Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2489

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-12-2015
Datum publicatie
12-01-2016
Zaaknummer
15/01677
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:18, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag. Art. 94 Sv. Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de A-G is het middel v.zv. het betrekking heeft op de koffer met politiedocumenten en de tas met pillen terecht voorgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/01677 B

Mr. Harteveld

Zitting 8 december 2015

Conclusie inzake:

[klager]

1. De Rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 27 november 2014 deels het door klager ingediende klaagschrift ex art. 552a Sv gegrond verklaard en de teruggave aan klager gelast van enkele goederen, een en ander als in de beschikking vermeld, en het klaagschrift voor het overige ongegrond verklaard.

2. Namens klager heeft mr. S. Aytemür, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3.1. Het eerste middel behelst de klacht dat de Rechtbank ten aanzien van het conservatoir beslag niet de juiste maatstaf heeft gehanteerd.

3.2. De bestreden beschikking houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Klager wordt blijkens een zich in het dossier bevindend proces-verbaal verdacht van het medeplegen van voorbereidingshandelingen van een inbraak, dan wel diefstal met geweld, bij een hennepkwekerij buiten Amsterdam. Uit tapgesprekken zou de betrokkenheid van klager naar voren komen. Op 17 januari 2014 is een drietal medeverdachten aangehouden. Op 23 januari 2014 is klager aangehouden. Hierop is de woning (alwaar klager samenwoonde met [betrokkene 1]) aan de [a-straat 1] te [plaats] doorzocht en is –eveneens op 23 januari 2014 – een totaalbedrag van € 89.190,- en 660 Britse ponden in beslag genomen, die werden aangetroffen op diverse plekken in de woning. Daarnaast is een groot aantal sieraden en goederen, waaronder een slotentrekker, in beslag genomen. Naast het plegen van voorbereidingshandelingen (artikel 46 Sr) wordt klager verdacht van witwassen (artikel 420bis Sr) in vereniging met [betrokkene 1].

(...)

Inhoudelijke toets conservatoir beslag

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als het voortduren van het beslag nodig is voor het veiligstellen van de belangen waarvoor – in dit geval – artikel 94a Sv de inbeslagneming toelaat.

In het onderhavige geval is sprake van beslag op geldbedragen en sieraden, die volgens het Openbaar Ministerie aan klager toebehoren en dienen tot bewaring van het recht van verhaal voor een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van het door klager wederrechtelijk verkregen voordeel en/of een aan klager op te leggen geldboete van de vijfde categorie.

De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, in de ontnemingszaak tegen klager, aan hem de verplichting tot betaling aan de staat van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen danwel of er sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, in de strafzaak tegen klager een geldboete van de vijfde categorie zal opleggen.

Artikel 94a Sv laat conservatoir beslag toe in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht voorziet voor witwassen in die mogelijkheid.

Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, in de ontnemingszaak aan klager de verplichting tot betaling aan de staat van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Eveneens is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend een geldboete van de vijfde categorie zal opleggen. Immers is in de woning van verdachte, alwaar hij samenwoonde met [betrokkene 1], op diverse plekken in totaal een geldbedrag van € 89.190,- aangetroffen. Klager en [betrokkene 1] hebben wisselende verklaringen afgelegd omtrent de herkomst van het geld en aan wie het zou toebehoren. Klager claimt thans de eigenaar te zijn van € 60.000,-. Zoals eerder overwogen acht de rechtbank niet aannemelijk dat daarin het bedrag dat hij in 2009 in het casino heeft gewonnen, is inbegrepen. Voorts blijkt dat klager financieel gezien onbekend is in Nederland, hij geen belasting afdraagt, onbekend is bij DWI en geen bankrekening heeft. In juli 2014 werd het wederrechtelijk verkregen voordeel van klager bepaald op € 43.558,-. Daarbij is bedrag van € 60.000,-, dat hij nu claimt en waarvoor klager naar het oordeel van de rechtbank (nog) geen aannemelijk verklaring heeft gegeven, niet meegerekend. Uit het dossier blijkt tot slot niet dat [betrokkene 1] over de afgelopen jaren een legaal inkomen heeft genoten.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het conservatoir gelegde beslag. In zoverre dient het beklag ongegrond te worden verklaard.”

3.3. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a lid 1 of 2 Sv dient de rechter te onderzoeken a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.1

3.4. Uit de hiervoor weergegeven overwegingen blijkt dat de Rechtbank ten eerste heeft vastgesteld dat klager verdacht wordt van witwassen en dat ingevolge art. 420bis Sr op witwassen onder meer een geldboete van de vijfde categorie staat. Voorts heeft de Rechtbank geoordeeld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, in de ontnemingszaak aan klager de verplichting tot betaling aan de staat van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De Rechtbank heeft aldus de juiste maatstaf gehanteerd. Dat de Rechtbank vervolgens overweegt dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het conservatoir beslag is wellicht verwarrend, omdat die overweging doet denken aan de maatstaf die gehanteerd wordt ten aanzien van klassiek beslag, maar uit de overwegingen valt zonder meer op te maken dat de Rechtbank de juiste maatstaf gehanteerd heeft.

3.5. Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel behelst kennelijk de klacht dat het oordeel van de Rechtbank dat beslaglegging op een bedrag van € 90.000,- in verhouding en gerechtvaardigd is, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.

4.2. De Rechtbank heeft het volgende overwogen:

“Beoordeling verweer

De raadsvrouw heeft betoogd dat het beslag deels onrechtmatig is gelegd. Het Openbaar Ministerie heeft onder klager voor een veel hoger bedrag dan € 43.558,-, zoals opgenomen in de machtiging van de rechter-commissaris, conservatoir beslag gelegd, namelijk voor bijna € 90.000,-.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AU4691) blijkt onder meer het navolgende. Bij het leggen van beslag tot bewaring van het recht van verhaal voor een geldboete, ligt in het wettelijk maximum van de boete uiteraard een grens voor het te vermelden bedrag. Bij het leggen van beslag tot bewaring van het recht van verhaal voor een ontnemingsmaatregel geldt een dergelijk wettelijk maximum niet en zal de officier van justitie zich slechts kunnen baseren op de gegevens die uit het tot dan toe gevoerde onderzoek zijn voortgekomen. (Kamerstukken II 1989-1990, 21 504, nr. 3, blz. 24-25) Hieruit volgt dat de wetgever voor het conservatoir strafvorderlijk beslag de regeling van het conservatoir beslag in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot uitgangspunt heeft genomen, zij het met de in art. 94c onder a-f Sv genoemde uitzonderingen. Het in die bepaling onder b vervatte voorschrift geeft aan dat de vermelding van het maximumbedrag in het proces-verbaal van inbeslagneming of het beslagexploit niet is vereist. In dat verband heeft de wetgever nog met zoveel woorden tot uitdrukking gebracht dat het belang van het vermelden van het maximumbedrag is gelegen in het kunnen aanbieden van een zekerheidstelling als bedoeld in art. 118a Sv – voorheen art. 118b – alsmede in de kenbaarheid voor derden die in de beslagen voorwerpen mogelijk ook verhaalsobjecten voor hun vorderingen zien. Een vermelding van een maximumbedrag in de op de voet van art. 103 Sv verstrekte machtiging van de rechter-commissaris – zoals hier is geschied – komt geen zelfstandige betekenis toe, nu een dergelijke vermelding, hoewel blijkens de wetsgeschiedenis door de wetgever wenselijk geacht, niet is voorgeschreven.

Uit dit arrest van de Hoge Raad kan worden opgemaakt dat aan een overschrijding van het bedrag uit de machtiging van de rechter-commissaris geen consequenties kunnen worden verbonden. Ten aanzien van de hoogte van het bedrag waarop conservatoir beslag is gelegd, overweegt de rechtbank dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van klager in het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 8 juli 2014 werd geschat op € 43.558,-. De rapporteur ging er op basis van de toen beschikbare informatie en verklaringen vanuit dat het aangetroffen bedrag van € 89.290,- (en de 660 Engelse ponden) voor het overgrote deel aan [betrokkene 1] toebehoorde. Daarom is dit bedrag niet meegenomen in zijn berekening betreffende klager. Op basis van nadien afgelegde verklaringen waaronder de verklaring van klager en [betrokkene 1] in deze raadkamerprocedure, wordt duidelijk dat klager in ieder geval op een bedrag van € 60.000,- aanspraak maakt en dus ook als eigenaar daarvan kan worden aangemerkt. Niet aannemelijk is dat het bedrag van € 49.450,- dat klager in 2009 heeft gewonnen in het Holland Casino in dat bedrag is inbegrepen, nu van klager blijkens het Rapport geen legale inkomstenbronnen bekend zijn. Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank de beslaglegging voor een bedrag van nabij de € 90.000,- in verhouding en gerechtvaardigd.”

4.3. Gelet op het door de Rechtbank geciteerde arrest R 31 januari 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AU4691, NJ 2006/589), geeft het oordeel van de Rechtbank dat beslaglegging tot een hoger bedrag dan € 43.558,- is toegestaan, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel is, gelet op het navolgende, evenmin onbegrijpelijk.

4.4. Bij de stukken van het geding bevindt zich het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling [klager]’ van 8 juli 2014 (hierna: het Rapport). Uit het Rapport volgt dat klager in de periode 1 januari 2012 tot 23 januari 2014 geen legale inkomsten heeft genoten. Het Rapport houdt voorts in dat in de woning van klager onder meer € 89.190,- en 660 Britse ponden zijn aangetroffen, dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat zij geld heeft verdiend met schoonmaken en dat zij van klager het geld heeft gekregen dat hij had gewonnen bij Holland Casino. Bij de berekening van het door klager wederrechtelijk verkregen voordeel zijn voornoemde geldbedragen niet meegenomen. Uit de berekening volgt dat klager een wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten van € 43.558,-.

4.5. Uit de ter zitting in raadkamer overgelegde pleitnota blijkt dat de raadsvrouwe van klager aldaar heeft aangevoerd dat de € 60.000,- die onder klager in beslag is genomen, klager toebehoort. Uit het Rapport volgt dat dit bedrag niet is meegenomen bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Gelet daarop, is het oordeel van de Rechtbank dat beslaglegging voor een bedrag van € 90.000,- in verhouding en gerechtvaardigd is, niet onbegrijpelijk.

4.6. Het middel faalt.

5.1. Het derde middel behelst ten eerste de klacht dat het onbegrijpelijk is dat de Rechtbank op basis van het Rapport ervan uitgaat dat de aangetroffen geldbedragen van € 89.290,- en 660 Britse ponden voor het overgrote deel aan [betrokkene 1] toebehoort.

5.2. Het Rapport houdt in dat bij doorzoeking van de woning van klager een geldbedrag van € 89.190,- en 660 Britse pond werd aangetroffen en inbeslaggenomen, dat zich in de woning [betrokkene 1] bevond die verklaarde de vriendin van klager te zijn en die voorts verklaarde dat zij geld had verdiend met schoonmaken en dat zij het geld dat klager in Holland Casino had gewonnen, van hem had gekregen (p. 7). De rapporteur heeft deze geldbedragen niet bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel meegenomen. Dat de Rechtbank de rapporteur hierin is gevolgd, is niet onbegrijpelijk. Anders dan de steller van het middel veronderstelt, is niet van belang wanneer klager heeft aangegeven toch eigenaar te zijn van (een gedeelte van) het geld. Van belang is slechts dat deze geldbedragen bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, dat onmiskenbaar gold als basis voor de machtiging van de rechter-commissaris, nog niet waren meegenomen.

5.3. Het middel bevat ten tweede de klacht dat het oordeel van de Rechtbank dat blijkens het Rapport van klager geen legale inkomstenbronnen bekend zijn, onbegrijpelijk is nu klager bij aanvang van het politieonderzoek heeft verklaard welke werkzaamheden hij verrichtte.

5.4. Het Rapport houdt in dat klager “totaal onbekend” is bij de Belastingdienst en dat daaruit blijkt dat klager geen legale inkomsten heeft genoten. Blijkens de ter zitting in raadkamer overgelegde pleitnota blijkt dat de raadsvrouwe aldaar met betrekking tot de inkomsten van klager heeft aangevoerd dat klager een betaalde baan had, dat hij daarvoor contant werd uitbetaald en dat klager opsporingswerk verrichtte voor de CIE.

5.5. Dat de Rechtbank op grond van het Rapport heeft vastgesteld dat klager geen legale inkomsten had, acht ik, ook in het licht van hetgeen de raadsvrouwe te dien aanzien heeft aangevoerd, niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat door de raadsvrouwe niet is aangevoerd dat klager in een ander land belastingplichtig was.

5.3. Het middel faalt.

6.1. Het vierde middel klaagt dat het oordeel van de Rechtbank met betrekking tot de inbeslaggenomen sieraden onbegrijpelijk is.

6.2. Blijkens de ter zitting in raadkamer overgelegde pleitnota heeft de raadsvrouwe van klager aldaar het volgende aangevoerd:

“De sieraden:

Ook met betrekking tot de verzochte sieraden, de gouden oorbellen met smaragd (goednummer 4702691) en de gouden ring met smaragd (goednummer 4702699) stelt klager zich op het standpunt dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechtbank later oordelend deze sieraden verbeurd zal verklaren, dan wel een ontnemingsmaatregel zal opleggen. Op geen enkele wijze blijkt uit het dossier dat deze sieraden uit misdrijf afkomstig zijn.

De sieraden zijn van de overleden moeder van klager. De broer van klager, [betrokkene 2], heeft deze sieraden op 6 november 2014 als zodanig herkend (productie 2). Klager heeft buiten deze sieraden geen ander aandenken aan zijn moeder in de vorm van goederen. Het is voor klager dan ook van groot belang dat hij deze sieraden terug krijgt.”

6.3. De Rechtbank heeft ook ten aanzien van de inbeslaggenomen sieraden geoordeeld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, in de ontnemingszaak aan klager de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van het wederrechtelijk verkregen voordeel en dat derhalve niet de teruggave van de sieraden zal worden gelast. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde, ook in het licht van hetgeen de raadsvrouwe te dien aanzien heeft aangevoerd, geen nadere motivering. Ik merk nog wel op dat klager, indien hij vanwege de emotionele waarde de sieraden terug wenst, aan het openbaar ministerie een verzoek kan doen als bedoeld in art. 118a Sv.

6.4. Het middel faalt.

7.1. Het vijfde middel behelst de klacht dat het oordeel van de Rechtbank met betrekking tot de voorwerpen waarop klassiek beslag rust, onbegrijpelijk is.

7.2. Blijkens de ter zitting in raadkamer overgelegde pleitnota heeft de raadsvrouwe van klager aldaar het volgende aangevoerd:

“Het zwarte mapje met geld en het geld in de fouillering van klager is tevens rechtmatig verkregen. Klager had voordat hij werd aangehouden een betaalde baan, waarbij hij contant uitbetaald kreeg. Dat hij contant geld voorhanden had is dan ook totaal niet vreemd. Daarbij komt dat klager geen bankrekening had in Nederland, zodat hij zijn geld wel contant bij zich moest dragen. Het Bosnische geld en Servische geld had klager bij zich, omdat hij voor zijn werk regelmatig heen- en weer reist en in het buitenland verblijft.

Klager heeft direct na zijn aanhouding verklaard over het geld en zijn verklaring is niet onaannemelijk. Sterker nog, tijdens de voorlopige hechtenis van klager is door de verdedigen diverse keren naar voren gebracht dat cliënt opsporingswerk verricht (en heeft verricht voor de CIE). Zie bijgevoegde verklaringen van de IUCC, een verklaring van de Duitse politie en een vertaald Kroatisch krantenartikel (productie 1).

Aanwijzingen dat het geld uit misdrijf afkomstig is, zijn er niet. Het is daarom, anders dan het openbaar ministerie betoogd, wel hoogst onwaarschijnlijk dat de rechtbank later oordelend dit geldbedrag verbeurd zal verklaren, dan wel een ontnemingsmaatregel zal opleggen.

(...)

Klager heeft met betrekking tot de politiedocumenten, de pillen en de koffer met slotentrekker direct na zijn aanhouding een verklaring afgelegd.

De documenten zijn werkgerelateerd (IUCC). Het openbaar ministerie heeft hier onderzoek naar kunnen verrichten, indien nodig. De verdediging meent echter dat de documenten niet belangrijk zijn voor het politieonderzoek. Het politieonderzoek is, naar de verdediging heeft begrepen, afgerond. Dat er nog nader onderzoek gedaan moet worden naar de documenten is dan ook ongeloofwaardig.

Hetzelfde geldt voor de pillen die klager van een Chinese man heeft gehad met de mededeling dat deze erectiebevorderend zouden zijn. Er is tijdens de inbeslagname een moment geweest dat men dacht dat het mogelijk pillen waren die op de Opiumwetlijst stonden, echter bleek dit niet zo te zijn, waarna er geen Opiumwetdelict is ten laste gelegd. Dat er nog nader onderzoek moet worden gedaan naar de pillen is dan ook ongeloofwaardig.

De koffer met slotentrekker is in de woning van klager aangetroffen. Deze koffer heeft geen enkele link met de ten laste gelegde feiten. Het openbaar ministerie suggereert dat de koffer bedoeld kon zijn voor het plegen van een ripdeal op een hennepkwekerij in de buurt van Nijmegen. Indien dit zo was bedoeld, dan had het voor de hand gelegen dat de koffer onder [betrokkene 3] of [betrokkene 4] was aangetroffen. [betrokkene 3] en [betrokkene 4] zijn namelijk degenen die op 17 januari 2014 in de buurt van Nijmegen in een auto worden aangehouden. De auto wordt doorzocht en men vindt een vuurwapen en een boormachine. Onder de medeverdachten is geen koffer met een slotentrekker gevonden. De onder klager in beslag genomen koffer met slotentrekker lag op dat moment in de woning van klager, alwaar het enkele dagen later – tijdens de doorzoeking – is aangetroffen. Klager heeft ook met betrekking tot de koffer een verklaring afgelegd. Nu het politieonderzoek reeds is afgerond, is er geen onderzoeksbelang.”

7.3. Het proces-verbaal van de zitting in raadkamer houdt het volgende in:

“De officier van justitie verklaart, zakelijk weergegeven, als volgt:

Het eerder schriftelijk ingediende standpunt van het openbaar ministerie blijft ongewijzigd. Er rust zowel klassiek beslag (ex artikel 94 Sv.) als conservatoir beslag (ex artikel 94a Sv.) op het geld en de sieraden, met uitzondering van het Servisch en Bosnisch geld, waarop slechts klassiek beslag rust. Op de in beslag genomen voorwerpen rust klassiek beslag. Het Openbaar Ministerie verzet zich tegen teruggave van het geld en de sieraden, nu het niet hoogst waarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, zal bepalen dat een geldboete of ontnemingsmaatregel aan klager zal worden opgelegd. Klager wordt verdacht van het plegen van voorbereidingshandelingen voor een ‘ripdeal’ alsmede van witwassen (tezamen en in vereniging met [betrokkene 1]). De getuigenverhoren bij de rechter-commissaris hebben plaatsgevonden. Het onderzoek is, in overleg met de raadslieden, beëindigd. Ik heb begrepen dat de zaak als minimega wordt ingepland.”

7.4. De Rechtbank heeft het volgende overwogen:

“Ten aanzien van het klassiek gelegde beslag (diverse voorwerpen en een drietal geldbedragen)

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor – in dit geval – artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat en het voortduren van het beslag nodig maakt.

In het onderhavige geval is sprake van voorwerpen die volgens het Openbaar Ministerie vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer. Dit geldt voor de koffer met politiedocumenten, de tas met pillen en de slotentrekker (en bijbehorende items) en voorts voor de navolgende geldbedragen, nu uit het dossier niet blijkt dat op die bedragen conservatoir beslag is gelegd:

- € 3.100,- (4690363)

- € 274,71 (2469376)

- Bosnisch geld 380,- en Servisch geld 1.510,- (4694377)

De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van deze voorwerpen en geldbedragen zal uitspreken of de onttrekking aan het verkeer van deze voorwerpen zal opleggen. Uit de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de in beslag genomen voorwerpen en geldbedragen zal verbeurd verklaren danwel onttrekken aan het verkeer. Immers wordt klager verdacht van het plegen van voorbereidingshandelingen van een diefstal met geweld en van witwassen. Het is niet ondenkbaar dat de in beslag genomen goederen zijn gebruikt bij –een van – die misdrijven, de baten daarvan zijn of dat zij door middel daarvan zijn verkregen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.”

7.5. Onder klager zijn op grond van art. 94 Sv onder meer in beslag genomen geldbedragen (te weten € 3.100,-, € 274,71, Bosnisch geld 380,- en Servisch geld 1.510,-), een koffer met politiedocumenten, een tas met pillen en een slotentrekker. De Rechtbank heeft geoordeeld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, deze inbeslaggenomen voorwerpen en geldbedragen zal verbeurd verklaren of onttrekken aan het verkeer. Daarbij heeft de Rechtbank in aanmerking genomen dat klager verdacht wordt van het plegen van voorbereidingshandelingen van een diefstal met geweld en witwassen en dat het niet ondenkbaar is dat de inbeslaggenomen goederen zijn gebruikt bij (een van) die misdrijven, de baten daarvan zijn of dat zij door middel daarvan zijn verkregen.

7.6. Dit oordeel is ten aanzien van de inbeslaggenomen geldbedragen niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat klager onder meer verdacht wordt van witwassen in vereniging met [betrokkene 1] en de Rechtbank voorts heeft vastgesteld dat uit het Rapport blijkt dat van klager geen legale inkomstenbronnen bekend zijn.

7.7. Ten aanzien van de inbeslaggenomen slotentrekker geldt het volgende. Door de raadsvrouwe is ter zitting in raadkamer aangevoerd dat klager wordt verdacht van voorbereidingshandelingen van diefstal met geweld in Nijmegen, dat twee personen, te weten [betrokkene 3] en [betrokkene 4] op 17 januari 2014 in de buurt van Nijmegen zijn aangehouden, dat in hun auto een vuurwapen en een boormachine is aangetroffen en dat onder laatstgenoemden geen slotentrekker in beslag is genomen.

7.8. Bij de stukken van het geding bevindt zich het “proces-verbaal aanvraag machtiging leggen conservatoir beslag” opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant] van 8 juli 20142. Uit dit proces-verbaal kan het volgende worden afgeleid. Op 17 januari 2014 werden meerdere “opmerkelijke” gesprekken gevoerd tussen verdachte [betrokkene 3], verdachte [betrokkene 4], verdachte [betrokkene 5] en klager. Deze gesprekken gingen vermoedelijk over de voorbereiding van een inbraak, dan wel diefstal met geweld in vereniging van wiet (softdrugs) buiten Amsterdam, mogelijk Nijmegen. Op 17 januari 2014 zijn omstreeks 20.35 uur [betrokkene 3] en [betrokkene 4] te Beuningen aangehouden. In hun auto werd onder andere een vuurwapen aangetroffen. Bij de doorzoeking van de woning van klager op 23 januari 2014 is een slotentrekker in beslag genomen.

7.9. Bij de stukken van het geding bevindt zich tevens het “standpunt OM” van 18 augustus 2014. Dit standpunt houdt onder meer in dat [betrokkene 3] op 17 januari 2014 belt met [betrokkene 5], dat [betrokkene 3] zegt dat hij wiet wil gaan stelen en een slotentrekker moet regelen, dat vervolgens klager met [betrokkene 3] belt en vraagt of [betrokkene 3] al een specialist heeft gevonden om de deur te openen en dat klager wel iemand weet, dat klager zegt dat diegene 100% een specialist is en dat afgesproken wordt om met de specialist af te spreken.

7.10. De Rechtbank heeft geoordeeld dat het niet ondenkbaar is dat de slotentrekker is gebruikt ter voorbereiding van de diefstal met geweld. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Anders dan de raadsvrouwe van klager veronderstelt, doet aan die begrijpelijkheid niet af dat de slotentrekker niet onder [betrokkene 3] en [betrokkene 4] in beslag is genomen. Het is immers niet ondenkbaar dat [betrokkene 3], klager en de “slotenspecialist” elkaar in Nijmegen zouden ontmoeten en dat de slotentrekker aldaar zou worden aangewend.

7.11. Ten aanzien van de inbeslaggenomen documenten heeft de raadsvrouwe ter zitting in raadkamer aangevoerd dat de politiedocumenten gerelateerd zijn aan het werk dat verdachte verricht voor de International Union for Counteraction of Criminality (IUCC). De officier van justitie heeft ter zitting in raadkamer verklaard dat het onderzoek beëindigd is. Door de officier van justitie is ter zitting niet aangevoerd dat de documenten verband houden met de feiten waarvan klager wordt verdacht. Wat de inbeslaggenomen politiedocumenten inhouden kan uit de stukken van het geding evenmin worden afgeleid. Dat het ongecontroleerd bezit van die documenten in strijd zou zijn met de wet of het algemeen belang - hetgeen die documenten vatbaar zou maken voor onttrekking aan het verkeer, eventueel gebaseerd op art. 36d in verband met art. 36b, lid 1 onder 4o Sr, volgt niet uit de overwegingen van de Rechtbank. Gelet op het voorgaande is het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de documenten zal verbeurd verklaren of onttrekken aan het verkeer zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.

7.12. Ook de beslissing van de Rechtbank ten aanzien van de inbeslaggenomen pillen is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Uit het Rapport volgt dat de inbeslaggenomen pillen vermoedelijk sekspillen zijn, dat zij zijn getest en dat zij niet onder de Opiumwet vallen (p. 5). Dat de pillen gebruikt zijn bij een van de misdrijven waarvan klager wordt verdacht dan wel de baten daarvan zijn, is niet aannemelijk. Voorts geldt voor deze pillen mutatis mutandis hetzelfde als voor de documenten. De mogelijkheid van een latere onttrekking aan het verkeer is evenmin toereikend gemotiveerd. Ook in zoverre is het middel derhalve terecht voorgesteld. Voor de voorwerpen waar dit middel op ziet geldt dat in cassatie niet kan worden vastgesteld wat met het oog op een mogelijke onttrekking aan het verkeer de status er van is.3 Daarover zal de feitenrechter zich moeten buigen.

7.13. Het middel slaagt.

8. Het eerste, tweede, derde en vierde middel falen. Het vijfde middel slaagt.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m. nt. Mevis.

2 Proces-verbaalnummer 2013206225.

3 Vergelijk voor een geval waarin dat wel mogelijk bleek HR 15 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4128.