Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2464

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-11-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
15/00695
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3716, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 15/00695

Mr. Machielse

Zitting 3 november 2015

Conclusie inzake:

[verdachte]1

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft op 5 november 2014 verdachte voor het misdrijf: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 9 van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, veroordeeld tot een geldboete van € 2000.

2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt over de verwerping door het hof van een beroep op avas in de vorm van een verontschuldigbare rechtsdwaling.

3.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat

"hij op 2 november 2009, te De Lutte, gemeente Losser tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk 2 wilde zwijnen (Sus crofa), behorende tot een beschermde inheemse diersoort, heeft gedood en 1 wild zwijn (Sus crofa) behorende tot een beschermde inheemse diersoort, heeft verwond."

3.3. Ten aanzien van een mogelijke rechtsdwaling houdt de pleitnota van hoger beroep het volgende in:

"4.

Het standpunt van de verdediging is dat het op 20-10-2008 van kracht geworden besluit van GS van de provincie Overijssel niet, zoals de Rechtbank meende, een aanvulling is op het besluit van GS d.d. 05-02-2004 maar een wijziging.

Althans, het besluit van 2008 is zodanig geformuleerd dat het door cliënt als een wijziging mocht worden opgevat.

Tegen dit standpunt van de verdediging pleit dat in het besluit van 2008 wordt gesproken over een "aanvulling" op het besluit van 2004.

Dit is echter slechts een taalkundige aanduiding zijdens GS.

Ingeval naar de inhoud van de vermeende aanvulling wordt gekeken is er de facto sprake van een (ingrijpende) wijziging van het oude besluit.

Immers, indien beide besluiten, het oude en het nieuwe, naast elkaar worden gelegd, zijn er nogal wat verschillen te constateren:

Oud: opgave van eerder in het jaar geschoten zwijnen voor 16 september;

Nieuw: opgave wie en waar zwijnen geschoten heeft binnen 12 uur na dat schieten;

Dit betreft niet als een aanvulling maar als een wijziging aan te merken.

Oud: vanaf een half uur voor zonsopgang tot 12:00 uur is beheer en schadebestrijding niet toegestaan binnen de aangewezen fourageergebieden voor overwinterende ganzen en smienten;

Nieuw: de schadebestrijder dient zelf te toetsen of er sprake is van verstoring in deze gebieden.

Dit betreft niet als een aanvulling maar als een wijziging aan te merken.

Oud: de jachtaktehouders dienen schriftelijke toestemming van de jachthouder te hebben.

Nieuw: de gebruiker van de ontheffing (= (ook) de jachtaktehouder moet (kennelijk vormvrije) toestemming van de grondgebruiker en/of grondeigenaar hebben.

Er wordt dus geen vereiste van schriftelijke toestemming gesteld.

Deze veranderingen in het nieuwe besluit ten opzichte van het oude besluit kunnen niet als aanvullingen worden opgevat maar dienen als wijzigingen te worden opgevat, althans het is alleszins redelijk dat cliënt dit als wijzigingen opvatte.

Er zou nog kunnen worden gepoogd te stellen dat in het besluit uit 2008 niet de gemeente Losser wordt genoemd maar enkel gebieden rond, kort gezegd, Deventer/Zwolle.

Dit betreft een benadering die de OvJ en de Rechtbank, blijkens het vonnis niet hebben gekozen. Dit acht ik terecht. Op het punt van de geografie, dus waar in de provincie Overijssel, moet de schade worden bestreden is het nieuwe besluit evident wel een aanvulling. Niet alleen qat betreft de formulering van het besluit maar ook wat betreft de achterliggende ratio van het besluit: achterliggende informatie over (mogelijk) optredende schade ook in die andere delen van Overijssel.

Bovendien, ingeval het nieuwe besluit enkel voor de nieuw benoemde gebieden zou gelden is het merkwaardig dat van een "aanvulling" wordt gesproken. Wat valt er aan te vullen ingeval het besluit uit 2004 niet relevant zou zijn ?

Voorts valt niet te begrijpen waarom je in bijvoorbeeld Deventer geen schriftelijke toestemming zou behoeven te hebben als jachtaktehouder en in bijvoorbeeld Losser wel.

Het dient er dus voor te worden gehouden dat het besluit uit 2008 qua gebied een wijziging betreft (te weten een uitbreiding van de reeds aangewezen gebieden) en qua voorwaarden eveneens wijzigingen bevat, zoals hiervoor besproken.

5.

Ingeval wordt aangenomen dat, op grond van het besluit van 2008, mondelinge toestemming voldoende was althans dat het cliënt niet kan worden aangerekend dat hij meende dat dit voldoende zou zijn, zou cliënt kunnen worden tegengeworpen dat hij ook geen mondelinge toestemming van grondgebruiker/grondeigenaar [betrokkene 2] had. De Rechtbank heeft dit standpunt ingenomen.

Echter, de verdediging meent dat toestemming van de jachthouder toestemming van de grondeigenaar/grondgebruiker kan vervangen.

Dit is ook verklaard door getuige [getuige 2] , destijds voorzitter van de WBE, bij de RC op 15-03-2011:

"Het beleid van de provincie was een nulstand wilde zwijnen. Als u mij vraagt of dat betekent dat je als lid/deelnemer mag begrijpen dat je vrij mag schieten op wilde zwijnen, dan antwoord ik dat je vrij bent om te schieten maar je wel aan randvoorwaarden moet houden. Zo heb je toestemming van de jachtaktehouder nodig. Als je die hebt, dan impliceert dat tevens toestemming van de grondeigenaar van het terrein. Je hebt dan volgens mij geen aparte toestemming van de grondeigenaar meer nodig."

6.

De vervolgvraag is dan of cliënt toestemming van de jachthouder had althans er van uit mocht gaan dat hij deze had.

In dat verband zijn de verklaringen van [getuige 3] , de jachthouder, van belang.

Bij de RC heeft [getuige 3] , onder ede, op 15-03-2011 verklaard:

"Zoals gezegd had ik er geen bezwaar tegen dat [verdachte] op de varkens had geschoten. Als je er toevallig tegenaan loopt dan vind ik dat prima."

Hieruit blijkt toestemming. Het moet echter wel voorafgaande (in de visie van de verdediging: niet per se schriftelijke) toestemming betreffen.

Ik begin vast te stellen dat onbetwist is dat [getuige 3] in ieder geval achteraf het met het bestrijden van de varkens eens was.

Cliënt stelt dat hij reeds voor het schieten van de varkens met [getuige 3] over een dergelijke mogelijkheid had gesproken en dat [getuige 3] toen toestemming had gegeven.

Het is op zich niet onaannemelijk dat cliënt met [getuige 3] over een dergelijke mogelijkheid heeft gesproken. Niet enkel had cliënt, zoals hij heeft verklaard, eerder reeds sporen van varkens aangetroffen op de jachtgrond van [getuige 3] maar bovendien blijkt simpelweg uit de besluiten van 2004 en 2008 van GS dat wilde varkens in de gemeente Losser (en elders) vaak genoeg voorkwamen om tot besluitvorming te komen welke zelfs een afwijking van de in de Flora- en Faunawet voorkomende hoofdregel rechtvaardigden.

Het is alsdan niet onaannemelijk dat cliënt en [getuige 3] , beiden jagers en bovendien buren geweest zijnde, over de mogelijke verschijning van varkens hebben gesproken en hoe dan te handelen.

[getuige 3] heeft daarover, blijkens het dossier, wisselend verklaard. Cliënt heeft daarover consequent verklaard.

Bij de beoordeling van de vraag hoe de wisselende verklaringen van [getuige 3] te beoordelen zijn, dient wat mij betreft mee te wegen dàt [getuige 3] wisselend heeft verklaard, dat hij ten tijde van die wisselende verklaringen rond de 74 jaar was en dat hij geestelijk zeer waarschijnlijk niet erg stabiel is geweest gelet op het feit dat uit het dossier blijkt dat hij op 19-03-2012 zelfmoord heeft gepleegd.

Dit alles optellende meen ik dat aan de consequente verklaringen van cliënt dat hij mondelinge toestemming van [getuige 3] had meer geloof dient te worden gehecht dan aan de diverse, tegenstrijdige verklaringen van [getuige 3] .

7.

Voor de vraag of cliënt aan de geldende regelgeving heeft voldaan c.q. mocht menen daaraan te hebben voldaan is verder nog het volgende van belang (zie voor de te noemen stukken de bijlagen bij het verhoor van getuige [getuige 2] bij de RC):

De notulen van de vergadering d.d. 27-11-2008 van de WBE de Lutte Beuningen op welke vergadering een formulier is uitgereikt daarop de stand van zaken betreffende de Flora- en Fauna wet. Hierin wordt gemeld dat:

"Er is momenteel geen vergunning van de WBE nodig voor het afschieten van wilde zwijnen. Wel is er de plicht om een bloedmonster op te sturen van een geschoten wild zwijn." Dit formulier is destijds door [betrokkene 1] in samenwerking met [getuige 1] opgesteld. Deze zinsnede interpreteer ik als bedoeld in de zin van dat de WBE geen vergunning afgeeft maar dat zij ontheffing heeft namens de FBE Overijssel." In dit verband is voorts het herhaalde schrijven van de WBE de Lutte-Beuningen van belang waar in beide gevallen staat vermeld:

"Er is momenteel geen vergunning van de WBE nodig voor het afschieten van wilde zwijnen."

8.

Het standpunt van de verdediging samenvattend:

De verdediging meent dat cliënt juist heeft gehandeld althans mocht menen juist te handelen zoals hij heeft gedaan doordat hij als jachtaktehouder tevens lid van de WBE de Lutte Beuningen en met mondelinge toestemming van de jachthouder de varkens heeft geschoten.

Cliënt meent dus derhalve dat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen."

3.4. Het hof heeft eerst de vraag besproken hoe de verhouding is tussen het besluit van GS van 2004 en dat van 2008. De slotsom waartoe het hof komt is dat het besluit van 2008 enkel een aanvulling is van dat van 2004:

"Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel hebben bij aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 67 van de Flora- en faunawet van 5 februari 2004 (kenmerk LNL/2004/163, gepubliceerd op 17 februari 2004 in het Provinciaal blad nr. 2004-21) jachthouders en jachtaktehouders met schriftelijke toestemming van de jachthouder aangewezen als categorieën van personen die de stand van het wild zwijn kunnen beperken met behulp van het geweer, op het oostelijk deel van de provincie Overijssel, waaronder het grondgebied van de gemeente Losser. In de toelichting bij voornoemd besluit is opgenomen dat Gedeputeerde Staten bewust geen toepassing hebben gegeven aan de mogelijkheid in artikel 67, vierde (thans: vijfde) lid van de Flora- en faunawet om de jachthouders en jachtaktehouders toestemming te geven om de aangewezen gronden ook zonder toestemming van de grondgebruikers te betreden, waarbij wordt vermeld dat de aangewezen categorieën van personen de dieren dus slechts mogen vangen of doden indien zij hiervoor toestemming hebben van de grondgebruiker.

Door middel van een op 20 oktober 2008 van kracht geworden besluit als bedoeld in artikel 67 van de Flora- en faunawet hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel besloten om voornoemd aanwijzingsbesluit van 5 februari 2004 uit te breiden met het grondgebied van een aantal nader in dit besluit genoemde gemeenten. Daarbij zijn jachthouders en jachtaktehouders vermeld als categorieën van personen die met behulp van het geweer de stand van het wild zwijn kunnen beperken. Als voorwaarde is onder andere opgenomen dat de gebruiker van deze ontheffing toestemming moet hebben van de grondgebruiker en/of de grondeigenaar.

Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de tekst van de hiervoor genoemde besluiten in samenhang bezien niet anders uit te leggen is dan dat het besluit van Gedeputeerde Staten van 5 februari 2004 onverkort van kracht is gebleven. Gedeputeerde Staten hebben nadrukkelijk aangegeven dat het besluit van 20 oktober 2008 een aanvulling is op het besluit van 2004. Zij hebben in dit aanvullend besluit, onder de kop “Besluiten”, slechts (nadere) regels gesteld en de bevoegdheid in het leven geroepen voor jachthouders en jachtaktehouders in de nieuw opgenomen gemeenten. Dat Gedeputeerde Staten het besluit uit 2004 hebben ingetrokken wordt niet vermeld. Evenmin valt uit de tekst van het besluit van 20 oktober 2008 op te maken dat Gedeputeerde Staten enige verandering dan wel versoepeling in de werkingssfeer van het eerdere besluit hebben willen bewerkstelligen.

Ten aanzien van het tenlastegelegde betekent dit, naar het oordeel van het hof, dat de voorwaarden die zijn opgenomen in het besluit van 5 februari 2004 onverkort van toepassing zijn gebleven op de gemeenten in het oostelijk deel van de provincie Overijssel, waaronder de gemeente Losser, die is genoemd als één van de gemeenten waarop dit besluit van toepassing is. Eén van deze voorwaarden is dat de jachtaktehouder moet beschikken over een schriftelijke toestemming van de jachthouder. Daarnaast valt, zoals hiervoor weergegeven, uit de toelichting van dit besluit af te leiden dat tevens toestemming van de grondgebruiker is vereist."

3.5. Het hof heeft voorts vastgesteld dat verdachten op 2 november 2009 niet over een schriftelijke toestemming van jachthouder [getuige 3] noch van grondeigenaar en grondgebruiker [betrokkene 2] beschikten. Vervolgens heeft het hof het beroep op verschoonbare rechtsdwaling besproken en gemotiveerd verworpen:

"Het hof is, ook hier met de rechtbank, van oordeel dat aan degene, aan wie een ontheffing/aanwijzing is verleend waaraan voorwaarden zijn verbonden, een eigen verantwoordelijkheid toekomt zich ervan te vergewissen dat aan alle voorwaarden is voldaan voordat van de ontheffing/aanwijzing gebruik wordt gemaakt. Verdachte had derhalve vooraf moeten nagaan of er een ontheffing en/of aanwijzing gold en of er toestemming van de jachthouder en/of grondgebruiker vereist was voordat hij tot schieten over zou gaan.

Voor een geslaagd beroep op rechtsdwaling is vereist dat het aannemelijk is dat een verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Daarvan kan sprake zijn indien de verdachte is afgegaan op het advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen. Bij de beoordeling van een daartoe strekkend verweer kunnen verschillende aspecten van belang zijn, waaronder:

- de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de adviseur;

- de specifieke deskundigheid van de adviseur;

- de complexiteit van de materie waarover advies wordt ingewonnen;

- de precieze inhoud van de adviezen.

Naar het oordeel van het hof is in casu niet voldaan aan de voorwaarden voor rechtsdwaling. De WBE is naar het oordeel van het hof niet een instantie als hiervoor bedoeld terwijl door de WBE bovendien slechts in algemene bewoordingen gegeven informatie zou zijn verstrekt. Er is namelijk niet meer gezegd dan dat er ‘momenteel geen vergunning nodig is voor het afschieten van wilde zwijnen’. Het verweer wordt verworpen."

3.6. Op het in de bewezenverklaring genoemde tijdstip had artikel 9 Flora- en faunawet (Ffw)2 de volgende inhoud:

"Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen."

Artikel 13 luidt - voor zover relevant - aldus:

"1. Het is verboden:

a. planten of producten van planten, of dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort, of

b. [Dit onderdeel is nog niet in werking getreden.] te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of tentoon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben."

Op enige uitzonderingen na worden volgens artikel 4 Ffw alle van nature in Nederland voorkomende soorten zoogdieren als beschermde inheemse diersoort aangemerkt. Het varken is zo een beschermde inheemse diersoort.3

Voorts zijn de bepalingen van § 3, Beheer en bestrijding van schade, relevant. Deze paragraaf is ondergebracht in Afdeling 1, Bijzondere vrijstellingen, ontheffingen en vergunningen, van Titel III, Vrijstellingen, ontheffingen en vergunningen in Hoofdstuk V, Bijzondere bepalingen. Het eerste artikel van § 3 is artikel 65. Het eerste lid daarvan maakt onderscheid tussen bij AMvB4 aan te wijzen beschermde inheemse diersoorten die in het gehele land schade aanrichten en die in delen van het land schade aanrichten. Voor aangewezen diersoorten die in Nederland schade aanrichten kan de minister toestaan dat de grondgebruiker op de door hem gebruikte grond ter voorkoming van schade handelingen verricht die gewoonlijk zijn verboden, bijvoorbeeld het doden van de schade veroorzakende dieren (lid 3). Als het gaat om beschermde inheemse dieren die in delen van het land schade aanrichten, kan deze bevoegdheid bij provinciale verordening aan de grondgebruiker worden gegeven (lid 4). Het zesde lid van artikel 65 Ffw houdt in dat de grondgebruiker bij schriftelijke toestemming zijn recht door anderen kan doen uitoefenen. Artikel 65 Ffw heeft betrekking op schadesoorten zoals mollen en kraaiachtigen, die zo algemeen zijn dat de bestrijding op basis van een vrijstelling aan de grondeigenaar kan worden overgelaten. Wanneer specifiek rekening moet worden gehouden met de omstandigheden van het concrete geval zal een ontheffing op grond van artikel 68 Ffw in de rede liggen.5

Artikel 67 luidt aldus:

"1. Gedeputeerde staten kunnen bepalen dat, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, in afwijking van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9, 11, 12, 50, 51, 53, 72, vijfde lid, en 74, door door hen aan te wijzen personen of categorieën van personen de stand van bij ministeriële regeling aangewezen beschermde inheemse diersoorten of andere diersoorten of verwilderde dieren op door gedeputeerde staten aan te wijzen gronden kan worden beperkt:

a. in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid;

b. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

c. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren of

d. ter voorkoming van schade aan flora en fauna.

2. Gedeputeerde staten kunnen bij het treffen van een bepaling als bedoeld in het eerste lid niet afwijken van het bepaalde bij of krachtens artikel 72, vijfde lid;6

a. voorzover de bepaling ziet op het beperken van de stand van bij de in het eerste lid bedoelde ministeriële regeling aangewezen vogelsoorten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, of

b. voor het toestaan van middelen die onnodig lijden van dieren veroorzaken.

3. Voorzover het beschermde inheemse diersoorten betreft, kan een bepaling als bedoeld in het eerste lid slechts worden getroffen indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

4. Gedeputeerde staten kunnen hun besluit, bedoeld in het eerste lid, afhankelijk stellen van een faunabeheerplan.

5. Gedeputeerde staten kunnen ten aanzien van één of meer van de door hen krachtens het eerste lid aangewezen personen of categorieën van personen bepalen dat zij toegang hebben tot alle krachtens het eerste lid aangewezen gronden. In dat geval zijn deze personen gerechtigd zich daartoe zonodig met behulp van de sterke arm toegang te verschaffen.

6. Gedeputeerde staten kunnen bepalen hetgeen met de ingevolge het eerste lid bemachtigde dieren dient te geschieden.

7. Bij een regeling als bedoeld in het eerste lid, kan worden bepaald dat het verboden is dieren behorende tot een krachtens dat lid aangewezen soort onder zich te hebben.

8. Alvorens een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid vast te stellen, te wijzigen of in te trekken, stelt Onze Minister het Faunafonds in de gelegenheid over het ontwerp daarvan zijn oordeel te geven."

De ministeriële regeling waarnaar het eerste lid verwijst is de Regeling beheer en schadebestrijding dieren van 11 december 2001, Stcrt. 2001, 241. Artikel 2 van de Regeling wijst als diersoorten als bedoeld in het eerste lid van artikel 67 Flora- en faunawet de soorten aan die genoemd zijn in bijlage 1 bij de Regeling. In die bijlage is onder meer sus crofa genoemd.7

Voorts is nog relevant te vermelden dat de afkorting WBE staat voor wildbeheereenheid, waaronder volgens volgens artikel 1 Ffw het volgende is te verstaan:

"een rechtspersoonlijkheid bezittend samenwerkingsverband van jacht(akte)houders en anderen dat tot doel heeft te bevorderen dat jacht, beheer en schadebestrijding, al dan niet ter uitvoering van het door de faunabeheereenheid opgestelde faunabeheerplan, wordt uitgevoerd mede in samenwerking met en mede ten dienste van grondgebruikers of terreinbeheerders".

3.7. De Provincie Overijssel heeft in het Provinciaal Blad 2008 - 63 de Nota Beleidsregels Faunabeheer 2008 gepubliceerd die op 8 oktober 2008 in werking zijn getreden en hebben gegolden tot 19 september 2014.8 In deze Nota heeft de provincie het beleid inzake haar bevoegdheden uit de Ffw geopenbaard. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op ingrepen in populaties met verwijzing naar de bevoegdheden van de provincie volgens artikel 67 Ffw, het Besluit beheer en schadebestrijding dieren en de Regeling beheer en schadebestrijding dieren.9 De Nota wijst er onder meer op dat de Minister het wild zwijn heeft aangewezen als diersoort ten aanzien waarvan de provincie op grond van artikel 67 Ffw bevoegd is de stand te reguleren. Omdat in de provincie Overijssel slechts bij wijze van incident een ontsnapt of verdwaald wild zwijn wordt aangetroffen hanteert de provincie een zgn. 0-stand als uitgangspunt.10 Voor het wild zwijn zijn door GS jachthouders en jachtaktehouders aangewezen als categorieën van personen die de stand van deze diersoort kunnen beperken. De Nota verwijst hier naar het aanwijzingsbesluit d.d. 5 februari 2004, kenmerk LNL/2004/163.

3.8. De notulen van de vergadering van Gedeputeerde Staten van Overijssel van 10 februari 2004 vermelden dat GS een Aanwijzingsbesluit hebben genomen op grond van artikel 67 Ffw met als kenmerk LNL/2004/163.11 Dit besluit is aldus in de notulen omschreven:

"Gedeputeerde Staten besluiten de jachthouders en de jachtaktehouders met schriftelijke toestemming van de jachthouder als categorieën van personen aan te wijzen voor wie het is toegestaan om met behulp van het geweer de stand van het Wild zwijn te beperken. Dit in het belang van de openbare veiligheid (verkeersveiligheid) en ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen en vee (verspreiding ziektes). Het besluit heeft betrekking op het grondgebied van de gemeenten Almelo, Borne, Dinkelland, Enschede, Haaksbergen, Hardenberg, Hellendoorn, Hengelo, Hof van Twente, Losser, Oldenzaal, Ommen, Rijssen-Holten, Tubbergen, Twenterand en Wierden."

Het Aanwijzingsbesluit is gepubliceerd in Provinciaal blad nr. 2004 - 21. Het Provinciaal blad vermeldt als uitgavedatum 17 februari 2004 en noemt de ambtenaar bij wie inlichtingen zijn te verkrijgen onder vermelding van het telefoonnummer van deze ambtenaar. Gedeputeerde Staten overwegen

"dat de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij met de Regeling beheer en schade bestrijding dieren diersoorten, waaronder het wild zwijn (Sus scrofa), heeft aangewezen waarvoor wij onder andere in het belang van de openbare veiligheid en ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren kunnen bepalen dat de stand kan worden beperkt;

dat wij in onze Nota beleidsregels faunabeheer hebben aangegeven het wenselijk te vinden om in het belang van de openbare veiligheid (c.q. verkeersveiligheid) en ter voorkoming van schade aan de landbouw de ook door het Rijk voorgestane voor het wild zwijn (Sus scrofa) te handhaven;

dat wij het wenselijk vinden een algemene regeling te treffen waarmee het jachthouders en jachtaktehouders met schriftelijke toestemming van de jachthouder is toegestaan in het belang van de openbare veiligheid (c.q. verkeersveiligheid) en voorkoming van belangrijke schade aan gewassen en vee (verspreiding van ziektes) de stand van het wild zwijn (Sus scrofa) in het oostelijk deel van provincie Overijssel te kunnen beperken".

en besluiten vervolgens:

"1. In het belang van de openbare veiligheid zijn jachthouders en jachtaktehouders met schriftelijke toestemming van de jachthouder aangewezen als categorieën van personen die de stand van het wild zwijn (Sus scrofa) kunnen beperken met behulp van het geweer op het grondgebied van de Overijsselse gemeenten Almelo, Borne, Dinkelland, Enschede, Haaksbergen, Hardenberg, Hellendoorn, Hengelo, Hof van Twente, Losser, Oldenzaal, Ommen, Rijssen, Tubbergen, Twenterand en Wierden;

2. aan Gedeputeerde Staten van Overijssel moet binnen 12 uur gemeld worden wie (en waar) wilde zwijnen heeft gedood op grond van dit besluit (e-mail: hjt.bonekamp@prv-overijssel.nl of telefoon 038 425 17 37);

3. In natuurgebieden vindt ingrijpen in de stand van het wild zwijn niet eerder plaats dan nadat over tijdstip en wijze van bemachtigen goed overleg met de beheerder heeft plaatsgevonden".

De Lutte maakt al sinds 1817 deel uit van de gemeente Losser.12 Het Aanwijzingsbesluit van 2004 had dus ook betrekking op De Lutte. Op 20 oktober 2008 hebben GS een nieuw aanwijzingsbesluit Wild zwijn genomen als aanvulling op het aanwijzingsbesluit van februari 2004. In het Provinciaal blad nr. 2008 - 66 overwegen GS, na het telefoonnummer en de naam van de provinciaal functionaris te hebben opgegeven bij wie inlichtingen kunnen worden ingewonnen:

"dat deze aanwijzing een aanvulling is op het aanwijzingsbesluit van 5 februari 2004, met als kenmerk LNL/2004/163, gepubliceerd op 17 februari 2004 in het Provinciaal blad nr. 2004-21 en de aanleiding hiervoor waarnemingen van het Wild zwijn (Sus crofa) zijn op de in dit aanwijzingsbesluit aangewezen gebieden; dat wij het wenselijk achten een algemene regeling te treffen waarmee jachthouders en jachtaktehouders worden aangewezen in het belang van de openbare veiligheid (c.q. de verkeersveiligheid),

de volksgezondheid en ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen en vee (verspreiding ziektes) de stand van het Wild zwijn (Sus crofa) met geweer te kunnen beperken;

dat wij het wenselijk achten om als aanvulling op het aanwijzingsbesluit van 5 februari 2004 de volgende gemeenten aan te wijzen: Raalte, Zwolle, Olst-Wijhe, Dalfsen, Deventer, Kampen, Staphorst, Steenwijkerland en Zwartewaterland".

Een vergelijking van de gemeenten die in 2004 en in 2008 zijn genoemd met de gemeenten waaruit de provincie Overijssel bestaat, leert dat het besluit van 2008 dat van 2004 in zoverre aanvult dat nu alle gemeenten in de provincie zijn genoemd.13 Daarna volgt de inhoud van de besluiten die GS hebben genomen:

"1. in het belang van de openbare veiligheid, de volksgezondheid en ter voorkoming van belangrijke schade zijn jachthouders en jachtaktehouders aangewezen als categorieën van personen die de stand van het Wild zwijn (Sus crofa) kunnen beperken met behulp van het geweer op het grondgebied van de gemeenten Raalte, Zwolle, Olst-Wijhe, Dalfsen, Deventer, Kampen, Staphorst, Steenwijkerland en Zwartewaterland;

2. aan Gedeputeerde Staten van Overijssel moet binnen 12 uur gemeld worden wie (en waar) Wilde zwijnen heeft gedood op grond van dit besluit (e-mail: HL.v.Gerrevink@overijssel.nl of telefoon 06 22 69 42 43);

3. de gebruiker van deze ontheffing moet toestemming hebben van grondgebruiker en/of grondeigenaar;

4. (...)

5. (...)

6. (...)

8. van deze ontheffing mag gebruikgemaakt worden vanaf 1 uur voor zonsopkomst tot 24.00 uur ’s nachts;

9. dat de aanwijzing van kracht wordt vanaf 20 oktober 2008."

3.9. Voor zijn beoordeling van het beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling heeft het hof het juiste criterium toegepast.14 Dat wordt door het middel ook niet bestreden. Dan rijst de vraag of de verwerping door het hof van het beroep op rechtsdwaling ook begrijpelijk is. De steller van het middel vindt het onbegrijpelijk dat aan de WBE niet zodanig gezag zou zijn toe te kennen dat in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies van de WBE mocht worden vertrouwd, gezien de taak van de WBE bij het faunabeheer. Voorts acht de steller van het middel het oordeel van het hof dat de door de WBE gegeven informatie slechts in algemene bewoordingen zou zijn verstrekt onbegrijpelijk nu die informatie volgens de steller van het middel in de gegeven situatie voldoende specifiek was en het hof daarom zijn anders luidende oordeel nader had moeten motiveren. Evenmin is volgens het middel zonder meer begrijpelijk dat het hof een eigen verantwoordelijkheid toekent aan degene aan wie een ontheffing is verleend om zich van inhoud van de daaraan verbonden voorwaarden te vergewissen, omdat in de onderhavige zaak verdachte zich juist wel had laten informeren en daarop heeft mogen vertrouwen.

3.10. Om met het laatste te beginnen: op verdachte rust de verplichting te voldoen aan de bestaande wet- en regelgeving. In geval van onduidelijkheid moet de burger zelfstandig trachten informatie in te winnen. Verdachte heeft nagelaten om zelf bij enige bevoegde instantie te informeren.15 Raadpleging van het Provinciaal Blad 2008-66 had in ieder geval verdachte de gegevens opgeleverd van de provinciale ambtenaar bij wie inlichtingen konden worden ingewonnen. Ook via de WBE of de Faunabeheereenheid ( zie artikel 29 Ffw) moet het voor iedere jager mogelijk zijn geweest gegevens te bekomen van het provinciaal loket waar betrouwbare informatie te verkrijgen is.

Verdachte is klaarblijkelijk afgegaan op notulen van de vergadering van de WBE waarin is opgenomen dat er momenteel geen vergunning van de WBE nodig is voor het afschieten van wilde zwijnen. Zo een mededeling had meteen vraagtekens moeten doen rijzen bij verdachte. In het kader van het beheer en bestrijding van schade door dieren spreekt de Ffw of de daarop gebaseerde regelgeving immers nergens over een vergunning, laat staan dat de WBE de bevoegdheid zou hebben ontheffingen of vergunningen uit te geven. De WBE is een lichaam dat wordt ingeschakeld bij de uitvoering van beheer en schadebestrijding. Een WBE is nergens bevoegd gemaakt om vergunningen te verstrekken voor het afschot van wilde zwijnen, noch om de wetgeving betreffende het beheer van en de schade door dieren door opsporing of toezicht te handhaven. Dat de verdachte, als jager en lid van een WBE, dit niet zou hebben geweten is op zijn minst onwaarschijnlijk maar in ieder geval onverschoonbaar. Voorts ligt in een mededeling van de WBE dat geen vergunning nodig is nog niet besloten dat men geen voorafgaande toestemming meer nodig heeft van de rechthebbende op de jacht of op het land alvorens daar - toch min of meer in een impuls - wilde zwijnen te gaan schieten. De mededeling in de notulen van de vergadering van de WBE dekt dus niet het gedrag waarvoor verdachte verontschuldiging zoekt.16 Hetzelfde geldt overigens ook nog als men de zinsnede over de vergunning geforceerd zou verstaan zoals de pleitnota van hoger beroep doet, te weten dat voor het afschieten van wilde zwijnen een ontheffing geldt. Een ontheffing geldt immers voor in de Ffw opgenomen verboden die uitdrukkelijk per artikel zijn aangeduid. Maar dat wil niet zeggen dat iedere jager zomaar andermans grond mag betreden. Ik laat nog daar dat niet duidelijk is wat de oorsprong van de genoemde vermelding in de notulen van de vergadering is, noch in welke context deze mededeling is gedaan.

Ook het feit dat er onduidelijkheid zou bestaan over de provinciale regeling - zoals in hoger beroep is betoogd - is onvoldoende voor het aannemen van een verschoonbare rechtsdwaling. Het enkele feit dat de norm niet helder is, is nog onvoldoende om een verschoonbare rechtsdwaling aan te nemen.17

Het middel faalt.

4. Het voorgestelde middel faalt en kan naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met nr. 14/05996 ( [medeverdachte 3] ) en nr. 15/00696 ( [medeverdachte 2] ) waarin ik ook vandaag concludeer.

2 Uitgegaan wordt van de tekst van de regelingen zoals die luidde op 2 november 2009.

3 Behoudens de gedomesticeerde dieren behorende tot de soort Sus crofa (varken). Zie art. 3 onder c van het Besluit aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet van 28 november 2000, Stb. 2000, 523.

4 Deze AMvB is het Besluit van 2000 (Besluit beheer en schadebestrijding dieren), Stb. 2000, 521. Artikel 2 van het besluit verwijst naar bijlage 1 bij dit Besluit voor de aanwijzing van beschermde inheemse diersoorten die in het gehele land veelvuldig belangrijke schade aanrichten. Artikel 3 van het Besluit verwijst naar bijlage 2 waarin de diersoorten zijn opgesomd die in delen van het land veelvuldig belangrijke schade aanrichten. In geen van beide bijlagen is het varken (Sus crofa) genoemd.

5 Kamerstukken II 1996/97, 23147, nr. 12, p. 12. Zie Aanwijzing 125 voor de regelgeving voor het verschil tussen vrijstelling, ontheffing, vergunning en erkenning:"1. Voor een besluit waarbij een uitzondering op een wettelijk verbod of gebod wordt gemaakt voor eencategorie van gevallen, wordt de term "vrijstelling" gebruikt.2. Voor een beschikking waarbij in een individueel geval een uitzondering op een wettelijk verbod of gebod wordt gemaakt, wordt de term "ontheffing" gebruikt.3. Voor een beschikking waarbij een bepaalde handeling wordt toegestaan, wordt de term "vergunning"gebruikt.4. Voor een beschikking waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of instelling aan bepaalde eisenvoldoet, wordt de term "erkenning" gebruikt."

6 Betreffende de middelen die mogen worden aangewend.

7 Voor de volledigheid wijs ik er op dat sus crofa niet is genoemd op een van de lijsten die als bijlagen horen bij het Besluit beheer en schadebestrijding dieren van 28 november 2000, Stcrt. 2000, 521. Deze AMvB geeft uitvoering aan art. 65 Ffw.

8 http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/historie/Overijssel/33125/33125_1.html

9 Nota, p. 21 van 56.

10 Nota, p. 22 van 56. Zie ook p. 52 van 56.

11 www.overijssel.nl/sis/14900407536168.pdf.

12 http://www.losser.nl/Over_Losser/Geschiedenis/Geschiedenis.

13 https://nl.wikipedia.org/wiki/Tabel_van_gemeenten_in_Overijssel.

14 HR 4 april 2006, NJ 2007, 144 m.nt. Schalken; HR 26 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0813.

15 HR 31 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8322.

16 HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9270.

17 HR 9 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9919. Zie ook NLR, Inleiding, Schuld in het algemeen, 5. Nader over rechtsdwaling.