Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2488

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-11-2015
Datum publicatie
12-01-2016
Zaaknummer
15/01127
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:17, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 416.2 Sv. Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep. Appelschriftuur. De HR verwijst naar ECLI:NL:HR: 2014:1496 m.b.t. de aan een appelschriftuur te stellen eisen. Het oordeel van het Hof dat "de enkele schriftelijke opgave van verdachte dat hij wegens een verhuizing niet op de hoogte was van de zitting in eerste aanleg" niet als een schriftuur houdende grieven kan worden aangemerkt geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/01127

Zitting: 3 november 2015 (bij vervroeging)

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch op de voet van het bepaalde in art. 416 lid 2 Sv niet ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep van een vonnis van de politierechter in de Rechtbank te Maastricht waarbij hij wegens “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” is veroordeeld tot een geldboete van € 250,--, subsidiair 5 dagen hechtenis.

2. Namens verdachte heeft mr. S.M. Kurvers, advocaat te Maastricht, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel houdt in dat het Hof verdachte ten onrechte niet ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep omdat het Hof verdachtes bij schriftuur opgegeven reden voor het hoger beroep niet heeft gezien als een grief als bedoeld in art. 416 lid 2 Sv.

4. Verdachte is op 11 april 2013 in persoon in hoger beroep gekomen van het vonnis van de Rechtbank van 12 maart 2012. Aan de akte rechtsmiddel is een geschrift gehecht, luidende onder meer:

'HOGER BEROEP'

Dit betreft een standaardformulier waarop u grieven tegen het vonnis en/of redenen voor het instellen van hoger beroep kunt weergeven (art. 410 lid 1 en lid 4 Wetboek van Strafvordering).
(…)
Om één of meer van de volgende redenen kom ik in hoger beroep (aankruisen en invullen wat van toepassing is):

Gang van zaken ter terechtzitting:


(x) Ik ben niet bij de zitting aanwezig geweest, omdat: (het hierna gecursiveerde in handschrift; whv:) ik er niet op de hoogte van was. (verhuizing)

( ) Ik had het volgende naar voren willen brengen:

( ) Ik ben wel bij de zitting geweest, maar ik wil een nieuwe behandeling, om de volgende reden(en):

Schuld/onschuld of bijzondere reden:

( ) Ik ben onschuldig

Toelichting:


( ) Ik heb een goede reden of goed excuus
Toelichting :

Strafmaat :

( ) Ik heb bezwaren tegen de (hoogte van de) opgelegde straf Toelichting:

Andere opmerkingen:

Datum : Handtekening
11-4-2013 (…)”

5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:

“De verdachte (…) is niet verschenen.

De voorzitter deelt mede dat de dagvaarding in hoger beroep op juiste wijze is betekend, nu deze is verzonden aan het adres ‘[adres]’, nadat deze op 3 februari 2014 aan de griffier van de rechtbank was uitgereikt. Blijkens de aangehechte ID- staat SKDB d.d. 3 februari 2014 stond voormeld adres sinds 24 oktober 2010 geregistreerd als het huidige GBA-adres van verdachte. Verdachte heeft ditzelfde adres ook opgegeven op het moment dat hij op 11 april 2013 hoger beroep instelde tegen het vonnis van de politierechter van 12 maart 2012.

Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt, dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor en deelt daarbij mede dat verdachte op het grievenformulier enkel heeft vermeld dat hij vanwege een verhuizing niet op de zitting van de politierechter is verschenen. Nu hij verder geen inhoudelijke grieven heeft ingediend en heden niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen om de reden van zijn hoger beroep mondeling toe te lichten, dient verdachte in het door hem ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.”

6. Het arrest van het Hof houdt onder meer in:

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Gelijk de advocaat-generaal in zijn vordering is het hof van oordeel dat het door verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk is, nu verdachte na het instellen van het hoger beroep noch een schriftuur houdende inhoudelijke grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven en het hof niet van oordeel is dat de strafzaak desalniettemin onderzocht dient te worden. Het hof beschouwt de enkele schriftelijke opgave van verdachte dat hij wegens een verhuizing niet op de hoogte was van de zitting in eerste aanleg niet als een inhoudelijke grief waardoor het hof zich genoodzaakt zou zien om de zaak inhoudelijk te behandelen.”

7. Het Hof overweegt dat het de enkele schriftelijke opgave van verdachte dat hij wegens een verhuizing niet op de hoogte was van de zitting in eerste aanleg niet beschouwt als een inhoudelijke grief die zou nopen tot inhoudelijke behandeling van verdachtes zaak. Deze overweging roept de vraag op of de wet inhoudt dat alleen inhoudelijke bezwaren tegen het gewezen vonnis kunnen gelden als grieven in de in art. 416 lid 2 Sv bedoelde zin.

8. De volgende wettelijke bepalingen zijn hier van belang:

Art. 410 Sv:

“1. De officier van justitie dient binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen. De verdachte kan aldaar binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, indienen.
(…)
4. Ingeval door de verdachte geen schriftuur als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend, dient hij binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank als bedoeld in artikel 410a, eerste lid, een schriftuur in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen, met een opgave van de redenen voor het instellen van het hoger beroep. Deze verplichting geldt niet in het geval, omschreven in artikel 410a, tweede lid.”

Art 410a Sv:

“1. Ingeval hoger beroep openstaat en is ingesteld tegen een vonnis betreffende uitsluitend een of meer overtredingen of misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van niet meer dan vier jaren is gesteld, waarbij geen andere straf of maatregel is opgelegd dan een geldboete tot een maximum – of, wanneer bij het vonnis twee of meer geldboetes werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum – van € 500, wordt het ingestelde hoger beroep slechts ter terechtzitting aanhangig gemaakt en behandeld indien zulks naar het oordeel van de voorzitter in het belang van een goede rechtsbedeling is vereist.
(…)”

Art. 416 Sv:

“1. Ingeval hoger beroep is ingesteld door de officier van justitie, geeft de advocaat-generaal bij gelegenheid van de voordracht der zaak mondeling een toelichting op de bezwaren tegen het vonnis. De advocaat-generaal geeft in voorkomende gevallen tevens op waarom door de officier van justitie geen schriftuur houdende grieven is ingediend. Na de voordracht van de advocaat-generaal wordt de verdachte die hoger beroep heeft ingesteld, in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.

2. Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.

3. Indien van de zijde van het openbaar ministerie geen schriftuur houdende grieven, als bedoeld in artikel 410, eerste lid, is ingediend, kan het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.”

9. Art. 410 lid 1 Sv spreekt evenals art. 416 lid 2 Sv van een “schriftuur, houdende grieven”. Art. 410 lid 4 Sv van “een schriftuur … met een opgave van de redenen voor het instellen van het hoger beroep”. Dit laatste voorschrift heeft betrekking op “hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank als bedoeld in art. 410a eerste lid”, te weten een vonnis betreffende een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van niet meer dan vier jaren is gesteld en waarbij geen andere straf of maatregel is opgelegd dan een geldboete tot een maximum van € 500,--, zoals in de onderhavige zaak.

10. Over het verschil tussen een “schriftuur, houdende grieven” (art. 410 lid 1 Sv) en een “schriftuur … met een opgave van de redenen voor het instellen van het hoger beroep” (art. 410 lid 4 Sv) houdt de memorie van toelichting op de Wet stroomlijnen hoger beroep1 het volgende in:

“Het wetsvoorstel legt in dit opzicht geen beperkingen op en stelt ook geen verdere inhoudelijke eisen aan de schriftelijke opgave van bezwaren. Het wordt aan de rechter in hoger beroep overgelaten welke de betekenis daaraan toekomt voor de behandeling ter zitting. De combinatie van schriftelijk ingediende grieven en mondeling opgegeven bezwaren zullen immers richtinggevend moeten zijn voor die behandeling. De NOvA is kritisch aangaande het voorgestelde verlofstelsel. De vrees van de NOvA dat het verlofstelsel alleen voor de verdachte zou gelden kan worden weggenomen. Dat is niet het geval. Wel is in artikel 410, vierde lid, Sv een speciaal op de verdachte toegesneden mogelijkheid tot het indienen van een schriftuur met een opgave van redenen voor het ingestelde hoger beroep voorzien, aangezien de indiening van schriftuur als bedoeld in artikel 410, eerste lid, Sv voor de verdachte niet verplicht is. (p. 42)

(…)

Tegen de kritiek op het verlofstelsel kan voorts het volgende worden ingebracht. Tijd en middelen die beschikbaar gemaakt worden voor de rechtspleging moeten zo effectief mogelijk worden ingezet. Dat leidt tot keuzes die beperkingen kunnen inhouden ten opzichte van wat bij onbeperkte tijd en middelen voor wenselijk gehouden kan worden. Het instellen van een appèldrempel is daarvan een voorbeeld. De beperking van de appèldrempel tot € 100, maakt dat aanvullend een extra ingreep nodig is om de tijd en kosten die gemoeid zijn met de afdoening van relatief lichte strafzaken binnen de perken te houden. In het huidige stelsel kan langdurig doorgeprocedeerd worden zonder aantoonbare belangen. Aan die situatie wil dit wetsvoorstel een einde maken, terwijl tegelijkertijd gestreefd wordt naar kwaliteitsverbetering. Het voortbouwend appèl voor de meer gewichtige stafzaken past in dat streven. In de relatief lichte strafzaken is het voortbouwend appèl doorgaans van minder betekenis. In beginsel zou tot wellicht een hoger niveau dan de thans voorgestelde appèldrempel met een behandeling in één instantie kunnen worden volstaan, maar tegelijkertijd is wel behoefte aan een incidenteel toe te passen herstelmogelijkheid. Het criterium van een goede rechtsbedeling geeft de voorzitter voldoende ruimte om in het licht van de stukken en het geschrift te oordelen of een behandeling van het hoger beroep zal dienen plaats te vinden. Er wordt niet verlangd van de verdachte dat in deze categorie van zaken grieven worden opgesteld die sturend zullen zijn voor de behandeling in hoger beroep, maar wel dat redenen worden opgegeven waarom een behandeling van de zaak in hoger beroep in het belang van een goede rechtsbedeling vereist is. (p. 43)

(…)

Artikel 410, vierde lid, Sv legt de verplichting vast voor verdachten in zaken die onder de toelatingsprocedure van artikel 410a Sv vallen een schriftuur in te dienen. Dat kan zijn de schriftuur bedoeld in het eerste lid van artikel 410 Sv (de schriftuur, houdende grieven), maar het kan voor de verdachte ook een schriftuur betreffen met uitsluitend redenen om hoger beroep in te stellen. Deze verplichting geldt niet in het geval, omschreven in artikel 410a, tweede lid, waarin de verdachte niet op de hoogte was en kon zijn van de zitting.”(p.49)

11. De wetgever gaat er dus vanuit dat er naast grieven, door de wetgever verstaan als bezwaren tegen het vonnis waarvan beroep2, ook andere redenen zijn om hoger beroep in te stellen. De memorie van toelichting noemt als voorbeelden de wens alsnog tegenspraak te willen leveren of de wens een ‘second opinion’ te verkrijgen.3

12. Uit het voorgaande volgt dat alleen inhoudelijke bezwaren tegen het vonnis waarvan beroep kunnen gelden als grieven in de in art. 416 lid 2 Sv bedoelde zin.

13. Het hiervoor gesignaleerde verschil tussen “grieven” en “redenen voor het instellen van het hoger beroep” vinden we terug in het onder 4 aangehaalde standaardformulier. Dat kent naast de rubrieken “Schuld/onschuld of bijzondere reden:” en “Strafmaat :” een rubriek “Gang van zaken ter terechtzitting:”, een rubriek die zich, ook in het licht van de hiervoor weergegeven parlementaire geschiedenis, niet alleen leent voor het opgeven van inhoudelijke bezwaren tegen het vonnis waarvan beroep maar bijvoorbeeld ook voor de klacht dat de verdachte zich door de rechter in eerste aanleg niet gehoord voelt.

14. Ik keer terug naar de onderhavige zaak. Bij de beoordeling van de het middel moet worden vooropgesteld dat de beslissing als bedoeld in art. 416, tweede lid, Sv in hoge mate afhankelijk is van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval, hetgeen meebrengt dat diens oordeel daaromtrent in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst (vgl. HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK0910, NJ 2010, 88).

15. Verdachte heeft noch bij de rubriek “Schuld/onschuld of bijzondere reden:” noch bij de rubriek “Strafmaat” iets ingevuld.4 Voorts heeft hij, hoewel daartoe op het onderhavige standaardformulier uitdrukkelijk de mogelijkheid wordt geboden, niet aangegeven wat hij naar voren had willen brengen. In die omstandigheden heeft het Hof kunnen aannemen, zoals het kennelijk heeft gedaan, dat verdachte met de mededeling dat hij niet ter zitting in eerste aanleg was verschenen omdat hij van de zitting niet op de hoogte was, louter een verklaring heeft gegeven voor zijn niet verschijnen ter terechtzitting en dus geen bezwaren heeft opgegeven tegen het beroepen vonnis. Dit betekent dat het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en zonder dat nadere motivering vereist is heeft kunnen oordelen dat verdachte geen grieven in de in art. 416 lid 2 Sv bedoelde zin tegen het beroepen vonnis heeft ingediend.

16. De vraag kan nog onder ogen te worden gezien of verdachtes mededeling dat verdachte de zitting in eerste aanleg niet heeft bijgewoond omdat hij van de zitting wegens verhuizing niet op de hoogte was als een beroep op het aanwezigheidsrecht (art. 6 lid 1 EVRM) zou moeten worden gezien en daarmee als een bezwaar tegen het beroepen vonnis, te weten dat het met voorbijgaan aan verdachtes aanwezigheidsrecht was gewezen. Mijns inziens is dat in casu niet het geval. Zou dat wel het geval zijn geweest dan was verdachte immers wel ter terechtzitting in hoger beroep verschenen. Daarbij neem ik in aanmerking dat de dagvaarding in hoger beroep na vergeefse aanbieding op het adres waarop verdachte in het GBA stond ingeschreven en dat hij bij het instellen van het hoger beroep had opgegeven, per brief is gezonden naar dat adres. Verdachte had dus minstgenomen5 op de hoogte kunnen zijn van de dag van behandeling van zijn zaak in hoger beroep. Een en ander geldt temeer wanneer wordt bedacht dat van een verdachte die de behandeling van zijn zaak in hoger beroep wil bijwonen mag worden gevergd dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om op de hoogte te geraken van de dagvaarding in hoger beroep.6

17. Het laatste wettigt ook nog de vraag of de verdachte wel een rechtens te respecteren belang heeft bij zijn beroep in cassatie. Ik laat deze vraag verder rusten omdat ik gelet op de in deze zaak aan de orde zijnde kwestie niet zou willen voorstaan dat gebruik wordt gemaakt van de wijze van afdoening die art. 80a RO biedt.

18. Het middel faalt.

19. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kamerstukken II 2005–2006, 30 320, nr. 3.

2 O.a. Kamerstukken II 2005–2006, 30 320, nr. 3, p. 11.

3 De voorbeelden ontleen ik aan Kamerstukken II 2005–2006, 30 320, nr.3, p. 24.

4 Daarin verschilt de onderhavige zaak van die in HR 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1454, waarin de verdachte naast de reden voor hoger beroep “Ik ben niet bij de zitting aanwezig geweest” tevens als reden voor hoger beroep had opgegeven onschuldig te zijn.

5 In cassatie wordt niet gesteld dat verdachte van de terechtzitting in hoger beroep niet op de hoogte was.

6 HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002, 317, m.nt. Sch, rov. 3.37