Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2427

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-12-2015
Datum publicatie
26-02-2016
Zaaknummer
15/04128
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:342, Gevolgd
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. WSNP. Toelating en beroep op hardheidsclausule afgewezen; goede trouw ten aanzien van het laten ontstaan en onbetaald laten schulden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

15/04128

Mr. L. Timmerman

Zitting 11 december 2015

Conclusie inzake:

[verzoeker],

verzoeker tot cassatie,

(hierna: ‘[verzoeker]),’

Mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.

  1. De rechtbank Gelderland heeft bij vonnis van 8 juni 2015 het door [verzoeker] ingediende verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat niet kan worden geconcludeerd dat [verzoeker] te goeder trouw is ten aanzien van het laten ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden zodat vooralsnog niet kan worden geoordeeld dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, van de Faillissementswet.

  2. Dit vonnis is bekrachtigd door het hof Arnhem-Leeuwarden in zijn arrest van 31 augustus 2015. Het hof heeft arrest gewezen op basis van de volgende feiten.

[verzoeker], geboren op 9 februari 1958, is een alleenstaande gescheiden man die samen met zijn minderjarige zoon en een meerderjarige dochter een gezin vormt. Zijn totale schuldenlast bedraagt € 148.529,91 en bestaat volgens de bij de Verklaring schuldsanering ex artikel 285 lid 1 onder e Fw gevoegde schuldenlijst uit onder meer een belastingschuld van € 13.326,47 uit 2009, een schuld van € 7.419,- aan tandartsenpraktijk [A] uit 2012, een schuld van € 13.947,99 aan Defam Credit B.V. uit 2003, een schuld van € 71.038,47 aan ABN AMRO uit 2013, een schuld van € 28.445,82 aan ROZ Twente en een schuld van € 151,- aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) uit 2014. Voorts is gebleken dat [verzoeker] een WWB-uitkering ontvangt van ongeveer € 1.162.- netto per maand, exclusief vakantiegeld en toeslagen.

3. Het hof heeft daartoe overwogen:

“3.4 Het hof is van oordeel dat [verzoeker], hoewel hij aannemelijk heeft gemaakt dat hem het ontstaan van de schuld aan de tandartsenpraktijk Kleinsma en [verzoeker] niet kan worden aangerekend, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de schulden aan de Belastingdienst en het ROZ in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat [verzoeker] ter mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij de belastingschulden op advies van zijn boekhouder bewust onbetaald heeft gelaten en voor zich uit heeft geschoven om eerst zijn huis op te kunnen knappen. [verzoeker] kan zich als ondernemer niet verschuilen achter zijn boekhouder en is zelf volledig verantwoordelijk voor de tijdige voldoening van de belastingaanslagen. Daarnaast heeft [verzoeker] onvoldoende informatie verstrekt over het ontstaan van de schuld aan het ROZ, waardoor het voor het hof niet mogelijk is te beoordelen of [verzoeker] ten aanzien van deze schuld al dan niet te goeder trouw is geweest. Zo zijn er geen stukken overgelegd waaruit blijkt op grond waarvan het ROZ de lening heeft verstrekt en op grond waarvan de lening vervolgens is teruggevorderd. Uit de stukken kan slechts worden afgeleid dat de ROZ-schuld kennelijk is teruggevorderd omdat [verzoeker] een te hoog inkomen had, maar een besluit tot die terugvordering ontbreekt. Op deze punten heeft [verzoeker] ter zitting ook geen inzicht kunnen verschaffen.

3.5 Met betrekking tot het beroep van [verzoeker] op artikel 288 lid 3 Fw overweegt het hof dat dit artikel aan de wet is toegevoegd met het oog op - in het bijzonder, doch niet uitsluitend - personen met verslavings- en/of psychosociale problemen die de omstandigheden die bepalend waren voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle hebben gekregen. Wil een beroep op artikel 288 lid 3 Fw slagen, dan is in het algemeen vereist dat de schuldenaar een zekere (persoonlijke) ontwikkeling heeft doorgemaakt die zich toont in het feit dat hij greep heeft gekregen op de omstandigheden die hem in financiële problemen hebben gebracht. Dat blijkt ook uit het feit dat artikel 288 lid 3 Fw volgens de wetsgeschiedenis vooral ziet op "echte gedragsaspecten" (Handelingen I 2006-2007, nr. 30, blz. 958).

In dit geval is [verzoeker] in problemen gekomen door achterblijvende resultaten van zijn eigen onderneming en door echtscheidingsperikelen. De stelling dat uit het feit dat de onderneming is gestaakt, er al enig tijd geen nieuwe schulden zijn gemaakt en [verzoeker] sinds een jaar in budgetbeheer is blijkt dat [verzoeker] greep heeft gekregen op de omstandigheden die hem in financiële moeilijkheden hebben gebracht, kan niet zonder meer worden gevolgd. Een dergelijke wijziging van omstandigheden is onvoldoende om te kunnen spreken van een (persoonlijke) ontwikkeling, zoals hiervoor bedoeld. Ook de overige door [verzoeker] aangevoerde feiten vormen onvoldoende grond om voorbij te gaan aan de vijfjaarstermijn als bedoeld in artikel 288 lid 1 onder b Fw. Daarbij neemt het hof in dit geval mede de omvang van de belastingschuld en de schuld aan het ROZ in aanmerking. Gelet hierop ziet het hof dan ook geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule.”

4. [verzoeker] heeft met een op 7 september 2015, en dus tijdig, ingediend verzoekschrift beroep in cassatie ingesteld. Het daarin opgenomen cassatiemiddel bevat vier onderdelen.

5. Onderdeel 1 richt zich tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 3.4 ten aanzien van de schuld aan tandartsenpraktijk Kleinsma en [verzoeker] en luidt als volgt. [verzoeker] heeft onder grief 1 aangevoerd dat deze schuld langer dan vijf jaar geleden is ontstaan en dus niet dient mee te wegen bij het oordeel of sprake is van goede trouw in de zin van artikel 288 lid 1 sub b Fw. Het hof heeft op deze grief niet beslist en de schuld aan Kleinsma en [verzoeker] kennelijk meegewogen in de goede trouw toets.

Naar mijn mening heeft [verzoeker] geen belang bij dit middel. Uit de overwegingen van het hof volgt immers dat de schuld aan tandartsenpraktijk Kleinsma en [verzoeker] niet is meegewogen in zijn oordeel dat [verzoeker] niet tot de schuldsaneringsregeling moet worden toegelaten. Aan [verzoeker] moet worden toegegeven dat het criterium dat het hof hanteert onjuist is. Doorslaggevend is immers niet of de schuld te goeder trouw is aangegaan, maar dat deze langer dan vijf jaar geleden is ontstaan. Echter, nu deze schuld klaarblijkelijk geen rol heeft gespeeld in het oordeel dat het verzoek moet worden afgewezen, strandt het onderdeel op gebrek aan belang.

6. In onderdeel 2 wordt betoogd dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de belastingschulden niet te goeder trouw zijn ontstaan omdat [verzoeker] er op aanraden van zijn boekhouder voor heeft gekozen om deze voor zich uit te schuiven en eerst zijn huis op te knappen. Deze motivering is volgens het onderdeel rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk en miskent dat [verzoeker] niet in staat was om de schulden te betalen.

Dit onderdeel slaagt niet. Onderdeel 2 heeft immers betrekking op een feitelijke vaststelling door het hof waarover in cassatie niet kan worden geklaagd. Aangezien deze feitelijke vaststelling overeenkomt met hetgeen [verzoeker], blijkens het proces-verbaal, tijdens de zitting van 24 augustus 2015 heeft verklaard, is geenszins sprake van een onbegrijpelijke motivering.

7. Onderdeel 3 van het middel betoogt dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het onbetaald laten van de ROZ-schuld te goeder trouw is geweest, omdat hij onvoldoende informatie heeft verstrekt over het ontstaan van de schuld. Deze overweging is volgens het onderdeel onbegrijpelijk omdat het hof uitsluitend heeft geoordeeld over het ontstaan van een tweetal schulden (belastingdienst en ROZ) in plaats van te oordelen over het geheel van de schulden. Het hof heeft daarmee miskend dat er een verband is tussen het ontstaan van de schulden in het verleden, het onbetaald laten van de schulden en de huidige of toekomstige insolventietoestand.

Dit onderdeel slaagt evenmin. De omstandigheid dat er een verband is tussen het ontstaan van de schulden, het onbetaald laten daarvan en de insolvente, laat immers onverlet dat het op de weg van de verzoekende partij ligt om informatie te verschaffen over het ontstaan van de verschillende schulden. Ten aanzien van de ROZ-schuld heeft het hof vastgesteld dat deze informatie onvoldoende is verstrekt waardoor het hof niet in staat was om te beoordelen of [verzoeker] ten aanzien van deze schuld te goeder trouw was. Deze motivering is niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk. Op basis van deze vaststelling heeft het hof voorts kunnen oordelen dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan het ROZ te goeder trouw is geweest.

8. Onderdeel 4 van het middel klaagt erover dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het beroep op de hardheidsclausule niet slaagt. Aangevoerd wordt dat het hof een te beperkte uitleg heeft gegeven aan artikel 288 lid 3 Fw door te overwegen dat voor een geslaagd beroep op dit artikel - dat met name ziet op echte gedragsaspecten – noodzakelijk is dat de schuldenaar een zekere (persoonlijke) ontwikkeling heeft doorgemaakt, die blijkt uit het feit dat hij greep heeft gekregen op de omstandigheden die hem in financiële problemen hebben gebracht. Volgens het onderdeel miskent het hof hiermee, dat bij de toepassing van artikel 288 lid 3 Fw ook andere criteria de doorslag kunnen geven, zeker nu in het onderhavige geval geen sprake is van een persoon met een verslaving of psychosociale problematiek en dat deze bepaling (daarnaast) ook moet worden gezien als een meer algemeen correctiemiddel bij de invulling waarvan de rechter een discretionaire bevoegdheid heeft. Het hof heeft in zijn beslissing onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom in dit geval met de toepassing van dit algemene correctiemiddel geen toegang tot de schuldsaneringsregeling zou moeten worden verleend.

9. Voorop gesteld moet worden dat – ook als de in de afgelopen vijf jaar ontstane schulden niet te goeder trouw zijn gemaakt – een beroep op de hardheidsclausule gehonoreerd kan worden. De afwijzing van een beroep hierop dient deugdelijk te worden gemotiveerd.1 Het hof heeft overwogen dat een beroep op artikel 288 lid Fw slechts kan slagen indien de schuldenaar een zekere (persoonlijke) ontwikkeling heeft doorgemaakt die zich toont in het feit dat hij greep heeft gekregen op de omstandigheden die hem in financiële problemen hebben gebracht. Volgens het hof is het feit dat de onderneming is gestaakt, er al enige tijd geen nieuwe schulden zijn gemaakt en [verzoeker] sinds een jaar in budgetbeheerder is, onvoldoende om te kunnen spreken van een persoonlijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw. Daarbij wijst het hof ook op de omvang van de belastingschuld en de schuld aan de ROZ. Ik wijs er op dat [verzoeker] niet heeft aangevoerd dat hij eigen inkomsten uit bij voorbeeld een dienstbetrekking verwerft. De door [verzoeker] aangevoerde omstandigheden duiden mijns inziens wel op een zekere gedragsontwikkeling. Niettemin is het mijns inziens –alles afwegende- niet onbegrijpelijk dat het hof deze gedragsontwikkeling onvoldoende acht.

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie in dat verband onder meer HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4931