Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2451

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-11-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
15/02009
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3700, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/02009 Mr. Machielse

Zitting 3 november 2015 Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Op 30 juni 2014 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch verdachte voor 3 subsidiair: Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk. Het bestreden arrest is gewezen nadat de Hoge Raad op 8 februari 20111 het eerdere arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 3 februari 2009 had vernietigd wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging. In stand gebleven is de veroordeling voor "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" en "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod".

2. Mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende vier middelen van cassatie.

3.1. Het hof heeft als 3 subsidiair bewezenverklaard dat

"3. hij in de periode van 1 april 2004 tot en met 31 januari 2005, in de gemeente Venlo en in Turkije, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, van voorwerpen de werkelijke aard en de herkomst heeft verhuld, en voorwerpen heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en omgezet en van voorwerpen gebruik heeft gemaakt,

immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders:

b. in de periode van 1 augustus 2004 tot en met 23 september 2004 van een voorwerp de werkelijke aard en de herkomst verhuld, bestaande in:

- het (doen) overbrengen van een (contant) geldbedrag van euro 250,000,- naar Kirsehir te Turkije,

- het op 10 augustus 2004 op naam van [betrokkene 1] openen van een rekening bij IS Bakasi te Kirsehir en het op die dag op die rekening van [betrokkene 1] inleggen van een geldbedrag van euro 250.000,-,

- het op 24 augustus 2004 van die rekening opnemen van een geldbedrag van euro 250.000,- en (tevens) beëindigen van die rekening,

- het op 23 augustus 2004 op naam van [betrokkene 2] openen van een rekening bij IS Bakasi te Kirsehir en het op 24 augustus 2004 op die rekening inleggen van een geldbedrag van euro 250.000,-,

- het (doen) opstellen van een “overeenkomst van een geldlening” van euro 250.000,-, gedateerd 26 augustus 2004, tussen [betrokkene 2] (leninggever) en hem, verdachte, (leningnemer),

- het op 15 september 2004, in elk geval in september 2004 (door [betrokkene 2] ) overboeken van een geldbedrag van euro 247.655,- naar de rekening bij de Regiobank te Panningen van hem, verdachte,

en

c. in de periode van 10 september 2004 tot en met 24 januari 2005 voorwerpen verworven en voorhanden gehad en omgezet en van voorwerpen gebruik gemaakt,

bestaande in:

- het in de periode van 10 tot en met 24 september 2004 verwerven en voorhanden hebben van een geldbedrag van euro 247.655,-,

- het op 24 september 2004 gebruiken van een geldbedrag van euro 154.200,- voor de (gedeeltelijke) betaling tot aankoop van een onroerend goed, te weten het pand [a-straat] te Venlo,

- het in de periode van 24 september 2004 tot en met 1 december 2004 in bezit hebben en gebruik maken van een onroerend goed, te weten het pand [a-straat] te Venlo,

- het op 1 december 2004 verkopen van voormeld onroerend goed, te weten het pand [a-straat] te Venlo, voor een geldbedrag van euro 650.000,-,

- het op 7 december 2004 verwerven en voorhanden hebben van een geldbedrag van euro 662.276,18,

en

d. in de periode van 24 september 2004 tot en met 24 januari 2005 een voorwerp, te weten een geldbedrag van euro 93.455,-, voorhanden gehad,

terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten, dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf."

Voorts heeft het hof nog in het arrest het volgende opgenomen:

"Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Door de raadsman is betoogd dat verdachte het bedrag van € 250.000,- van zijn oom en tante heeft geleend. Van witwassen is volgens de verdediging geen sprake geweest. Het 3 subsidiair onder b. ten laste gelegde kan derhalve niet worden bewezen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt:

A.

Uit de bewijsmiddelen blijkt onder meer het volgende:

- Verdachte heeft zich in 2004 (in ieder geval vanaf 1 april 2004) bezig gehouden met een zeer omvangrijke handel in softdrugs, waarbij (mede) gelet op de verkochte hoeveelheden grote omzetten zijn behaald (pagina 408 e.v.).

- Verdachte heeft op en omstreeks 9 augustus 2004 enige tijd in Turkije verbleven (pagina 626, verklaring ter terechtzitting in hoger beroep).

- Verdachte is een neef van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] , zijnde zijn oom en tante.

- [betrokkene 1] (een broer van [betrokkene 3] ) heeft verklaard dat hij op 10 augustus 2004 een bedrag van in totaal € 250.000,- contant van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] te leen heeft gekregen, waarna het geld op een bankrekening op zijn naam is gestort.

- Op 24 augustus 2004 is de rekening van [betrokkene 1] gesloten en het bedrag is vervolgens gestort op de rekening van de echtgenote van [betrokkene 3] , zijnde [betrokkene 2] (pagina 593).

- Op 15 september 2004 heeft [betrokkene 2] een bedrag van € 247.655,- overgemaakt op de rekening van verdachte in Nederland (pagina 598).

- In het dossier bevindt zich in verband met deze geldoverdracht een overeenkomst van geldlening d.d. 26-08-2004, waarbij [betrokkene 2] aan verdachte een bedrag leent van € 250.000,- (pagina 488).

- [betrokkene 2] heeft verklaard dat verdachte haar had gevraagd aan hem geld te lenen, dat hij het document heeft opgemaakt en meegebracht, waarna zij het heeft ondertekend en dat zij de € 250.000,00 zelf naar verdachte heeft overgemaakt.

- [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij in augustus 2004 een bedrag van € 250.000,- heeft ingelegd op de rekening van zijn broer [betrokkene 1] en dat zijn vrouw [betrokkene 2] geen weet had van dat geld. Dat geld was van hem en hij had dat geld in 30 jaar bij elkaar gespaard (pagina 586 en 593).

- [betrokkene 2] heeft verklaard dat zij de € 250.000,- mettertijd binnen 30 jaar zelf heeft gespaard door van tijd tot tijd dieren te verkopen. Ze had het geld van niemand gekregen en wist niet te vertellen aan wie ze vee had verkocht. Haar man [betrokkene 3] had het geld op de bank gestort en zij had een document ondertekend (pagina 590-591).

- Verdachte koopt op 24 september 2004 het pand [a-straat] te Venlo voor een bedrag van

€ 204.200,- (pagina 215). Hij gebruikt een deel van het door [betrokkene 2] naar hem overgemaakte geldbedrag te weten een bedrag van € 154.200,-, voor de aankoop van het pand (pagina 215). Een bedrag van

€ 93.455,- (zijnde € 247.655,- minus € 154.200,-) blijft op de rekening van verdachte staan. Op 1 december 2004 verkoopt verdachte het pand voor een bedrag van € 650.000,-, kosten koper (pagina 217).

B.

De raadsman heeft betoogd dat de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] als ongeloofwaardige verklaringen niet in enige bewijsconstructie mogen worden gebezigd.

Naar het oordeel van het hof zijn de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] met betrekking tot de herkomst van het door hen beweerdelijk ter beschikking gestelde geld met elkaar tegenstrijdig en voorts hebben zij geen duidelijke verklaring kunnen geven voor de herkomst van dat geld. Dat zij het bedrag van

€ 250.000,- zelf bijeen hebben gespaard acht het hof niet aannemelijk. Het hof acht de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] dan ook, mede gelet op de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, op bovengenoemd onderdeel namelijk de herkomst van dit geldbedrag niet geloofwaardig. Dat neemt niet weg dat hun verklaringen voor het overige tot het bewijs kunnen worden gebezigd.

C.

Verdachte heeft eerst ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 16 juni 2014 een nadere verklaring afgelegd met betrekking tot de geldlening door [betrokkene 3] en [betrokkene 2] . Hij heeft daarbij verklaard dat hij - in weerwil van de tussen hem en [betrokkene 2] schriftelijk vastgelegde afspraken - de 'geldlening’ van € 250.000,- niet uiterlijk in 2011 heeft afbetaald. Voorts heeft verdachte verklaard dat [betrokkene 3] en [betrokkene 2] jegens hem geen enkele maatregel ter incasso hebben ingesteld. Naar het oordeel van het hof is een dergelijke gang van zaken met betrekking tot een daadwerkelijke geldlening van een omvangrijk bedrag als hier aan de orde, zeer onwaarschijnlijk. De lezing van verdachte met betrekking tot de zogenaamde geldlening is naar het oordeel van het hof eveneens ongeloofwaardig omdat hij ter terechtzitting d.d. 16 juni 2014 - zonder enige onderbouwing - heeft verklaard dat hij de eerste anderhalf jaar wel rente heeft betaald over de lening, maar dat hij daar vervolgens mee is opgehouden. Desgevraagd heeft verdachte daarbij verklaard dat hij boos was omdat [betrokkene 3] en [betrokkene 2] niet konden aantonen hoe zij aan het geldbedrag waren gekomen en dat hij om die reden zijn betalingsverplichting eenzijdig opschortte. Echter, ook toen hebben [betrokkene 3] en [betrokkene 2] geen enkele poging gedaan om hun (rente)vordering op verdachte te incasseren. Het hof acht ten slotte niet aannemelijk dat, zoals verdachte heeft verklaard, het geld aan hem is uitgeleend op basis van vertrouwen. Gelet op de omvang van het bedrag en zonder enige zekerheidsstelling is het hoogst onwaarschijnlijk dat schuldeiser(s), ook in de familiesfeer, genoegen nemen met slechts het vertrouwen dat het geldbedrag op enig moment aan hen zal worden terugbetaald.

D.

Het hof is van oordeel dat het op grond van de hierboven vermelde feiten en omstandigheden vermeld onder A, B en C, in onderlinge samenhang bezien en beschouwd, alsmede gelet op de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen, niet anders kan zijn dan dat het bedrag van € 250.000,-- van misdrijf afkomstig was, dat verdachte ervoor heeft gezorgd dat dit bedrag in Turkije kwam en vervolgens, middels een gefingeerde overeenkomst van geldlening, door zijn tante [betrokkene 2] weer op zijn Nederlandse

bankrekening werd gestort zodat hij het vervolgens (deels) kon gebruiken voor de aankoop van een pand. Verdachte heeft het geldbedrag derhalve witgewassen op de wijze zoals bewezen verklaard.

Het door de raadsman bij wijze van suggestie opgeworpen en niet onderbouwde alternatieve scenario dat het door [betrokkene 3] en [betrokkene 2] verstrekte geld door henzelf of derden met andere (al dan niet misdadige) activiteiten is vergaard en vervolgens aan verdachte is overgedragen, is gebleken noch aannemelijk geworden. Het dossier beidt daarvoor ook geen enkel aanknopingspunt. Het verweer wordt dan ook verworpen.

E.

Ten overvloede overweegt het hof dat, aangezien het hof het proces-verbaal van 29 april 2005 van de Turkse officier van Justitie te Kirçehir, [betrokkene 4] niet voor het bewijs zal gebruiken, het daarop betrekking hebbende verweer van de raadsman geen verdere bespreking behoeft.

F.

Hetgeen de raadsman overigens nog heeft aangevoerd doet aan al hetgeen hiervoor is overwogen niet af.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer in al zijn onderdelen."

3.2.

Het eerste middel keert zich tegen de aanname door het hof dat verdachte op en omstreeks 9 augustus 2004 in Turkije heeft verbleven. De basis voor die aanname is volgens het middel gebrekkig. De verwijzing naar "pagina 626" maakt niet duidelijk welke feiten of omstandigheden het hof daaraan heeft ontleend. De steller van het middel ziet niet in wat er uit bewijsmiddel 27, ontleend aan p. 626 van het dossier, kan worden afgeleid. Dat verdachte op of omstreeks 9 augustus 2004 in Turkije was, heeft het hof gebezigd ter weerlegging van het verweer dat verdachte € 250.000 van zijn oom en tante had geleend. Die aanwezigheid in Turkije is daarom redengevend voor de bewezenverklaring en het hof was daarom volgens de steller van het middel gehouden om voldoende nauwkeurig aan te duiden waaraan het die aanname heeft ontleend. Voorts heeft het hof de aanname doen berusten op een onderdeel van de verklaring van verdachtes advocaat ter terechtzitting. Dat is ongeoorloofd, evenals het gebruik als bewijsmiddel 28 van een door de advocaat gegeven verklaring, omdat zulke uitlatingen van een advocaat niet als wettige bewijsmiddelen mogen worden gebezigd.

3.3.

Bewijsmiddel 27 heeft als inhoud:

"27. Een (vertaald) overzicht van mutaties op de bankrekening van [verdachte] (nr.

[001] ) bij de Türkiye Garanti Bankasi A.S, filiaal Özkanlar-Bornova, pagina

626 van het dossier gekenmerkt 05-000448, voor zover dit - zakelijk weergegeven

- inhoudt:

Rek.nr. Datum Rentedatum Som Toelichting

[001] 09/08/2004 09/08/2004 9.669,58 754 Provisie uit kas [verdachte]

[001] 09/08/2004 10/08/2004 69,58 Geldinleg zelf ander filiaal

[001] 26/08/2004 26/08/2004 650,00 754 Provisie uit kas [verdachte] "

Het gewraakte daarop volgende bewijsmiddel 28 heeft de volgende inhoud:

"28. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 16

juni 2014, voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt:

(Bij monde van zijn raadsman:) Ik betwist niet op 9 augustus 2004 in Turkije te zijn geweest.

(Verklaring verdachte:) Op uw vraag of ik de geldlening van € 250.000;-- aan mijn oom en tante aan het aflossen ben, antwoord ik daarop negatief. Ik was boos omdat mijn oom en tante niet konden aantonen hoe zij aan het geldbedrag waren gekomen. Ik mocht het geldbedrag van €‘250.000,-- volgens de overeenkomst 7,5 jaar gebruiken alvorens ik het aan mijn oom en tante moest terugbetalen. Het klopt dat er inmiddels al meer dan 7,5 jaren zijn verstreken en dat ik het geld nog steeds niet heb terugbetaald.

Mijn oom en tante hebben mij al die tijd niet gevraagd om het geld terug te betalen. Ook hebben zij geen gerechtelijke stappen gezet om het geld terug te vorderen. Het klopt dat er een geldleningsovereenkomst op schrift is gesteld."

Dat verdachte niet betwist dat hij op 9 augustus 2004 in Turkije is geweest moet in verband worden gezien met het volgende onderdeel van de pleitnota van hoger beroep:

"In dat kader heeft [verdachte] gesteld en stelt hij nog altijd dat hij niet betwist op 9 augustus 2004 in Turkije te zijn geweest. [verdachte] betwist wel met klem dat hij € 250.000,00 naar Turkije gebracht zou hebben en dat hij

€ 250.000,00 ter beschikking zou hebben gesteld aan [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] of ter beschikking zou hebben gesteld aan [betrokkene 1] door het te storten op diens rekening."

3.4.

Verklaringen en mededelingen van een advocaat die ter terechtzitting als zodanig optreedt, kunnen niet als wettige bewijsmiddelen gelden. Hetzelfde geldt voor een door de advocaat overgelegde pleitnota. Dat is geen wettig bewijsmiddel in de zin van artikel 344 lid 1 Sv.2 De advocaat moet volkomen vrij zijn om aan te voeren wat hem of haar dienstig voorkomt, zonder het risico te lopen dat de grens tussen verklaringen van zijn cliënt en het betoog van de advocaat gaat vervagen. Wat een advocaat over de inhoud van de zaak verklaart of meedeelt ter terechtzitting, mag niet worden geconverteerd in een verklaring van verdachte. Evenmin mag het proces-verbaal ter terechtzitting voor het bewijs worden gebruikt voor zover dat proces-verbaal mededelingen of verklaringen van de advocaat bevat. Dat heeft het hof hier miskend. Maar de vraag is welk gevolg aan deze misstap verbonden dient te worden. Voor het beantwoorden van die vraag lijkt mij het volgende van belang.

Uit de inhoud van bewijsmiddel 27 heeft het hof, gelet op de data die daarin zijn genoemd en de handelingen die met betrekking tot de rekening [001] zijn verricht, de conclusie getrokken dat het verdachte is geweest die uit de kas geld heeft gekregen en geld heeft ingelegd, en dat verdachte zich dus op die datum in Turkije moet hebben bevonden. Van een Meer- en Vaartsituatie is naar mijn mening geen sprake. De verdediging heeft zich wel op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde niet kan worden bewezen, maar heeft niet de stelling betrokken dat verdachte op 9 augustus 2004 niét in Turkije was. Ik meen dat de bewijsconstructie op dit onderdeel aldus moet worden begrepen: het hof trekt uit de inhoud van een bepaald bewijsmiddel een conclusie van aanwezigheid van verdachte in Turkije, welke conclusie uitdrukkelijk niet door de verdediging wordt betwist. Het hof heeft een verkeerde modus gebruikt om dit tot uitdrukking te brengen, maar verdachte heeft geen belang bij de klacht over zijn aanwezigheid in Turkije, omdat de verdediging die aanwezigheid juist niet heeft bestreden. Aan die mededeling van de advocaat komt dus geen zelfstandige betekenis toe.

Het middel faalt.

4.1.

Het tweede middel klaagt dat het hof ter weerlegging van een bewijsverweer onbetrouwbaar geoordeelde verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] heeft gebezigd. Het hof heeft kennelijk, aldus de steller van het middel, zich op het standpunt gesteld dat ook niet-aannemelijke, niet-geloofwaardige of tegenstrijdige verklaringen, die niet voor het bewijs mogen worden gebezigd, wel mogen worden aangewend in het kader van de weerlegging van een bewijsverweer.

4.2.

Binnen de door wet en verdrag getrokken grenzen mag de rechter van het beschikbare wettig bewijsmateriaal in het algemeen zonder meer voor zijn bewijsvoering bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht.3 De rechter kan daarbij sommige onderdelen van een verklaring ongeloofwaardig achten en dus niet geschikt voor enig bewijs, en aan andere onderdelen juist wel geloof hechten.4 Zo een splitsing heeft het hof ook in deze zaak aangebracht wat betreft de verklaringen van getuigen [betrokkene 3] en [betrokkene 2] . Die verklaringen zijn ongeloofwaardig geoordeeld wat betreft de herkomst van het geld, maar geloofwaardig wat betreft de overmakingen van de rekening van [betrokkene 1] en van die van [betrokkene 2] (zie bewijsmiddel 25).

Het hof heeft dus geen onbetrouwbare verklaringen voor het bewijs gebezigd, laat staan leugenachtige verklaringen van getuigen.

Het middel faalt.

5.1.

Het derde middel klaagt over de verwerping van het bewijsverweer dat verdachte het bedrag van

€ 250.000,- van zijn oom en tante heeft geleend. In de eerste plaats werpt het middel het hof voor de voeten dat het de weerlegging van het verweer dat het wel degelijk om geleend geld gaat niet heeft gebaseerd op wettige bewijsmiddelen. Ook als de rechter een voorgebracht alternatief scenario als ongeloofwaardig of onaannemelijk kwalificeert, zal volgens de steller van het middel die kwalificatie moeten berusten op feiten en/of omstandigheden die aan wettige bewijsmiddelen zijn ontleend. De steller van het middel baseert dit uitgangspunt op een uitleg van HR 16 maart 2010, NJ 2010, 314 m.nt. Buruma.

Ook het vierde middel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat de € 250.000 in het kader van een lening zijn verstrekt, meer bepaald over hetgeen het hof heeft overwogen over het uitblijven van terugvordering dan wel terugbetaling. Volgens de steller van het middel is het onbegrijpelijk dat het hof uit het uitblijven van terugvorderingsmaatregelen of van terugbetaling afleidt dat er dus geen echte geldlening was. Omdat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] de herkomst van het geleende geld niet konden verantwoorden zit verdachte nu met een beschuldiging van witwassen. Er is conservatoir beslag gelegd onder verdachte. Daarom kan verdachte volgens het middel niet terugbetalen. Dat is te wijten aan de wanprestatie van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . Die wanprestatie ligt aan het uitblijven van terugvordering ten grondslag. Ook het argument van het hof dat het onaannemelijk is dat zo een bedrag zonder zekerheidstelling en in goed vertrouwen zou zijn verleend, is niet valide. Verdachte heeft uitgelegd dat het in de Turkse cultuur niet ongebruikelijk is dat familieleden elkaar onderling vertrouwen. De steller van het middel wijst erop dat dit onderling vertrouwen niet grenzeloos is, en dat dit ook in de onderhavige casus blijkt omdat er immers wel degelijk een schriftelijke overeenkomst van geldlening is opgemaakt.

Beide middelen lenen zich voor een gezamenlijk bespreking.

5.2.

Ik geef eerst de cruciale overweging van HR 16 maart 2010, NJ 2010, 314 weer:

"2.5. Als uitgangspunt heeft te gelden dat ingeval een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter - indien hij tot een bewezenverklaring komt - die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen.

Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft."

Uit deze afwegingen kan ik niet opmaken dat de Hoge Raad, behoudens wanneer de alternatieve lezing van verdachte zo onwaarschijnlijk is dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft, steeds eist dat de weerlegging van een alternatief scenario moet berusten op feiten en omstandigheden die in wettige bewijsmiddelen zijn te vinden. Buruma is in wezen dezelfde mening toegedaan,:

"Door geen bewijsmiddelen voor de verwerping te eisen bewaakt de Hoge Raad ruimte van de feitenrechter om zich al dan niet overtuigd te achten. Anders gezegd: de Hoge Raad bewaakt de vrijheid van de waardering van het bewijsmateriaal. Het Nederlandse strafprocesrecht verlangt nu eenmaal niet, dat de overtuiging anders beredeneerd wordt dan door opsomming van de wettige bewijsmiddelen." 5

Deze rechtspraak is sindsdien gehandhaafd.6 Voor een uitleg van dit arrest zoals het middel voorstaat, te weten dat de Hoge Raad bedoelt dat "uitsluiting" van het alternatieve scenario niet steeds vereist is, maar dat de ongeloofwaardigheid van het alternatieve scenario in zo een geval toch moet worden gestaafd door de inhoud van wettige bewijsmiddelen, vind ik geen steun in de rechtspraak van de Hoge Raad.

5.3.

Vervolgens gaat de steller van het middel tot in detail in op verklaringen die betrekking hebben op de beweerde lening ter ondersteuning van het standpunt dat de door het hof aangewezen tegenstrijdigheden niet bestaan, althans heel goed te verklaren zijn. De steller van het middel doet daarnaast een beroep op mogelijkheden, bijvoorbeeld dat het geld afkomstig is van onwettige activiteiten van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] of van andere activiteiten die plaatsvonden binnen de grenzen van de verborgen niet-geregistreerde economie.

5.4.

Zo probeert de steller van het middel allerlei feitelijke kwesties op het bordje van de cassatierechter te leggen en de aan de feitenrechter voorbehouden weging en beoordeling van feitelijke aard in cassatie te laten overdoen. Mijns inziens overschat de steller van het middel de mogelijkheden van de cassatierechter. Deze kan enkel toetsen of de feitelijke vaststellingen en voordelen van de feitenrechter begrijpelijk zijn.

5.5.

Het hof heeft geconstateerd dat verdachte zich heeft beziggehouden met handel in softdrugs waarbij grote omzetten zijn behaald. Bij een doorzoeking van de woning van verdachte op 24 januari 2005 zijn onder meer een geldbedrag van € 10.300, bijna 32 kg marihuana en ruim 16,5 kg hasjiesj aangetroffen. Tevens is de administratie van de drugshandel aangetroffen, waaruit is op te maken dat van 2 augustus 2004 tot en met 30 september 2004 voor in totaal € 399.429 aan softdrugs is verkocht. Tevens zijn bescheiden gevonden met betrekking tot een overeenkomst van lening van € 250.000. Van die € 250.000 is een bedrag van € 154.200 aangewend om op 24 september 2004 het pand [a-straat] te Venlo aan te kopen. Ook bij de doorzoeking van de door verdachte gedreven coffeeshop zijn administratie en marihuana aangetroffen (bewijsmiddel 1). Bewijsmiddel 2 houdt in dat het pand [a-straat] te Venlo op

12 november 2004 door verdachte aan [betrokkene 5] is verkocht voor € 650.000. Bewijsmiddel 22 houdt als verklaring van [betrokkene 1] in dat zijn schoonzus, [betrokkene 2] , en zijn oudere broer, [betrokkene 3] , hem op 10 augustus 2004 contant € 250.000 hebben gegeven. Dat geld is op een nieuw geopende rekening gestort en op 24 augustus 2004 weer overgemaakt naar de net geopende rekening van [betrokkene 2] . In september 2004 is dat geld weer overgemaakt naar de Nederlandse rekening van verdachte (bewijsmiddel 23, 24 en 25).

5.6.

Op grond van deze feiten en omstandigheden is het hof tot de slotsom kunnen komen dat het niet anders kan zijn dan dat dat geld uit misdrijf afkomstig is en dat verdachte op die manier via Turkije geld wilde witwassen. De verklaring die verdachte heeft gegeven voor de herkomst van het geld heeft het hof ongeloofwaardig geacht. Deze redenering geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.7 Daarbij is in aanmerking te nemen dat het bedrag van € 250.000 in Turkije heen en weer is geschoven en dat de verklaringen over deze geldbewegingen van de familieleden van verdachte meer vragen oproepen dan beantwoorden. Waarom [betrokkene 2] bijvoorbeeld eerst aan [betrokkene 1] een bedrag van € 250.000 in contanten ter hand stelt dat op een nieuw geopende rekening van [betrokkene 1] wordt afgestort en zeer kort daarop weer wordt gestort op een rekening op naam van [betrokkene 2] , welke rekening daarvoor speciaal lijkt te zijn geopend, is toch minst genomen zeer eigenaardig.

Ook herhaalt de steller van het middel de verklaring waarom verdachte gestopt is met terugbetalen en waarom verdachtes oom en tante het uitgeleende bedrag nog niet hebben teruggevorderd. Ik wijs erop dat het hof in zijn overwegingen onder C zijn gedachten heeft ontvouwd over het uitblijven van terugbetaling en terugvordering, en daarbij ook hetgeen de verdediging heeft aangevoerd heeft betrokken. Dat de familieleden van verdachte, die het blijkens hun eigen verklaring niet breed hadden, geen enkele stap hebben gezet om het zogenaamd geleende geld en de daarop verschuldigde rente van verdachte terug te krijgen, wijst er volgens het hof ook op dat verdachte in wezen de rechthebbende was op het geld. Ook deze overwegingen berusten op waarderingen van feitelijke aard die in cassatie alleen op begrijpelijkheid kunnen worden getoetst. Ik acht die overwegingen niet onbegrijpelijk, en neem daarbij ook in aanmerking het onverklaarbare geschuif met geld van de ene nieuwe Turkse rekening naar de andere, en de zwabberende verklaringen die door betrokkenen zijn afgelegd.

Beide middelen falen.

6. Alle middelen falen. Behoudens het eerste middel kunnen de voorgestelde middelen met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 ECLI:NL:HR:2011:BP0060.

2 HR 31 oktober 2006, NJ 2007, 79 m.nt. Keijzer, rov. 4.2; HR 28 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0264; HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK2129; HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6659

3 HR 29 januari 2013, NJ 2013, 145 m.nt. Schalken; HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:54; HR 29 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1063.

4 HR 25 oktober 1949, NJ 1950, 127; HR 4 januari 2000, NJ 2000, 225; HR 22 november 2005, NJ 2006, 219 m.nt. Schalken.

5 Verderop laat de annotator wel blijken dat de Hoge Raad best van de feitenrechter mag vergen dat weerlegging van kritiek op een dragend bewijsmiddel met redenen omkleed is.

6 Zie HR 13 november 2012, ECLI:BY0097 (afgedaan met artikel 81 RO); HR 19 maart 2013, ECLI:BY9006 inzake het eerste middel (afgedaan op de voet van artikel 81 RO); HR 16 april 2013, ECLI:BZ7173 inzake het eerste middel (afgedaan op de voet van artikel 81 RO); HR 28 januari 2014, nr. 13/00322 (afgedaan met 80a RO, niet gepubliceerd); HR 1 juli 2014, nr. 13/00886 (afgedaan op de voet van artikel 81 RO, niet gepubliceerd); HR 14 april 2015, nr. 14/01218 (niet gepubliceerd) ten aanzien van het eerste cassatiemiddel (afgedaan overeenkomstig artikel 81 RO).

7 Zie bijv. HR 13 maart 2012, ECLI:BU6933; HR 27 maart 2012, ECLI:BT8765; HR 3 april 2012, ECLI:BV9117.