Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2401

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-10-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
14/05864
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3579, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Hond betrokken bij bijtincident Chihuahua aan te merken als gevaarlijk dier? Art. 425 Sr. Hof heeft met juistheid geoordeeld dat hond niet eerst dan als "gevaarlijk" in de zin van art. 425 Sr kan worden aangemerkt als die hond bij eerdere bijtincidenten betrokken is geweest. Ook een hond waarvan o.g.v. andere f&o kan worden aangenomen dat hij gevaren oplevert welke voormelde wetsbepaling i.h.a. heeft willen voorkomen, moet als gevaarlijk in de zin van art. 425 Sr worden aangemerkt (vgl. ECLI:NL:HR:1992:ZC8999, NJ 1992/571). Gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van verdachte, geeft het oordeel van het Hof dat de hond reeds vóór de overtreding gevaarlijk voor personen kon zijn en derhalve een gevaarlijk dier in de zin van art. 425, aanhef en onder 2°, Sr is, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/05864

Zitting: 27 oktober 2015

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De enkelvoudige kamer van het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 13 november 2014 de verdachte wegens “onvoldoende zorg dragen voor een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier” veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,--, subsidiair twintig dagen hechtenis, waarvan € 500,-- voorwaardelijk, subsidiair tien dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Het hof heeft de teruggave gelast van de in beslag genomen hond. Ook heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J.M. Lintz, advocaat te Den Haag, bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de hond van de verdachte de Chihuahua meermalen heeft gebeten.

4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij op1 18 juni 2013 te Scheveningen, gemeente ‘s-Gravenhage geen voldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier, te weten een Amerikaanse Staffordshire geslacht teef naam Annie, immers heeft deze hond toen en daar een hond ras Chihuahua geslacht reu naam Loekie meerdere malen gebeten ten gevolge waarvan deze hond Loekie aan zijn verwondingen is overleden.”

5. Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

“Het proces-verbaal van Politie Haaglanden van verhoor aangeefster, nr. PL1524 2013119298-6, d.d. 28 juni 2013, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- als de op 28 juni tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van aangeefster [betrokkene]:

Op 18 juni 2013 was ik met mijn hondje Loekie op een strandje op de Hellingweg in Den Haag. Ik zag dat er een man kwam aanlopen. Deze man had een Stafford bij zich. Ik wandelde richting waterlijn, gevolgd door Loekie. Plotseling hoorde ik hard geschreeuw. Ik keek om me heen om te zien wat er aan de hand was en zag in een flits de Stafford aan komen rennen. Ik zag dat deze in volle sprint in een rechte lijn op Loeki afging. Ondanks dat Loekie vlak achter me liep kon ik niet beletten dat de Stafford Loekie vol vast beet. Uiteindelijk liet de Stafford Loekie los.

Ik ben direct naar de nabijgelegen Statenlaan gegaan alwaar mijn dierenarts is gevestigd. De dierenarts heeft met een stethoscoop geluisterd naar het hartje van Loekie. Loekie was overleden.

2. Het proces-verbaal van Politie Haaglanden van verhoor getuige, nr. PL1524 2013119298-7, d.d. 25 juni 2013, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- als de op 25 juni tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van getuige [getuige]:

Op 18 juni 2013 ben ik samen met mijn hond, een Stafford, naar het strandje gegaan op de Hellingweg. Hier was [betrokkene] en haar hondje Loekie. Ik zag een man aan komen lopen, Ik zag dat deze man een Stafford bij zich had. Deze stond echt strak in de riem. Ik weet nog dat ik een opmerking maakte naar mijn aanwezige vrienden in de trant van "zo dan lekker hondje". Ik bedoelde dat deze Stafford een opgefokte indruk maakte. Mijn vriendin [betrokkene] liep het stukje naar de waterkant gevolgd op een meter of twee door Loekie. Plotseling hoorde ik gegil en zag ik de Stafford in volle sprint komen aan rennen. Voor ik het wist had de Stafford zich vastgebeten in Loekie. Ik zag dat de Stafford Loekie uiteindelijk los liet. Ik ben naar mijn vriendin gelopen en zag dat Loekie slap in haar handen hing. Ik ben naar de eigenaar van de Stafford gelopen. De eigenaar stelde zich voor als [verdachte].

3. Het proces-verbaal van Politie Haaglanden van bevindingen, nr. PL1524 2013119298-4, d.d. 25 juni 2013, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- als relaas van deze ambtenaren:

De man genaamd [verdachte], geboren op [geboortedatum]-1983 verklaarde dat hij een Amerikaanse Stafford heeft, genaamd Annie. Hij verklaarde ons dat Annie een moeilijke jeugd heeft gehad. Annie is veelvuldig mishandeld door haar vorige eigenaar.

4. Het proces-verbaal van Politie Haaglanden van verhoor verdachte, nr. PL1524 2013119298-8, d.d. 29 juni 2013, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- als de op 29 juni 2013 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van de verdachte [verdachte]:

Op 18 juni 2013 ben ik met mijn Stafford Annie naar de Hellingweg gegaan. Ik heb Annie sinds oktober 2012. Ik heb Annie opgehaald uit het Dierenziekenhuis in Rotterdam. Daar zochten ze een goed tehuis voor Annie. Annie bleek door de dierenpolitie uit een huis te zijn gehaald en woog nog maar negen kilo. We hebben contact gezocht met een mevrouw van een hondenuitlaat-service. Daar is Annie een paar maal geweest om haar mentaal weerbaarder te maken en te trainen in sociaal gedrag met andere honden. Helaas is deze mevrouw ziek geworden en is de training voor Annie gestopt. Op straat heeft Annie een paar maal een conflictsituatie gehad met andere honden. Daarbij is ze zelf gebeten. Ik krijg de indruk dat ze buiten wat onzeker kan zijn. Mogelijk heeft het te maken met haar lange voorgeschiedenis. De dierenpolitie kent Annie uit een zware verwaarlozingszaak.

Ik ben samen met Annie de hellingbaan afgelopen. Ik heb Annie losgelaten. Na ongeveer 20 minuten hoorde ik een hoop geschreeuw. Ik keek waar het geschreeuw vandaan kwam. Ik zag Annie staan bij een mevrouw. Ik zag dat de vrouw een klein hondje in haar hand hield. Ik zag dat het hondje slap in haar handen hing. Ik begreep uit de situatie dat Annie het hondje had gebeten.

5. Een geschrift, zijnde een verslag inhoudende patiëntinformatie van de Dierenkliniek Statenlaan, d.d. 18 juni 2013, opgemaakt en ondertekend door drs. Walter van Look. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven- :

- als relaas van zijn bevindingen –

Hond Loekie, chihuahua, reu:

In de spoed binnengebracht. Eigenaresse komt onder het bloed binnen in de spreekkamer met een levenloos hondje op haar armen. De hond is overleden. Lichtstijve ogen, geen hartslag. Bij nader onderzoek heeft het hondje bijtgaten aan beide zijden van zijn lijf ter hoogte van de borstkas en heeft hierdoor veel bloed verloren. Loeki is door excessief trauma overleden.”

6. Uit de inhoud van bewijsmiddel 5 volgt dat de chihuahua bijtgaten aan beide zijden van zijn lijf ter hoogte van de borstkas had. Daaruit heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat de hond van de verdachte de chihuahua meermalen heeft gebeten. Die vaststelling is niet in tegenspraak met hetgeen uit de inhoud van bewijsmiddel 1 blijkt, te weten dat de hond van de verdachte zich “vol vast beet”. Ook daarvan kan sprake zijn als meermalen is gebeten.

7. Zelfs als de steller van het middel zou worden gevolgd in zijn standpunt dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de chihuahua meermalen is gebeten, komt cassatie niet in beeld. In dat geval leent de bewezenverklaring zich voor verbeterde lezing, met weglating van de woorden “meerdere malen”. Aan de aard en ernst van het bewezen verklaarde doet zulks niet af.2

8. Het middel faalt.

9. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, inhoudende dat de hond van de verdachte niet reeds ten tijde van het ten laste gelegde als gevaarlijk kon worden beschouwd, zonder dat het in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die tot die afwijking hebben geleid, althans zonder dat de gegeven motivering die afwijking kan dragen.

10. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 november 2014, heeft de raadsman aldaar het woord gevoerd overeenkomstig zijn pleitaantekeningen. Die pleitaantekeningen houden onder meer een verweer strekkende tot vrijspraak in. Volgens de raadsman is eerst bij het incident op 18 juni 2014 gebleken dat de hond van de verdachte gevaarlijk was. Voorafgaand aan dat incident heeft de hond zich goed gedragen en is er geen incident geweest. De hond heeft niet eerder agressief op andere honden gereageerd. Volgens de steller van het middel kan niet worden gesproken van een “gevaarlijk dier”, zodat primair vrijspraak moet volgen en subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging in verband met afwezigheid van alle schuld.

11. Het hof heeft in reactie op het hiervoor samengevatte primaire standpunt onder “bewijsverweer” het volgende overwogen3:

“Vooropgesteld dient te worden dat een hond niet eerst dan "gevaarlijk" in de zin van artikel 425 van het Wetboek van Strafrecht kan worden aangemerkt als die hond bij eerdere bijtincidenten betrokken is geweest. Ook een hond waarvan op grond van andere feiten of omstandigheden kan worden aangenomen dat hij gevaren oplevert welke voormelde wetsbepaling in het algemeen heeft willen voorkomen, moet als gevaarlijk in de zin die wetsbepaling worden aangemerkt.

Het hof leidt uit de voormelde verklaringen van de verdachte af dat hond Annie een mishandelde en verwaarloosde hond was en dat zij na het vroegtijdig afbreken van de trainingen kennelijk nog steeds mentaal onzeker/niet weerbaar was en op straat in conflictsituaties geraakte. Ook vertoonde de hond kort voorafgaand aan het bijtincident gedrag dat door getuige [getuige], zelf bezitter van een Stafford, als opvallend 'opgefokt' werd aangeduid.

Het hof is dan ook van oordeel dat op grond van deze feiten en omstandigheden kan worden aangenomen er een aanmerkelijk risico bestond dat hond Annie zonder voorzorgsmaatregelen gevaarlijk voor personen en/of andere dieren kon zijn en derhalve als 'gevaarlijk' in de zin van artikel 425 van het wetboek moet worden aangemerkt.”

12. Voor zover het middel erover klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op het tot vrijspraak strekkende verweer, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft het aangevoerde kennelijk verstaan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt en de redenen gegeven die tot afwijking van dat standpunt hebben geleid. In zoverre faalt het middel. Voor zover het middel de klacht bevat dat de door het hof vermelde redenen de afwijking van het genoemde standpunt niet kunnen dragen, geldt het volgende.

13. Het hof heeft het begrip “gevaarlijk dier” kennelijk gebezigd in de betekenis die daaraan ingevolge art. 425, aanhef en onder 2, Sr toekomt. Art. 425, aanhef en onder 2º, Sr, op welke bepaling de tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden, luidt:

"Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft:

1º (...)

2º hij die geen voldoende zorg draagt voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier."

14. Een bepaalde hond kan niet eerst dan als gevaarlijk worden beschouwd indien hij door zijn gedrag heeft laten blijken gevaarlijk te zijn voor mens of dier. Ook indien op grond van andere feiten of omstandigheden kan worden aangenomen dat een hond gevaren oplevert die art. 425, aanhef en onder 2, Sr in het algemeen heeft willen voorkomen, moet het desbetreffende dier als gevaarlijk in de zin van die bepaling worden aangemerkt.4 In zijn conclusie voorafgaand aan HR 22 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3642, NJ 2010/378 (ECLI:NL:PHR:2010:BM3642) merkt mijn ambtgenoot Knigge op dat er positieve aanwijzingen dienen te zijn dat het desbetreffende dier gevaar oplevert. Daarvan is zijns inziens sprake als er een serieuze kans of een aanmerkelijk risico bestaat dat de hond schade aanricht. Zekerheid is niet vereist.

15. Tegen de achtergrond van het voorafgaande, meen ik dat het oordeel van het hof dat de hond van de verdachte als “gevaarlijk dier” in de zin van art. 425, aanhef en onder 2, Sr moet worden aangemerkt niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat het desbetreffende dier een - door de vorige eigenaar - mishandelde en verwaarloosde hond was, die door de dierenpolitie uit het huis van de vorige eigenaar is gehaald en die na het vroegtijdig afbreken van de trainingen kennelijk nog steeds mentaal onzeker/niet weerbaar was en op straat in conflictsituaties geraakte. Uit het onder 14 voorop gestelde volgt dat de omstandigheid dat niet is gebleken van eerdere bijtincidenten niet afdoet aan de begrijpelijkheid van het kennelijke oordeel van het hof dat de eerdere mishandelingen en verwaarlozingen hebben bijgedragen aan het ontstaan van een aanmerkelijk risico dat de desbetreffende hond gevaar oplevert. De gevaarzetting heeft het hof mede kunnen afleiden uit de omstandigheid dat de hond kort voorafgaand aan het bijtincident gedrag vertoonde dat door de getuige [getuige], zelf bezitter van een Stafford, als 'opgefokt' werd aangeduid. Zij nam daarbij waar dat de hond “echt strak in de riem stond” en maakte daarover op dat moment een opmerking, waaruit valt af te leiden dat de “opgefokte indruk” die de hond maakte opvallend was (bewijsmiddel 2). Uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte kort daarna de hond los heeft laten lopen en dat de hond daarop in volle sprint op de chihuahua is afgelopen en deze heeft gedood. Ten slotte heeft ook de diersoort een rol kunnen spelen bij de beoordeling of het desbetreffende dier als “gevaarlijk” in de zin van de genoemde wetsbepaling moet worden aangemerkt. Een getraumatiseerde goudvis zal nu eenmaal in de regel minder gevaar opleveren dan een mishandelde en verwaarloosde Amerikaanse Staffordshire.

16. Naar mijn mening kan de gegeven motivering de afwijking van het standpunt van de verdediging dragen. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.

17. Het middel faalt.

18. Het derde middel klaagt over de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 500,-. Volgens de steller van het middel heeft het hof verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot de afwijking van het standpunt van de verdediging ten aanzien van de waarde van de chihuahua, althans heeft het hof daarbij een motivering gebruikt die de afwijking van het standpunt niet kan dragen.

19. Bij de stukken van het geding bevindt zich een “schadeopgaveformulier misdrijven” van de benadeelde partij [betrokkene]. Dit formulier behelst onder meer de opgave van een bedrag van € 750,- aan materiële schade voor de aanschaf van nieuwe chihuahua’s op 29 juni 2013.5 Uit bijlage 2 bij het voegingsformulier volgt dat het gaat om twee chihuahua’s, die beide in 2013 zijn geboren. Een nota ontbreekt. Op de terechtzitting in eerste aanleg heeft de benadeelde partij verklaard dat zij een nieuwe chihuahua heeft gekocht voor ongeveer € 750,-. Gelet op de onderbouwing van de vordering ter zitting is het hof er kennelijk en niet onbegrijpelijk, met de steller van het middel, vanuit gegaan dat de kosten van één nieuwe chihuahua € 750 hebben bedragen.

20. In eerste aanleg heeft de raadsman van de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist en daarbij opgemerkt dat de twaalfjarige chihuahua “juridisch gezien” een “afgeschreven goed” betrof, aangezien de gemiddelde eindleeftijd van een chihuahua volgens hem twaalf jaar bedraagt.6 De kantonrechter heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 350,-. Vervolgens heeft de benadeelde partij door middel van een “wensenformulier” aangegeven dat zij haar eerder ingediende verzoek tot schadevergoeding in hoger beroep wenst te handhaven. De raadsman van de verdachte heeft tijdens de terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen.7 Ten aanzien van de waarde van de chihuahua merkte hij op dat de desbetreffende hond twaalf jaar oud was, terwijl de gemiddelde eindleeftijd van een chihuahua tussen de twaalf en veertien jaar bedraagt. De hond zou volgens de raadsman moeten worden aangemerkt als “een nagenoeg afgeschreven goed”. Ook verwees de raadsman naar de schadevergoedingen die de Staat uitkeert in geval van een ten onrechte gedode hond. In dat geval zou € 80,- worden uitgekeerd, te weten de vervangingswaarde, welk bedrag overeenkomt met de kosten van een asielhond. Voorts blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep dat de raadsman nog het volgende heeft aangevoerd. Voor de vaststelling van de hoogte van de vervangingswaarde dient te worden uitgegaan van een gelijkwaardig goed. Het gaat dan ook niet om de prijs van een puppy, maar om de prijs van een soortgelijke hond van dezelfde leeftijd. Een dergelijke hond zou bij een asiel niet meer kosten dan € 125,-, terwijl bij een fokker voor een teruggegeven hond (zelfs als deze jonger is dan twaalf jaar) niet meer wordt betaald dan € 300,- Het hof heeft overwogen dat de benadeelde partij heeft aangetoond dat zij materiële schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde feit. Het hof heeft het in dit verband redelijk geacht dat de waarde van de hond wordt vergoed tot een bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente.

21. Voor zover in het middel wordt betoogd dat het hof niet heeft beslist op een “uitdrukkelijk onderbouwd standpunt” van de raadsman van de verdachte betreffende de vordering van de benadeelde partij, miskent de steller van het middel dat in dit verband geen motiveringsverplichting kan worden ontleend aan art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv. Die bepaling heeft geen betrekking op een standpunt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.8

22. Het ook in hoger beroep van toepassing zijnde art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. Aan deze motiveringsverplichting worden geen hoge eisen gesteld. Dat kan echter anders zijn indien ter zake gemotiveerd verweer is gevoerd.9

23. Het hof heeft geoordeeld dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot een bedrag van € 500,-, aangezien de benadeelde partij heeft aangetoond dat zij materiële schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde feit en het hof het in dat verband redelijk acht dat de waarde van de hond wordt vergoed tot een bedrag van € 500,-. Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk in het licht van de inhoud en de onderbouwing van de ingediende vordering van de benadeelde partij en hetgeen de raadsman van de verdachte ter betwisting van de vordering heeft aangevoerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat de benadeelde partij heeft aangevoerd een andere hond van hetzelfde ras te hebben gekocht voor de prijs van € 750,-. De omstandigheid dat het hof niet de volledige aanschafprijs heeft toegewezen, zal samenhangen met het leeftijdsverschil tussen de gedode en de aangeschafte hond. De mate waarin het hof dat leeftijdsverschil heeft verdisconteerd is niet onbegrijpelijk, terwijl dat oordeel zich niet leent voor verdere toetsing in cassatie. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat het oordeel van het hof summier is gemotiveerd. Niettemin heeft het hof wel in voldoende mate inzicht gegeven in de grondslag van zijn beslissing. Het hof heeft klaarblijkelijk de schade bepaald aan de hand van de waarde van de hond, zoals deze blijkt uit de door de benadeelde partij gestelde kosten van de nieuwe hond van hetzelfde ras, en daarbij het leeftijdsverschil verdisconteerd. Aldus bezien en mede in aanmerking genomen dat in het verweer van de raadsman verschillende bedragen worden genoemd, was het hof op grond van het in art. 361, vierde lid, Sv bepaalde niet tot een nadere motivering gehouden. De beslissing van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij is naar de eis der wet met redenen omkleed.

24. Het middel faalt.

25. Het vierde middel bevat de klacht dat zich bij de aan de Hoge Raad ingezonden stukken geen juist exemplaar van de requisitoiraantekeningen van de advocaat-generaal bij het hof bevindt.

26. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de advocaat-generaal aldaar het woord heeft gevoerd op basis van zijn overgelegde schriftelijke aantekeningen. Bij de aan de Hoge Raad ingezonden stukken bevinden zich schriftelijke aantekeningen met als aanhef “Zaak Turfboer”. Met de steller van het middel ga ik ervan uit dat de desbetreffende aantekeningen de schriftelijke aantekeningen ten behoeve van het requisitoir betreffen. Volgens de steller van het middel is het niet duidelijk of de gehele tekst van hetgeen betrekking heeft op “het derde verweer” is weergegeven. Hij wijst er daartoe op dat een “kop” ontbreekt en vermoedt dat een deel van de tekst is weggevallen onder een vouw.

27. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, voorts het volgende in:

(i) Overeenkomstig art. IV, derde lid, Procesreglement Strafkamer Hoge Raad 2013 (Stcrt. 2013, 36474) heeft de raadsman van de verdachte (mr. J.M. Lintz) bij faxbericht van 15 mei 2015 tijdig aan de rolraadsheer van de Hoge Raad verzocht hem alsnog een volledig afschrift toe te zenden van een in zijn ogen onvolledige pagina (pagina 2) van de schriftelijke aantekeningen van de advocaat-generaal.

(ii) Naar aanleiding van dit verzoek heeft een medewerker van de strafgriffie van de Hoge Raad bij e-mailbericht van 19 mei 2015 navraag gedaan bij de griffier van het hof en daartoe een afschrift van het exemplaar van de aantekeningen van de advocaat-generaal, dat zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt, aan haar toegezonden.

(iii) De griffier van het hof heeft bij e-mailbericht van 19 mei 2015 onder doorzending van voornoemd exemplaar van de aantekeningen aan de advocaat-generaal gevraagd of hij kan aangeven of dit exemplaar het requisitoir betreft zoals hij dat op de zitting heeft overgelegd dan wel dat er iets ontbreekt.

(iv) In reactie op dit verzoek van de griffier van het hof heeft de advocaat-generaal bij e-mailbericht van 19 mei 2015 bevestigd dat het toegezonden exemplaar van de aantekeningen een “OM-stuk is van het ressortsparket”, maar dat dit stuk geen officieel requisitoir van zijn hand betreft, doch een bij het requisitoir gebruikte notitie. Volgens de advocaat-generaal heeft hij, gelet op het ontbreken van een officieel exemplaar van een requisitoir in zijn computerbestanden, met name op basis van zijn eigen aantekeningen gerekwireerd en daarbij het toegezonden stuk gebruikt en/of geraadpleegd. Zonder twijfel heeft bij zijn requisitoir meer gezegd dan alleen de inhoud en de strekking van dit stuk, waarbij naast de vordering zelf met name te denken valt aan “opsomming bewijsmiddelen, slachtoffer/benadeelde partij en strafmaat”. Maar over die laatste onderdelen heeft hij geen aantekeningen meer, aldus de advocaat-generaal.

(v) De griffier van het hof heeft bij e-mailbericht van 19 mei 2015, gericht aan een medewerker van de strafgriffie van de Hoge Raad, onder toezending van de reactie van de advocaat-generaal medegedeeld dat zij reeds eerder heeft bericht dat zij de toegezonden aantekeningen meende te herkennen als het requisitoir dat destijds door de advocaat-generaal was overgelegd en dat hetgeen buiten dit schriftelijke stuk door de advocaat-generaal is besproken, staat vermeld in het proces-verbaal van de terechtzitting.

(vi) Een medewerker van de strafgriffie van de Hoge Raad heeft op 19 mei 2015 “een verklaring van de Advocaat-generaal betreffende de schriftelijke aantekeningen”, bestaande uit een afschrift van bovenstaande e-mailcorrespondentie, gestuurd naar mr. Lintz.

28. In cassatie moet er in beginsel van worden uitgegaan dat de schriftelijke aantekeningen van de advocaat-generaal, die zich bevinden bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding, zowel wat betreft hun inhoud als wat betreft hun omvang dezelfde zijn als de schriftelijke aantekeningen die de advocaat-generaal bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting in hoger beroep heeft overgelegd. Dat is slechts anders indien in cassatie op grond van bijzondere omstandigheden moet worden aangenomen dat het stuk niet of niet volledig overeenkomt met hetgeen door de advocaat-generaal is overgelegd.10

29. De in de toelichting op het middel aangevoerde omstandigheden dat in het exemplaar van de schriftelijke aantekeningen van de advocaat-generaal onder de aanhef “Tweede verweer” een streep dwars door een tekstregel loopt waardoor deze regel onleesbaar wordt, waarschijnlijk in ieder geval ook nog de kop “Derde verweer” is weggevallen en het niet duidelijk is of er nog meer tekst ontbreekt, brengen niet mee dat zich in het onderhavige geval een bijzondere omstandigheid zoals hiervoor bedoeld heeft voorgedaan. Gelet op de inhoud van de hiervoor weergegeven e-mailberichten van de advocaat-generaal en de griffier van het hof, is er geen grond om aan te nemen dat de voornoemde schriftelijke aantekeningen afwijken van de schriftelijke aantekeningen die door de advocaat-generaal op de terechtzitting in hoger beroep zijn overgelegd. Daarbij neem ik in aanmerking dat het proces-verbaal van deze terechtzitting slechts vermeldt dat de advocaat-generaal het woord heeft gevoerd op basis van zijn overgelegde schriftelijke aantekeningen en dat dit proces-verbaal daarnaast een weergave bevat van hetgeen de advocaat-generaal overigens heeft gerekwireerd, te weten een toelichting op een ander door hem overgelegd schriftelijk stuk en de inhoud van zijn vordering. Het voorgaande correspondeert met hetgeen de advocaat-generaal en de griffier van het hof in hun e-mailcorrespondentie hebben aangegeven. Anders dan de steller van het middel aanvoert, kan dus worden aangenomen dat zich bij de stukken van het geding een “juist exemplaar van de requisitoiraantekeningen van de advocaat-generaal” bevindt.

30. Daarbij komt het volgende. De schriftuur werpt geen licht op de vraag in welk belang de verdachte zou zijn getroffen door het gestelde wegvallen van een deel van de schriftelijke aantekeningen van de advocaat-generaal bij het hof. Niet valt in te zien in welk rechtens te respecteren belang de verdachte zou zijn geschaad door het in het middel gestelde verzuim. Ook om die reden is het middel tevergeefs voorgesteld.

31. Het middel faalt.

32. De middelen falen, terwijl het eerste en het derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

33. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In de bewezenverklaring staat “op omstreeks” vermeld. Ik neem aan dat het woord “omstreeks” als gevolg van een kennelijke vergissing niet is weggestreept.

2 Vgl. bijvoorbeeld HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9287.

3 Het hof is in aanvulling op de geciteerde overwegingen onder “strafbaarheid van de verdachte” ingegaan op het subsidiaire verweer van de raadsman, te weten dat de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

4 Vgl. HR 10 maart 1992, NJ 1992/571.

5 Daarnaast heeft de benadeelde partij een bedrag van € 231,28 gevorderd omdat zij door het voorval twee dagen niet heeft kunnen werken.

6 Proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 18 november 2013, p. 2.

7 Zie de pleitaantekeningen van de raadsman van de verdachte in hoger beroep.

8 Vgl. HR 31 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0180, NJ 2009/177, rov. 3.5, HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7762, NJ 2009/122, rov. 3.3 en HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3559, rov. 4.4.

9 Vgl. HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4607, NJ 2011/183, rov. 3.3, HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7762, NJ 2009/122, rov. 3.4, HR 17 november 1998, NJ 1999/151, rov. 6, HR 27 maart 1984, NJ 1984/551, rov. 4, HR 12 mei 1964, NJ 1965/74 m.nt. Pompe en Van Maurik in C.P.M. Cleiren, J.H. Crijns en M.J.M. Verpalen (red.), Tekst & Commentaar Strafvordering, Deventer: Kluwer 2015, aant. 4 bij art. 361 Sv.

10 Vgl. HR 23 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8167, rov. 2.5 en HR 9 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3288, rov. 3.3.