82 Sr noemt enkele gevallen die onder zwaar lichamelijk letsel zijn begrepen, maar definieert het begrip zelf niet. Blijkens vaste rechtspraak van de Hoge Raad laat die bepaling de rechter de vrijheid om ook buiten die gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid.1 Van belang zijn bijvoorbeeld de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en de aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.2 Omdat – aldus HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8055 – de beantwoording van de vraag of zeker letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt in belangrijke mate is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, kan zijn oordeel dienaangaande in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Zo zal de Hoge Raad als cassatierechter kunnen ingrijpen indien uit de bestreden beslissing niets blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.3

8. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het slachtoffer door verdachte in zijn linker onderarm is gestoken ten gevolge waarvan een pees en een ader zijn doorgesneden en een zenuw is aangetast. In de lagere rechtspraak wordt het doorsnijden van een ader, een pees en zenuwen aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.4 Bewijsmiddel 1 houdt als verklaring van het slachtoffer in dat hij in zijn onderarm is gestoken en dat een pees en een ader is doorgesneden. In het als bewijsmiddel 3 gebruikte voegingsformulier, welk formulier op 15 april 2013 is ondertekend, is het letsel als volgt verwoord: “Ik ben gestoken. Ik heb het meest last van de wond aan mijn arm; mijn zenuwen zijn aangetast omdat mijn pees was doorgesneden. Door middel van een operatie hebben de doktoren geprobeerd de pees/zenuwen te herstellen.”. Bewijsmiddel 2 houdt als constatering van de arts in: “steekwond L elleboog ulnair 5 cm, radiaal 2 cm”. Nu uit deze bewijsmiddelen genoegzaam de aard van het letsel en de aard van het medisch ingrijpen naar voren komt en aannemelijk is dat het slachtoffer geruime tijd nodig heeft gehad voor herstel5, en zelfs een (verder niet nader omschreven) operatie noodzakelijk was, is het niet onbegrijpelijk dat het Hof tot de slotsom is gekomen dat er sprake was van zwaar lichamelijk letsel.6

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel behoeft geen bespreking meer omdat het is ingetrokken.

11. Het derde middel keert zich tegen de verwerping van het beroep op noodweer en noodweerexces.

12. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte blijkens de door hem overgelegde pleitnota aangevoerd, voor zover hier van belang, met weglating van noten:

‘’Noodweer

Om een beroep op noodweer te doen slagen moet allereerst sprake zijn van een aanranding, dat wil zeggen van een feitelijke aantasting van eigen of eens anders lijf goed of eerbaarheid. Deze aanranding moet wederrechtelijk en ogenblikkelijk zijn. De enkele vrees voor een aanranding is onvoldoende grond om een preventieve tegenaanval te rechtvaardigen.

De zinsnede “geboden door de noodzakelijke verdediging” brengt vervolgens de subsidiariteit en de proportionaliteit tot uitdrukking. De verdediging moet noodzakelijk zijn, in die zin dat er geen betere alternatieven voorhanden mogen zijn, zoals bijvoorbeeld vluchten of de politie bellen. Tevens dient de verdediging in redelijke verhouding te staan tot de ernst van de aanranding.

Wederrechtelijke aanranding

In casu erkent cliënt dat hij met een mes heeft gestoken, maar benadrukt hij dat hij gehandeld heeft uit zelfverdediging. Cliënt heeft hierover al bij de politie verklaard:

“Ik had mijn fiets op slot gezet en [betrokkene 1] kwam eraan en hij sloeg mij meerdere malen met de ketting (hondenriem met sleutelbos eraan). Ik ben naar mijn fiets gelopen en heb het mes uit mijn fietstas gehaald. Ik ben de weg overgestoken om afstand van hem te houden. Ik heb het mes opengeklapt en hem gewaarschuwd..............Hij kwam weer op mij af. Ik heb toen weer afstand genomen. Hij kwam weer op mij af en sloeg mij weer. Hij wist dat ik een mes had. Ik heb toen mijn armen om hem heen geslagen en heb hem in zijn rug gestoken.”

Dit wordt ook ondersteund door getuige [getuige] . Uit het dossier, in het bijzonder dus de verklaringen van cliënt en genoemde [getuige] , kan worden afgeleid dat cliënt achterna werd gezeten door aangever en dat hij probeerde te ontkomen. Over de wederrechtelijke aanranding van cliënt door aangever [betrokkene 1] verklaarde zij bij de rechter-commissaris als volgt:

“Toen [verdachte] met zijn fiets aan de hand vlak voor mijn deur stond, hij probeerde zijn fiets op slot te doen, zag ik dat [betrokkene 1] richting hem rende met een fietsketting in zijn hand. Ik zag dat [betrokkene 1] [verdachte] met die fietsketting sloeg."

Deze getuige verklaart dat zij vervolgens tot een tweetal vrienden, die zich in de woning bevonden, wendde om hen hierover te waarschuwen. Nadat zij dit gedaan had, zou ze vervolgens weer uit het raam naar beneden hebben gekeken en gezien hebben dat [betrokkene 1] bloedde.

Hieruit kan in de visie van de verdediging worden afgeleid dat [betrokkene 1] pas gewond is geraakt nadat hij eerst zelf cliënt heeft mishandeld.

Vluchten?

Cliënt had dus reden om zichzelf te verdedigen. Dat cliënt zichzelf verdedigde, was ook noodzakelijk en gerechtvaardigd. Daarbij heeft hij in de visie van de verdediging ook niet de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit overschreden. Immers aangever heeft cliënt met een sleutelbos, meerdere keren achter elkaar, mishandeld. Daar tegenover staat een zelfde soort verdedigingsmiddel, namelijk een klein zakmes waarvan cliënt overigens niet wist dat deze scherp genoeg was om [betrokkene 1] daarmee op deze wijze te verwonden.

De vraag is wellicht of cliënt in voormelde situatie in redelijkheid kan worden verweten niet te zijn gevlucht ?

Welnu, de verdediging stelt zich op het standpunt dat uit het dossier kan worden afgeleid dat cliënt in eerste instantie gevlucht is. Ik verwijs naar de eerder geciteerde verklaring van cliënt. Ook getuige [getuige] verklaart uitdrukkelijk dat aangever achter cliënt rende en dat cliënt probeerde weg te komen, maar toch (steeds) achterna werd gezeten.

Mocht de AG zich op het standpunt stellen dat cliënt ook daarna nog had kunnen en moeten vluchten, dan is het volgende van belang.

Volgens De Hullu bestaat er kritiek op een te groot gewicht voor het vluchtvereiste. Zo meent Machielse dat men in beginsel niet behoeft te vluchten, behoudens tegenindicaties, omdat dat recht doet aan het bijzondere karakter van de noodweer. Als immers de noodweer mede in het teken staat van de rechtsorde handhaving is het onbegrijpelijk dat het accent bij de toetsing der noodzakelijkheid zo wordt gelegd op de mogelijkheid aan de aanrander te ontkomen.

Die opvatting doet natuurlijk ook meer recht aan de werkelijkheid. Want achteraf, in de zittingszaal beoordeeld, kan vluchten immers als een verstandige oplossing worden betiteld, terwijl misschien tegelijkertijd moet worden geoordeeld dat het niet kiezen voor die oplossing door de verdachte op dat moment zo begrijpelijk is geweest.

Het oordeel dat bovendien niet aannemelijk is geworden dat cliënt niet anders kon reageren dan hij heeft gedaan, met name dat hij had kunnen weggaan van de plaats des onheils, is onlangs nog in een arrest van de Hoge Raad (21 november 2006; LJN AX9177) aan de orde geweest. De Hoge Raad overwoog dat de verwerping van het beroep op noodweer omdat van de verdachte mocht worden gevergd dat hij wegliep en hij dat niet had gedaan, niet zonder meer begrijpelijk was, gelet op het feit dat het latere slachtoffer zich agressief jegens de verdachte gedroeg terwijl deze hem juist tot kalmte probeerde te manen. De rechtbank had nader moeten motiveren dat van de verdachte kennelijk onder de gegeven omstandigheden toch mocht worden gevergd dat hij wegliep.

Van belang is dat cliënt in casu al een paar keer was weggerend en dat aangever achter hem aanrende en, net als in genoemde zaak, ook probeerde aangever [betrokkene 1] te waarschuwen. Tevens is van belang dat sprake was van een hectische situatie, waarin de gebeurtenissen elkaar in een razend tempo opvolgden en op enig moment dus die bedreigende situatie ontstond. Er is geen moment van rust geweest om tot bezinning te komen. Alles heeft zich in één doorlopende reeks van gebeurtenissen voltrokken.

Kortom: Er was sprake van een dreigende situatie waarin cliënt werd aangevallen en cliënt direct heeft ingegrepen. Verdediging was noodzakelijk en geboden.

Conclusie: Ik verzoek Uw Hof cliënt te ontslaan van alle rechtsvervolging en het beroep op noodweer te honoreren.

Subsidiair: noodweerexces

Mocht Uw Hof van oordeel zijn dat cliënt de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, dan stelt de verdediging zich op het standpunt dat dat het gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, als gevolg van de aanranding. Daarbij is eveneens van belang dat cliënt schrok van de wederrechtelijke aanranding, pijn had en angstig en boos tegelijk was.

Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat weliswaar aannemelijk moet zijn dat de hevige gemoedsbeweging ten gevolge van de wederrechtelijke aanranding van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging van de verdachte, maar dat niet geheel uitgesloten hoeft te zijn dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die gemoedsbeweging. In casu zouden die andere factoren gelegen kunnen zijn in de achtergrond van het conflict, het gegeven dat aangever cliënt dus al een tijdje lastigviel en al eerder mishandeld heeft en het feit dat aangever in casu steeds achter hem aan bleef zitten. Deze factoren staan niet in de weg aan een rechtsgeldig beroep op noodweer(exces).

De verdediging verzoekt u dan ook, subsidiair, cliënt te ontslaan van alle rechtsvervolging, wegens het bestaan van een situatie van noodweerexces.

Extensief noodweerexces

Indien de AG zich op het standpunt zou stellen dat het moment van de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding al geëindigd was voordat cliënt met het mes stak, geldt dat de verdediging zich op het standpunt stelt dat er dan kan worden gesproken van extensief noodweerexces. De verdediging wijst in dat kader op een uitspraak van uw Hof, het Hof Amsterdam. Uw Hof oordeelde als volgt:

“De verdachte heeft weliswaar de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden door te handelen zoals hij heeft gedaan, omdat de situatie van de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding al was beëindigd en het steken met een mes niet nodig was voor de noodzakelijke verdediging, maar deze overschrijding was het onmiddellijke gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging’’.

Geen culpa in causa

De verdediging stelt zich voorts op het standpunt dat eventuele gedragingen van cliënt voorafgaande aan de wederrechtelijke aanranding door aangever niet in de weg staan aan het slagen van het beroep op noodweer(exces). Cliënt stelt dat hij geen aanval heeft uitgelokt, aangever tevens niet heeft geprovoceerd en al helemaal niet uit was op een fysieke confrontatie met aangever. Van belang daarbij is ook dat cliënt aangever tegen het lijf liep, terwijl hem juist probeerde te ontwijken. Cliënt kon, letterlijk, geen kant op.

De verdediging verzoekt u dan ook, subsidiair, cliënt te ontslaan van alle rechtsvervolging, wegens het bestaan van een situatie van noodweerexces.’’

13. Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

‘’Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadsvrouw heeft een beroep op noodweer gedaan en heeft het hof verzocht de verdachte van alle rechtsvervolging te ontslaan. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte heeft uit zelfverdediging gehandeld. De aangever is pas gewond geraakt nadat hij eerst de verdachte heeft mishandeld. Dit blijkt uit de verklaring van de verdachte bij de politie (pagina 123 van het dossier) en wordt door de verklaring van de getuige [getuige] bij de rechter-commissaris (pagina 2) bevestigd. Dat de verdachte zichzelf verdedigde, was noodzakelijk en gerechtvaardigd. De verdachte heeft daarbij ook niet de grenzen van de proportionaliteit en subsidiariteit overschreden. De aangever heeft de verdachte meerdere malen achter elkaar met een sleutelbos mishandeld, terwijl de verdachte zich met een klein zakmes - waarvan hij overigens niet wist dat dit scherp genoeg was om de aangever op die wijze te verwonden - heeft verdedigd. Uit het dossier blijkt daarnaast dat de verdachte in eerste instantie gevlucht is. Voorts bestaat er in de literatuur kritiek op het toekennen van een te groot gewicht aan het vluchtvereiste en deze stelling vindt ook steun in een arrest van de Hoge Raad van 21 november 2006 (LJN: AX9177). Van belang is dat de verdachte al een paar keer was weggerend en dat de aangever achter hem aan rende. Daarnaast heeft de verdachte de aangever geprobeerd te waarschuwen en er was sprake van een hectische situatie.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan de lezing van de verdachte dat de aangever [betrokkene 1] de confrontatie met de verdachte zelf heeft opgezocht en mogelijk de verdachte heeft geslagen niet worden uitgesloten, zodat het hof hiervan uit zal gaan. Dit laat echter onverlet dat de verdachte blijkens zijn verklaring ter terechtzitting bij het hof, nadat hij door [betrokkene 1] was geslagen met een hondenriem, in staat is geweest aan die kant van de straat een mes uit zijn fietstas te pakken en vervolgens naar de overkant van de straat te lopen, waar [betrokkene 1] op dat moment niet was. Naar het oordeel van het hof had het op de weg van de verdachte gelegen zich vanaf dat moment te (blijven) onttrekken aan een fysieke confrontatie met [betrokkene 1] . Dit heeft hij niet gedaan. Het hof acht de verklaring van de verdachte dat hij hiertoe niet in staat is geweest niet aannemelijk nu deze vaag en weinig specifiek is. Er zijn voorts geen aanknopingspunten dat mogelijke vluchtwegen geblokkeerd waren of dat het voor de verdachte anderszins fysiek niet mogelijk was de confrontatie met [betrokkene 1] te ontlopen en aldus de situatie te voorkomen dat de confrontatie verder zou escaleren door verdachtes gebruik van het mes.

Het beroep op noodweer faalt derhalve nu de verdachte zich aan de aanval van [betrokkene 1] had kunnen onttrekken.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsvrouw heeft subsidiair een beroep op noodweerexces gedaan en heeft het hof verzocht de verdachte van alle rechtsvervolging te ontslaan. De raadsvrouw heeft daartoe betoogd dat - indien het hof van oordeel is dat de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden - dit het gevolg is geweest van de hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt. De verdachte schrok van de wederrechtelijke aanranding, had pijn en was boos.

Meer subsidiair heeft de raadsvrouw - indien het hof van oordeel is dat de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding al geëindigd was voordat de verdachte met het mes stak - een beroep op extensief noodweerexces gedaan.

Het hof verwerpt zowel het beroep op noodweerexces als het beroep op “extensief’ noodweerexces.

Ten aanzien van het beroep op noodweerexces verwijst het hof in dit verband naar hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de mogelijkheid van de verdachte om zich aan de aanval van [betrokkene 1] te onttrekken.

Ten aanzien van het beroep op “extensief noodweerexces” overweegt het hof dat uit het dossier noch het verhandelde ter zitting feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die onderbouwing geven aan de stelling dat het bewezen verklaarde handelen van de verdachte het onmiddellijke gevolg was van een door de voorafgaande confrontatie met [betrokkene 1] veroorzaakte heftige gemoedsbeweging, noch is dit overigens aannemelijk geworden. Het handelen van de verdachte was derhalve niet verontschuldigbaar.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die dé strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.’’

14. Bij de beoordeling van het middel dient voorop te staan dat de vraag of de verdachte zich aan de aanranding had kunnen en moeten onttrekken, niet in algemene zin is te beantwoorden. Het komt aan op de omstandigheden van het geval.7 Met betrekking tot wat bekend staat als het vluchtvereiste of de onttrekkingseis kan een onderscheid gemaakt worden tussen een feitelijke en een normatieve vraag: bestond de mogelijkheid te vluchten (feitelijke vraag) en was de aangerande gehouden te vluchten (normatieve vraag)?8

15. Het middel zelf beperkt zich met name tot klachten over het feitelijk oordeel van het Hof inzake de onttrekkingseis en in het bijzonder over de door het Hof aangelegde maatstaf voor het zich onttrekken aan de noodweersituatie.

16. Het Hof neemt bij de beoordeling van het beroep op noodweer(exces) tot feitelijk uitgangspunt de lezing van de verdachte dat de aangever [betrokkene 1] de confrontatie met de verdachte zelf heeft opgezocht en mogelijk de verdachte heeft geslagen. Het Hof is met het zelf vaststellen van de voor de beoordeling van het beroep op noodweer(exces) relevante feiten en omstandigheden nogal kort van stof. Met de lezing van verdachte moet het Hof onder meer doelen op hetgeen in het pleidooi uit de verklaring van verdachte bij de politie is geciteerd. Dat kent vooraf aan het steken met een mes een viertal stadia:

(a) verdachte zet zijn fiets op slot; [betrokkene 1] (het latere slachtoffer) komt er aan en [betrokkene 1] slaat verdachte met een ketting (hondenriem met sleutelbos);

(b) verdachte loopt naar zijn fiets en pakt een mes uit de fietstas;

(c) verdachte loopt naar de overzijde van de straat om afstand te scheppen; hij klapt het mes open en waarschuwt [betrokkene 1] ;

(d) [betrokkene 1] komt (weer) op verdachte af en verdachte neemt afstand; [betrokkene 1] slaat hem opnieuw.

17. In de feitelijke benadering van het Hof ligt besloten dat het handelen van [betrokkene 1] een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte oplevert. Het Hof maakt bij de vaststelling van de feiten geen nader onderscheid tussen de twee momenten waarop de geweldpleging van de kant van [betrokkene 1] plaatsvindt. Het beroep op noodweer(exces) stuit hier volgens het Hof niet reeds af op het ontbreken van een noodweersituatie. In cassatie moet er daarom verder van uit worden gegaan dat de feitelijke situatie in zijn geheel in juridische termen een noodweersituatie opleverde. Het beroep op noodweer(exces) stuit, hoewel het Hof ook dat niet erg expliciet maakt, af op de proportionaliteit. De verdediging was niet geboden.

18. Voor wat betreft de vraag of verdediging geboden is, staat namelijk de volgende passage uit de overweging van het Hof centraal: “Naar het oordeel van het hof had het op de weg van de verdachte gelegen zich vanaf dat moment te (blijven) onttrekken aan een fysieke confrontatie met [betrokkene 1] . Dit heeft hij niet gedaan. Het Hof acht de verklaring van de verdachte dat hij hiertoe niet in staat is geweest niet aannemelijk nu deze vaag en weinig specifiek is.” De eerste zin in deze overweging omschrijft de normatieve eis: van verdachte wordt gevergd dat hij zich eenmaal aan de overkant van de weg blijvend aan de fysieke confrontatie met [betrokkene 1] onttrekt. De tweede zin in deze overweging maakt duidelijk dat de fysieke onttrekking ook daadwerkelijk realiseerbaar was. Dat is een feitelijk oordeel en het is juist dat het Hof in aansluiting op het normatieve oordeel ook feitelijk nagaat of vluchten daadwerkelijk mogelijk was. Dat het Hof in de onderhavige zaak tot het oordeel is gekomen dat verdachte in staat was zich te onttrekken is in het licht van hetgeen is aangevoerd niet onbegrijpelijk. Immers fysieke beletselen om weg te lopen zijn niet aangevoerd of aannemelijk geworden. Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het.

19. Naast de klacht over de door het Hof aangelegde maatstaf voor het zich onttrekken aan de noodweersituatie ontwaar ik in de toelichting op het middel (midden op p. 15 van de schriftuur), welwillend gelezen, nog de klacht dat het in de motivering besloten liggende oordeel van het Hof dat van verdachte in de gegeven omstandigheden mocht worden gevergd dat hij zich bleef onttrekken aan een fysieke confrontatie met het slachtoffer, niet zonder meer begrijpelijk is. Juist dit punt is interessant. Over het al dan niet bespreken van dit punt kan worden getwijfeld, te meer nu zoals gezegd de argumentatie hiervan in de schriftuur beperkt is en evenmin in feitelijke aanleg de onttrekking is gezet in de sleutel van het normatieve aspect van het onttrekkingsvereiste. Evenwel dit punt behoeft naar mijn mening wel bespreking. Voor het geval de Hoge Raad het middel met dezelfde welwillendheid zou willen lezen, het volgende.

20. Zoals hierboven onder 14 weergegeven is de vraag of de aangerande gehouden was te vluchten normatief van aard. De invulling van het normatieve aspect van het onttrekkingsvereiste kan met meer of minder strengheid geschieden. Bepleit wordt wel een redelijkheidstoets aan te leggen: kan gelet op de feiten en omstandigheden in redelijkheid worden gevergd dat iemand zich onttrekt?9 Hoe ver moet je gaan als vluchten nog kan? Is het redelijk om van verdachte te eisen dat hij niet alleen aan de overkant van de weg gaat staan, maar dat hij zich nog veel verder verwijdert, zelfs als hij ook aldaar als de verdachte op hem afkomt afstand neemt? De beantwoording van deze meer toegespitste normatieve vraag is mede afhankelijk van de feiten en omstandigheden.

21. De door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden zijn summier: dat verdachte zich had moeten onttrekken aan een fysieke confrontatie met [betrokkene 1] heeft het Hof afgeleid uit het feit dat verdachte nadat hij door [betrokkene 1] was geslagen met een hondenriem in staat is geweest om aan die kant van de straat uit zijn fietstas een mes te pakken en vervolgens naar de overkant van de straat te lopen waar [betrokkene 1] op dat moment niet was. Deze enkele omstandigheden, zonder nadere specificering van de situatie ter plaatse - zoals hoe ver was verdachte weggelopen, waar stond de fiets van verdachte, hoe breed was de straat – dwingen niet zonder meer tot de gevolgtrekking dat onder deze omstandigheden ook van verdachte mocht worden gevergd (cursivering PV) dat hij zich onmiddellijk geheel zou onttrekken aan de situatie. Kennelijk meent het Hof dus dat verdachte ook niet aan de overzijde van de straat had mogen blijven staan. Hij had moeten verdwijnen met achterlating van zijn fiets. In de redenering van het Hof is het niet voldoende dat verdachte aan de overkant van de weg staande als [betrokkene 1] opnieuw op hem afkomt afstand neemt. In het licht van de summier vastgestelde omstandigheden van het geval had het naar mijn mening in de rede gelegen als het Hof had uitgelegd waarom verdachte niet aan de overzijde van de weg mocht gaan staan, maar ervandoor had moeten gaan. Aldus bezien is de verwerping van het beroep op noodweer(exces) ontoereikend gemotiveerd.

22. Het middel slaagt.

23. Nu het derde middel slaagt, behoeft het vierde middel, dat klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden, geen bespreking. Het tijdsverloop kan immers bij de nieuwe behandeling van de zaak aan de orde worden gesteld.

24. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Het tweede middel is ingetrokken. Het derde middel is terecht voorgesteld, terwijl het vierde middel buiten bespreking kan blijven. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

25. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof, teneinde deze op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie o.m. HR 8 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC0248, NJ 1978/103 en HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8055.

2 Vgl.: HR 12 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1562, NJ 1999/828; HR 16 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5802, NJ 2000/510; HR 5 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AD4675, NJ 2001/99 en HR 12 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD2100.

3 Zie bijvoorbeeld HR 16 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5802, NJ 2000/510.

4 Vgl. ECLI:NL:GHARN:2012:BY1484, ECLI:NL:RBHAA:2011:BS8797 en ECLI:NL:RBHAA:2009:BK1576.

5 Op het voegingsformulier, dat op 15 april 2013 – dus 8 maanden na het bewezenverklaarde feit – is ondertekend, volgt dat de benadeelde partij nog steeds zijn hand/vingers niet goed kan gebruiken en niet kan strekken.

6 Voorts wijs ik nog op de verklaring van aangever afgelegd bij de rechter-commissaris op 26 februari 2013, die zich achter de zogeheten papieren muur bevindt, waarin aangever heeft verklaard dat hij zijn hand niet meer goed kan gebruiken, dat hij fysiotherapie krijgt en dat de fysiotherapeut heeft gezegd dat het (naar ik aanneem herstel) nog wel twee jaar gaat duren.

7 HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7944, NJ 2012/380 r.o. 2.7. onder verwijzing naar HR 6 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BM7508, NJ 2010/301 m.nt. M.J. Borgers r.o. 2.4.1. Zie ook J.P. Balkema e.a., ‘Vluchten kan niet meer’, in J.W. Fokkens e.a. (red.), Ad hunc modem. Opstellen over materieel strafrecht. Liber amicorum A.J. Machielse, Deventer: Kluwer 2013, p. 1 e.v.

8 J.P. Balkema e.a., a.w. p. 8.

9 Zie J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer 2015, p. 325 ; zie ook J.P. Balkema e.a., a.w. p. 11.