Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2431

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-09-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
14/05473
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3639, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid OM na vrijspraak van feit waarmee de verdachte een sepotvoorwaarde zou hebben geschonden. Het hof heeft de brief van de OvJ, inhoudende dat verdachte voor dat feit niet zal worden vervolgd onder de voorwaarde dat hij “gedurende de proeftijd (…) zich niet aan enig strafbaar feit zal schuldig maken dan wel op andere wijze zich zal misdragen”, kennelijk aldus uitgelegd dat de daarin vervatte voorwaarde niet ziet op een veroordeling t.z.v. een nieuw strafbaar feit, doch op het ontstaan van een redelijke verdenking dat de veroordeelde zich aan enig strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Die uitleg is niet onbegrijpelijk. De verwerping van het verweer dat het OM gelet op de (onherroepelijke) vrijspraak van het “nieuwe strafbare feit” alsnog n-o had moeten worden verklaard in de vervolging van het aanvankelijk voorwaardelijk geseponeerde feit, aangezien voortzetting van die vervolging “in strijd moet worden geacht met het vertrouwensbeginsel”, getuigt, mede in aanmerking genomen de door het Hof gegeven uitleg van bedoelde voorwaarde, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk gemotiveerd. A-G: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/05473

Zitting: 22 september 2015

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 13 oktober 2014 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep voor zover dat was gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-119879-13 tenlastegelegde, en hem in de zaak met parketnummer 16-172726-12 veroordeeld wegens “mishandeling”, en bepaald dat ter zake geen straf of maatregel wordt opgelegd.

2. Namens de verdachte heeft mr. F.W. Verweij, advocaat te Amersfoort, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J. Visscher, advocaat te Amersfoort, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het hof in strijd met het vertrouwensbeginsel het openbaar ministerie in zijn strafvervolging ontvankelijk heeft verklaard. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd het verweer heeft verworpen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens schending van het vertrouwensbeginsel. De middelen klagen vanuit twee verschillende invalshoeken over inhoudelijk dezelfde beslissing zodat ze gezamenlijk kunnen worden besproken.

4. Bij de stukken die op de voet van art. 435, tweede lid, Sv aan de Hoge Raad zijn gezonden, bevindt zich een kopie van een brief van de officier van justitie te Utrecht d.d. 19 september 2012, gericht aan de verdachte, en ondertekend door de verdachte en namens de officier van justitie door [betrokkene]. De brief houdt in dat de verdachte

“in de zaak met parketnummer 16-172726 wordt verdacht van overtreding van:

Mishandeling op 14 augustus 2012 te Utrecht.

feit(en) niet zal worden vervolgd onder de voorwaarde(n):

Dat de verdachte, gedurende een proeftijd van 2 jaar ingaande op de dag van uitreiking van deze kennisneming, zich niet aan enig strafbaar feit zal schuldig maken dan wel op andere wijze zich zal misdragen.


Voor de goede orde meld ik u dat indien niet aan gestelde voorwaarde(n) wordt voldaan, ik alsnog strafvervolging zal instellen.”

5. Op 29 juni 2013 is de verdachte aangehouden wegens de betrokkenheid bij een vechtpartij bij een uitgaansgelegenheid. Deze zaak is vervolgd als openlijke geweldpleging (16/119879-13). De verdachte is bovendien alsnog gedagvaard voor de mishandeling (16/172726-12). De zaken zijn gevoegd.

6. De politierechter heeft de verdachte bij vonnis van 19 maart 2014 ter zake van mishandeling (16/172726-12) veroordeeld tot een geldboete van € 300,- en vrijgesproken van de tenlastegelegde openlijke geweldpleging “zijnde niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 16/119879-13 is ten laste gelegd.” Alleen de verdachte is van dit vonnis in hoger beroep gekomen.

7. Ter terechtzitting van het gerechtshof van 29 september 2014 heeft de raadsman vanuit twee invalshoeken de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bestreden. De raadsman heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de verdachte niet de voorwaarden had overtreden die hem waren opgelegd in het kader van een voorwaardelijk sepot ter zake van mishandeling. Bovendien heeft de raadsman aangevoerd dat door de politierechter “ten onrechte is geconcludeerd dat het openbaar ministerie, ook gelet op het vertrouwensbeginsel, ontvankelijk is in de zaak betreffende de mishandeling.

8. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt hierover meer concreet het volgende in:

“Het openbaar ministerie dient naar het oordeel van de verdediging niet-ontvankelijk verklaard te worden in de vervolging. Het feit betreffende de mishandeling is op een TOM-zitting behandeld en toen voorwaardelijk geseponeerd. Nu is verdachte alsnog vervolgd in verband met de verdenking ter zake openlijke geweldpleging. Van dat feit is hij onherroepelijk vrijgesproken. Cliënt heeft toen zelfs de-escalerend opgetreden. Wat moeten we dan met deze zaak? Aanvankelijk was er sprake van een voorwaardelijk sepot en nu is hij veroordeeld door de politierechter. Dat cliënt voor mishandeling is vervolgd, was enkel gelegen in het feit dat hij werd gedagvaard voor de openlijke geweldpleging. Niet kan worden vastgesteld dat hij zich aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt. Hij heeft de voorwaarden dus niet overtreden. De officier van justitie heeft geen hoger beroep ingesteld in die zaak. Kennelijk legt het openbaar ministerie zich neer bij de vrijspraak. Dat zou in hoger beroep moeten worden doorgevoerd. De politierechter heeft niet juist geredeneerd op dat punt. We moeten nu uitgaan van het voorwaardelijke sepot. Ik wijs ook op een arrest van uw hof (2013, LJN CA 1622). In die zaak was er wel sprake van een schending van de voorwaarden. Dat is nu niet het geval.

Concluderend ben ik van mening dat ten onrechte is geconcludeerd dat het openbaar ministerie, ook gelet op het vertrouwensbeginsel, ontvankelijk is in de zaak betreffende de mishandeling.”

9. Het hof heeft het verweer verworpen en daartoe in zijn arrest het volgende overwogen:

“Bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten geldt voor het openbaar ministerie het opportuniteitsbeginsel, dat door de rechter slechts marginaal getoetst kan worden. Op het moment van de verdenking van het nieuwe strafbare feit kon het openbaar ministerie er redelijkerwijs van uitgaan dat de voorwaarde, verbonden aan het voorwaardelijke sepot, was overtreden.

Onder de gegeven omstandigheden kon het openbaar ministerie in redelijkheid beslissen om tot vervolging van verdachte over te gaan, zonder dat daarbij in strijd is gehandeld met enig beginsel van een goede procesorde. Dat er uiteindelijk (achteraf bezien) een vrijspraak is gevolgd voor het ‘nieuwe strafbare feit’ waarmee de voorwaarde zou zijn overtreden doet hieraan naar het oordeel van het hof niet af. Het hof verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.”

10. In cassatie wordt aangevoerd dat het vertrouwensbeginsel is geschonden omdat “niet is gebleken dat hij [de verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan enig strafbaar feit” en de verdachte daarom ervan uit mocht gaan dat hij niet ter zake van mishandeling zou worden vervolgd. Tevens wordt aangevoerd dat het hof niet gemotiveerd heeft gereageerd op het standpunt van de verdediging dat “ook bij het voortduren van een procedure en gewijzigde omstandigheden getoetst moet worden of – op dat moment – sprake is van strijd met enig beginsel van goede procesorde, in casu het vertrouwensbeginsel”.

11. Bij de beoordeling van het middel moet voorop worden gesteld dat de beslissing om tot vervolging over te gaan zich “slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing” leent “in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een geode procesorde, voor zover hier van belang met het verbod van willekeur – dat in strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging – om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voorzetting van) die vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.1 Ook brengt het naleven van gestelde voorwaarden niet onder alle omstandigheden mee dat het openbaar ministerie in strijd met een behoorlijk vervolgingsbeleid zou handelen wanneer de verdachte alsnog wordt vervolgd.2

12. Niet blijkt dat het hof met zijn hiervoor onder 9 weergegeven overweging een andere toets heeft aangelegd dan de marginale toets die hiervoor onder 11 is omschreven. In zoverre getuigt ’s hofs oordeel dus niet van een onjuiste rechtsopvatting.

13. Zoals ik het begrijp keert met name het tweede middel zich echter tegen ’s hofs oordeel dat de vrijspraak “niet afdoet” aan zijn oordeel dat het openbaar ministerie in redelijkheid kon beslissen om tot vervolging van verdachte over te gaan zonder dat daarbij in strijd is gehandeld met enig beginsel van een goede procesorde.

14. De middelen snijden de vraag aan of een vrijspraak ter zake van een ‘gronddelict’ de niet-ontvankelijkheid meebrengt van de vervolging van een onder voorwaarden geseponeerde strafzaak die alsnog is ingesteld naar aanleiding van dat ‘gronddelict’. Ik begrijp ’s hofs oordeel aldus dat de vrijspraak ‒ ook achteraf ‒ geen afbreuk doet aan zijn oordeel dat de vervolgingsbeslissing verenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. De vraag is dus hoe deze zienswijze van het hof zich verhoudt tot de bedoelde beginselen van een behoorlijke procesorde.

15. Naar houvast heb ik tevergeefs gezocht in enige jurisprudentie van Uw Raad over de toepassing van een voorwaardelijk sepot van art. 167, tweede lid, Sv of van de voorwaardelijke kennisgeving niet-verdere vervolging van art. 244, derde lid, (oud) Sv. Naar mijn inzicht kan echter wél inspiratie worden gevonden in art. 14g Sr. Daarin is de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke veroordeling geregeld.3 In het derde lid daarvan is bepaald dat een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf wegens het begaan van een (nieuw) strafbaar feit uitsluitend kan worden toegewezen bij een veroordeling ter zake van dat (nieuwe) strafbare feit.4 Het lot van de vordering tot tenuitvoerlegging wegens een overtreding van de algemene voorwaarde is dus onlosmakelijk verbonden met het lot van de strafvervolging ter zake van het delict dat aan die vordering tot tenuitvoerlegging ten grondslag is gelegd.5

16. Ik meen dat die wettelijke lotsverbondenheid uitdrukking geeft aan een algemeen beginsel dat aan ons strafprocesrecht ten grondslag ligt, namelijk de onschuldpresumptie, die binnen de Nederlandse rechtsorde is verankerd in art. 6, tweede lid, EVRM. In geval van vrijspraak herleeft de veronderstelling dat de verdachte onschuldig is aan het delict waarvoor aanvankelijk jegens hem (naar ik aanneem: gerede) verdenking was gerezen. Indien de verdachte voor onschuldig moet worden gehouden is iedere vorm van strafrechtstoepassing naar aanleiding van het desbetreffende feit een heikele onderneming.6,7

17. Naar ik het bestreden arrest begrijp, heeft de nieuwe strafzaak betreffende openlijk geweld de voorwaarde van het sepot vervuld en daardoor het openbaar ministerie aanleiding gegeven voor de strafvervolging van het delict mishandeling. Vervolgens heeft de politierechter de verdachte onherroepelijk vrijgesproken van het openlijk geweld. ’s Hofs oordeel dat deze vrijspraak (achteraf) “niet afdoet” aan zijn oordeel dat het openbaar ministerie in redelijkheid kon beslissen om tot vervolging van verdachte wegens mishandeling over te gaan zonder dat daarbij in strijd is gehandeld met enig beginsel van een goede procesorde, getuigt m.i. van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de onschuldpresumptie, of is althans zonder nadere motivering niet begrijpelijk.8

18. Terzijde merk ik op dat een eventuele niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging ter zake van de mishandeling niet in de weg staat aan een herhaalde strafvervolging wegens diezelfde mishandeling in het geval de verdachte ‒ alsnog ‒ een nieuw strafbaar feit begaat gedurende de proefperiode die door de officier van justitie bij zijn voorwaardelijk sepot is geformuleerd, c.q. anderszins de gestelde voorwaarde overtreedt. Art. 68 Sr beschermt immers niet tegen een hernieuwde strafvervolging indien een voorafgaande strafvervolging is geëindigd in een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Ook in zoverre gaat de analogie met de regeling van art. 14g Sr dus op.

19. In elk geval het tweede middel slaagt, zij het op iets anders geformuleerde argumenten.

20. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, NJ 2013/109, m.nt. Schalken, r.o. 2.4.

2 HR 13 september 1983, NJ 1984/151, m.nt. Tak, r.o. 5.4: “Met name kan niet worden gezegd — gelijk het Hof mogelijk in de vijfde overweging tot uitdrukking heeft willen brengen — dat het OM steeds in strijd met een behoorlijk vervolgingsbeleid zou handelen wanneer de verdachte alsnog wordt vervolgd ter zake van feiten in verband waarmee de verdachte dienstverlening naar behoren heeft verricht.” Zie bovendien F.W. Bleichrodt, Onder voorwaarden. Een onderzoek naar de voorwaardelijke veroordeling en andere voorwaardelijke modaliteiten (diss. Nijmegen), Deventer: Gouda Quint 1996, p. 201: “Bij een voorwaardelijk sepot is het OM daarentegen, indien beginselen van een behoorlijke procesorde zich daartegen niet verzetten, bevoegd om ondanks naleving van de voorwaarden over te gaan tot dagvaarding.

3 Althans van een nog niet eerder tenuitvoergelegd gedeelte van de voorwaardelijk opgelegde straf. Het OM kan in opeenvolgende strafzaken een vordering tot tenuitvoerlegging van dezelfde voorwaardelijke straf indienen. Dat dat kan leiden tot onderscheiden executoriale titels schaadt de belangen van de veroordeelde niet, omdat een voorwaardelijke straf niet meer dan één keer kan worden geëxecuteerd. Is de tenuitvoerlegging reeds onherroepelijk gelast, dan ligt niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vordering tot tenuitvoerlegging in de rede. Zie HR 10 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0179 (81 RO; niet gepubliceerd); HR 9 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6828, NJ 2004/310.

4 Zie bijvoorbeeld HR 16 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7152.

5 Dat neemt niet weg dat het openbaar ministerie staande de behandeling van de vordering tot tenuitvoerlegging de grondslag ervan kan uitbreiden met een ander strafbaar feit, zie HR 20 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0609, NJ 2001/353.

6 Vgl. EHRM 1 maart 2007, 30810/03, LJN BA1112, NJ 2007/349, m.nt. Borgers (Geerings/Nederland).

7 Wellicht draagt het volgende gedachtenexperiment bij aan de oordeelsvorming. De verdachte in deze zaak is gedagvaard ter zake van (1) het nieuwe feit (de openlijke geweldpleging) en (2) het delict waarvoor aanvankelijk voorwaardelijk was geseponeerd (de mishandeling). Stel dat ná de dagvaarding, doch vóór de terechtzitting alsnog bekend wordt dat zich bij de openlijke geweldpleging een persoonsverwisseling heeft voorgedaan. Het is zeker dat de verdachte geen enkele betrokkenheid had bij de openlijke geweldpleging (het nieuwe delict), dat aanvankelijk aanleiding gaf voor de (onjuist gebleken) gedachte dat de voorwaarde van het sepot was vervuld. Hoogstwaarschijnlijk zou het OM de dagvaarding in de nieuwe strafzaak (openlijk geweld) én de aanvankelijk geseponeerde strafzaak (mishandeling) voor aanvang van de terechtzitting intrekken. Zo niet, dan zou ter terechtzitting van de politierechter vrijspraak zijn gevolgd voor het nieuwe feit (openlijk geweld), en was er vermoedelijk weinig discussie over de afloop van de oudere zaak (mishandeling), namelijk OM niet-ontvankelijk. De vraag is nu: laat de onschuldpresumptie van art. 6, tweede lid, EVRM toe dat mijn fictieve casus (vrijspraak nieuw feit wegens persoonsverwisseling) en de voorliggende casus (vrijspraak nieuw feit wegens onvoldoende bewijs) voor wat betreft de mishandeling divergeren?

8 Zie ook Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 4 mei 1998, ECLI:NL:GHSHE:1998:AB8773, NJ 1998/843: “Nu aan geen van de in de brief van 22 april 1996 ontbindende voorwaarden is voldaan, heeft de officier van justitie door verdachte alsnog te dagvaarden, gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke rechtspleging en dient de officier van justitie deswege niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn vervolging.”