Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2459

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-09-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
14/05477
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3711, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94 Sv. Het oordeel van de Rb dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van het horloge en het geldbedrag is, gelet op hetgeen namens de klager en door de OvJ is aangevoerd, niet zonder meer begrijpelijk. Voor zover de Rb als haar oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat de omstandigheid dat de OvJ heeft aangekondigd dat t.z.t. een vordering tot omzetting van het ex art. 94 Sv gelegde beslag in een ex art. 94a Sv gelegd beslag zal worden gedaan, een belang van strafvordering is dat zich tegen teruggave van het horloge en het geldbedrag verzet, is dat oordeel onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/05477 B

Zitting: 29 september 2015

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[klager]

1. De Rechtbank Midden-Nederland heeft bij beschikking van 24 juni 2014 het beklag van klager ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het onder klager gelegde beslag op een horloge (Breitling) en een geldbedrag van € 2.071,55, ongegrond verklaard. Tevens heeft de Rechtbank het verzoek om teruggave van die inbeslaggenomen zaken aan klager afgewezen.

2. Tegen deze beschikking is namens klager cassatieberoep ingesteld.

3. Namens klager heeft mr. H.J.G. Heijen, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende twee middelen van cassatie ingediend.

4 De behandeling van het beklag door de Rechtbank

4.1.

Het gaat in deze zaak om een inbeslaggenomen horloge van het merk Breitling en een inbeslaggenomen geldbedrag van € 2.071,55. Klager stelt eigenaar te zijn van deze inbeslaggenomen zaken en wenst de teruggave daarvan. In het klaagschrift wordt gesteld dat klager het bedoelde horloge in 2000 van zijn vader cadeau heeft gekregen en dat het geld door klager is verdiend door middel van zijn bedrijf [A]. Blijkens het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling van 3 juni 2014 is door de raadsman van klager en de officier van justitie onder meer het volgende aangevoerd met betrekking tot het beslag:

“De raadsman voert aan – zakelijk weergegeven-:

Het klaagschrift ziet op het in beslag genomen geldbedrag van € 2.071,55 en op het in beslag genomen Breitling horloge. Het geld en het horloge zijn van cliënt. Ik overleg hierbij nog een aantal stukken aan de rechtbank die zien op het horloge.

De officier van justitie voert het woord – zakelijk weergegeven-:

In de onderliggende strafzaak is sprake van een verdenking welke verband houdt met een hennepkwekerij. Het Openbaar Ministerie is van mening dat voordeel dat uit een hennepkwekerij wordt genoten als wederrechtelijk verkregen voordeel ontnomen moet worden. In dat kader zal het beslag op grond van artikel 94 Sv worden omgezet in een conservatoir beslag op grond van artikel 94a Sv. Het strafvorderlijk belang verzet zich daarom tegen teruggave van de voorwerpen aan klager. Er is nog geen vordering tot omzetting van het beslag ingediend.

De advocaat voert het woord – zakelijk weergegeven-:

Het geldbedrag en het horloge zijn op 16 december 2013 in beslag genomen. Al vanaf 23 december 2013 probeer ik erachter te komen wat er aan de hand is. Uiteindelijk heb ik iets na 22 april 2014 het dossier ontvangen. In dat dossier zit een ontlastende verklaring. Cliënt heeft helemaal niets met een hennepkwekerij te maken. Het horloge is van cliënt. Bij de net overgelegde stukken zit een certificaat van echtheid en een garantiebewijs waar een uniek nummer op staat, welk nummer overeenkomt met het nummer dat in het proces-verbaal van onderzoek op pagina 80 staat vermeld. Cliënt heeft ook het doosje van het horloge meegenomen met daarin een bij het horloge passend stukje band. Wat het geldbedrag betreft merk ik op dat cliënt een autobedrijf heeft. Hij ontvangt alle betalingen contant. Het is dus normaal dat cliënt op een dag € 2.000,00 op zak heeft. Het in beslag genomen geld betreft handelsgeld. Er is geen enkel strafvorderlijk belang bij het voortduren van het beslag nu het Openbaar Ministerie nog geen ontnemingsvordering heeft ingediend en nergens uit blijkt dat cliënt iets met het plegen van strafbare feiten te maken heeft gehad. Nu het beslag op basis van artikel 94 Sv is gelegd dient het voortduren van dat beslag getoetst te worden aan de in dat kader van belang zijnde criteria.”

4.2.

De Rechtbank heeft, als gezegd, het beklag ongegrond verklaard. Daartoe overwoog de Rechtbank het volgende:

“Maatstaf bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift is of het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van hetgeen bij klager in beslag is genomen. Nu beslag is gelegd op de voet van artikel 94 Sv is daarbij in dit geval van belang of het voortduren van het beslag nodig is voor het aan de dag brengen van de waarheid in een strafzaak dan wel het voortduren van het beslag nodig is voor het aantonen van het wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het voorwerp zal verbeurd verklaren of onttrekken aan het verkeer.

De officier van justitie heeft ter zitting betoogd dat het Openbaar Ministerie voornemens is om een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in te dienen nu in de onderliggende strafzaak sprake is van een verdenking welke verband houdt met een hennepkwekerij. In dat kader zal het beslag op grond van artikel 94 Sv worden omgezet in een conservatoir beslag op grond van artikel 94a Sv. Het strafvorderlijk belang verzet zich aldus tegen teruggave van de voorwerpen aan klager, aldus de officier van justitie.

De raadsman van klager heeft in raadkamer ter aanvulling op het klaagschrift aangevoerd dat er geen strafvorderlijk belang is bij het voortduren van het beslag nu het Openbaar Ministerie nog geen ontnemingsvordering heeft ingediend en nergens uit blijkt dat klager iets met het plegen van strafbare feiten te maken heeft gehad. Nu het beslag op basis van artikel 94 Sv is gelegd dient het voortduren van dat beslag getoetst te worden aan de in dat kader van belang zijnde criteria.

De rechtbank overweegt dat in de onderliggende strafzaak beslag is gelegd op de voet van artikel 94 Sv. Volgens mededeling van de officier van justitie zal te zijner tijd een vordering tot omzetting van dit beslag in een beslag op de voet van artikel 94a Sv worden gedaan. De rechtbank is thans op basis van de stukken waar de rechtbank de beschikking over heeft van oordeel dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van hetgeen bij klager in beslag is genomen. De rechtbank houdt daarbij rekening met de verdenking waarvan sprake is, met de relatief recente datum van inbeslagname en met het feit dat het inbeslaggenomene mogelijk nodig kan zijn voor het aantonen van het wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het inbeslaggenomene zal verbeurd verklaren of onttrekken aan het verkeer. De rechtbank zal het beklag aldus ongegrond verklaren.”

5 De middelen

5.1.

Omdat beide cassatiemiddelen - in de kern - klagen over (de motivering van) de beslissing van de Rechtbank om het beklag ongegrond te verklaren, zal ik de twee middelen hierna gezamenlijk bespreken.

5.2.

De middelen strekken tot het betoog dat de motivering van de ongegrondverklaring van het beklag onbegrijpelijk is. Klager is kennelijk als verdachte aangemerkt in een hennep-strafzaak. De steller van de middelen betoogt - kort samengevat - dat klager niets te maken heeft met een hennepkwekerij; dat klager het in beslag genomen horloge een aantal jaren geleden van zijn vader cadeau heeft gekregen en dat het onder klager inbeslaggenomen geld handelsgeld betreft. In wezen is dit een herhaling van hetgeen de raadsman van klager bij de behandeling van het klaagschrift in raadkamer naar voren heeft gebracht. Ik begrijp de middelen aldus dat zij erover klagen dat het oordeel van de Rechtbank in het licht van hetgeen in raadkamer is aangevoerd, onbegrijpelijk is en ontoereikend is gemotiveerd.

5.3.

Bij de bespreking van de middelen stel ik het volgende voorop. Tijdens die openbare raadkamerbehandeling heeft de raadsman ook aangevoerd dat – omdat het beslag op grond van art. 94 Sv was gelegd - het klaagschrift moest worden beoordeeld aan de hand van de voor dat artikel geldende toetsingsmaatstaf. Daarin had de raadsman gelijk. Op een voorgenomen omzetting van een ex art. 94 Sv gelegd beslag in een conservatoir beslag mag de beklagrechter niet anticiperen.1 De vraag is of de Rechtbank zich aan die regel heeft gehouden. Zij betrekt in haar overwegingen immers de mededeling van de officier van justitie dat een vordering tot omzetting van het beslag zal worden gedaan. Welke rol dit gegeven in haar oordeelsvorming heeft gespeeld, is niet duidelijk. Over die onduidelijkheid wordt niet, of althans niet met zoveel woorden, geklaagd. Gelet daarop volsta ik met de vaststelling dat het ervoor kan worden gehouden dat de Rechtbank niet enkel vanwege de voorgenomen omzetting het beklag ongegrond heeft verklaard, maar die ongegrondverklaring mede heeft doen steunen op haar oordeel dat “thans” het belang van de strafvordering waarop art. 94 Sv ziet, nog aanwezig is.

5.4.

Overigens heb ik nog wel schriftelijk navraag gedaan bij het Openbaar Ministerie naar de grondslag van het beslag op dit moment. Als het beslag inmiddels zou zijn omgezet in een conservatoir beslag,2 rijst immers de vraag of klager wel voldoende belang heeft bij vernietiging van de bestreden beschikking.3 Naar aanleiding van mijn verzoek om informatie over de juridische basis van het beslag ontving ik (op 16 juli 2015) het bericht dat het strafrechtelijk beslag niet is omgezet naar een conservatoir beslag. Het beslag op het horloge en het geldbedrag is dus kennelijk nog steeds gegrond op art. 94 Sv.

5.5.

Aandacht verdient voorts het volgende. Het is vaste jurisprudentie dat, indien de officier van justitie bij de behandeling van het beklag te kennen geeft dat het belang van de strafvordering zich niet tegen teruggave verzet, de beklagrechter niet in de beoordeling van dit punt mag treden.4 Het oordeel van de officier van justitie met betrekking tot de vraag of handhaving van het beslag nog langer nodig is, is dus in zoverre bepalend. De vraag is of niet een stapje verder moet worden gegaan in die zin, dat de beklagrechter zich bij de beoordeling van de vraag of het belang van de strafvordering zich tegen teruggave verzet, moet beperken tot de gronden die daarvoor door de officier van justitie zijn aangedragen. Dat zou bijvoorbeeld betekenen dat, als de officier van justitie zich op het standpunt heeft gesteld dat handhaving van het beslag (enkel) nodig is met het oog op de waarheidsvinding, de beklagrechter niet ambtshalve mag treden in de vraag of die handhaving nodig is met het oog op een eventuele verbeurdverklaring. Als de consequentie van deze benadering zou zijn dat de officier van justitie zich gedwongen voelt om zich voorafgaande aan de raadkamerbehandeling op de hoogte te stellen van de actuele stand van zaken teneinde zich op basis daarvan een oordeel te vormen over de vraag of het belang van de strafvordering nog steeds aanwezig is, kan ik dat slechts als een voordeel zien.

5.6.

Op de vraag of deze verdergaande stap moet worden gezet, komt het in de onderhavige zaak niet aan. In de opstelling van de officier van justitie tijdens de behandeling in raadkamer lijkt namelijk besloten te liggen dat het belang van de strafvordering waarvoor art. 94 Sv inbeslagneming toelaat, naar zijn oordeel in het geheel niet meer aanwezig is, zodat de Rechtbank dat oordeel reeds op grond van de bestaande jurisprudentie had dienen te eerbiedigen.5 Nu is een moeilijkheid dat de cassatiemiddelen over dit punt niet, althans niet met zoveel woorden, klagen. Een zelfstandige grond voor cassatie kan de veronachtzaming van de bedoelde jurisprudentiële regel daarom niet opleveren.

5.7.

Iets anders is dat de opstelling van de officier van justitie indirect een rol speelt bij de beoordeling van de klacht die wel is gedaan. Nu door de officier van justitie niets is aangevoerd ter weerlegging van het betoog van de raadsman dat het belang van de strafvordering niet meer aanwezig is, zal het terzijde schuiven van dat betoog door de Rechtbank niet snel begrijpelijk zijn. Anders gezegd: de impliciete erkenning door de officier van justitie dat het door art. 94 Sv gediende belang van de strafvordering niet langer aanwezig is, vertaalt zich in de eisen die aan de motivering van het andersluidende oordeel van de Rechtbank dienen te worden gesteld.

5.8.

Welnu, volgens de Hoge Raad verzet het belang van strafvordering zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Verder verzet het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.6 In casu heeft de Rechtbank geoordeeld dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van de inbeslaggenomen zaken. Zij heeft daarbij rekening gehouden met (onder meer) “het feit dat het inbeslaggenomene mogelijk nodig kan zijn voor het aantonen van het wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het inbeslaggenomene zal verbeurd verklaren of onttrekken aan het verkeer.” Het moet ervoor gehouden worden dat de Rechtbank in zoverre de juiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd (hiervoor, punt 5.3). Erg begrijpelijk is haar niet nader gemotiveerde oordeel echter niet. Daarover het volgende.

5.9.

Dat het voortduren van het beslag nodig zou zijn om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen, lijkt de Rechtbank, gelet op het gebruik van de woorden “mogelijk” en “dan wel”, zelf als een volledigheidshalve te noemen theoretische mogelijkheid te zien. In elk geval geldt dat niet goed valt in te zien waarom de handhaving van het beslag nodig is voor het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel. Door de officier van justitie is niet aangevoerd dat het horloge of het geld nog nader dienen te worden onderzocht om wederrechtelijk voordeel aan te tonen, terwijl ook niet eenvoudig valt te bedenken welk onderzoek dat dan zou moeten zijn. In een hypothetisch onderzoek, ten aanzien waarvan nergens uit blijkt dat de officier van justitie voornemens is dat te laten verrichten, kan het belang van de strafvordering bezwaarlijk gelegen zijn.

5.10.

Mocht de bestreden beschikking zo moeten worden begrepen dat de Rechtbank van oordeel is dat onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen niet hoogst onwaarschijnlijk is, dan is dat oordeel zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Immers, niet goed valt in te zien waarom het ongecontroleerde bezit van de in het klaagschrift bedoelde horloge in strijd is met de wet of het algemeen belang, terwijl het bovendien vaste rechtspraak is dat geld als wettig betaalmiddel niet vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer.7

5.11.

Voor zover de Rechtbank heeft geoordeeld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter de voorwerpen waarop het klaagschrift betrekking heeft verbeurd zal verklaren, acht ik ook dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. Voor verbeurdverklaring is vereist dat er een relatie is tussen de desbetreffende voorwerpen en het strafbare feit waarvan klager wordt verdacht (zie art. 33a lid 1 Sr). Door de officier van justitie is niet aangevoerd dat er aanwijzingen zijn dat een dergelijke relatie bestaat, terwijl allerminst evident is dat die aanwijzingen zich voordoen. Onder die omstandigheden mag van de Rechtbank worden gevergd dat zij aangeeft welke grond voor verbeurdverklaring in casu in aanmerking zou kunnen komen. Aan die motiveringseis is niet voldaan. Uit de bestreden beschikking valt zelfs niet af te leiden op welk feit of welke feiten de verdenking betrekking heeft. Dat de Rechtbank rekening heeft gehouden “met de verdenking waarvan sprake is”, maakt niet duidelijk wat die verdenking inhoudt. Dat wordt niet veel anders als die overweging gelezen zou moeten worden in het licht van hetgeen door de officier van justitie is aangevoerd, namelijk dat de jegens klager bestaande verdenking “verband houdt met een hennepkwekerij”. Die aanduiding is zo vaag dat het alleen daarom al gissen blijft naar het verband tussen de inbeslaggenomen voorwerpen en het strafbare feit of de strafbare feiten waarvan klager wordt verdacht.

5.12.

Dit motiveringsgebrek zou mogelijk niet tot cassatie hoeven leiden als uit de stukken op basis waarvan de Rechtbank zegt te hebben geoordeeld, genoegzaam blijkt van welke feiten klager wordt verdacht. Uit het proces-verbaal van politie, dat onderdeel uitmaakt van het aan de Hoge Raad toegezonden dossier, blijkt dat de verdachte op 16 december 2013 op heterdaad is aangehouden toen hij samen met twee andere mannen bij zijn blauwe Jaguar stond waarin vanuit een andere auto dozen met hennepstekjes werden geladen. Het inbeslaggenomen geldbedrag en het horloge is kennelijk bij of kort na de aanhouding onder klager aangetroffen. In het proces-verbaal worden het bezit van softdrugs en witwassen genoemd als feiten waarvan klager wordt verdacht. Als bij de beoordeling in cassatie van deze strafbare feiten moet worden uitgegaan, geldt dat een relatie als bedoeld in art. 33a Sr tussen het aanwezig hebben van softdrugs en de inbeslaggenomen voorwerpen moeilijk valt aan te wijzen. Dat is anders met betrekking tot het witwassen. Het geld en het horloge zouden hier het voorwerp van het strafbare feit uitgemaakt kunnen hebben.

5.13.

Dat echter is niet het hele verhaal. Voor verbeurdverklaring is een veroordeling vereist, zodat de beklagrechter dient na te gaan of een veroordeling niet hoogst onwaarschijnlijk is. Dat betekent in dit geval tenminste dat ten aanzien van klager sprake moet zijn van een redelijk vermoeden van schuld van witwassen.8 Of de verdenking van witwassen ten tijde van de aanhouding op meer was gebaseerd dan dat de klager het geld en het horloge bij zich droeg toen er hennepstekjes in zijn auto werden geladen, wordt uit de gedingstukken niet duidelijk. Evenmin blijkt daaruit dat nadien ingesteld opsporingsonderzoek enige onderbouwing van de verdenking van witwassen heeft opgeleverd. Alleen daarom al mocht van de Rechtbank worden verwacht dat zij duidelijk maakte of de nog “bestaande verdenking” ook betrekking had op witwassen en zo ja, of voor die verdenking redelijke grond bestond. Dat de Rechtbank de “relatief recente datum van inbeslagneming” in aanmerking heeft genomen, maakt dit alles niet anders. Alles is uiteraard relatief, maar na de inbeslagneming was op het moment waarop de Rechtbank oordeelde inmiddels meer dan een half jaar verstreken. Verlangd mag dan worden dat het opsporingsonderzoek iets concreets heeft opgeleverd.

5.14.

Bij dit alles komt nog hetgeen in het klaagschrift en bij de behandeling in raadkamer namens klager is aangevoerd met betrekking tot de (legale) herkomst van het geld en het horloge, wat het horloge betreft onder overlegging van bewijsstukken. Daaraan is de Rechtbank geheel voorbijgegaan. Zo zij mocht hebben geoordeeld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later zal oordelen dat het geld en het horloge het voorwerp van witwassen hebben uitgemaakt, is dat oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.

5.15.

Ten slotte moet mij nog het volgende van het hart. Het door de Hoge Raad voorgeschreven criterium van de hoogste onwaarschijnlijkheid nodigt bepaald niet uit tot een indringende toetsing van de noodzaak van het laten voortduren van het beslag. Desondanks komt het mij voor dat, wil de beklagprocedure van art. 552a Sv nog iets van een effective remedy tegen willekeurige inbeslagneming vormen, de beklagrechter dat criterium niet zo zou moeten verstaan dat iedere feitelijke beoordeling achterwege kan worden gelaten omdat nooit geheel valt uit te sluiten dat het desbetreffende voorwerp verbeurd zal worden verklaard.9

5.16.

De middelen slagen.

6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terug- of verwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Zie HR 22 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1637. Vgl. HR 25 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4197.

2 Omzetting van het beslag is ook mogelijk na de indiening van het klaagschrift. Zie bijvoorbeeld: HR 12 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2565. In deze zaak was de beklagrechter er ten onrechte van uitgegaan dat nog sprake was van een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag, terwijl uit het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer was gebleken dat het beslag (op een auto) was omgezet in een conservatoir beslag ex art. 94a Sv.

3 Vergelijk mijn conclusie die voorafging aan HR 25 maart 2008(ECLI:NL:PHR:2008:BC4197).

4 Zie HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.10.

5 Van een wezenlijk verschil met de situatie in HR 22 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1637 lijkt geen sprake te zijn.

6 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.9.

7 HR 8 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7626, NJ 2007, 437, rov. 3.5.1.

8 Misschien moet dit zelfs wel als een zelfstandige eis worden gezien. Kan er sprake zijn van een belang van de strafvordering als het redelijke vermoeden ontbreekt?

9 De vraag die kan worden gesteld, is of het criterium zelf wel deugt. Kortheidshalve volsta ik met een verwijzing naar de conclusie die ik vandaag neem in de zaak met nummer 14/05974.