Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2526

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
18-12-2015
Datum publicatie
26-02-2016
Zaaknummer
15/05484
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:343, Contrair
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. WSNP. Toelating en beroep op hardheidsclausule afgewezen. Art. 288 lid 3 Fw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 15-05484 (WSNP)

mr. Wuisman

zittingdatum: 18 december 2015

CONCLUSIE inzake:

[verzoeker],

verzoeker tot cassatie,

advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven.

1. Voorgeschiedenis

1.1 Omtrent verzoeker tot cassatie (hierna: Verzoeker) blijkt uit de overgelegde stukken onder meer het volgende:

- Verzoeker is (omstreeks) 52 jaar oud en tot omstreeks 2000 gehuwd geweest. Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren, die bij de ex-echtgenote wonen. Verzoeker heeft een onderhoudsverplichting jegens de kinderen. Aanvankelijk was deze vastgesteld op een totaalbedrag van € 1.735,- per maand, maar is daarna op een zeker moment verlaagd naar een bedrag van € 275,- per kind per maand en bij een beschikking van 10 december 2014 naar € 25,- per kind per maand.

- Verzoeker was aanvankelijk werkzaam als tegelzetter in loondienst, maar is per 1 augustus 2008 als zzp-er aan de slag gegaan. Tot 16 september 2013 exploiteerde hij de eenmanszaak [A].

- In 2013 is het rijbewijs van Verzoeker ingenomen in verband met rijden onder invloed.

- Momenteel ontvangt Verzoeker een uitkering uit hoofde van de Participatiewet.

1.2 Bij verzoekschrift van 25 juni 2015 heeft Verzoeker zich tot de rechtbank Midden-Nederland gewend met het verzoek om tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Op dat moment had hij een schuldenlast van € 57.048,74. Daaronder hoorden onder meer een schuld van € 32.113,49/34.000,- aan het Landelijk Bureau Incasso Onderhoudsbijdragen (LBIO), ontstaan doordat Verzoeker vanaf 2000 zijn onderhoudsverplichting jegens de kinderen niet was nagekomen, een schuld van € 3.135,63 aan de zorgverzekeraar CVZ, een schuld van € 3.634,13/4.015,28 aan Visa Card en een schuld van € 11.374,98 aan Pleitmeesters B.V.

1.3 Bij vonnis d.d. 31 augustus 2015 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat Verzoeker niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en laten voortbestaan van schulden in de periode van vijf jaren voorafgaande aan het verzoek om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Hem is, aldus de rechtbank, een verwijt te maken van het kwijtraken van het rijbewijs en daarmee ook van de aanzienlijke verkleining van zijn kansen op de arbeidsmarkt en van het reeds lange tijd niet voldoende inkomsten genereren om tijdig schulden af te lossen. Bovendien liet Verzoeker in de tijd dat hij wel nog voldoende inkomsten genoot, ook na schulden te voldoen, zoals die betreffende de kinderalimentatie. Verder overweegt de rechtbank dat onvoldoende is gebleken van omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen.

1.4 Verzoeker is van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem. Hij bestrijdt het niet goede trouw-oordeel van de rechtbank en doet verder een beroep op de ‘hardheidsclausule’ van artikel 288 lid 3 Fw.

1.5 In zijn arrest d.d. 19 november 2015 beslist het hof tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank. Ook het hof is, zij het op andere gronden, van oordeel dat Verzoeker niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het doen ontstaan en laten voortbestaan van schulden. Het beroep op de ‘hardheidsclausule’ van artikel 288 lid 3 Fw wijst het hof eveneens af. Daartoe overweegt het hof in rov. 3.6 onder meer:

“Artikel 288 lid 3 Fw. is aan de wet toegevoegd met het oog op – in het bijzonder, doch niet uitsluitend – personen met verslavings- en/of psychosociale problemen die de omstandigheden die bepalend waren voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle hebben gekregen. Wil een beroep op artikel 288 lid 3 Fw slagen, dan is in het algemeen vereist dat de schuldenaar een zekere (persoonlijke) ontwikkeling heeft doorgemaakt die zich toont in het feit dat hij greep heeft gegrepen op de omstandigheden die hem in financiële problemen hebben gebracht. De daartoe door [Verzoeker] gestelde ontwikkelingen – zijn financiële situatie is mede door het inroepen van hulp gedurende anderhalf tot twee jaren stabiel, de alimentatieschuld loopt niet meer op, er ontstaan geen nieuwe schulden meer, enkele schulden zijn inmiddels afgelost en hij verricht de nodige sollicitaties om aan betaald werk te komen – zijn op zichzelf positief, maar onvoldoende om te kunnen spreken van een (persoonlijke) ontwikkeling, zoals hiervoor bedoeld.”

1.6 Met een op 26 november 2015 bij de griffie van de Hoge Raad – en daarmee tijdig – binnengekomen verzoekschrift tot cassatie heeft Verzoeker cassatieberoep tegen het arrest van het hof ingesteld.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel omvat twee onderdelen. Eerst zal bij onderdeel 2 worden stilgestaan.

onderdeel 2

2.2

In onderdeel 2 wordt aangenomen dat het hof artikel 288 lid 3 Fw ook van toepassing acht buiten situaties waarin sprake is van verslavings- en/of psychosociale problemen. Die aanname is juist. Bovendien blijkt van de toepasselijkheid van artikel 288 lid 3 Fw buiten de zojuist genoemde situaties nog uit het op 20 november 2015 uitgesproken arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2015:3338).

2.3

Voor het geval dat het hof voor wat betreft de toepasselijkheid van artikel 288 lid 3 Fw ‘de lat hoger legt’, dus strengere eisen stelt, voor personen als [verzoeker] dan voor personen met verslavings- en/of psychosociale problemen, wordt er in onderdeel 2 over geklaagd dat het hof daarmee blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Deze klacht faalt wegens gemis aan feitelijke grondslag. In het arrest van het hof is geen aanwijzing te vinden dat het Hof de opvatting is toegedaan dat aan de toepasselijkheid van artikel 288 lid 3 Fw strengere eisen zijn te stellen bij andere personen dan personen met verslavings- en/of psychosociale problemen.

onderdeel 1

2.4

In onderdeel 1 wordt erover geklaagd dat het oordeel van het hof, dat hem niet voldoende is gebleken dat zich bij Verzoeker de (persoonlijke) ontwikkeling heeft voorgedaan die toont dat hij greep heeft gekregen op de omstandigheden die hem in financiële problemen hebben gebracht, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is in het licht van de door Verzoeker gestelde en het hof aangehouden omstandigheden, te weten dat zijn financiële situatie mede door het inroepen van hulp (waaronder budgetbeheer) gedurende anderhalf tot twee jaren stabiel is, dat hij een uitkering geniet, dat de kinderalimentatie is vastgesteld op € 25,- per kind per maand en de alimentatieschuld niet meer oploopt, dat er geen nieuwe schulden meer ontstaan, dat enkele schulden inmiddels zijn afgelost en dat hij de nodige sollicitaties verricht om aan betaald werk te komen. Voor de bij Verzoeker opgetreden ontwikkeling wordt ook verwezen naar het als productie 6 in appel overgelegde verslag van de begeleider van Verzoeker.

2.5

Het hof beoordeelt de bij Verzoeker opgetreden ontwikkeling positief maar toch onvoldoende om te kunnen spreken van een (persoonlijke) ontwikkeling “zoals hierboven bedoeld”. Met dit laatste doelt het hof op een (persoonlijke) ontwikkeling die toont dat de schuldenaar die om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling verzoekt, in casu Verzoeker, greep heeft gekregen op de omstandigheden die hem eerder in financiële problemen hebben gebracht. Waarom het hof dit laatste nog niet het geval acht bij Verzoeker, zet het hof niet nader uiteen.

2.6

Onder het in financiële problemen geraakt zijn van Verzoeker is te dezen te verstaan dat Verzoeker zijn financiële verplichtingen niet is nagekomen, zodat er schulden zijn ontstaan. Uit het arrest van het hof en de overige processtukken valt af te leiden dat één van de redenen dat Verzoeker in die financiële problemen is geraakt, is dat, nadat hij in 2008 als zzp-er aan de slag is gegaan, zijn inkomsten vanaf 2011 steeds verder terugliepen vanwege het afnemen van werkopdrachten en eind 2012 geheel wegvielen. Daarna heeft hij nog lange tijd getalmd met het uitschrijven van zijn onderneming en met het aanvragen van een WWB-uitkering. Voor wat de aanzienlijke alimentatieschuld betreft, valt het ontstaan daarvan mede te verklaren uit het gedurende een lange periode niet bereid zijn de alimentatie te voldoen, hoewel de middelen daarvoor wel aanwezig waren, en uit het niet tijdig ondernemen van stappen om tot vaststelling in rechte van een lagere alimentatie te komen, toen zijn draagkracht afnam.

2.7

De door het hof in aanmerking genomen omstandigheden houden, zoals hierboven al vermeld, in dat de financiële situatie van Verzoeker mede door het inroepen van hulp gedurende al anderhalf tot twee jaren stabiel is, wat mede hierop neerkomt dat Verzoeker een uitkering van € 912,79 netto per maand uit de Participatiewet geniet, hij de nodige sollicitaties verricht, de kinderalimentatie per kind per maand op een aanmerkelijk lager bedrag heeft laten vaststellen, de alimentatieschuld niet meer oploopt, enkele schulden zijn afgelost en andere schulden niet meer staan. Deze huidige financiële situatie als door het hof zelf weergegeven laat zien dat Verzoeker duidelijk veel meer grip heeft gekregen op zijn financiële situatie, zowel aan de kant van de inkomsten als aan de kant van de uitgaven, waaronder die ten behoeve van de alimentatie. Nu het hof zelf ervan uitgaat dat er al gedurende een periode van anderhalf tot twee jaren sprake is van een stabiele financiële situatie bij Verzoeker, mag worden verlangd dat het hof nader zou hebben toegelicht waarom hij desondanks van oordeel is dat de hiervoor geschetste ontwikkeling bij Verzoeker toch niet voldoende is om te kunnen spreken van een (persoonlijke) ontwikkeling die toont dat hij weer greep heeft gekregen op de omstandigheden die hem in de financiële problemen hebben gebracht. Er leven kennelijk aarzelingen bij het hof. Gelet op het belang dat Verzoeker onmiskenbaar bij toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling heeft, mag worden verlangd dat het hof die aarzelingen uitspreekt en zo zijn uiteindelijke beslissing meer toetsbaar maakt.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden