Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2395

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-10-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
15/00219
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3574, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om in het kader van de ontvankelijkheid van het h.b. de postbode die de mededeling uitspraak tevergeefs heeft aangeboden op een oud GBA-adres van verdachte als getuige te horen. Verdediging heeft in h.b. betwist dat verdachte degene was die volgens de akte van uitreiking de mededeling uitspraak heeft geweigerd in ontvangst te nemen en heeft in h.b. verzocht de postbode hieromtrent te horen. Het Hof heeft het verzoek afgewezen "mede gelet op het tijdsverloop" en op de grond dat verdachte "niet ter terechtzitting aanwezig is en zijn vader evenmin [en] nergens uit blijkt dat het niet verdachte was die de brief heeft geweigerd". Het verzoek is gedaan tegen de achtergrond van de ontvankelijkheid van verdachte in het h.b. Het Hof heeft verdachte, mede gelet op hetgeen de postbode heeft gerelateerd in de akte van uitreiking, n-o verklaard in het h.b. Gelet hierop en in het licht van hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd alsmede in aanmerking genomen dat verdachte t.t.v. de aanbieding in de GBA stond ingeschreven op een ander adres dan waar de mededeling is aangeboden, is de afwijzing van het verzoek niet zonder meer begrijpelijk.

CAG gaat in op de ontvankelijkheid van het h.b. en op de vraag of uit het feit dat verdachte heeft geweigerd de mededeling uitspraak in ontvangst te nemen kan worden afgeleid dat er sprake is van een “omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is” zoals bedoeld in art. 408.2 Sv. HR laat desbetreffende klacht buiten bespreking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/00219

Zitting: 27 oktober 2015

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De enkelvoudige kamer van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 14 januari 2015 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter in de Rechtbank te ‘s-Hertogenbosch van 12 november 2012, waarbij de verdachte wegens 1. “overtreding van het bepaalde in artikel 107 lid 1 Wegenverkeerswet 1994” bij verstek is veroordeeld tot hechtenis voor de duur van 4 weken en de verdachte voorts wegens 2. “overtreding van het bepaalde in artikel 30 lid 4 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen” is veroordeeld tot een geldboete van € 430,-, subsidiair 8 dagen hechtenis, met verbeurdverklaring van een in beslag genomen voorwerp, zoals in het vonnis omschreven.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J.S. Nan, advocaat te Dordrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep, althans op ontoereikende gronden het verzoek om “de desbetreffende postbode” als getuige te horen over de betekening van de mededeling uitspraak van de kantonrechter heeft afgewezen.

4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) De dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van de kantonrechter in de Rechtbank te ‘s-Hertogenbosch van 12 november 2012 is op 8 oktober 2012 uitgereikt aan een huisgenoot van de verdachte (“ [betrokkene] ”) op diens GBA-adres ( [a-straat 1] in [plaats A] ).

(ii) Op de terechtzitting in eerste aanleg van 12 november 2012 is noch de verdachte noch een gemachtigde raadsman verschenen. Vervolgens heeft de kantonrechter de verdachte bij vonnis van diezelfde datum bij verstek veroordeeld. Het vonnis vermeldt als adres van de verdachte het GBA-adres in [plaats A] .

(iii) De mededeling uitspraak betreffende het vonnis van de kantonrechter is op 21 januari 2013 tevergeefs aangeboden op het adres in [plaats A] , dat op dat moment niet langer het GBA-adres van de verdachte was.1 De bijbehorende akte van uitreiking houdt in dat de verdachte heeft geweigerd de mededeling uitspraak in ontvangst te nemen en dat de medewerker van PostNL (“koerier Den Bosch”) de mededeling uitspraak niet heeft uitgereikt.

(iv) Namens de verdachte heeft mr. B.P.J.H. van de Luijtgaarden, advocaat te Breda, op 19 september 2014 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter.

(v) Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 januari 2015 blijkt dat de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen. Als raadsman van de verdachte is mr. Van de Luijtgaarden aanwezig, die heeft verklaard uitdrukkelijk door de verdachte te zijn gemachtigd om de verdediging te voeren. De raadsman heeft medegedeeld dat de verdachte niet aanwezig is, omdat hij drie dagen per week de zorg voor zijn kind heeft.

(vi) De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van de ontvankelijkheid van het hoger beroep het volgende aangevoerd. De verdediging betwist dat de verdachte de uitreiking van de gerechtelijke brief heeft geweigerd, aangezien de verdachte destijds niet woonachtig was op de [a-straat 1] in [plaats A] . Wellicht heeft de postbode, die de brief wilde uitreiken, de vader van de verdachte gesproken. In het verlengde daarvan heeft de raadsman verzocht de desbetreffende postbode als getuige te horen.

(vii) Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, heeft de voorzitter van het hof in reactie hierop het volgende medegedeeld:

“Vaststaat dat de postbode op de uitreikingsakte heeft aangetekend dat de geadresseerde, zijnde verdachte, geweigerd heeft de gerechtelijke brief in ontvangst te nemen. De enkele mededeling dat het niet verdachte was die de brief heeft geweigerd is voor mij onvoldoende, nu verdachte hier niet ter terechtzitting aanwezig is en zijn vader evenmin. Nergens blijkt uit dat het niet verdachte was die de brief heeft geweigerd. Dat verdachte de inhoud van de brief niet heeft bekeken doet er niet aan af dat hij kennis had kunnen nemen van de inhoud.

Gelet op het voorgaande wijs ik het verzoek van de raadsman tot het horen van de postbode, mede gelet op het tijdsverloop, af.”

(viii) Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep en daartoe in het bestreden arrest het volgende overwogen:

“Ingevolge artikel 408, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient indien het eerste lid van voornoemd wetsartikel niet van toepassing is, het hoger beroep te worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.

De kantonrechter heeft op 12 november 2012 bij verstek vonnis gewezen.

In het dossier bevindt zich een akte van uitreiking mededeling uitspraak 12 november 2012, waaruit blijkt dat de verdachte op 21 januari 2013 geweigerd heeft deze akte in ontvangst te nemen. Hieruit leidt het hof af dat verdachte op 21 januari 2013 bekend is geworden met het feit dat de kantonrechter op 12 november 2012 uitspraak in zijn zaak heeft gedaan. Dat verdachte geen kennis heeft genomen van de inhoud van het vonnis doet daar niet aan af, nu verdachte daarvan wel kennis had kunnen nemen indien hij de akte aangenomen had. Verdachte had gelet op het voorgaande binnen een termijn van veertien dagen na 21 januari 2013 hoger beroep dienen in te stellen.

De verdachte heeft echter eerst op 19 september 2014 tegen voornoemd vonnis hoger beroep ingesteld.

Nu het hoger beroep blijkens het vorenstaande, niet tijdig is ingesteld en niet is gebleken van omstandigheden die deze termijnoverschrijding verontschuldigbaar doen zijn, dient de verdachte niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn hoger beroep.

Het hof wijst het verzoek van de raadsman tot het horen van de postbode die de mededeling uitspraak aan verdachte heeft trachten uit te reiken gelet op het tijdsverloop af.”

5. Zoals blijkt uit de toelichting, bevat het middel in de eerste plaats de klacht dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep, aangezien de enkele omstandigheid dat de verdachte de mededeling uitspraak zou hebben geweigerd niet zonder meer meebrengt dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak van de kantonrechter de verdachte bekend was.

6. De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden. Deze termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte betekent in de regel dat hij niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden indien er sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden, die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.2

7. In de onderhavige zaak is art. 408, tweede lid, Sv van toepassing. Ingevolge die bepaling moet de verdachte binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is hoger beroep instellen tegen het vonnis van de rechtbank. Van een “omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is” is sprake als de verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep.3 In een geval als het onderhavige, waarin de kantonrechter een straf heeft uitgesproken, zal in elk geval de opgelegde straf voor de verdachte een gegeven zijn dat van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep. Als een verdachte op de hoogte is van het feit dat de rechter in eerste aanleg in het nadeel van de verdachte vonnis heeft gewezen, is dat nog niet voldoende om uit te gaan van bekendheid met de einduitspraak in de hier bedoelde zin. Daaruit volgt immers niet dat de opgelegde straf aan de verdachte bekend is.4 Ook als de opgelegde straf wel aan de verdachte bekend is geworden, maar niet de last tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, is geen sprake van bekendheid met de einduitspraak in de hier bedoelde zin.5

8. Indien de mededeling uitspraak wel in persoon is uitgereikt aan de verdachte maar de verdachte heeft geweigerd voor ontvangst te tekenen, kan zonder meer worden aangenomen dat de betekening in persoon is geschied.6 Wanneer de verdachte niet alleen heeft geweigerd te tekenen maar ook heeft geweigerd de mededeling uitspraak in ontvangst te nemen, ligt dat anders. In dat geval is de inhoud van de uitspraak immers niet ter kennis van de verdachte gebracht. In art. 588 Sv is bovendien niet voorzien in een bepaling die de weigering van de verdachte om de mededeling uitspraak in ontvangst te nemen op één lijn stelt met de uitreiking van die mededeling aan de verdachte in persoon. In art. 588, derde lid, onder b, Sv wordt slechts de uitreiking van een gerechtelijk stuk (op het postkantoor) aan een door de verdachte schriftelijk gemachtigde aangemerkt als betekening in persoon. Elders in het Wetboek van Strafvordering wordt de weigering een stuk in ontvangst te nemen wel op één lijn gesteld met de uitreiking daarvan, zoals in de artikelen 385, derde lid, Sv (oproeping zitting kantonrechter) en 450, vijfde lid, Sv (oproeping aan gemachtigde in het kader van het aanwenden van rechtsmiddelen).7 Het ontbreken van een dergelijke voorziening in art. 588 Sv heeft voor gevallen als het onderhavige als onbevredigende consequentie dat de verdachte de uitreiking van de mededeling uitspraak kan frustreren en daarmee kan verhinderen dat hij bekend wordt met de inhoud van de uitspraak, waardoor de termijn voor het instellen van hoger beroep geen aanvang neemt.8 Het is aan de wetgever om te besluiten of hiervoor een voorziening moet worden getroffen. In het momenteel aanhangige wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met een herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen) is daarin nog niet voorzien.9 Naar de huidige stand van het recht geldt het volgende.

9. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte op het moment dat hij op 21 januari 2013 weigerde de mededeling uitspraak van de kantonrechter in ontvangst te nemen, bekend is geworden met het feit dat de kantonrechter op 12 november 2012 uitspraak heeft gedaan en dat de verdachte derhalve op grond van art. 408, tweede lid, Sv in zijn eerst op 19 september 2014 ingestelde hoger beroep niet kan worden ontvangen. Het hof heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat de verdachte geen kennis heeft genomen van de inhoud van het vonnis aan zijn oordeel niet afdoet, omdat de verdachte daarvan wel kennis had kunnen nemen indien hij de mededeling uitspraak in ontvangst had genomen.

10. Door aldus te overwegen heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Niet bepalend is of de verdachte kennis had kunnen nemen van de inhoud van het vonnis, maar of hij daadwerkelijk kennis heeft genomen van de inhoud daarvan.10 Het hof is ervan uitgegaan dat de verdachte op 21 januari 2013 geen kennis heeft genomen van de inhoud van de uitspraak. De enkele omstandigheid dat de verdachte bekend is geworden met het feit dat de kantonrechter op 12 november 2012 vonnis heeft gewezen, brengt niet mee dat hij daarmee bekend is geworden met hetgeen voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep. Het hof heeft dan ook op onjuiste gronden geoordeeld dat de termijn voor het instellen van hoger beroep een aanvang nam op de genoemde datum. Gelet op het voorgaande, heeft het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.11

11. Voor zover het middel klaagt over de ontvankelijkheid van het hoger beroep, is het terecht voorgesteld.

12. Zoals blijkt uit de toelichting, behelst het middel voorts de klacht dat het hof het verzoek om “de desbetreffende postbode” als getuige te horen aangaande de betekening van de mededeling uitspraak op ontoereikende gronden heeft afgewezen. Nu het hof ten aanzien van de ontvankelijkheid van de verdachte in zijn hoger beroep is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, kan deze klacht buiten bespreking blijven. Slechts voor het geval de Hoge Raad daarover anders mocht oordelen, merk ik het volgende op.

13. Het op de terechtzitting in hoger beroep van 14 januari 2015 gedane verzoek van de raadsman van de verdachte om de medewerker van PostNL die op 21 januari 2013 de mededeling uitspraak aan de verdachte heeft getracht uit te reiken, als getuige te horen, is een verzoek zoals bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv. In aanmerking genomen dat namens de verdachte hoger beroep is ingesteld en de desbetreffende getuige niet bij appelschriftuur is opgegeven, is de maatstaf voor de beoordeling van het verzoek ingevolge art. 418, derde lid, Sv of de noodzaak van het verzochte is gebleken.12

14. In de hiervoor onder 4 sub vii en viii weergegeven overwegingen heeft het hof geoordeeld dat het verzoek tot het horen van de postbode als getuige gelet op het tijdsverloop wordt afgewezen. Daarbij heeft het hof niet de juiste maatstaf genoemd. In het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen, acht ik het oordeel van het hof dat het verzoek tot het horen van de postbode als getuige gelet op het tijdsverloop wordt afgewezen, bovendien niet begrijpelijk.13 Daartoe wijs ik op het volgende.

15. Het hof heeft door het verzoek op voornoemde grond af te wijzen onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Voor het geval het hof met “het tijdsverloop” doelt op het belang van een voortvarende afdoening van de strafzaak, acht ik zijn oordeel in het licht van het belang van de beoordeling of de verdachte tijdig hoger beroep heeft ingesteld niet begrijpelijk. Indien het oordeel van het hof aldus moet worden begrepen, dat het hof gelet op het tijdsverloop niet verwacht dat de postbode vragen zal kunnen beantwoorden over de gang van zaken tijdens de poging tot uitreiking van de mededeling uitspraak op 21 januari 2013, geldt het volgende. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn verzoek aangevoerd dat de verdediging betwist dat de verdachte de mededeling uitspraak heeft geweigerd, dat de verdachte destijds niet op het desbetreffende adres woonachtig was en dat de postbode wellicht met de vader van de verdachte heeft gesproken. Dit verzoek is gedaan in het kader van hetgeen de raadsman heeft aangevoerd over de ontvankelijkheid van het hoger beroep. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet op 21 januari 2013 bekend is geraakt met de uitspraak van de kantonrechter en dat de postbode op die datum geen mededeling uitspraak aan de verdachte heeft aangeboden, zodat de verdachte ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Dit standpunt wenste de raadsman te onderbouwen door het horen van de desbetreffende postbode. Juist als - anders dan ik bij de bespreking van de eerste klacht van het middel heb betoogd - met het hof zou worden aangenomen dat de weigering tot het in ontvangst nemen van de mededeling uitspraak voor het doen aanvangen van de appeltermijn moet worden gelijk geschakeld met het in ontvangst nemen daarvan, is het van belang vast te stellen of de weigering door de verdachte of door een ander heeft plaatsgevonden. Daarbij verdient vermelding dat de poging tot uitreiking heeft plaatsgevonden op een ander adres dan het GBA-adres van de verdachte. Daar komt bij dat het hof in deze lezing ten onrechte vooruit is gelopen op de inhoud van de verklaring van de getuige.14

16. Voor zover het middel klaagt over de afwijzing van het getuigenverzoek, is het eveneens terecht voorgesteld.

17. Het middel slaagt. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De aan de appeldagvaarding gehechte ID-staten SKDB betreffende de verdachte van 31 december 2014 en 9 december 2014 houden onder meer in dat de verdachte vanaf 8 juli 2010 tot 16 januari 2013 in de GBA stond ingeschreven op het adres [a-straat 1] in [plaats A] en dat de verdachte vanaf 16 januari 2013 tot 5 september 2014 in de GBA stond ingeschreven op het adres [b-straat 1] in [plaats B] .

2 Vgl. HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1557, NJ 2014/179, rov. 3.4, HR 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6059, rov. 2.4 en HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5706, NJ 2004/462, rov. 3.3.

3 Vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940, NJ 2013/131, rov. 2.3, HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7028, NJ 2009/429, rov. 2.3, HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3055, NJ 2008/22, rov. 3.4 en HR 3 mei 1994, NJ 1994/578 m.nt. Van Veen, rov. 4.6.

4 Vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940, NJ 2013/131 en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Knigge (ECLI:NL:PHR:2013:BZ1940).

5 Vgl. HR 3 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9722, NJ 1994/578.

6 Vgl. HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5251.

7 Vgl. HR 4 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7912, NJ 2008/18, rov. 3.4.

8 Vgl. ook de conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga (ECLI:NL:PHR:2007:BA7912) voorafgaand aan HR 4 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7912, NJ 2008/18.

9 Kamerstuknummer 34 086. In dit wetsvoorstel wordt onder meer voorgesteld dat bij de betekening van een gerechtelijke mededeling de uitreiking ook elektronisch kan geschieden en dat elektronische betekening geldt als betekening in persoon.

10 Vgl. HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2780 en HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7689, NJ 2010/247.

11 Zie HR 4 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7912, NJ 2008/18, rov. 3. Vgl. voor een onbegrijpelijke, respectievelijk onjuiste toepassing van art. 408, tweede lid, Sv: HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940, NJ 2013/131, rov. 2 en HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011: BQ6010, NJ 2011/326, rov. 2.

12 Vgl. HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702, NJ 2007/626 m.nt. Mevis, rov. 3.2.5 en 3.3.

13 Vgl. HR 4 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7912, NJ 2008/18, rov. 3.

14 Vgl. HR 1 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8640, rov. 2, HR 18 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3297, rov. 2, HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5966, NJ 2008/985, rov. 3, HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7058, rov. 3 en HR 20 september 2005, NS 2005/356, rov. 3.