Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2516

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-12-2015
Datum publicatie
22-01-2016
Zaaknummer
15/02120
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1207, Contrair
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is, middellijk door Landgoed BV (hierna: de BV), eigenaar van een NSW-landgoed. Het NSW-landgoed bestaat uit bos, natuurterrein, landbouwgrond en een stuk grond waarop een golfcomplex is gerealiseerd. De BV heeft het golfcomplex via een andere BV aan een stichting verhuurd, die een gebruiksrecht op het golfcomplex verleend heeft aan een golfclub.

In geschil is of belanghebbende aanspraak kan maken op de in artikel 5.7, eerste lid, onderdeel c Wet IB 2001 vervatte vrijstelling voor tot een NSW-landgoed behorende onroerende zaken. Volgens de Inspecteur is door de verhuur van het golfterrein geen sprake van volledig eigendom en kan dientengevolge de vrijstelling niet toegepast worden.

Het Gerechtshof Den Haag stelt voorop dat uit het systeem van de Wet IB 2001 (artikel 5.7 in verbinding met artikel 5.3) en de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de vrijstelling uitsluitend van toepassing is als sprake is van volledig eigendom van de onroerende zaak. Het Hof verwerpt het standpunt van de Inspecteur dat verhuur de vrijstelling blokkeert. Het huurrecht − een persoonlijk gebruiksrecht – maakt immers geen inbreuk op het zakelijk recht van eigendom dat rust op de grond. Bovendien is het Hof het niet met de Inspecteur eens dat de BV niet het volledige economische belang bij het NSW-landgoed heeft. Het hoger beroep van de Inspecteur is ongegrond.

A-G Niessen stelt vast dat het NSW-landgoed ingevolge artikel 10.9 Wet IB 2001 toegerekend wordt aan belanghebbende, en dat aldus getoetst moet worden of belanghebbende recht heeft op de NSW-vrijstelling. De A-G leidt uit de parlementaire behandeling af dat voor begrippen die gebuikt zijn in het kader van het vaststellen van het bezit in hoofdstuk 5 Wet IB 2001, in beginsel het civiele begrip leidend is. Hij leidt echter uit dezelfde parlementaire behandeling af dat in het geval van het begrip ‘(onroerende) zaak’, zoals gebruikt in artikel 5.3, tweede lid, onderdeel a Wet IB 2001, een afwijking van het civiele recht is gerechtvaardigd. De A-G meent dat slechts sprake is van een ‘zaak’ in vorenbedoelde zin in de situatie dat de belastingplichtige het volledige gebruiks- en genotsrecht én het gehele belang bij de waardemutatie van een goed heeft (volledig eigendom). De A-G meent dat ook een huurrecht een genotsrecht is. Dit blijkt zowel uit de wetsgeschiedenis als uit de wetsystematiek. De A-G stelt dat het begrip ‘zaak’ zoals hierboven gedefinieerd, voor toepassing van de NSW-vrijstelling gelijkluidend is. Dit leidt tot de conclusie dat een verhuurd NSW-landgoed niet vrijgesteld wordt. Het eerste middelonderdeel van de Staatssecretaris, bestaande uit de stelling dat verhuur de NSW-vrijstelling blokkeert, slaagt hierom. Ten overvloede gaat de A-G in op het tweede middelonderdeel. Daarin bestrijdt de Staatssecretaris het oordeel van het Hof, inhoudende dat, in het geval dat bij het einde van de verhuur de meer- c.q. minderwaarde van de investeringen in en op de grond verrekend moeten worden met de huurder, de NSW-vrijstelling alsnog toepassing vindt. De A-G meent dat het oordeel van het Hof, dat in feite slechts een vergoedingsregeling is overeengekomen, niet onbegrijpelijk is of onvoldoende gemotiveerd. Dat oordeel, waarin besloten ligt dat het economisch belang niet verschoven is naar de huurder, leidt het Hof tot de conclusie dat de vrijstelling wel van toepassing is. Deze gevolgtrekking geeft zijns inziens, gelet op de hierboven gegeven definitie van het begrip ‘zaak’, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het tweede middelonderdeel faalt derhalve.

De conclusie strekt tot het gegrond verklaren van het beroep in cassatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/197
V-N 2016/9.12 met annotatie van Redactie
FutD 2016-0196
prof.dr. J.P. Boer annotatie in NTFR 2016/554
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

mr. R.E.C.M. Niessen

Advocaat-Generaal

Conclusie van 17 december 2015 inzake:

Nr. Hoge Raad: 15/02120

Nr. Gerechtshof: BK-14/00571

Staatssecretaris van Financiën

Nr. Rechtbank: SGR 13/4778

Derde Kamer A

tegen

Inkomstenbelasting/premie volksverz. 2008

[X]

1 Inleiding

1.1

[X] (hierna: belanghebbende) te [Z] was in het jaar 2008 middellijk mede-eigenaar van een ingevolge de Natuurschoonwet 1928 (hierna: NSW) aangewezen landgoed, [B] (hierna het NSW-landgoed).

1.2

Aan belanghebbende is – mede ten aanzien van het hierboven genoemde landgoed – voor het jaar 2008 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) met dagtekening 30 maart 2012 opgelegd, berekend naar een inkomen uit sparen en beleggen van € 148.466.

1.3

De Inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende tegen genoemde aanslag bij uitspraak van 8 mei 2013 afgewezen.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank). Bij uitspraak van 17 april 2014 heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard en het inkomen uit sparen en beleggen vastgesteld op € 128.016.1

1.5

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof). Bij uitspraak van 31 maart 2015 heeft het Hof het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.2

1.6

De staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Staatssecretaris heeft niet gerepliceerd.

1.7

Het geschil in cassatie betreft de vraag of het verhuren van het NSW-landgoed, dan wel het feit dat het risico op waardemutatie en tenietgaan belanghebbende niet (volledig) aan zouden gaan, in de weg staat aan toepassing van de in artikel 5.7, eerste lid, onderdeel c Wet IB 2001 vervatte vrijstelling voor NSW-landgoederen (hierna ook: de NSW-vrijstelling).

2 De feiten en het geding in feitelijke instanties

2.1

De feiten zijn, voor zover van belang, door het Hof als volgt vastgesteld:

3.1.

Belanghebbende is één van de vier aandeelhouders van [A] B.V. (hierna; de BV).

3.2.

De BV is eigenaar van een ingevolge de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed, [B] (hierna: het NSW-landgoed). Het NSW-landgoed is ongeveer 355 hectare groot en bestaat uit bos, natuurterrein, landbouwgrond en een stuk grond van ongeveer 58 hectare waarop een golfcomplex is gerealiseerd.

3.3.

De waarde van de golfgronden bedraagt per 1 januari 2008 en 31 december 2008 € 2.045.000. Hierbij is rekening gehouden met de bestemming golfterrein.

2.2

Daarnaast behoren tot de stukken van het geding de volgende overeenkomsten:3

‒ een huurovereenkomst van het golfcomplex tussen de BV en huurder [C] BV;

‒ een (sub)huurovereenkomst van het complex tussen [C] BV en de Stichting [E] (hierna: de Stichting);

‒ een gebruiksovereenkomst ten aanzien van het complex tussen [C] BV en Vereniging [F] (hierna: de vereniging), en

‒ een financieringsovereenkomst ten aanzien van investeringen in en onderhoud aan het golfcomplex tussen [C] BV en de vereniging.

2.3

In samenhang bezien komt ingevolge de overeenkomsten het gebruiksrecht van het golfcomplex (alsmede van de op dat complex aanwezige opstallen) toe aan de Stichting en aan de vereniging. Het onderhoud van het golfcomplex, exclusief de opstallen, wordt verricht door [C] BV. Het onderhoud van de opstallen geschiedt door de Stichting. Daarnaast voorzien de contracten in een regeling ter financiering van zaken aangaande het golfcomplex. Deze, in samenhang beschouwd met de andere overeenkomsten, bevat een vergoedingsregeling ter zake van de gedurende de verhuurperiode gerealiseerde investeringen, waarbij de BV een vergoeding betaalt. Deze regeling, zo heeft het Hof geoordeeld, komt neer op een ‘vergoedingsregeling (…) voor de investering van de huurder in de golfbaaninrichting, van welke investering(en) de BV door natrekking eigenaar is geworden, waarbij de omvang van die vergoeding wordt begrensd door het verschil tussen de vrije waarde van het gehele golfcomplex en de waarde van de grond per dat moment.’4

2.4

De overige feiten zijn, voor zover van belang, door het Hof als volgt vastgesteld:

3.8.

Het NSW-landgoed wordt op grond van artikel 10.9 Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) juncto artikel 23 Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen van de aandeelhouders van de BV (transparence fiscale).

3.9.

Belanghebbende, heeft voor het jaar 2008 aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 120.018.

3.10.

Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur de volgende correcties toegepast:

Aangegeven rendementsgrondslag: € 3.000.451

Bij: meerwaarde gebouwde eigendommen [B] € 302.970

Bij; waarde inventaris, overige vorderingen en liquide middelen € 16.974

Bij: waarde niet-vrijgestelde grond € 511.250

Af: meer in aanmerking te nemen schulden € 119.990

Totale rendementsgrondslag € 3.711.655

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (* 4%) € 148.466

3.11.

Belanghebbende is in bezwaar gekomen tegen de correctie betreffende het niet-toepassen van de vrijstelling als bedoeld in artikel 5.7, lid 1, letter c, Wet IB 2001 (de NSW-vrijstelling) ten aanzien van de golfgronden en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat een waarde van (25 % van € 2.045.000 =) € 511.250 niet tot de rendementsgrondslag behoort.

Hof

2.5

Het Hof heeft, voor zover in cassatie van belang, als volgt geoordeeld:

7.7.1.

Het standpunt van de Inspecteur dat wegens de verhuur de vrijstelling niet van toepassing is op de golfgronden aangezien belanghebbende niet de volle eigendom van de grond heeft, wordt verworpen.

7.7.2.

Het onderhavige huurrecht - een persoonlijk gebruiksrecht - maakt immers geen inbreuk op het zakelijke recht van eigendom dat rust op de grond. Er is geen aanleiding om voor de uitleg van de onderhavige vrijstellingsbepaling af te wijken van de gangbare, op het civiele recht gebaseerde uitleg van het begrip 'volle eigendom'.

7.7.3.

Weliswaar heeft de staatssecretaris ook voor de toepassing van de vrijstelling tijdens de parlementaire behandeling opgemerkt dat deze alleen geldt als de belastingplichtige het volledige belang bij alsmede het gebruik en genot van een zaak heeft (zie 7.6.2, 1e citaat), maar uit hetgeen daarna is opgemerkt blijkt dat de staatssecretaris daarmee enkel heeft bedoeld de vrijstelling te beperken tot de waarde van de desbetreffende zaak en niet tot allerhande rechten die (geheel of gedeeltelijk) op (het gebruik of de waardemutatie van) die zaak betrekking hebben. De staatssecretaris wilde voorkomen dat "arbitrageruimte" zou ontstaan en dat constructies zouden worden toegepast. Dit volgt ook uit het systeem van de wet: in artikel 5.3, lid 2, Wet IB 2001 wordt een onderscheid gemaakt tussen 'zaken' (letter a) en 'rechten die op zaken betrekking hebben' (letter b), terwijl de vrijstellingsbepaling van artikel 5.7, lid 1, letter c, Wet IB 2001 alleen ziet op (onroerende) 'zaken'. In het onderhavige geval doet zich niet het geval voor dat een belastingplichtige de vrijstelling wil toepassen op een recht dat betrekking heeft op, bijvoorbeeld, het gebruik van de onroerende zaak. Daarenboven zij opgemerkt dat de BV, gelet op de huurpenningen die zij ontvangt, het genot van de onroerende zaak heeft behouden.

(…) 7.9. De Inspecteur heeft voorts betoogd dat de vrijstelling toepassing mist omdat de BV niet het volledige belang bij de waardemutatie heeft door de in de onderhavige huurovereenkomsten opgenomen vergoedingsregeling. Volgens deze regeling dient na afloop van de verhuur door de verhuurder een vergoeding te worden betaald voor de investeringen in het golf- complex, zodat gedurende de looptijd van de overeenkomsten niet de BV maar (uiteindelijk) vereniging [F] het risico van waardemutatie van de investeringen in de golfbaaninrichting aangaat. Ten aanzien van dit subsidiaire betoog van de Inspecteur overweegt het Hof als volgt.

7.10.

[C] BV en vereniging [F] (hierna ook: de golfclub) hebben een Overeenkomst van Financiering gesloten (zie 3.6). Het golfcomplex is voor rekening van [C] BV aangelegd, maar de golfclub heeft hiervoor een renteloze lening verstrekt aan [C] BV. Ook toekomstige bijkomende investeringen worden gefinancierd door de golfclub (zie artikel 4 van de Overeenkomst van Financiering). Op grond van het bepaalde in artikel 8 van de Overeenkomst van Financiering is [C] BV bij beëindiging van de overeenkomst aan de golfclub - naast hetgeen uit hoofde van de leningen moet worden voldaan - een vergoeding verschuldigd die gelijk is aan de vrije verkoopwaarde van het onderhavige gehele golfcomplex ten tijde van de beëindiging verminderd met de waarde van de grond op een landgoed met de onherroepelijke bestemming golfterrein (alsmede verminderd met per die datum openstaande schulden van [C] BV aan de bank en aan de golfclub). Op grond van het bepaalde in artikel 7 van de Huurovereenkomst [C] BV is de verhuurder van de golfgronden, de BV, bij beëindiging van de overeenkomst een vergoeding verschuldigd aan de huurder, [C] BV, voor zover [C] BV een vergoeding verschuldigd is aan de golfclub.

7.11.

Aangezien ten aanzien van het golfcomplex (de golfinrichting) geen recht van opstal is gevestigd, is de eigenaar van de grond (de BV) tevens eigenaar geworden van het golfcomplex. De BV is door natrekking juridisch eigenaar geworden van de investering in de golfgronden. Derhalve gaan ook de waardemutaties in de golfinrichting de BV aan, ook al zijn die investeringen door de huurder aangebracht. Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat de partijen bij de overeenkomsten niet meer dan een vergoedingsregeling zijn overeengekomen voor de investering van de huurder in de golfbaaninrichting, van welke investering(en) de BV door natrekking eigenaar is geworden, waarbij de omvang van die vergoeding wordt begrensd door het verschil tussen de vrije waarde van het gehele golfcomplex en de waarde van de grond per dat moment. De vergoedingsregeling is een persoonlijk recht en maakt geen inbreuk op het zakelijk recht van eigendom. Dat de vergoedingsregeling is gerelateerd aan voormelde waarden doet hieraan niet af.

3 Het geding in cassatie

3.1

De Staatssecretaris stelt één middel van cassatie voor, inhoudende dat het Hof ten onrechte, dan wel op gronden die die beslissing niet kunnen dragen, heeft beslist dat de NSW-vrijstelling ook van toepassing is in een geval – zoals van belanghebbende – waarin een onroerend goed verhuurd is en bij het einde van de verhuur de waardemutaties van investeringen in en op de grond verrekend moeten worden met de huurder.

3.2

Blijkens de toelichting op het middel is de Staatssecretaris van mening dat de contractuele verplichtingen van [C] BV ten aanzien van de huurder tot gevolg hebben dat het volledige economische eigendom van de golfbaan niet bij [C] BV berust en dat dit op zichzelf beschouwd eveneens tot gevolg heeft dat de NSW-vrijstelling niet van toepassing is in het geval van belanghebbende.

4 Wet- en regelgeving, parlementaire behandeling, jurisprudentie en literatuur

Relevante wet- en regelgeving

4.1

Artikel 5.3 Wet IB 2001 luidt voor zover van belang in cassatie:

1. De rendementsgrondslag is de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden.

2. Bezittingen zijn:

a. onroerende zaken;

b. rechten die direct of indirect op onroerende zaken betrekking hebben;

c. (…); d. (…);

e. rechten die niet op zaken betrekking hebben, waaronder geld en

f. overige vermogensrechten,

met waarde in het economisch verkeer

4.2

Artikel 5.7 Wet IB 2001 luidt voor zover van belang in cassatie:

1. Tot de bezittingen behoren niet:

(…) c. onroerende zaken die deel uitmaken van een ingevolge de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed, met uitzondering van de op deze landgoederen voorkomende gebouwde eigendommen

4.3

Artikel 1, tweede lid van de Natuurschoonwet 1928 (NSW) luidt voor zover van belang in cassatie:

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld inzake de voorwaarden waaraan een onroerende zaak moet voldoen om te kunnen worden aangemerkt als een landgoed. Die voorwaarden betreffen:

(…) f. Het soort gebruik dat van de terreinen en de opstallen wordt gemaakt

4.4

Artikel 2 rangschikkingsbesluit NSW luidt, voor zover van belang in cassatie:

1. Om als een landgoed te kunnen worden aangemerkt, dient een onroerende zaak te voldoen aan de volgende voorwaarden:

(…) het soort gebruik dat van de onroerende zaak wordt gemaakt, maakt geen inbreuk op het natuurschoon.

4.5

Artikel 10.9 Wet IB 2001 luidt:

1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld volgens welke voor de heffing van de inkomstenbelasting de werkzaamheden, rechten en verplichtingen van een rechtspersoon als bedoeld in het tweede lid, worden beschouwd als werkzaamheden, rechten en verplichtingen van haar gezamenlijke aandeelhouders.

2. Een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid, is een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waarvan de bezittingen uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit ingevolge de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoederen en waarvan de werkzaamheden uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit de instandhouding van die landgoederen.

4.6

Artikel 23, eerste lid, onderdeel a Uitvoeringsbesluit Inkomstenbelasting 2001 bevat ten aanzien van de instandhouding van het NSW-landgoed een gelijkluidende eis als bovenstaande.

Parlementaire behandeling artikel 5.3 Wet IB 2001

4.7

De regering heeft in de memorie van toelichting haar uitgangspunt bij het bepalen van de rendementsgrondslag voor hoofdstuk 5 Wet IB 2001 (hierna: box 3) als volgt toegelicht:5

Uitgangspunt van het voorgestelde systeem is – kort samengevat – dat een belastingplichtige voortaan bij wege van wetsfictie geacht wordt met de tot zijn rendementsgrondslag behorende vermogensbestanddelen (dat zijn bezittingen en schulden) altijd een bepaald netto-rendement te (kunnen) behalen dat in de belastingheffing kan worden betrokken; vandaar dat wordt gesproken over een forfaitair rendement.

4.8

Alsmede:6

Uitgangspunt is dat in beginsel alle bezittingen van een belastingplichtige, voorzover niet begrepen in box I of II, die in economische zin rendement kunnen opleveren onder de reikwijdte van het forfaitaire rendement vallen.

4.9

In de memorie van toelichting bij artikel 5.3, tweede lid Wet IB 2001 is omtrent de indeling in verschillende bezitscategorieën het volgende opgemerkt:7

In het tweede lid van artikel 5.1.3 [toelichting A-G: thans artikel 5.3, tweede lid Wet IB 2001] wordt uitgewerkt welke bezittingen tot de grondslag van de forfaitaire rendementsheffing worden gerekend. Daartoe wordt het begrip «bezittingen» gesplitst in zes categorieën vermogensbestanddelen of goederen (de onderdelen a tot en met f van het derde lid [toelichting A-G: bedoeld zal zijn het tweede lid]). Dit is een limitatieve opsomming. Het limitatieve karakter betekent dat slechts de opgesomde categorieën tot de grondslag behoren. In het verlengde van titel 1 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek wordt bij de indeling in categorieën gebruik gemaakt van het onderscheid tussen zaken en vermogensrechten. Zaken zijn tastbare objecten (het Burgerlijk Wetboek spreekt van voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten) die een onroerend (onderdeel a) of een roerend (onderdeel c) karakter kunnen hebben. Tegenover de (onroerende en roerende) zaken staan de zogenoemde vermogensrechten (onderdelen b, d, e en f). Dergelijke rechten zijn niet tastbaar (te denken valt aan een recht van vruchtgebruik op een onroerende zaak, een aandeel of een obligatie). Omdat dergelijke rechten voor de rechthebbende een bepaalde waarde vertegenwoordigen, maken zij deel uit van de grondslag van de forfaitaire rendementsheffing. Daarbij wordt er in de systematiek van de Wet inkomstenbelasting 2001 vanuit gegaan dat als een belastingplichtige de eigendom (een gerechtigdheid waarbij geen zakelijk of persoonlijk recht voor anderen op die zaak is gevestigd) van een zaak heeft, de zaak zelf de voordelen genereert. Indien een belastingplichtige de eigendom van een onroerende of roerende zaak heeft, wordt de waarde daarvan op grond van de onderdelen a en c van artikel 5.1.3, tweede lid, tot de grondslag gerekend. Alle andere vormen van rechten op onroerende of roerende zaken vallen onder de onderdelen b en d.

4.10

In aanvulling op het bovenstaande is – eveneens in de memorie van toelichting – opgemerkt:8

Bij de opsomming van de verschillende categorieën bezittingen is aangesloten bij de begrippen «zaken» en «rechten» zoals die voorkomen in het Burgerlijk Wetboek. In de Wet inkomstenbelasting 2001 worden deze begrippen in een andere context gebruikt en hebben daardoor een enigszins afwijkende betekenis. Hierna wordt dieper op de inhoud van deze begrippen ingegaan. Voorts wordt een nadere toelichting gegeven op het begrip «genotsrechten» (artikel 5.3.3, derde lid [toelichting A-G: thans artikel 5.22 Wet IB 2001]) en met name de verhouding tot het begrip «rechten».

Zaken versus rechten

Onder de werking van de Wet inkomstenbelasting 2001 is het, in tegenstelling tot bij de Wet op de inkomstenbelasting 1964, voor de bepaling van de voordelen uit sparen en beleggen niet meer van belang of er belastbare vruchten loskomen van de bron. Het vermogensbestanddeel wordt per definitie als fiscale bron aangewezen. Dit betekent dat niet alleen rekening gehouden moet worden met het feit dat vermogensbestanddelen bepaalde gebruiks- en genotsmogelijkheden kunnen bieden, maar ook dat vermogensbestanddelen waardemutaties kunnen ondergaan. In dit kader dient voorts bedacht te worden dat er rechthebbenden zijn waarbij beide elementen zich verenigen, maar ook personen die rechten hebben die slechts betrekking hebben op één van de genoemde elementen of een, al of niet beperkte, mengvorm daarvan. In het overgrote gedeelte van de gevallen zal de belastingplichtige het volledige gebruiks- en genotsrecht van bezittingen hebben en zal het risico van waardemutatie en tenietgaan (het belang) hem volledig aangaan. Reeds vanuit die optiek is het verdedigbaar dat met het fiscale begrip «zaak» slechts een dergelijke situatie bedoeld is. Ook vanuit de bedoeling om in de sfeer van de vrijstellingen enkel de waarde van bepaalde zaken zelf vrij te stellen, is verdedigbaar dat het begrip «zaak» enkel ziet op de situatie dat het volledige belang en het volledige gebruik/genot hem aangaan. De vrijstellingen dienen immers beperkt te blijven tot de waarde van de desbetreffende zaak en niet tot allerhande rechten die (geheel of gedeeltelijk) op (het gebruik of de waardemutatie van) die zaak betrekking hebben. Zo is het zeker niet de bedoeling dat een optie tot koop van een waardevol kunstwerk, waarbij niet de intentie bestaat om het kunstwerk te leveren maar enkel om het verschil tussen de uitoefenprijs en de waarde van de zaak te verrekenen, vrij te stellen. Met het begrip «zaak» is dus enkel bedoeld de situatie dat de belastingplichtige het volledige gebruiks- en genotsrecht én het gehele belang bij de waardemutatie van een goed heeft.

4.11

Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is aangegeven dat ook een huurrecht kwalificeert als een genotsrecht in de zin van box 3, maar dat deze – onder zakelijke omstandigheden – gewaardeerd wordt op nihil:9

111. Periodieke gerechtigdheid

In onderdeel «Genotsrechten versus rechten» (toelichting op artikel 5.1.3 Wet IB’01) wordt gesteld dat bij een genotsrecht dat tegen een periodieke en zakelijke vergoeding wordt verleend, niet kan worden gesproken van een genotsrecht als bedoeld in artikel 5.3.3 Wet IB’01, omdat de (periodieke) gerechtigdheid en de schuldverplichting tegen elkaar wegvallen. Naar het oordeel van de Raad is dit in de systematiek van de Wet IB’01 niet juist; deze benadering past wel in de systematiek van de Wet VB’64. In de systematiek van de Wet IB’01 kwalificeert ook een periodieke gerechtigdheid tegen een periodieke vergoeding als genotsrecht zij het dat de waarde in het economische verkeer nihil is indien de vergoeding zakelijk is. Deze kwalificatie is van belang indien de vergoeding niet zakelijk is. In het economische verkeer krijgt de periodieke gerechtigdheid dan waarde. Anders dan in onderdeel «Rechten die direct of indirect op onroerende zaken betrekking hebben» kan dan ook niet gesteld worden dat een huurrecht niet tot de grondslag van het forfaitaire rendement wordt gerekend. Indien – zoals in het bijzonder in de familiesfeer wel voorkomt geen zakelijke huur is overeengekomen, heeft het huurrecht waarde in het economische verkeer; ook artikel 25c Wet IB’64 gaat van een dergelijke figuur uit. Veelal wordt dit aangeduid met de term «persoonlijke genotsrecht» maar deze term doet aan de figuur niet af. Evenmin de in de Beschikking van 13 april 1965, nr.B5/5978 (Korte toelichting Wet VB’64) verwoorde zienswijze dat tot de in artikel 4 bedoelde zaken niet behoren de verbintenisrechtelijke aanspraken welke een pachter of een huurder ontleent aan zijn rechtsverhouding tegenover de verpachter of verhuurder, aangezien deze zienswijze louter op doelmatigheidsgronden is gebouwd en overigens op theoretische gronden bestreden is. Ook het voorbeeld in de laatste alinea van dit onderdeel is niet goed te plaatsen. Door de «ongebruikelijk lange» vooruitbetaling van de huur heeft het huurrecht waarde in het economische verkeer gekregen. Uit dien hoofde is er reden deze waarde in de heffing te betrekken. Naar het oordeel van de Raad wordt ten onrechte gesproken over transformatie van het vooruitbetaalde bedrag in een vordering op de verhuurder. De Raad adviseert deze passages opnieuw te bezien.

111. In het onderdeel «Genotsrechten versus rechten» van de toelichting op artikel 5.1.3, staat dat een periodieke gerechtigdheid die tegen een periodieke en zakelijke vergoeding wordt verleend, niet valt onder het begrip genotsrecht zoals bedoeld in artikel 5.3.3 omdat de (periodieke) gerechtigdheid en de schuldverplichting tegen elkaar wegvallen. In het onderdeel «Rechten die direct of indirect op onroerende zaken betrekking hebben» staat in dit kader voorts dat een huurrecht (eveneens een periodieke gerechtigdheid) niet tot de grondslag van het forfaitair rendement behoort. In dat onderdeel wordt ook opgemerkt dat bij een «ongebruikelijk lange» vooruitbetaling van de huur het vooruitbetaalde bedrag in feite getransformeerd wordt in een vordering op de verhuurder. De Raad is van mening dat deze opmerkingen onjuist zijn. Hij is van mening dat een periodieke gerechtigdheid tegen een zakelijke en periodieke vergoeding wel als genotsrecht kwalificeert, zij het dat de waarde in het economische verkeer bij een zakelijke vergoeding nihil is. Indien de vergoeding echter onzakelijk is, krijgt de periodieke gerechtigdheid volgens de Raad wel waarde. Dit kan zich onder meer voordoen in de familiesfeer. Een gerechtigdheid voor een bepaalde periode tegen een betaling ineens voorafgaand aan die periode (bijvoorbeeld de vooruitbetaling van huur voor een «ongebruikelijk lange» periode), levert volgens de Raad geen vordering op de verhuurder op maar een gerechtigdheid (genotsrecht) met waarde in het economische verkeer. Het wetsvoorstel en de toelichting daarop is geschreven met als belangrijk uitgangspunt dat in beginsel alle vermogensbestanddelen die vanuit economisch perspectief bezien rendement (kunnen) opleveren, in de grondslag van de vermogensrendementsheffing dienen te worden betrokken. Tegelijkertijd stond voor ons ook vast dat voorkomen moest worden dat huurders van woningen die tegen een periodieke en zakelijke vergoeding gebruik maken van een woning, ter zake van dat huurrecht en de daar tegenover staande verplichting om periodiek huur te betalen, in de vermogensrendementsheffing zouden moeten worden betrokken. In verreweg de meeste gevallen zullen aan dergelijke huurcontracten immers zakelijke overwegingen ten grondslag liggen, zodat er van kan worden uitgegaan dat de twee afzonderlijke componenten van de overeenkomst – enerzijds het recht op de woning te gebruiken en anderzijds de verplichting om periodiek huur te betalen – per saldo geen waarde in het economische verkeer zullen hebben. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor pachtrechten. Naar aanleiding van de opmerkingen die de Raad hieromtrent maakt, hebben wij in artikel 5.3.1 van de wettekst een bepaling opgenomen die erin voorziet dat er bij de toepassing van de forfaitaire rendementsheffing van kan worden uitgegaan dat aan (de rechten en verplichtingen die samenhangen met) de hiervoor bedoelde zakelijke huur- en pachtovereenkomsten geen waarde in het economische verkeer wordt toegekend [toelichting A-G: thans is deze bepaling opgenomen in artikel 5.19, vierde lid Wet IB 2001]. Deze waardering op nihil is uitdrukkelijk niet van toepassing in situaties waarin de huur- of pachtovereenkomst onzakelijke elementen bevat. Ook de Raad is blijkens zijn advies van mening dat in dergelijke onzakelijke verhoudingen het huurrecht waarde in het economische verkeer verkrijgt. Voorts zal de waardering op nihil evenmin toepassing vinden in gevallen dat geen sprake is van een periodieke en gelijkmatige betaling van huur of pacht. Indien de huur voor een ongebruikelijk lange periode vooruit wordt betaald – bijvoorbeeld voor een periode van vijf jaar – zal het huurrecht moeten worden gewaardeerd met inachtneming van de reeds vooruitbetaalde huurpenningen. De memorie van toelichting is in overeenstemming gebracht met het vorenstaande.

4.12

In de memorie van toelichting staat onder het kopje ‘Genotsrechten versus rechten’, na wijziging naar aanleiding van het bovenstaande, te lezen:10

Wanneer een genotsrecht tegen een vergoeding ineens wordt gevestigd, dan is sprake van een gerechtigdheid tot voordelen welke kwalificeert als genotsrecht in eerdergenoemde zin. Te denken valt aan de vestiging tegen éénmalige vergoeding van een recht van vruchtgebruik of opstal. Bij een genotsrecht dat tegen periodieke en zakelijke vergoeding wordt verleend, is strikt genomen eveneens sprake van een gerechtigdheid tot voordelen. Tegenover deze gerechtigdheid tot voordelen staat echter een periodieke schuldverplichting. Te denken valt aan huur, pacht en erfpacht tegen een periodiek verschuldigde canon. De (periodieke) gerechtigdheid en schuldverplichting vallen in feite tegen elkaar weg. Artikel 5.3.1, vierde lid, voorziet er in dat in dergelijke situaties de rechten en verplichtingen die samenhangen met een dergelijke periodieke gerechtigdheid op nihil worden gewaardeerd. Uit de genoemde voorbeelden wordt duidelijk dat het begrip genotsrecht een breed scala aan persoonlijke en zakelijke (gebruiks)rechten omvat. De grenzen van dit gebied worden gevormd door enerzijds eigendom en anderzijds huur. Daar tussenin zijn vele soorten genotsrechten denkbaar, waarbij van geval tot geval bekeken zal moeten worden in hoeverre in economische zin sprake is van een gerechtigdheid tot voordelen in de zin van de genotsrechtendefinitie.

Parlementaire behandeling artikel 5.7 Wet IB 2001

4.13

In de memorie van toelichting is de achtergrond van artikel 5.7 Wet IB 2001 als volgt toegelicht:11

In onderdeel c is een regeling getroffen voor landgoederen in de zin van de Natuurschoonwet 1928. Deze landgoederen hebben naast een natuurwetenschappelijke waarde ook een culturele, historische en recreatieve waarde. Gezien het belang dat gehecht wordt aan natuurontwikkeling en natuurbehoud, is in de Wet inkomstenbelasting 2001 een gedeeltelijke vrijstelling opgenomen voor bepaalde onroerende zaken die tot een landgoed als bedoeld in de Natuurschoonwet 1928 behoren. Deze vrijstelling houdt in dat de ongebouwde gedeelten van het landgoed zijn vrijgesteld van de forfaitaire rendementsheffing. Het gebouwde gedeelte zal veelal de vorm hebben van een woning die ofwel in de eigenwoningregeling valt ofwel anderszins geëxploiteerd wordt en daarmee in de grondslag van de forfaitaire rendementsheffing valt.

4.14

Daarnaast merkt de regering in de nota naar aanleiding van het verslag het volgende op inzake het belang van (vol) eigendom in de sfeer van de vrijstelling die vervat is in artikel 5.7 Wet IB 2001:12

In de vermogensrendementsheffing, die overigens onderdeel uitmaakt van de inkomstenbelasting, is conform de huidige vrijstelling in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 een vrijstelling opgenomen voor voordelen uit bosbezit. Daarnaast zijn ten opzichte van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 twee nieuwe vrijstellingen opgenomen die op het «groene» vlak liggen; een vrijstelling voor natuurterreinen en een vrijstelling voor ongebouwde eigendommen van landgoederen in de zin van de Natuurschoonwet 1928. In antwoord op vragen van de leden van de VVD-fractie en de leden van de D66-fractie merken wij op dat de vrijstellingen slechts van toepassing zijn als de belastingplichtige de volle eigendom van de zaak heeft. Gelet op het feit dat met name in de sfeer van beperkte rechten nieuwe arbitrageruimte zal ontstaan, delen deze niet in de vrijstelling.

4.15

In het kader van het belastingplan 2009 merkt de regering in het verslag van een schriftelijk overleg over de hierboven bedoelde arbitrageruimte op dat het zou gaan om zogenaamde bloot-eigendomsconstructies die onder de werking van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964) in zwang waren:13

De leden van de fracties van de VVD en de ChristenUnie hebben vragen over landgoederen in de zin van Natuurschoonwet 1928 (hierna: NSW) waarop een zakelijk genotsrecht is gevestigd. Bij landgoederen waarop een zakelijk genotsrecht is gevestigd komen de houder van het genotsrecht en de blooteigenaar niet in aanmerking voor de vrijstelling voor landgoederen in artikel 5.7 van de Wet IB 2001. Dit is een uitvloeisel van het beginsel in box 3 dat vrijstellingen alleen gelden voor zaken in volle eigendom. De achtergrond van dat beginsel is dat onder de Wet IB 2001 zeker gesteld moet worden dat zich geen constructies met de blote eigendom en genotsrechten meer kunnen voordoen. Deze constructies waren onder de Wet IB 1964 een groot probleem en hebben tot een bijzonder gecompliceerde regelgeving geleid. Het zou niet verstandig zijn om op ad-hoc basis van het heldere beginsel in box 3 af te wijken. Hiermee wordt ook de eenvoud van het belastingstelsel gediend. Ik zie niet in waarom, zoals de leden van de fractie van de ChristenUnie aangeven, het onrechtvaardig zou zijn om een vrijstelling enkel te verlenen aan de volle eigenaar. Een onrechtvaardigheid kan evenmin worden afgeleid uit een verschil in behandeling in de Wet IB en in de NSW omdat deze wetten elk een eigen problematiek kennen met een daarop afgestemde eigen systematiek.

Parlementaire behandeling artikel 10.9 Wet IB 2001

4.16

De achtergrond van artikel 10.9 Wet IB 2001 is als volgt omschreven in de memorie van toelichting:14

Artikel 10.2.2 Rechtspersonen met natuurschoonwet-landgoederen

(...) Doel en strekking van de bepaling is vererving van landgoederen, zonder dat deze worden opgedeeld, te vergemakkelijken. De «Durchgriff» vindt plaats ten aanzien van naamloze vennootschappen of besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid waarvan de bezittingen uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit landgoederen als bedoeld in de Natuurschoonwet 1928. Tevens moeten de werkzaamheden van deze vennootschappen uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit de instandhouding van de landgoederen. Door de «Durchgriff» worden de activa en passiva en het ondernemingsresultaat van voornoemde lichamen toegerekend aan de aandeelhouders. Aldus kunnen de aandeelhouders gebruik maken van vrijstellingen in de inkomstenbelasting die betrekking hebben op inkomsten uit landgoederen.

Literatuur artikel 5.3

4.17

Over de interpretatie van de begrippen ‘zaken’ en ‘rechten’ voor box 3 in de Wet IB 2001 schrijft Heithuis:15

In de categorieën bezittingen van art. 5.1.3, tweede lid, Wet IB'01 [Toelichting A-G: thans artikel 5.3, tweede lid] komen begrippen voor die bekend zijn uit het civiele recht. Dit doet dan de vraag rijzen of de inhoud van deze begrippen volledig op civielrechtelijke leest is geschoeid of dat het fiscale recht er een eigen begripsbepaling op na houdt. In de memorie van toelichting wordt te dezer zake opgemerkt dat bij de opsomming van de verschillende categorieën bezittingen is aangesloten bij de begrippen 'zaken' en 'rechten' zoals die voorkomen in het Burgerlijk Wetboek. Er wordt echter tevens opgemerkt dat deze begrippen in de Wet IB'01 in een andere context worden gebruikt en daardoor een enigszins afwijkende betekenis hebben. Uitgangspunt is dus de civielrechtelijke betekenis van begrippen - bijvoorbeeld de definitie van zaken in art. 3:2 BW als voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten, welke definitie in beginsel dus ook geldt bij de uitleg van art. 5.1.3, tweede lid, onderdeel a en c, Wet IB'01 - maar fiscaalrechtelijk kan de aldus gevonden omschrijving bijstelling behoeven. Dit laatste geschiedt blijkens de memorie van toelichting reeds bij het begrip 'vermogensrecht' dat in de Wet IB'01 een ruimere betekenis heeft dan in het Burgerlijk Wetboek. Zo valt onder het begrip 'vermogensrecht' in fiscale zin ook de persoonlijke, niet-overdraagbare rechten, zoals het (persoonlijke) recht van gebruik van een woning, hetgeen in het Burgerlijk Wetboek niet het geval is. De memorie van toelichting bevat voorts een passage over het begrip 'zaken' versus 'rechten' waarin wordt gesteld dat met het begrip 'zaak' enkel is bedoeld de situatie dat de belastingplichtige het volledige gebruiks- en genotsrecht én het gehele belang bij de waardemutatie van een goed heeft. Met 'rechten' zijn dan blijkens de memorie van toelichting bedoeld al die situaties die niet onder het begrip 'zaak' vallen.

4.18

Over de behandeling van persoonlijke rechten in box 3 schrijft Heithuis:16

De memorie van toelichting vervolgt t.a.p. met de opmerking dat het begrip 'genotsrecht' een breed scala aan persoonlijke en zakelijke (gebruiks)rechten omvat, waarbij de grenzen worden gevormd door enerzijds eigendom en anderzijds huur. Daartussenin zijn, aldus de memorie van toelichting, vele soorten genotsrechten denkbaar, waarbij van geval tot geval zal moeten worden bekeken in hoeverre in economische zin sprake is van een gerechtigdheid tot voordelen in de zin van de genotsrechtendefinitie. Uit deze passage alsmede uit de toelichting op het voorgestelde art. 5.3.1, vierde lid, Wet IB'01 (zie hierna onderdeel 5.2) blijkt dat persoonlijke rechten, zoals huur- en pachtrechten, als een bezitting voor de vermogensrendementsheffing worden beschouwd. Deze opvatting wijkt af van hetgeen onder de huidige Wet VB 1964 geldt, namelijk dat huur- en pachtrechten geen bezitting zijn in de zin van art. 4, eerste lid, Wet VB 1964. Dit geldt zelfs als sprake is van een voordelig huur- of pachtcontract. Het is dan ook verrassend te moeten constateren dat dit onder de voorgestelde vermogensrendementsheffing kennelijk anders wordt en huur- en pachtrechten voortaan wel als een bezitting voor de vermogensrendementsheffing moeten worden beschouwd. Deze fundamentele koerswijziging is des te opmerkelijker, nu de definities in de voorgestelde vermogensrendementsheffing en de huidige vermogensbelasting, afgezien van de nadere invulling van het begrip 'bezittingen', woordelijk nagenoeg gelijk zijn aan elkaar. Gegeven deze zelfde wettekst valt mijns inziens niet in te zien waarom een huur- of pachtrecht onder de Wet IB'01 wel als een bezitting moet worden aangemerkt en onder de Wet VB 1964 niet. Mogelijk dat dit anders ligt als in het huur- of pachtrecht zodanige waardevolle investeringen zijn verricht, dat het huur- of pachtrecht is geëvolueerd tot een waardevol recht. Echter volgens de huidige leer vallen ook waardevolle huur- en pachtrechten niet onder de bezittingen van art. 4, eerste lid, Wet VB 1964. Dit betekent dat ik er, niettegenstaande de andersluidende toelichting, vooralsnog van uitga dat huur- en pachtrechten, gelet op de aan art. 4, eerste lid, Wet VB 1964 gelijkluidende wettekst, ook onder de vermogensrendementsheffing van de Wet IB'01 niet onder de bezittingen vallen van art. 5.1.3, tweede lid, Wet IB'01.

(…) Met ingang van 1 januari 2001 vallen deze persoonlijke rechten volgens de memorie van toelichting wel onder de bezittingen van de vermogensrendementsheffing van de Wet IB'01. Gelet op het feit dat de voorgestelde wettekst van art. 5.1.3 Wet IB'01 niet materieel afwijkt van het huidige art. 4 Wet VB 1964, trek ik de juistheid van de hierboven weergegeven opmerking in de memorie van toelichting dat in de Wet IB'01 ook de persoonlijke rechten - zoals huur- en pachtrechten en de persoonlijke rechten van gebruik en/of bewoning - als in de grondslag van de vermogensrendementsheffing te betrekken vermogensrechten moeten worden aangemerkt, in twijfel. 21 Mijns inziens vallen alleen de zakelijke rechten van vruchtgebruik en gebruik onder de bezittingen van art. 5.1.3, tweede lid, Wet IB'01, evenals dat onder de huidige vermogensbelasting het geval is.

Het bovenstaande geldt des te sterker als wordt bedacht dat op advies van de Raad van State aan art. 5.1.3, tweede lid, Wet IB'01 uitdrukkelijk de woorden 'met waarde in het economische verkeer' zijn toegevoegd. Dit is gedaan om helder te stellen dat de voor de vermogensbelasting ontwikkelde doctrine en jurisprudentie van de begrippen 'bezittingen' en 'schulden' voor de rendementsgrondslag van box III zijn waarde behoudt. Uit deze toevoeging blijkt dat het niet alleen moet gaan om een zaak of een recht, maar tevens dat deze zaak of dit recht een waarde heeft in het economische verkeer. Heeft de zaak of het recht geen waarde in het economische verkeer, dan is (ook) om deze reden geen sprake van een bezitting ex art. 5.1.3, tweede lid, Wet IB'01. Het begrip 'waarde in het economische verkeer' wordt dogmatisch omschreven als de vermoedelijke prijs, bij verkoop op dat ogenblik, te besteden door de beste koper, waarop mag worden gerekend, indien de verkoop op de voor het te waarderen goed gebruikelijke wijze en onder normale omstandigheden plaatsvindt, nadat zij op de gebruikelijke wijze is voorbereid. Hierin ligt (impliciet) besloten dat sprake moet zijn van een goed dat overdraagbaar is aan derden. Is het goed niet overdraagbaar aan derden, dan is er geen waarde in het economische verkeer vast te stellen. Persoonlijke rechten zijn vanwege hun strikt persoonlijke karakter niet overdraagbaar aan derden en hebben dus ook geen waarde in het economische verkeer. Ook om deze reden behoren persoonlijke rechten mijns inziens dus niet tot de bezittingen van art. 5.1.3, tweede lid, Wet IB'01, niettegenstaande de andersluidende opvatting van de bewindslieden van Financiën.

4.19

Freudenthal is het niet eens met Heithuis en merkt op over het in onderdeel 4.18 hierboven opgenomen standpunt:17

Naar mijn mening zijn beide standpunten van Heithuis onjuist. Uit het advies van de Raad van State, de tekst van de wet en de memorie van toelichting blijkt duidelijk dat de wetgever heeft willen breken met de gang van zaken onder de vermogensbelasting. Dat is ook niet verwonderlijk, nu die gang van zaken alleen op doelmatigheidsgronden was gebaseerd en eenieder duidelijk was dat op theoretische gronden dergelijke genotsrechten tot de bezittingen moesten worden gerekend. Juist nu de Raad van State heeft geadviseerd de bepaling van art. 5.3.1, vierde lid, op te nemen en de Raad van State aangeeft in theoretisch opzicht de oude praktijk niet correct te vinden en vervolgens de ambtenaren aan de wens van de Raad van State gehoor geven, is het mijns inziens niet verdedigbaar de wet en de memorie van toelichting te negeren. Daar komt bij dat de aanname van Heithuis aangaande het ontbreken van een waarde in het economische verkeer voor formeel niet-overdraagbare goederen op een te beperkte inschatting van de complexiteit van deze problematiek berust. In de vermogensbelasting worden immers tot de bezittingen onder omstandigheden ook de formeel onoverdraagbare goederen gerekend. Het is zeker niet zo dat per definitie onoverdraagbare goederen geen waarde in het economische verkeer zouden bezitten. In de vermogensbelasting wordt de extra draagkracht die het hebben van vermogen met zich brengt, in de heffing betrokken en die extra draagkracht komt ook tot uitdrukking in het hebben van een waardevol genotsrecht. Een waarde in het economische verkeer kan ook voortvloeien uit het feit dat een bepaald goed in de toekomst inkomsten en besparingen kan opleveren. Voorbeelden van de kwalificatie "bezitting" en de toekenning van een waarde in het economische verkeer ter zake van niet-overdraagbare goederen zijn vergunningen en stamrechten. Het is mijns inziens dan ook in zijn algemeenheid niet juist aan genotsrechten vanwege het niet-overdraagbare karakter ervan geen waarde in het economische verkeer toe te kennen en derhalve deze niet tot de bezittingen te rekenen die in de vermogensrendementsheffing kunnen worden betrokken.

4.20

Niessen c.s. 18 schrijven over het begrip ‘zaak’ in de zin van artikel 5.3 Wet IB 2001:

Het begrip ‘zaak’ verwijst louter naar het geval waarin de belastingplichtige het volledige gebruiks- en genotsrecht van bezittingen heeft, en waarin hem het risico van waardemutatie en tenietgaan (het belang) volledig aangaat. Met ‘rechten’ zijn bedoeld al die situaties die niet onder het begrip ‘zaak’ vallen. Dat wil zeggen alle gevallen waarin niet het volledige gebruiks- en het volledige belang bij de belastingplichtige berusten.

4.21

In de Cursus Belastingrecht19 is geschreven omtrent de behandeling van huurrechten in de Wet IB 2001:

In de Wet IB 2001 wordt afstand genomen van deze methodiek [toelichting A-G: de methodiek van het bepalen van het netto-vermogen onder de vermogensbelasting]. Uit de opsomming in art. 5.3, lid 2, van de vermogensbestanddelen die in de rendementsgrondslag zijn opgenomen, en de MvT op dat artikel blijkt dat de wetgever voortaan ook persoonlijke genotsrechten zoals huurrechten en pachtrechten tot de bezittingen wenst te rekenen, waarbij overigens een waardering op nihil wordt toegestaan voor die genotsrechten waarbij de zakelijke verhoudingen tussen belastingplichtigen voorop staan. (Zie IB.5.4.4). In art. 5.19, lid 4, wordt een waardering op nihil voorgeschreven voor genotsrechten die zijn verleend tegen een zakelijke vergoeding die wordt voldaan in regelmatig vervallende termijnen die betrekking hebben op een tijdvak van ten hoogste een jaar. Deze regel geldt ook voor de met deze genotsrechten samenhangende schulden. De behandeling van genotsrechten in de Wet IB 2001 verloopt dus duidelijk anders dan onder de VB het geval was.

Heithuis heeft zich overigens op het standpunt gesteld dat de fundamentele koerswijziging ten aanzien van genotsrechten niet te rijmen zou zijn met het in de vermogensrendementsheffing overnemen van het begrip ‘bezitting’ uit de VB. Naar zijn mening behoeven dan ook waardevolle huur- en pachtrechten niet tot de bezittingen te worden gerekend, ondanks de afwijkende wettekst en de tekst van de MvT. Als nevenargument voert hij hiervoor aan dat bezittingen alleen in aanmerking zouden behoeven te worden genomen indien deze een waarde in het economische verkeer hebben, en dat daarvoor alleen kwalificeren die goederen die overdraagbaar zijn aan derden. Aangezien hij huur- en pachtrechten als niet-overdraagbaar kenmerkt, kan volgens hem van een bezitting niet worden gesproken. Wij menen dat beide standpunten van Heithuis onjuist zijn. Uit het Advies Raad van State, de tekst van de wet en de Memorie van Toelichting blijkt immers duidelijk dat de wetgever heeft willen breken met de gang van zaken onder de VB. Dat is ook niet verwonderlijk, nu die gang van zaken alleen op doelmatigheidsgronden was gebaseerd, en het een ieder duidelijk was dat op theoretische gronden dergelijke genotsrechten tot de bezittingen moesten worden gerekend. Daarbij komt dat de aanname van Heithuis aangaande het ontbreken van een waarde in het economische verkeer voor formeel niet-overdraagbare goederen niet in overeenstemming is met hetgeen uit de jurisprudentie blijkt en waarop al is gewezen in IB.5.1.4.B hiervoor. Onder omstandigheden kunnen onoverdraagbare goederen wel degelijk een waarde in het economische verkeer bezitten (zie ook IB.5.1.4.C.c hierna). Genotsrechten dienen dus naar onze mening wel degelijk tot de bezittingen te worden gerekend, zodat alleen de waardering op nihil ex. art. 5.19, lid 4, de belastingheffing nog kan voorkomen.

4.22

Ook Stevens20 noteert dat allerhande rechten op onroerende zaken eveneens in box 3 vallen. Over huurrechten schrijft hij:

Aan een huurrecht, waar een zakelijke tegenprestatie tegenover staat die periodiek en verdeeld over de huurperiode wordt voldaan, wordt geen waarde in het economische verkeer toegekend. Dit betekent dat ingeval de verschuldigde huur voor een ongebruikelijk lange periode vooruit wordt betaald, het huurrecht wel moet worden gewaardeerd met inachtneming van de reeds vooruitbetaalde huurpenningen. Huurrechten waar geen zakelijke tegenprestatie tegenover staat, of waarvan de verschuldigde prestatie niet meer in overeenstemming is met de prijs die bij het aangaan van de overeenkomst op peildatum zou zijn bedongen, vertegenwoordigen waarde en behoren derhalve ook tot de rendementsgrondslag. Het recht van gebruik van bewoning valt eveneens onder de vermogensrendementsheffing (HR 11 juli 2008, V-N 2008/40.15).

Literatuur artikel 5.7

4.23

Omtrent de vrijstelling voor NSW-landgoederen staat het volgende te lezen in de Cursus Belastingrecht:21

In art. 5.7 is een vrijstelling opgenomen voor tot het (box 3-)vermogen van een belastingplichtige behorende (…) landgoederen in de zin van de Natuurschoonwet 1928, uitgezonderd de daarop voorkomende gebouwde eigendommen (art. 5.7, lid 1, onderdeel c). De in box 3 opgenomen vrijstellingen gelden alleen in geval van bezit van de volle eigendom. De vrijstelling kan dus niet worden toegepast op zakelijke genotsrechten die zijn gevestigd op in art. 5.7 genoemde landgoederen.1

De in art. 5.7 opgenomen vrijstellingen dienen ertoe de maatschappelijk wenselijke instandhouding van bossen en dergelijke te stimuleren.

4.24

Over de reikwijdte van de vrijstelling schrijven Niessen c.s.:22

De vrijstelling geldt slechts voor volle eigendom.

4.25

Bakker 23 schrijft over dit vereiste voor de vrijstelling:

Volgens de parlementaire behandeling van de Wet IB 2001 is de in art. 5.7 opgenomen vrijstelling alleen van toepassing indien de belastingplichtige voleigenaar is van de grond; de vrijstelling zou volgens de staatssecretaris niet van toepassing zijn op de in erfpacht of vruchtgebruik uitgegeven gronden (Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7). De hoofdgerechtigde/blooteigenaar dient derhalve de blooteigendomswaarde in het economische verkeer van de gronden tot zijn box-3-vermogen te rekenen. Overigens is het opmerkelijk dat deze beperking van de vrijstelling tot op heden niet in de wet is opgenomen.

Daarmee is ze mijns inziens ook aanvechtbaar. Immers, art. 5.7 stelt dat ongebouwde onroerende zaken, die deel uitmaken van een NSW-landgoed, niet tot de bezittingen behoren. En art. 5.3, tweede lid, definieert bezittingen als onroerende zaken of rechten die direct of indirect op onroerende zaken betrekking hebben. Ontegenzeggelijk is de blooteigendom een onroerende zaak, met als gevolg dat naar mijn mening ook de blooteigenaar een beroep kan doen op de vrijstelling en de NSW-gronden niet hoeft te rekenen tot zijn box-3-vermogen.

4.26

Kavelaars 24 schrijft over de reikwijdte van de vrijstelling:

Daarnaast worden in box 3 nader genoemde bezittingen vrijgesteld van heffing. Met name in de sfeer van NSW-landgoederen zijn er specifieke vrijstellingen van toepassing (art. 5.7 Wet IB 2001). Bossen, natuurterreinen, alsmede onroerende goederen die deel uitmaken van een NSW-landgoed, met uitzondering van de op deze landgoederen voorkomende gebouwde eigendommen, zijn vrijgesteld. Deze vrijstellingen zijn alleen van toepassing als men de volle eigendom van het betreffende vermogensbestanddeel heeft. Indien sprake is van een vruchtgebruik, erfpacht of economische eigendom van een NSW-landgoed, wordt de waarde van het recht van vruchtgebruik, erfpacht of de economische eigendom ter zake van het NSW-landgoed belast. De vrijstelling zou eveneens van toepassing dienen te zijn ten aanzien van de vruchtgebruiker, erfpachter, de bloot eigenaar, alsmede de economische eigenaar waarbij de instandhouding als voorwaarde zou kunnen worden gesteld.

4.27

Bruggink 25 is stelliger en meent:

Daar komt nog eens bij dat de eigenaar de volle eigendom van het landgoed moet hebben. De eigenaar van de blote eigendom of een beperkt recht komt niet voor de vrijstelling in aanmerking. Ten aanzien van het beperkte recht volgt dit uit de wet. Immers, in art. 5.7, lid 1, onderdeel c, Wet IB 2001 heeft de staatssecretaris alleen het begrip ‘onroerende zaken’ opgenomen en niet ‘rechten op deze onroerende zaken’. Ten aanzien van de bloot eigenaar blijkt dit uit de wetsgeschiedenis. Echter bij strikte lezing van art. 5.7 en art. 5.22 Wet IB 2001, komt de bloot eigenaar naar mijn mening wel degelijk voor de vrijstelling in aanmerking. Volgens de staatssecretaris zou met name in de sfeer van de beperkte rechten nieuwe arbitrageruimte ontstaan. Enige voorbeelden worden niet genoemd.

In de praktijk komt het regelmatig voor dat een eigenaar, met het oog op het verkrijgen van extra inkomsten om de exploitatie sluitend te krijgen, enige percelen of opstallen in erfpacht uitgeeft. Bij een dergelijke uitgifte verliest hij de vrijstelling en is hij aldus over de waarde van de blote eigendom jaarlijks belasting verschuldigd terwijl hiertegenover geen inkomsten staan. Ook in situaties waarin een vruchtgebruik is gevestigd, al dan niet krachtens erfrecht, werkt de regeling wel heel ongunstig uit. Zowel de vruchtgebruiker als de bloot eigenaar komen in dat geval niet voor de vrijstelling in aanmerking. De nietsvermoedende notaris die één van de meest gewenste testamentvormen voorschrijft, zal zeer bedrogen uit kunnen komen. Aan een eigenaar van een landgoed is dat toch niet uit te leggen. Dit temeer nu de staatssecretaris voor de zoveelste ‘uitzondering’ uitsluitend voorkoming van misbruik aanvoert welk misbruik zich nog nooit heeft voorgedaan resp. heeft kunnen voordoen. Overigens ben ik van mening dat de vrijstelling wel van toepassing zou moeten zijn op de blote eigendom, in ieder geval indien sprake is van de vestiging van een huurerfpacht (zie par. 1.2.2.2).

4.28

Schoenmaker 26 geeft eveneens aan niet in te zien welke arbitrageruimte de regering ziet met betrekking tot de vrijstellingen in box 3:

Blijkbaar staat de staatssecretaris nog steeds achter zijn standpunt dat de vrijstelling van NSW-landgoederen in box 3 (voor zover ongebouwd) niet van toepassing is als op het landgoed een beperkt genotsrecht is gevestigd. Ik heb al eerder in dit blad betoogd dat op deze visie wel het een en ander valt af te dingen (zie FBN 2002/52). Allereerst omdat zijn standpunt niet blijkt uit de wettekst. Verder is de motivering van de staatssecretaris in mijn ogen onvoldoende. Zijn enige onderbouwing die is neergelegd in de parlementaire stukken luidt: ‘Gelet op het feit dat met name in de sfeer van beperkte rechten nieuwe arbitrageruimte zal ontstaan, delen deze niet in de vrijstelling.’ (TK 26727, nr 7, blz. 521). Het is mij nog steeds niet duidelijk op welke situaties de staatssecretaris doelt. En waarom acht de staatssecretaris de faciliteit in de vorm van een vrijstelling wel van toepassing indien het landgoed in gebruik wordt gegeven zonder dat dit is vormgegeven in een zakelijk genotsrecht? Het is voor de praktijk jammer dat de staatssecretaris dit ‘ongemotiveerde’ standpunt met betrekking tot de inkomstenbelasting heeft verkondigd, omdat er nu toch een belemmering wordt opgeworpen om op een landgoed een recht van vruchtgebruik of erfpacht te vestigen. Het is voor mij de vraag of de doelstelling van de Natuurschoonwet (behoud van natuurschoon) hiermee gediend is.

5 Beschouwing en behandeling van het middel

5.1

Belanghebbende bezit 25% van de aandelen van een BV zoals bedoeld in artikel 10.9 Wet IB 2001.27 Ingevolge deze regeling, in samenhang bezien met artikel 23, eerste lid, onderdeel a Uitvoeringsbesluit Inkomstenbelasting 2001,28 wordt de BV aangemerkt als transparant voor de heffing van de inkomstenbelasting.

5.2

Omdat deze transparantie meebrengt dat de rechten en verplichtingen van de BV worden beschouwd als de rechten en verplichtingen van de aandeelhouders, dient voor de inkomstenbelasting getoetst te worden of het NSW-landgoed van de BV voor belanghebbende kwalificeert als een onroerende zaak als bedoeld in artikel 5.7, eerste lid, onderdeel c Wet IB 2001.

5.3

Het Hof heeft geoordeeld dat de verhuur van het NSW-landgoed niet met zich brengt dat de NSW-vrijstelling niet toegepast kan worden in het onderhavige geval. De omstandigheid dat het volledige belang belanghebbende niet volledig toe zou komen, doet dit evenmin. De Staatssecretaris bestrijdt het oordeel van het Hof op beide punten. Belanghebbende onderschrijft het oordeel.

5.4

Uit de parlementaire behandeling blijkt dat het onderscheid tussen verschillende categorieën van bezittingen in box 3 gebaseerd is op dit onderscheid in het BW.29 Dit betekent dat de uitleg die aan deze termen gegeven wordt in het civiele recht, in beginsel leidend is voor de uitleg van deze termen voor de werking van box 3. In diezelfde parlementaire behandeling wordt echter meteen aangegeven dat de context van de Wet IB 2001 een andere is dan die van het BW, zodat een enigszins afwijkende invulling van de begrippen in de rede ligt.30

5.5

In het navolgende ga ik dan ook uit van de in de parlementaire behandeling gegeven uitleg aan de in de onderhavige casus relevante termen, ook waar die afwijken van de betekenis van die termen in het BW.

5.6

Het begrip ‘zaak’ voor toepassing van box 3 kent een beperktere uitleg dan dit begrip voor toepassing van het BW. In het kader van de betekenis van het begrip ‘zaak’ als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, onderdeel a Wet IB 2001 licht de regering in de memorie van toelichting immers toe dat het dient te gaan om de situatie waarin een belastingplichtige het volledige gebruiks- en genotsrecht van bezittingen heeft én het risico van waardemutatie en tenietgaan (het belang) hem volledig aangaat.31 Het gaat met andere woorden – hier spreekt wederom de regering in de memorie van toelichting – om “een gerechtigdheid waarbij geen zakelijk of persoonlijk recht voor anderen op die zaak is gevestigd.32

5.7

Anders dan het Hof, zie ik dus wel degelijk een reden om voor de uitleg van de onderhavige vrijstellingsbepaling af te wijken van de gangbare, op het civiele recht gebaseerde uitleg van het begrip 'volle eigendom'.

5.8

Indien er sprake is van volledig eigendom van een zaak zoals hierboven bedoeld, dan wordt de bezitting in de grondslag van box 3 betrokken op de voet van artikel 5.3, tweede lid, onderdeel a of c Wet IB 2001. Indien niet sprake is van volledige eigendom, dan worden alle gerechtigdheden – bijvoorbeeld de bloot eigenaar33 en de vruchtgebruiker34 – die op die zaak betrekking hebben, op de voet van artikel 5.3, tweede lid, onderdeel b of d Wet IB 2001 in de grondslag van box 3 betrokken.35

5.9

In het in onderdeel 4.11 opgenomen gedeelte van het advies van de Raad van State en de reactie van de regering op dit gedeelte, wordt gesproken over genotsrechten. Uit de discussie wordt duidelijk dat in de aanvankelijke versie van de memorie van toelichting die werd voorgelegd aan de Raad van State, betoogd werd dat een huurrecht niet kwalificeerde als een genotsrecht. De Raad van State betoogde echter dat deze uitleg niet in de systematiek van de Wet IB 2001 – binnen het kader van box 3 bestaat deze systematiek uit het in de rendementsgrondslag betrekken van alle bezittingen ‘die in economische zin rendement kunnen opleveren’3637 – paste.

5.10

Blijkbaar was de regering het op dit punt eens met de Raad van State. In de versie van de memorie van toelichting die naar de Tweede Kamer is verzonden, wordt toegelicht dat huurrechten eveneens kwalificeren als genotsrecht,38 zodat ook deze op de voet van artikel 5.3, tweede lid, onderdeel b of d Wet IB 2001 tot de objectieve sfeer van box 3 behoren. In zakelijke verhuursituaties wordt vervolgens de waarde van het huurrecht ingevolge artikel 5.19, vierde lid Wet IB 2001 op nihil gesteld, zodat het huurrecht effectief onbelast blijft.

5.11

Niettegenstaande incidentele kritiek in de literatuur39 op deze interpretatie van het begrip ‘genotsrecht’, zie ik geen reden om af te wijken van de duidelijke (en klaarblijkelijk goed doordachte) uit de parlementaire behandeling blijkende bedoeling van de wetgever.40

5.12

De vraag is echter of dit ook betekent dat de verhuur van bijvoorbeeld een woning met zich brengt dat deze woning niet meer op de voet van artikel 5.3, tweede lid, onderdeel a Wet IB 2001, maar op de voet van artikel 5.3, tweede lid, onderdeel b Wet IB 2001 in de grondslag van box 3 wordt betrokken, en aldus geen zaak is in de zin van box 3.

5.13

Duidelijk mag zijn dat de uit de aanvankelijke tekst van de memorie van toelichting blijkende interpretatie41 tot geen andere conclusie kan leiden dan dat een verhuurde onroerende zaak in box 3 belast wordt als een zaak in de zin van artikel 5.3, tweede lid, onderdeel a Wet IB 2001.

5.14

Uit de afloop van de discussie met de Raad van State zoals hierboven geschetst wordt mijns inziens echter voldoende duidelijk dat zowel de Raad van State als de regering van mening zijn dat bovenstaande interpretatie op een misvatting berustte. Indien daarbij mede in aanmerking genomen wordt dat ‘Met het begrip «zaak» (…) dus enkel bedoeld [is] de situatie dat de belastingplichtige het volledige gebruiks- en genotsrecht én het gehele belang bij de waardemutatie van een goed heeft’,42 dan moet de conclusie hier zijn dat ook verhuur (tegen zowel zakelijke als onzakelijke voorwaarden) de kwalificatie tot ‘onroerende zaak’ blokkeert. Aldus wordt mijns inziens de eigendom van een verhuurde onroerende zaak als een op een dergelijke zaak betrekking hebbend recht belast op de voet van artikel 5.3, tweede lid, onderdeel b Wet IB 2001.43

5.15

Die conclusie wordt ondersteund door de systematiek van de waardebepaling van verhuurd onroerende goed voor de rendementsgrondslag van box 3. Bij die waardebepaling wordt immers evenzeer rekening gehouden met het feit dat het onroerend goed verhuurd is. Dit blijkt uit de regel die neergelegd is in artikel 5.22, tweede lid Wet IB 2001. Deze regel komt erop neer dat een bezitting waarop een genotsrecht is gevestigd, gewaardeerd wordt op de waarde in onbezwaarde staat minus de waarde van het genotsrecht. Het feit dat de waarde van een (zakelijk) huurrecht vervolgens gewaardeerd wordt op nihil, doet aan deze systematiek niet af.

5.16

Bovenstaande systematiek komt des te duidelijker tot uiting bij de waardering van verhuurde (tweede) woningen op basis van 5.20, derde lid IB 2001 juncto artikel 17a Uitvoeringsbesluit IB 2001. Bij deze (WOZ-44)waardering wordt immers rekening gehouden met het waarde-drukkende effect (de zogenaamde leegwaarderatio) van deze verhuur.

5.17

Nu duidelijk is dat onder het begrip (onroerende) ‘zaak’ als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, onderdeel a Wet IB 2001 niet begrepen wordt een verhuurd landgoed, komt de vraag aan de orde of deze uitkomst ook geldt voor de NSW-vrijstelling. Deze opvatting ligt immers mede ten grondslag aan het door de Staatssecretaris voorgestelde middel, doch wordt niet gedeeld door belanghebbende. Deze vraag kan in principe eenvoudig bevestigend beantwoord worden gezien de volgende opmerking uit de parlementaire behandeling:

Ook vanuit de bedoeling om in de sfeer van de vrijstellingen enkel de waarde van bepaalde zaken zelf vrij te stellen, is verdedigbaar dat het begrip «zaak» enkel ziet op de situatie dat het volledige belang en het volledige gebruik/genot hem aangaan.45

5.18

Daarnaast dient het in artikel 5.3 Wet IB 2001 aangebrachte onderscheid tussen diverse vormen van bezittingen (waaronder de ‘onroerende zaak’) feitelijk geen ander doel dan een zo compleet mogelijke opsomming46 te geven van hetgeen tot de rendementsgrondslag van box 3 gerekend wordt. De verschillende categorieën worden bijvoorbeeld niet tegen een ander tarief belast of geacht een ander rendement te genereren. Ook enige andere principiële reden om de verschillende categorieën te onderscheiden is mij niet gebleken, zodat invulling van het begrip ‘onroerende zaak’ binnen de context van artikel 5.3 Wet IB 2001 geen zelfstandige betekenis toekomt en deze uitleg met name van belang is voor de toepassing van de vrijstellingen. Dit ondersteunt de conclusie dat de uitleg van het begrip ‘zaak’ zoals beschreven bij de parlementaire behandeling van artikel 5.3 Wet IB 2001, leidend is voor de uitleg van dit begrip bij de vrijstellingen zoals de onderhavige NSW-vrijstelling.

5.19

Aan de in de memorie van toelichting genoemde ratio van de NSW-vrijstelling kunnen ook argumenten worden ontleend om de onderhavige vrijstelling in gevallen als het onderhavige wel toe te passen. Dat licht ik hieronder toe.

5.20

De achtergrond van de NSW-vrijstelling, zoals blijkt uit het in onderdeel 4.13 geciteerde fragment uit de parlementaire behandeling bij de introductie van artikel 5.7, eerste lid, onderdeel c Wet IB 2001, is gelegen in het streven naar natuurontwikkeling en natuurbehoud.

5.21

Met het oog op die doelstelling zou het passen om de NSW-vrijstelling slechts te onthouden aan belastingplichtigen in die concrete gevallen waarin de ontwikkeling c.q. het behoud van natuurschoon niet gewaarborgd wordt. Zo zou verdedigd kunnen worden dat ongeclausuleerde verhuur van een NSW-landgoed aan een derde partij de vrijstelling – in ieder geval naar doel en strekking van die vrijstelling beschouwd – zou moeten blokkeren. In een dergelijk geval zou immers de mogelijkheid bestaan dat de huurder gebruik maakt van het landgoed op een wijze die niet strookt met het beoogde behoud en/of de ontwikkeling van natuurschoon.

5.22

Voor gevallen als het onderhavige wordt de doelstelling tot het natuurbehoud echter reeds gewaarborgd door de desbetreffende voorwaarden in artikel 1, tweede lid NSW, artikel 2 rangschikkingsbesluit NSW47 en artikel 10.9 Wet IB 2001.48

5.23

Verder heeft de regering ter rechtvaardiging van het slechts toepassen van de (NSW)vrijstelling op volledig eigendom aangevoerd dat een andersluidende interpretatie zou leiden tot nieuwe arbitrageruimte in de sfeer van beperkte rechten49 voor niet nader bepaalde constructies met bloot eigendom en genotsrechten.50 De regering heeft niet nader toegelicht welke constructies zij exact op het oog had. In de literatuur wordt ook niet duidelijk op welk misbruik gedoeld wordt.51

5.24

Niettegenstaande hetgeen hierboven is opgemerkt omtrent de ratio van de NSW-vrijstelling, meen ik dat de uit de parlementaire behandeling blijkende bedoeling van de wetgever inzake de uitleg van het begrip ‘zaak’ alsmede de wetssystematiek zo duidelijk is dat deze niet op teleologische gronden kan worden gepasseerd.

5.25

Bovendien zou uit de parlementaire behandeling kunnen worden afgeleid dat de verhuur van een landgoed de vrijstelling minder noodzakelijk maakt. Ter rechtvaardiging van de wettelijke regel dat gebouwde eigendommen op een NSW-landgoed niet onder de vrijstelling vallen, staat in de memorie van toelichting immers te lezen:

Het gebouwde gedeelte zal veelal de vorm hebben van een woning die ofwel in de eigenwoningregeling valt ofwel anderszins geëxploiteerd wordt en daarmee in de grondslag van de forfaitaire rendementsheffing valt.52

5.26

Blijkbaar maakt het feit dat gebouwde eigendommen geëxploiteerd kunnen worden, waarmee die eigendommen renderen, de vrijstelling overbodig. In het geval van een verhuurd NSW-landgoed, zou in het verlengde hiervan gesteld kunnen worden dat de instandhouding gediend is door de ontvangen huurgelden, een belastingvrijstelling is dan niet meer nodig.

5.27

Het heeft er de schijn van dat bij het opstellen van de NSW-vrijstelling de zojuist gereleveerde overweging mede een rol heeft gespeeld.

5.28

Uit het vorenstaande volgt dat een verhuurd onroerend goed de NSW-vrijstelling niet deelachtig kan worden, zodat het eerste middelonderdeel slaagt.

5.29

Ten overvloede ga ik in op het tweede middelonderdeel. Daarin bestrijdt de Staatssecretaris het oordeel van het Hof, inhoudende dat, in het geval dat bij het einde van de verhuur de meer- c.q. minderwaarde van de investeringen in en op de grond moeten worden verrekend met de huurder, de NSW-vrijstelling alsnog toepassing vindt, met een rechtsklacht en een motiveringsklacht. De Staatssecretaris meent dat in het geval van belanghebbende had moeten worden geoordeeld dat deze niet meer het gehele economische belang heeft bij het landgoed en dat dit leidt tot de conclusie dat de NSW-vrijstelling niet toegepast kan worden.

5.30

Ingeval het risico op de waardemutatie en/of het risico van tenietgaan van een onroerende zaak de eigenaar niet (geheel) aangaan, is, gegeven de parlementaire behandeling zoals weergegeven in onderdeel 4.10, geen sprake van een zaak in de zin van artikel 5.3, tweede lid, onderdeel b Wet IB 2001. In dat geval zal de NSW-vrijstelling niet van toepassing zijn.

5.31

Het Hof heeft in r.o. 7.11 geoordeeld dat tussen belanghebbende en huurder slechts een vergoedingsregeling is getroffen ten aanzien van de door huurder gedane investeringen:

Aangezien ten aanzien van het golfcomplex (de golfinrichting) geen recht van opstal is gevestigd, is de eigenaar van de grond (de BV) tevens eigenaar geworden van het golfcomplex. De BV is door natrekking juridisch eigenaar geworden van de investering in de golfgronden. Derhalve gaan ook de waardemutaties in de golfinrichting de BV aan, ook al zijn die investeringen door de huurder aangebracht. Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat de partijen bij de overeenkomsten niet meer dan een vergoedingsregeling zijn overeengekomen voor de investering van de huurder in de golfbaaninrichting, van welke investering(en) de BV door natrekking eigenaar is geworden, waarbij de omvang van die vergoeding wordt begrensd door het verschil tussen de vrije waarde van het gehele golfcomplex en de waarde van de grond per dat moment. (…) Dat de vergoedingsregeling is gerelateerd aan voormelde waarden doet hieraan niet af.

5.32

Het Hof legt in bovenstaand oordeel de overeenkomsten dusdanig uit dat deze niet tot gevolg hebben gehad dat het economisch belang verschoven is naar de huurder. Deze uitleg van de overeenkomsten is voorbehouden aan het Hof. Ze is niet onvoldoende gemotiveerd en ook overigens niet onbegrijpelijk. Uitgaande van voornoemde vaststelling oordeelt het Hof dat de vrijstelling wel van toepassing is.53 Deze gevolgtrekking geeft mijns inziens, gelet op de in onderdeel 5.30 beschreven wetstoepassing, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het tweede middelonderdeel faalt derhalve.

6 Conclusie

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën gegrond dient te worden verklaard.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Rb. Den Haag 17 april 2014, nr. SGR 13/4778 (niet gepubliceerd).

2 Hof Den Haag 31 maart 2015, nr. BK-14/00571, ECLI:NL:GHDHA:2015:755, FutD 2015/0932, V-N 2015/32.2.4.

3 Hof Den Haag 31 maart 2015, nr. BK-14/00571, ECLI:NL:GHDHA:2015:755, FutD 2015/0932, V-N 2015/32.2.4, ro3.4-3.7.

4 Hof Den Haag 31 maart 2015, nr. BK-14/00571, ECLI:NL:GHDHA:2015:755, FutD 2015/0932, V-N 2015/32.2.4, ro. 7.11.

5 Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3 (MvT), p. 37.

6 Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3 (MvT), p. 37.

7 Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3 (MvT), p. 227-228.

8 Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3 (MvT), p. 227-228.

9 Kamerstukken II 1998/1999, 26 727, nr. A (MvT), p. 85-87.

10 Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3 (MvT), p. 229-230.

11 Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3 (MvT), p. 239.

12 Kamerstukken II 1999/00, 26 727, nr. 7 (NnavV), p. 521.

13 Kamerstukken II 2008/09, 31 704, nr. 85 (Verslag van een schriftelijk overleg), p. 12-13.

14 Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3 (MvT), p. 289.

15 E.J.W. Heithuis, ‘De forfaitaire rendementsheffing van box III’, TFO 1999/238.

16 E.J.W. Heithuis, ‘De forfaitaire rendementsheffing van box III’, TFO 1999/238.

17 R.M Freudenthal, ‘Knelpunten in en rond box 3’, WFR 2000/801.

18 R.E.C.M. Niessen e.a., De Wet Inkomstenbelasting 2001 (Fiscale Geschriften nr. 1), Den Haag: Sdu 2015, p. 635.

19 M.L.M. van Kempen e.a., Inkomstenbelasting (Cursus Belastingrecht), Deventer: Kluwer 2015, paragraaf 5.1.4.C.b3.

20 L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting 2001 (Fiscale Handboeken), Deventer: Kluwer 2014, p. 1265-1266.

21 M.L.M. van Kempen e.a., Inkomstenbelasting (Cursus Belastingrecht), Deventer: Kluwer 2015, paragraaf 5.2.1.

22 R.E.C.M. Niessen e.a., De Wet Inkomstenbelasting 2001 (Fiscale Geschriften nr. 1), Den Haag: Sdu 2015, p. 635. Zie in gelijke zin L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting 2001 (Fiscale Handboeken), Deventer: Kluwer 2014, p. 1283.

23 A.J.J. Bakker, Landgoederen & Inkomstenbelasting, VP-bulletin 2004/2.

24 P. Kavelaars, Natuurschoon en rijksmonumenten (Fiscale Geschriften nr. 10), Den Haag: Sdu 2006, paragraaf 3.2.5.

25 H.R. Bruggink, Fiscale aspecten van natuurschoon in Nederland (Fiscaal Wetenschappelijke Reeks), Den Haag: Sdu 2006, p. 193.

26 F.A.M. Schoenmaker, Natuurschoonwet, complicaties bij vruchtgebruik / erfpacht en blote eigendom, FBN 2004/17.

27 Zie onderdeel 4.5.

28 Zie onderdeel 4.6.

29 Zie de onderdelen 4.9 en 4.10.

30 Zie onderdeel 4.10.

31 Zie onderdeel 4.10.

32 Zie onderdeel 4.9.

33 De blote eigendom wordt, in acht nemend de waarderingsregel van artikel 5.22, eerste lid Wet IB 2001, gewaardeerd door van de waarde in het economisch verkeer van het volle eigendom van de zaak de waarde van het op de zaak gevestigde genotsrecht af te trekken.

34 Dit genotsrecht wordt gewaardeerd naar de regelen van artikel 5.22, eerste lid Wet IB 2001 juncto artikelen 18 en 19 van het Uitvoeringsbesluit Wet IB 2001.

35 Zie onderdeel 4.9.

36 Zie punt 4.7 en 4.8 van deze conclusie.

37 Zie voor een uitgebreidere beschouwing over onder andere de achtergrond van de samenstelling van de rendementsgrondslag in box 3 de conclusie van mijn hand bij Hoge Raad 28 oktober 2011, nr. 10/03727, ECLI:NL:HR:BR0664, BNB 2011/297.

38 Zie onderdeel 4.12.

39 Zie onderdeel 4.17.

40 Ik weet mij hier gesteund door overwegend dezelfde visie in de literatuur. Zie onderdeel 4.19 en 4.21.

41 Zoals deze naar voren komt in het in onderdeel 4.11 aangehaalde fragment.

42 Zie onderdeel 4.10.

43 Hetzelfde geldt voor het huurrecht, zij het dat deze in principe op de voet van artikel 5.19, vierde lid Wet IB 2001 op nihil gewaardeerd wordt.

44 Zie artikel 5.20, eerste lid Wet IB 2001.

45 Zie ook onderdeel 4.10.

46 Dit belang wordt verstrekt vanwege het beoogde ‘limitatieve’ karakter van de opsomming. Zie punt 4.9 van deze conclusie.

47 Zie de in de punten 4.3 en 4.4 van deze conclusie geciteerde wetteksten.

48 Zie punt 4.5 van deze conclusie. De waarborg tot natuurbehoud die uitgaat van deze regeling, blijkt ook uit het door de regering in de parlementaire behandeling (zie punt 4.16 van deze conclusie) geuite streven om te voorkomen dat landgoederen opgeknipt worden bij vererving.

49 Zie punt 4.8.

50 Zie punt 4.9.

51 Zie de in de punten 4.15 t/m 4.17 geciteerde literatuur.

52 Zie tevens onderdeel 4.13.

53 Uitgaande van het oordeel van het Hof dat het feit dat het landgoed verhuurd is niet afdoet aan het van toepassing zijn van de vrijstelling.