Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2456

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-10-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
14/03003
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3703, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 9.2 WVW 1994. Bewijsklacht. Het middel slaagt op de in de conclusie AG omtrent dit middel vermelde gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/03003

Zitting: 6 oktober 2015

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens telkens “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken.

2. Namens verdachte heeft mr. E.M. Witjens, advocaat te Den Haag, vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het volledige proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep zich niet bij de stukken bevindt die door de griffier van het Hof op de voet van art. 434 lid 1 Sv aan de griffier van de Hoge Raad zijn gezonden.

4. Genoemd proces-verbaal bevindt zich wel bij bedoelde stukken. Een afschrift daarvan is de raadsman op zijn verzoek op 23 april 2015, dus binnen de in art. 437 lid 2 Sv genoemde, op 2 maart 2015 aangevangen termijn, verstrekt.1

5. Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.

6. Het tweede middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat, zoals in de zaak met het parketnummer 17-098074-12 bewezenverklaard, het feit heeft plaatsgevonden op de Acacialaan.

7. In de zaak met het parketnummer 17-098074-12 is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

“hij op of omstreeks 8 februari 2012 te of bij Langedijke, (in elk geval) in de gemeente Ooststellingwerf, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de N351, als bestuurder een motorrijtuig, (bedrijfsauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.”

8. In die zaak is bewezenverklaard dat:

“hij op 8 februari 2012 te Langedijke, in de gemeente Ooststellingwerf, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, de Acacialaan, als bestuurder een motorrijtuig, (bedrijfsauto), van die categorie heeft bestuurd.”

9. Inderdaad kan uit de gebezigde bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat het feit heeft plaatsgevonden op de Acacialaan. Uit de bewijsmiddelen blijkt wel, dat het feit heeft plaatsgevonden op de weg, de N351. Zo is het ook aan de verdachte tenlastegelegd. Derhalve berust het in de bewezenverklaring noemen van de Acacialaan in plaats van de N351 onmiskenbaar op een vergissing. Daarom kan deze door de Hoge Raad worden hersteld zonder tekort te doen aan de rechtens beschermde belangen van de verdachte.

10. Het middel faalt.

11. Het derde middel houdt in dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat – zoals in de zaak met het parketnummer 17-098074-12 bewezenverklaard – verdachte “wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven” respectievelijk – zoals in de zaak met het parketnummer 17-081752-12 bewezenverklaard – verdachte “wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten alle, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven”.

12. In de zaak met het parketnummer 17-098074-12 is ten laste van de verdachte bewezenverklaard als hiervoor onder 8 vermeld. Ten laste van de verdachte is in de zaak met het parketnummer 17-081752-12 bewezenverklaard dat:

“hij op 14 februari 2012 te Nijeberkoop, in de gemeente Ooststellingwerf, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten alle, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Bovenweg, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.”

13. De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

“1.

Een schriftelijk stuk, houdende een proces-verbaal van verkeersmisdrijf, op ambtsbelofte/ambtseed opgemaakt op 29 maart 2012 door [verbalisant 1] , hoofdagent van de politie Fryslân, en [verbalisant 2] , inspecteur van de politie Fryslân, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als relatering van de verbalisanten:

Op 8 februari 2012 zagen wij op de provinciale weg N351 onder Langedijke in de gemeente Ooststellingwerf een bedrijfsauto rijden.

Bij een controle na het voldoen aan een stopteken hoorden wij dat de bestuurder opgaf te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1977.

Op 9 februari 2012 bleek verbalisant [verbalisant 1] bij een onderzoek in het politiesysteem naar de identiteit van deze [verdachte] dat diens rijbewijs ongeldig was verklaard.

Op 28 februari 2012 ontving verbalisant [verbalisant 1] de stukken betreffende de ongeldigverklaring van het rijbewijs van [verdachte] van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen waaruit daarvan bleek.

2

Een schriftelijk stuk, houdende een proces-verbaal van rijden met ongeldig verklaard rijbewijs, op ambtsbelofte opgemaakt op 13 maart 2012 door [verbalisant 3] , hoofdagent van de politie Fryslân, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als relatering van de verbalisant:

Op 14 februari 2012 zag ik op de Bovenweg te Nijeberkoop in de gemeente Ooststellingwerf een persoon een Volkswagen Golf besturen.

Ter controle op de naleving van de voorschriften bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gaf ik een stopteken waaraan de bestuurder voldeed. De bestuurder gaf op te zijn:

[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1977.

Het was mij ambtshalve bekend dat het rijbewijs van de bestuurder ongeldig is verklaard.

Door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen is het rijbewijs op naam van [verdachte] op 30 juli 2004 voor alle categorieën ongeldig verklaard. Een kopie van dit besluit is bij dit proces-verbaal gevoegd.

3

Een schriftelijk stuk, houdende een besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen van 23 juli 2004, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Datum 23 juli 2004

Het CBR,

Neemt dit besluit omdat [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1977, wonende te [a-straat 1] te [woonplaats], niet tijdig de kosten van de EMA heeft betaald.

Besluit

Het rijbewijs van [verdachte] wordt voor. alle categorieën ongeldig verklaard.

De ongeldigverklaring is van kracht met ingang van de zevende dag na die van de dagtekening van dit besluit.

4

Een schriftelijk stuk, houdende een uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 maart 2014 met betrekking tot [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1977, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Datum beslissing 24 augustus 2007 Politierechter Leeuwarden

Feit 2 art 9 lid 2 Wegenverkeerswet 1994

Status Onherroepelijk

Beslissing t.a.v.

Feit 1, feit 2 40 uren werkstraf subsidiair 20 dagen hechtenis

Executie 12 juni 2008 -2 juli 2008 PI Overijssel,

PIV Zwolle

(...)

Datum beslissing 15 oktober 2007 Politierechter Leeuwarden

Feit 1 art 9 lid 2 Wegenverkeerswet 1994

Status Onherroepelijk

Beslissing t.a.v.

Feit 1 32 uren werkstraf subsidiair 16 dagen hechtenis

Executie 27 mei 2008 - 12 juni 2008 PI Overijssel, PIV Zwolle

(…)

Datum beslissing 7 april 2010 Politierechter Zwolle

Feit 1 art 9 lid 2 Wegenverkeerswet 1994

Status Onherroepelijk

Beslissing t.a.v.

Feit 1 40 uren werkstraf subsidiair 20 dagen hechtenis

EUR 500.00 geldboete subsidiair 10 dagen

hechtenis”

14. Omtrent de bewezenverklaarde wetenschap van verdachte houdt het arrest van het Hof het volgende in:

“Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dit op grond van de volgende omstandigheden.


Het rijbewijs van de verdachte is met ingang van 30 juli 2004 ongeldig verklaard.

De verdachte is blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 maart 2014 nadien, op 24 augustus 2007, op 15 oktober 2007 en op 7 april 2010, veroordeeld tot (onder meer) werkstraffen ter zake van rijden terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

Ter zake van de beide in 2007 aan de verdachte opgelegde werkstraffen heeft de verdachte vervangende hechtenis moeten uitzitten, in de periode van 27 mei 2008 tot 12 juni 2008 en in de periode van 12 juni 2008 tot 2 juli 2008. De werkstraf in 2010 heeft verdachte klaarblijkelijk wel uitgevoerd.


Het hof acht het uitgesloten dat de verdachte niet wist waarom hij in 2008 ruim één maand in detentie heeft doorgebracht dan wel in 2010 een werkstraf moest verrichten. Uit deze omstandigheden leidt het hof af dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte op 8 februari 2012 en op 14 februari 2012 wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.”

15. In de eerste plaats wordt geklaagd dat het Hof er op ontoereikende gronden vanuit is gegaan dat verdachtes rijbewijs met ingang van 30 juli 2004 ongeldig is verklaard. Daartoe wordt erop gewezen dat een ongeldigverklaring niet ingaat – zoals bewijsmiddel 3 inhoudt - met ingang van de zevende dag na die van de dagtekening van het besluit tot ongeldigverklaring maar gelet op het bepaalde in art. 132 lid 4 WVW 1994 met ingang van de zevende dag na die waarop het besluit tot ongeldigverklaring aan de houder van het rijbewijs is bekend gemaakt.

16. Art. 132 lid 4 WVW 1994 luidt:

“De ongeldigverklaring is van kracht met ingang van de zevende dag na die waarop het besluit tot ongeldigverklaring aan de houder van het rijbewijs is bekend gemaakt.”

17. De bewijsmiddelen houden niet in of en zo ja wanneer het besluit tot ongeldigverklaring aan verdachte als houder van het rijbewijs is bekend gemaakt. Dit betekent dat het Hof er op ontoereikende gronden vanuit is gegaan dat verdachtes rijbewijs op 8 respectievelijk 14 februari 2012 ongeldig was verklaard.

18. Ten tweede wordt geklaagd dat voor het geval ervan moet worden uitgegaan dat verdachtes rijbewijs – zoals het Hof heeft overwogen - met ingang van 30 juli 2004 ongeldig was verklaard, het Hof op ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat verdachte op 8 respectievelijk 14 februari 2012 wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

19. De Hoge Raad stelt duidelijk eisen aan het bewijs van het weten of redelijkerwijs moeten weten als bedoeld in art. 9 lid 2 WVW 1994. Het niet als onbestelbaar retour komen van een kennisgeving van ongeldigverklaring is daartoe niet toereikend2, evenmin de omstandigheid dat verdachte de van het CBR afkomstige brief - waarin hem wordt medegedeeld dat het CBR besloten heeft tot het opleggen van een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer - heeft ontvangen en evenmin de omstandigheid dat verdachtes raadsman tegen laatstgenoemd besluit bezwaar heeft aangetekend, ook al heeft dat bezwaar geen schorsende werking.3 Is het besluit tot ongeldigverklaring zowel bij aangetekende als bij niet aangetekende brief aan verdachte verzonden, zijn deze brieven niet retour gekomen, heeft het CBR het rijbewijs van betrokkene ontvangen en heeft de verdachte tot de dag van de overtreding geen nieuw rijbewijs aangevraagd dan kan het weten of redelijkerwijs moeten weten wel bewezen worden.4

20. Het oordeel van het Hof komt er op neer dat verdachte op 8 respectievelijk 14 februari 2012 moet hebben geweten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard omdat eerdere veroordelingen ter zake van rijden na 30 juli 2004 terwijl het rijbewijs ongeldig was verklaard ten uitvoer zijn gelegd, twee maal in de vorm van een vrijheidsstraf, eenmaal klaarblijkelijk in de vorm van een werkstraf.

21. In het oordeel van het Hof ligt besloten dat ervan mag worden uitgegaan dat iemand die een straf moet ondergaan er van op de hoogte is voor welk feit of welke feiten die straf is opgelegd. Dat oordeel acht ik niet zonder meer begrijpelijk. Verdachte heeft een strafblad5 van twaalf bladzijden. In die omstandigheden vergt het een geordend leven en goed overzicht over veroordelingen en tenuitvoergelegde straffen wil de redenering van het Hof opgaan. Over een dergelijk geordend leven en een zo goed overzicht plegen veroordeelden bepaald niet steeds te beschikken. Dat het laatste in het onderhavige geval anders zou zijn heeft het Hof niet vastgesteld.

22. In de toelichting op het middel wordt erop gewezen dat verdachtes raadsman ter terechtzitting in hoger beroep een rijbewijs van verdachte heeft overgelegd dat is afgegeven op 31 mei 2012. Dat zou een omstandigheid kunnen zijn die erop zou kunnen wijzen dat verdachte wel wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Waarom immers zou hem anders een nieuw rijbewijs zijn afgegeven? Het Hof heeft deze omstandigheid echter niet vastgesteld en deze ook niet in zijn oordeel betrokken.

23. Ten derde wordt geklaagd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat, zoals bewezenverklaard, aan verdachte na ongeldigverklaring van zijn rijbewijs geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven.

24. Dat, zoals bewezenverklaard, aan verdachte na ongeldigverklaring van zijn rijbewijs geen ander rijbewijs is afgegeven, blijkt niet uit de gebezigde bewijsmiddelen. Ook in zijn bewijsmotivering wijdt het Hof aan dit onderdeel van de bewezenverklaring geen woorden.

25. Art. 9 lid 2 WVW 1994 luidt voor zover hier van belang:

“Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, indien aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van die categorie of categorieën dan wel gedurende dat gedeelte van de geldigheidsduur te besturen of als bestuurder te doen besturen.”

26. Over het karakter van de voorwaarde dat aan verdachte na ongeldigverklaring van zijn rijbewijs geen ander rijbewijs is afgegeven schrijven Stamhuis en Remmelink6:

“De wetgever heeft hiermee tot uitdrukking gebracht, dat het handelen in de gevallen dat er wel een nieuw rijbewijs is, niet meer in strijd met de wet is. Een vormgeving in de gedaante van een kwalificatie-uitsluitingsgrond behoorde dan ook tot de mogelijkheden. Al vanaf art. 26 MRW is er echter voor gekozen deze passage in de delictsomschrijving op te nemen, waaruit te concluderen valt, dat zij het karakter van bestanddeel heeft en aspecten van de wederrechtelijkheid van het gedrag tot uitdrukking brengt. Bij telastelegging en bewijs dient dit bestanddeel dus ‘meegenomen’ te worden. Een mededeling van niet opgenomen zijn in het rijbewijsregister kan in ieder geval het bewijs van dit negativum leveren.”

Deze opvatting onderschrijf ik.

27. Het gaat hier dus om een essentieel onderdeel van de tenlastelegging waarvan het bewijs uit de gebezigde bewijsmiddelen moet blijken. Dat is in casu niet het geval.

28. De hiervoor gesignaleerde gebreken in de bewijsvoering nopen ieder voor zich tot vernietiging van het arrest van het Hof (art. 359 leden 2,3 en 8 Sv).

29. Het middel slaagt.

30. Het vierde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden.

31. Het cassatieberoep is ingesteld op 4 juni 2014. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 6 februari 2015 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Het middel is dan ook terecht voorgesteld.

32. Het middel kan echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en de zaak dient te worden teruggewezen of verwezen.7

33. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

34. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Blijkens mededeling van een medewerker van de griffie van de Hoge Raad is door mr. Witjens op 24 augustus 2015 nog eens bevestigd dat hij het onderhavige proces-verbaal inderdaad per post en fax heeft ontvangen.

2 HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6762. Zo ook het retour komen met de mededeling “niet afgehaald”: HR 13 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6666, HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2776. Zie verder HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1179, HR 4 november 2012, ECLI:NL:HR:2014:3115. Dien voor overeenkomstige uitspraken ten aanzien van het weten of redelijkerwijs moeten weten van het geschorst zijn van het rijbewijs HR 9 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6140, HR 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9410.

3 HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8246

4 HR 19 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8747.

5 Zie het Uittreksel justitiële documentatie van 28 maart 2014, dat behoort tot de stukken als bedoeld in art. 434 lid 1 Sv.

6 E.F. Stamhuis en J. Remmelink in De Wegenverkeerswet 1994. Een strafrechtelijk commentaar, onder redactie van A.E. Harteveld en H.G.M. Krabbe, Deventer: Gouda Quint 1999, p. 210.

7 HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358, rov. 3.5.3.