Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2447

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-11-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
15/00155
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3691, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 5 WVW 1994, “kon worden veroorzaakt” en/of “kon worden gehinderd”. ’s Hofs oordeel dat door het rakelings langs de fietsers rijden gevaar op de weg kon worden veroorzaakt en het verkeer op de weg kon worden gehinderd geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent deze aan art. 5 WVW 1994 ontleende termen en is toereikend gemotiveerd. Opmerking verdient nog dat tussen de in art. 5 WVW 1994 opgenomen varianten “wordt” en “kan worden” een met die bewoordingen overeenkomend gradueel doch niet-wezenlijk verschil bestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 15/00155

Zitting: 24 november 2015

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 19 december 2014 de verdachte wegens “overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 250,-, subsidiair vijf dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Tevens heeft het Hof de onder verdachte in beslag genomen scooter verbeurd verklaard. Het Hof heeft voorts de tenuitvoerlegging gelast van de door de kantonrechter te Amsterdam bij vonnis van 16 november 2012 aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde rijontzegging.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.1

3. Namens verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel

4.1. Het middel klaagt dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door een onjuiste uitleg te geven aan de aan art. 5 WVW 1994 ontleende termen “kunnen veroorzaken van gevaar en kunnen hinderen”, nu het Hof – aldus het middel – hieronder heeft verstaan het met een snorfiets rakelings langs fietsers rijden op een fietspad. Het middel betoogt voorts – subsidiair - dat het Hof de bewezenverklaring op dit punt onvoldoende heeft gemotiveerd.

4.2. Aan de verdachte was ten laste gelegd dat:

“hij op of omstreeks 16 april 2014 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig (snorfiets), daarmee rijdende op de weg (fietspad), de Haarlemmerweg, met een (veel) hogere snelheid dan de aldaar toegestane snelheid heeft gereden en daarbij rakelings langs één of meerdere fietsers is gereden, en/of vervolgens een aanwijzing zoals bedoeld in artikel 82 lid 1 RVV 1990 in verband met bijlage II en gegeven door een daartoe bevoegde en als zodanige kenbare (politie)ambtenaar niet heeft opgevolgd, en/of bij het rechts afslaan geen richting heeft gegeven, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd. “

4.3. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“hij op 16 april 2014 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig (snorfiets), daarmee rijdende op de weg (fietspad), de Haarlemmerweg, rakelings langs meerdere fietsers is gereden, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg kon worden veroorzaakt, en het verkeer op die weg kon worden gehinderd.”

4.4. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“Een proces-verbaal van bevindingen met nummer [ ] van 16 april 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

1. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van deze verbalisanten:

Wij bevonden ons op 16 april op de Bos en Lommerweg gaande in de richting van de Willem de Zwijgerlaan te Amsterdam. Wij zagen veel fietsers rijden op het fietspad op de Haarlemmerweg. Wij zagen dat de bestuurder van de snorfiets op hoge snelheid en rakelings langs de fietsers reed. Wij hielden de bestuurder staande. De bestuurder bleek later te zijn genaamd: [verdachte].

2. Een proces-verbaal van aanhouding met nummer [ ] van 16 april 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van deze verbalisanten:

Op 16 april 2014 hielden wij op heterdaad als verdachte van artikel 5 Wegenverkeerswet aan: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats].”

4.5. Ter zitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aan de hand van de door hem aan het Hof overgelegde pleitnotities het woord tot verdediging gevoerd. De bij die gelegenheid gevoerde verweren heeft het Hof in het bestreden arrest als volgt besproken:

Bespreking van verweren gevoerd ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd. Uit het proces-verbaal van bevindingen kan niet – dwingend – worden afgeleid dat de verdachte harder reed dan toegestaan. Een fietspad is redelijk smal; het is dus vrijwel onmogelijk om niet op korte afstand langs een fietser te rijden met een snorfiets. Er is niet gerelateerd dat de fietsers hebben verklaard dat de verdachte te dicht langs hen reed. Het niet opvolgen van een stopteken levert geen omstandigheid als bedoeld in artikel 5 Wegenverkeerswet (WVW 1994) op. Daarnaast is het de vraag of het verzuim richting aan te geven bij het afslaan een overtreding van dit artikel oplevert.

Het hof overweegt als volgt. Met de raadsman is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte met hogere snelheid heeft gereden dan ter plaatse toegestaan. Voorts is het hof van oordeel dat het enkele niet opvolgen van de aanwijzing van de politieambtenaar en het verzuimen richting aan te geven (in ieder geval in het onderhavige geval) geen gedragingen vormen die onder de reikwijdte van artikel 5 WVW 1994 vallen. In zoverre dient de verdachte dan ook te worden vrijgesproken. Voor het overige overweegt het hof als volgt. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zagen op 16 april 2014 veel fietsers rijden op het fietspad op de Haarlemmerweg. Ook zagen zij dat de verdachte op zijn snorfiets rakelings langs de fietsers reed, hetgeen volgens de waarneming van de verbalisanten met hoge snelheid gebeurde. Dit vormt naar het oordeel van het hof een gedraging die gevaar en/of hinder voor de fietsers kon veroorzaken.”

4.6. Artikel 5 WVW 1994 beschermt het belang van de verkeersveiligheid. Terecht merkt de steller van het middel op dat uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de wetgever met deze bepaling slechts evidente vormen van gevaar of hinder beoogde aan te pakken. Het gevaar als bedoeld in art. 5 WVW heeft betrekking op de veiligheid op de weg. Het gevaar is gelegen in een reële kans op een ongeval. Het enkele maken van een verkeersfout, zoals bijvoorbeeld een enkele snelheidsovertreding, is in dit verband niet voldoende. 2 Zie in het bijzonder HR 6 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZD8632, NJ 1991/257 m.nt. ThWvV, dat betrekking had op het oude art. 25 WVW, maar verschil lijkt dat niet te maken.

4.7. In dit verband een enkele opmerking over de tweeslag die in art. 5 WVW 1994 wordt gemaakt met betrekking tot gevaar en hinder: naast ‘wordt’ staat telkens ‘kan worden’. In het genoemde arrest uit 1990 was bewezenverklaard dat door het rijgedrag van de verdachte de veiligheid op de weg in gevaar ‘werd gebracht’ en niet dat die veiligheid in gevaar ‘kon worden gebracht’. Daaraan schreef annotator Van Veen het oordeel van de Hoge Raad – die casseerde omdat het bewijs ontoereikend was – toe. In HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:215 had het Hof vrijgesproken omdat het niet bewezen achtte dat verdachte, zoals was tenlastegelegd, door zijn gedrag “gevaar op de weg heeft veroorzaakt, althans kon veroorzaken, of het verkeer heeft gehinderd, althans kon hinderen”. De Hoge Raad overwoog dat het Hof had geoordeeld dat de verdachte “geen gevaar op de weg heeft veroorzaakt of het verkeer heeft gehinderd”.3 Dat het Hof ook had geoordeeld dat verdachte geen gevaar ‘kon veroorzaken’ en het verkeer niet ‘kon hinderen’, blijft in deze samenvatting ongenoemd. Die subsidiaire varianten blijven voorts ook bij de beoordeling van het middel buiten beschouwing. Volgens de Hoge Raad gaven de overwegingen van het Hof geen blijk van een onjuiste opvatting “omtrent het begrip ‘gevaar op de weg veroorzaken’ als bedoeld in art. 5 WVW” en was het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk. Dat over het ‘kan veroorzaken’ niet wordt gerept, vindt zijn verklaring mogelijk hierin dat de Hoge Raad de opvatting is toegedaan dat tussen beide varianten geen verschil bestaat.4 Dat is in elk geval tegenwoordig de heersende leer.5 Wellicht biedt deze zaak de Hoge Raad de gelegenheid zijn opvatting op dit punt te expliciteren.

4.8. In de onderhavige zaak zijn alle vier varianten in de tenlastelegging verwerkt. Het Hof heeft alleen de ‘kon worden’-varianten bewezenverklaard en vrijgesproken van hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Als er tussen ‘wordt’ en ‘kan worden’ in art. 5 WVW 1994 geen verschil bestaat, is dat innerlijk tegenstrijdig. Het middel klaagt daarover niet. Overigens meen ik dat de verdachte niet in zijn belang is geschaad als het Hof er ten onrechte van is uitgegaan dat aan de primaire variant zwaardere eisen worden gesteld dan aan de subsidiaire variant. De vraag is enkel of het Hof aan de bewezenverklaarde subsidiaire variant (die naar mag worden aangenomen overeenkomt met de primaire variant) te lichte eisen heeft gesteld.

4.9. Volgens de steller van het middel veroorzaakt het bewezenverklaarde verkeersgedrag van de verdachte – het op een snorfiets rakelings langs fietsers rijden – geen gevaar of hinder in de zin van art. 5 WVW. In de cassatieschriftuur wordt – in navolging van hetgeen ter zitting in hoger beroep namens de verdachte is bepleit - betoogd dat Amsterdam smalle fietspaden kent waarop snorfietsers mogen rijden. Omdat snorfietsers nu eenmaal sneller gaan dan gewone fietsers zal een snorfietser veel andere fietsers inhalen. En op smalle fietspaden kan dat alleen met een geringe afstand tussen snorfietser en fietser, zo luidt de redenering van de steller van het middel. Die argumentatie gaat eraan voorbij dat er verschil is tussen ‘op geringe afstand passeren’ (zoals op smalle fietspaden altijd het geval is) en ‘rakelings’ passeren. Bovendien veronderstelt het middel ten onrechte dat het rijgedrag van verdachte enkel bestond uit het op zijn snorfiets rakelings passeren van andere fietsers.

4.10. Het Hof heeft immers overwogen dat er veel fietsers op het fietspad reden; dat de verdachte die fietsers met zijn snorfiets rakelings passeerde en dat de verdachte dat met hoge snelheid deed. ’s Hofs oordeel dat - het rakelings passeren van meerdere fietsers - onder deze omstandigheden een concrete gevaarzetting oplevert in de zin van art. 5 WVW 1994 getuigt mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting. Onbegrijpelijk is het evenmin. Als het maar een haartje scheelde of de verdachte had de fietsers die hij voorbij snorde, geraakt, was er, ook doordat fietsers onverwachte bewegingen kunnen maken, een aanzienlijke kans op een aanraking met die fietsers en tevens, gezien de hoge snelheid waarmee de verdachte reed, een aanzienlijke kans dat die fietsers door die aanraking ten val komen. Ik laat daarbij nog daar dat fietsers die rakelings worden gepasseerd, kunnen schrikken met alle mogelijke gevolgen van dien. Het is met andere woorden evident dat je als snorfietser op een – kennelijk – smal fietspad vaart moet minderen als je “veel fietsers” rakelings passeert. Doe je dat niet dan is de kans op ongelukken reëel. Hieraan doet niet af dat het Hof heeft geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte met hogere snelheid heeft gereden dan ter plaatse was toegestaan.

5. Het middel faalt derhalve.

6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Het gaat hier om een overtreding waarvoor een voorwaardelijke geldboete van € 250,- is opgelegd. Dat roept – gelet op art. 427 lid 2 Sv de vraag op of verdachte wel cassatieberoep kon instellen. Die vraag moet bevestigend worden beantwoord, nu het Hof tevens een verbeurdverklaring heeft uitgesproken (waarmee de drempel van art. 427, lid 2 sub b, Sv is genomen).

2 Vgl. J. Remmelink, voortgezet door M. Otte, bewerkt door A.E. Harteveld en R. Robroek, Hoofdwegen door het verkeersrecht, Deventer: Kluwer, 2012, p. 46- 47. Zie ook paragraaf 9 van de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken voor HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:215.

3 Ik denk dat bedoeld is: “en het verkeer niet heeft gehinderd”.

4 Al is daarmee niet verklaard waarom het ‘hinderen’ (in beide varianten) bij de beoordeling ongenoemd bleef. Mogelijk heeft dat te maken met het middel, dat toegespitst was op het veroorzaken van gevaar.

5 Zie J.B.H.M. Simmelink, Algemeenheden in het wegenverkeersrecht, Gouda Quint BV, Arnhem 1995, p.156 e.v. en H.G.M. Krabbe in: A.E. Harteveld en H.G.M. Krabbe (red.), De Wegenverkeerswet 1994. Een strafrechtelijk commentaar, Deventer: Gouda Quint 1999 (tweede druk), p. 90 e.v en p. 101 e.v. Deze schrijvers wijzen erop dat de subsidiaire varianten in de wet terecht zijn gekomen om buiten twijfel te stellen dat van (concreet) gevaar ook sprake kan zijn als er (toevallig) geen ander verkeer was, hetgeen daarvoor al in de jurisprudentie was aanvaard. Zie voorts Remmelink/Otte/Harteveld en Robroek, a.w., p. 48, alwaar wordt gesteld dat het toesnijden van de tenlastelegging op het ‘kunnen veroorzaken van gevaar’ geen afbreuk wordt gedaan aan de vereiste concretisering van het gevaar.