Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2493

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-11-2015
Datum publicatie
15-01-2016
Zaaknummer
14/05018
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:47, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Erfrecht. Uitleg testament; fideïcommis de residuo; aan wie komt de eerst na het overlijden van de bezwaarde opeisbaar geworden rente toe? Art. 4:138 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 14/05018

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 06 november 2015

Conclusie inzake:

[eiseres]

tegen

Stichting Vrienden van Sherpa

Het cassatieberoep bestrijdt de beoordeling door het hof van de vraag hoe de erfstellingen aan de dochter (die in de legitieme is gesteld) als bezwaarde, aan verweerster in cassatie als verwachter (van het onverteerde en onvervreemde gedeelte van de legitieme portie) en aan de moeder voor het resterende gedeelte van de nalatenschap zich verhouden tot de ouderlijke boedelverdeling. Hierbij zijn aan de moeder alle activa en passiva toegekend en aan de dochter een rentedragende vordering, waarvan de rente niet-opeisbaar is tenzij de moeder de rente opeisbaar maakt.

1. Feiten1 en procesverloop2

1.1 Op 16 februari 2004 is overleden [betrokkene 2] (hierna: erflater). Erflater was in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [betrokkene 1] (hierna: de moeder).

Uit dit huwelijk was op [geboortedatum] 1946 geboren [betrokkene 3] (hierna: de dochter).

1.2 Erflater had op 14 augustus 2001 zijn testament opgemaakt. Bij dit testament is (onder III Erfstelling) de dochter benoemd tot erfgenaam voor het gedeelte van de nalatenschap dat overeenkomt met haar legitieme portie, onder de last (het fideï-commis de residuo, kortweg: het fideï-commis) om hetgeen zij bij haar overlijden onverteerd en onvervreemd zal nalaten uit te keren aan (een rechtsvoorgangster van) verweerster in cassatie (hierna: Stichting Vrienden van Sherpa) als verwachter. De moeder is benoemd tot erfgenaam van het resterende gedeelte van de nalatenschap.

1.3 Het testament bevat (onder IV) een ouderlijke boedelverdeling, waarbij aan de moeder alle activa en passiva van de nalatenschap zijn toegedeeld en aan de dochter een vordering (ter hoogte van haar legitieme portie na aftrek van het aandeel in de begrafeniskosten, de boedelkosten en het successierecht) uit hoofde van overbedeling op de moeder. Over deze vordering is een niet opeisbare enkelvoudige rente verschuldigd gelijk aan de wettelijke rente.

1.4 Aan de moeder is de bevoegdheid toegekend de rente opeisbaar te maken ingeval zij dit voor de ongestoorde uitvoering van de ouderlijke boedelverdeling noodzakelijk acht. De vordering van de dochter en de daarover gekweekte rente zijn onder andere opeisbaar bij overlijden of hertrouwen van de moeder. De moeder is te allen tijde bevoegd tot aflossing van het door haar krachtens de boedelverdeling verschuldigde.

1.5 In de akte van boedelverdeling van 29 juli 2005 is de vordering van de dochter bepaald op een bedrag van € 1.048.006,-- te vermeerderen met de daarover gekweekte en nog te kweken rente. Op 6 maart 2007 heeft de moeder hiervan een bedrag van € 100.000,-- aan de dochter uitgekeerd.

1.6 De dochter is overleden op 18 september 2008. Zij was verstandelijk gehandicapt, stond onder curatele en verbleef tot haar overlijden in de zorginstelling 'Sherpa'. De Stichting Vrienden van Sherpa is verbonden aan deze zorginstelling. De moeder is enig erfgename bij versterf.

1.7 Bij het overlijden beliep de restant vordering op de moeder € 948.006,-- exclusief daarover gekweekte rente en was van het uitgekeerde bedrag van € 100.000,-- nog een gedeelte groot € 74.177,30 onverteerd, in totaal een met fideï-commis belast vermogen van € 1.022.183,30 exclusief rente.

1.8 De moeder heeft op 7 september 2009, na het overlijden van de dochter de bezwaarde vordering opeisbaar gemaakt. Op 28 augustus 2009 heeft zij een bedrag van € 396.129,51 aan de Stichting Vrienden van Sherpa betaald en op 9 februari 2010 een bedrag van € 673.969,20, zijnde in totaal een bedrag van € 1.070.098,71 inclusief de vanaf 18 september 2008 gekweekte rente.

1.9 Bij inleidende dagvaarding van 7 juli 2011 heeft de Stichting Vrienden van Sherpa de moeder gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en daarbij gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad:

- voor recht verklaart dat de Stichting Vrienden van Sherpa als verwachter recht heeft op de rente over de periode van 16 februari 2004 tot en met 18 september 2008;

- de moeder veroordeelt tot betaling aan de Stichting Vrienden van Sherpa van € 210.895,50 dan wel een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 september 2009, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten van € 7.500,-- exclusief 19% BTW, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag en

- voor recht verklaart dat de kosten van de accountant en de deskundige niet aan de Stichting Vrienden van Sherpa kunnen worden toegerekend, althans verklaart dat deze kosten behoren te worden getemperd met een in goede justitie vast te stellen bedrag en de moeder veroordeelt tot betaling van de kosten van de accountant en de deskundige aan de Stichting Vrienden van Sherpa.

1.10 Aan deze vordering heeft de Stichting Vrienden van Sherpa ten grondslag gelegd dat zij om verschillende redenen rechthebbende is op de rente, primair omdat het fideï-commis is aan te merken als op elkaar aansluitende voorwaarden, waardoor op de voet van art. 4:138 lid 2 BW de dochter als vruchtgebruiker heeft te gelden in relatie tot de Stichting Vrienden van Sherpa als hoofdgerechtigde. De rente, die door de Stichting Vrienden van Sherpa als burgerlijke vrucht wordt gekarakteriseerd, is niet tijdens het leven van de dochter opeisbaar geworden en is dus niet aan de dochter toegekomen en komt derhalve de Stichting Vrienden van Sherpa als hoofdgerechtigde toe.

1.11 De moeder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

1.12 De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 9 november 2011 een comparitie van partijen bepaald, die heeft plaatsgevonden op 21 februari 2012.

Vervolgens heeft de rechtbank bij eindvonnis van 4 april 2012 de vorderingen van de Stichting Vrienden van Sherpa afgewezen.

1.13 De stichting Vrienden van Sherpa is, onder aanvoering van vier grieven, van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam. Zij heeft daarbij gevorderd dat het hof, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep vernietigt en opnieuw rechtdoende:

- voor recht verklaart dat de stichting Vrienden van Sherpa als verwachter recht heeft op de rente over de periode van 16 februari 2004 tot en met 18 september 2008;

- de moeder veroordeelt tot betaling aan de stichting Vrienden van Sherpa van een bedrag van € 210.895,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 september 2009, en van een bedrag van € 7.500,-- aan buitengerechtelijke incassokosten.

1.14 De moeder heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep.

1.15 Het hof heeft bij arrest van 1 juli 2014 het bestreden vonnis vernietigd en opnieuw rechtdoende, voor zover thans van belang, (i) voor recht verklaard dat de Stichting Vrienden van Sherpa als verwachter recht heeft op de rente over het tijdvak van 16 februari 2004 tot 18 september 2008 en (ii) de moeder veroordeeld tot betaling aan de Stichting Vrienden van Sherpa van een bedrag van € 210.895,50, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 7 september 2009, en van een bedrag van € 7.500,-- exclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten. Het hof heeft het meer of anders gevorderde afgewezen.

1.16 De moeder heeft – tijdig3 – beroep in cassatie ingesteld. Zij is op 25 november 2014 overleden. Haar erfgenaam, [eiseres] , heeft bij akte van 24 april 2015 gemeld de cassatieprocedure voort te zetten.

De Stichting Vrienden van Sherpa heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen deze partijwisseling. Beide procespartijen hebben voorts meegedeeld dat zij geen behoefte hebben aan schorsing en een termijn als bedoeld in art. 225 Rv.

Vervolgens hebben beide partijen hun standpunten schriftelijk doen toelichten, waarna [eiseres] een conclusie van repliek heeft genomen.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen. Onderdeel 1 valt uiteen in zeven subonderdelen. Onderdeel 2, dat wordt ingesteld onder de voorwaarde dat het eerste onderdeel faalt, bevat acht subonderdelen.

2.2

Het bestreden arrest is als volgt opgebouwd.

Na een opsomming in de rechtsoverwegingen 3.6 en 3.7 van de standpunten van partijen heeft het hof in rechtsoverweging 3.8 de partijen verdeeld houdende vraag geformuleerd, te weten aan wie de tijdens de bezwaring gekweekte rente toekomt indien, zoals in dit geval, de moeder de rente pas na het overlijden van de dochter opeisbaar heeft gemaakt.

Dienaangaande heeft het hof aan het slot van die rechtsoverweging geoordeeld dat het testament hierover geen uitdrukkelijke regeling bevat, dat een vraag van uitleg van het testament aan de orde is en dat bij deze uitlegging dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, art. 4:46 lid 1 BW.

Het hof heeft daarmee de door de Hoge Raad geformuleerde uitlegmaatstaf voor testamenten tot uitgangspunt genomen4.

2.3

Met betrekking tot die maatstaf bevat de cassatiedagvaarding geen andere klacht dan dat het hof heeft miskend dat bij de uitlegging van het testament dient te worden gelet op de verhoudingen die het testament kennelijk wil regelen en op de omstandigheden waaronder het testament is geregeld5, welke klacht dus feitelijke grondslag mist.

2.4

Vervolgens heeft het hof in rechtsoverweging 3.9 onder a tot en met g de verhoudingen en omstandigheden opgesomd die bij de uitleg van het onderhavige testament van belang zijn. Uit deze verhoudingen en omstandigheden heeft het hof in rechtsoverweging 3.10 als bedoeling van de erflater afgeleid dat hij de verkrijging door zijn dochter zoveel mogelijk heeft willen beperken. In rechtsoverweging 3.11 heeft het hof de kennelijke bedoeling van de erflater geformuleerd ten aanzien van de verzorging en het onderhoud van de moeder en in rechtsoverweging 3.12 de bedoeling van de erflater ten opzichte van de Stichting Vrienden van Sherpa.

2.5

Het voorgaande brengt het hof in rechtsoverweging 3.13 tot het volgende oordeel:

“Naar het oordeel van het hof biedt het testament onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling van de moeder dat erflater heeft beoogd de tijdens het leven van de dochter als verwachter gekweekte, maar pas na haar overlijden opeisbaar geworden rente met terugwerkende kracht in het vermogen van de dochter te laten vallen. De uit het testament blijkende wens van erflater om de moeder verzorgd achter te laten, staat hieraan niet in de weg, reeds omdat de vordering van de dochter/stichting in beginsel niet opeisbaar was tijdens het leven van de moeder. Het testament bevat echter wel een voldoende duidelijk aanknopingspunt voor de conclusie dat erflater heeft bedoeld dat die rente aan de stichting als verwachter toekomt, omdat uit het testament blijkt dat het de wens van erflater was de stichting te begunstigen, met dien verstande dat dit niet ten koste mocht gaan van de aanspraken van de dochter en de wens om de moeder verzorgd achter te laten. Deze uitleg strookt bovendien met de wettelijke regeling die erin voorziet dat aan de dochter als bezwaarde, de rente toekomt die tot aan haar overlijden opeisbaar wordt (vgl. art. 4:138 lid 2 BW jo. art. 3:216 BW).”

2.6

Dit oordeel, dat de resultante is van de aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van het testament, is in cassatie slechts op begrijpelijkheid te toetsen.

Dit brengt mee dat ik alleen de motiveringsklachten zal bespreken6. Deze motiveringsklachten dienen te voldoen aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv7. Die eisen brengen mee dat een klacht met bepaaldheid en precisie dient te vermelden welke beslissing of overweging onvoldoende is gemotiveerd en waarom, en voorts dat, indien de klacht is gebaseerd op in de feitelijke instanties aangevoerde stellingen, de vindplaatsen in de stukken van het geding worden vermeld.

2.7

Onderdeel 1 klaagt onder 17 dat het hof ten onrechte niet althans niet voldoende is ingegaan op essentiële stellingen van de moeder en dat hiermee het oordeel van het hof onbegrijpelijk is gemotiveerd.

2.8

De klacht voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen. De klacht noemt weliswaar de bestreden rechtsoverwegingen 3.9, 3.10 (driemaal) en 3.13, maar niet wordt vermeld welke essentiële stelling het hof onbehandeld heeft gelaten.

Hetgeen in nr. 21 van de cassatiedagvaarding onder 1-3 wordt genoemd betreft het commentaar van [eiseres] op rechtsoverweging 3.10, waarin het hof motiveert waarom in de onder 3.9 genoemde verhoudingen en omstandigheden ligt besloten dat erflater in zijn testament de verkrijging door zijn dochter zoveel mogelijk heeft willen beperken. Ik citeer:

“- de dochter is in de legitieme gesteld;

- haar legitieme portie is belast met een fideï-commis waardoor de dochter slechts het vruchtgebruik daarvan heeft;

- in geval de moeder de langstlevende is, leidt de ouderlijke boedelverdeling ertoe dat de dochter niet zonder meer over haar legitieme portie kan beschikken: aan haar is een niet-opeisbare vordering toegedeeld;

- weliswaar is de vordering rentedragend gemaakt, maar de rente is slechts opeisbaar bij overlijden of hertrouwen van de moeder, zodat de dochter niet zonder meer het vruchtgenot zal verkrijgen;

- aan de moeder is de bevoegdheid toegekend de rente opeisbaar te maken en de dochter aldus wel het vruchtgenot te verschaffen;

- in geval erflater de langstlevende is, beschikt de dochter uitsluitend over haar

legitieme portie, belast met een fideï-commis ten gunste van de stichting als verwachter en is de stichting erfgenaam voor het resterende gedeelte.”

2.9

Voor zover het commentaar rechtsklachten bevat, verwijs ik naar hetgeen ik hiervoor onder 2.6 tot uitgangspunt heb genomen.

Voor zover wordt geklaagd dat het oordeel van het hof op basis van de verhoudingen en omstandigheden ook anders had kunnen uitvallen, heeft te gelden dat het cassatieberoep geen derde feitelijke instantie is.

Voor zover wordt geklaagd dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, falen de klachten op de voet van art. 407 lid 2 Rv omdat niet wordt vermeld welke essentiële stellingen het hof onbesproken heeft gelaten, op geen enkele wijze wordt verwezen naar vindplaatsen in de processtukken in feitelijke aanleg en het commentaar voor het overige nieuwe feitelijke stellingen in cassatie8 bevat die de uitleg die het hof heeft gegeven aan het testament als onbegrijpelijk bestrijden.

2.10

Onderdeel 2 klaagt onder 31 dat het hof twee met name genoemde essentiële stellingen van de moeder onbesproken heeft gelaten dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen. Het onderdeel noemt daarbij (i) de stelling dat de renterekening in het testament een heldere regeling is die voor verwijzingen naar overeenkomstige toepassing van de regeling van vruchtgebruik gaat en (ii) rechtsoverweging 3.13 van het bestreden arrest en de vaststelling “dat de moeder de rente opeisbaar heeft gemaakt en het testament de moeder niet beperkte in de bevoegdheid dat zij dat alleen mocht doen bij leven van de dochter”.

2.11

Ook deze klacht voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Met betrekking tot de onder (i) genoemde stelling wordt niet met voldoende bepaaldheid en precisie vermeld tegen welke rechtsoverweging de klacht zich richt en waarom deze stelling essentieel is voor de beoordeling door het hof en evenmin op welke plaats in de gedingstukken deze stelling is terug te vinden. Met betrekking tot de onder (ii) genoemde stelling geldt wel dat de rechtsoverweging wordt genoemd, maar aan de overige eisen voldoet de klacht niet.

2.12

Nu beide onderdelen falen dient het cassatieberoep te worden verworpen, dit kan m.i. met gebruikmaking van art. 81 RO kan geschieden.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Het gerechtshof Amsterdam heeft in rov. 2 van het bestreden arrest van 1 juli 2014 de feiten zoals vastgesteld door de rechtbank Amsterdam onder 2.1 tot en met 2.9 in het vonnis van 4 april 2012 als uitgangspunt genomen en vervolgens in rov. 3a t/m 3e samengevat waar het in deze zaak om gaat.

2 Voor zover thans van belang. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg rov. 1 van het vonnis van 4 april 2012 en voor het procesverloop in hoger beroep rov. 1 van het arrest van 1 juli 2014.

3 De cassatiedagvaarding is op 1 oktober 2014 uitgebracht.

4 Onder meer in HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2595, NJ 2013/238 m.nt. S. Perrick en HR 18 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9581, NJ 2011/353 m.nt. S. Perrick.

5 Zie de cassatiedagvaarding onder 11.

6 Daarmee vallen de klachten in de cassatiedagvaarding onder 11-16 af.

7 O.a. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2639, NJ 2013/125.

8 Vergelijk o.m. MvA onder 22 en de cassatiedagvaarding onder 21.2 op p. 9 t/m 11.