Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2391

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-10-2015
Datum publicatie
15-12-2015
Zaaknummer
15/01834
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3571, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht medeplegen. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:3474. Het Hof heeft voor zijn oordeel dat sprake is van het medeplegen van brandstichten i.h.b. in aanmerking genomen dat verdachte bij "de groep" is gebleven toen o.m. flessen met wasbenzine werden aangereikt aan mensen op het dak van het pand waar brand is gesticht, dat hij is blijven kijken naar hetgeen gebeurde, dat hij naar het dak heeft gewezen en dat hij op twee momenten hulp heeft verleend aan personen die van het dak afklommen en daar kennelijk brand hadden gesticht. Deze omstandigheden zijn niet z.m. voldoende om te kunnen aannemen dat verdachte het stichten van de brand heeft medegepleegd. De bewezenverklaring is in zoverre ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 15/01834

Zitting: 13 oktober 2015 (bij vervroeging)

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 12 maart 2015, met aanvulling van gronden, beslist tot bevestiging van het vonnis van de Rechtbank Noord-Holland van 11 september 2014, waarbij verdachte wegens “het medeplegen van opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is” is veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van vijf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en tot een werkstraf van honderdtachtig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door negentig dagen hechtenis. In het bevestigde vonnis is tevens de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde werkstraf van veertig uren.

  2. Mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. In deze zaak speelt het volgende. Op oudejaarsavond 31 december 2013 is op het dak van jongerencentrum ‘ [A] ’ te Haarlem door een aantal jongeren brand gesticht. Het belangrijkste bewijsmiddel jegens verdachte zijn camerabeelden van de beveiligingscamera’s van het jongerencentrum van deze brandstichting, waarop verbalisanten verdachte hebben herkend als degene die op deze camerabeelden als NNman4 is aangeduid. Verdachte stelt niet bij de brandstichting aanwezig te zijn geweest en betwist de herkenning. De processen-verbaal van de herkenningen zijn door de rechtbank voor het bewijs gebruikt. In hoger beroep heeft de verdediging primair bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat de herkenningen op de camerabeelden onbetrouwbaar zijn. De raadsman van verdachte heeft het hof voorwaardelijk verzocht een deskundigenonderzoek door het NFI te gelasten naar de camerabeelden, indien het hof het verweer tot vrijspraak niet zou honoreren.

  4. In het eerste middel wordt geklaagd dat het hof heeft nagelaten te beslissen op een verzoek tot het laten verrichten van onderzoek door het NFI.

  5. Ter terechtzitting in hoger beroep van 16 december 2014 heeft de raadsman van de verdachte een bij appelschriftuur gedaan verzoek herhaald tot het laten verrichten van biometrisch onderzoek naar camerabeelden van de tenlastegelegde brandstichting door (een deskundige van) het NFI. Het proces-verbaal van deze zitting bevat daaromtrent het volgende:

“[…] Daarnaast heb ik verzocht de heer Hogeboom, onderzoeker bij het NFI, te laten rapporteren. De verdachte heeft verklaard dat hij niet de nn-man4 is die te zien is op de camerabeelden. In het dossier zitten verklaringen van wijkagenten die de verdachte op de camerabeelden menen te herkennen. Ik vind de camerabeelden dermate onduidelijk dat deze weinig bewijswaarde hebben. Om die reden heb ik contact opgenomen met het NFI. De deskundige kan kijken naar de afschriften van de beelden en de foto’s en een biometrisch onderzoek verrichten. Ik ben van mening dat dit van belang is voor enige rechtens te nemen beslissing. De rechercheurs die de verdachte hebben verhoord durven de verdachte niet te herkennen op basis van de camerabeelden. Het enige wat zich in het dossier bevindt zijn de verklaringen van de wijkagenten. Het is in het belang van de verdediging die verklaringen te kunnen weerleggen.”

6. Het hof heeft dit verzoek op de zitting van 16 december 2014 afgewezen en daartoe overwogen:

“dat het verzoek tot het verrichten van nader onderzoek door het NFI wordt afgewezen, omdat daar naar het oordeel van het hof geen noodzaak toe bestaat. De verdediging betwist de betrouwbaarheid van de herkenning door de drie verbalisanten en het verzochte NFI onderzoek zal daar naar het oordeel van het hof geen bijdrage aan leveren.”

7. Ter terechtzitting van 26 februari 2015 heeft de raadsman het verzoek tot het laten verrichten van biometrisch onderzoek, zoals blijkt uit de op die zitting overgelegde pleitnota, (in voorwaardelijke vorm) nogmaals gedaan. In dat verband is het volgende aangevoerd (voetnoten zijn hierbij weggelaten):

“Daderschap

2. De rechtbank heeft op basis van een aantal herkenningen die zich in het dossier bevinden geconcludeerd dat nnman4 [verdachte] is. Naast deze beelden en herkenningen bevat het dossier geen enkele aanwijzing voor aanwezigheid van cliënt.

3. De beelden zijn onduidelijk en donker. Op de beelden zijn alleen contouren vast te stellen. Ogen, mond, littekens of andere onderscheidende/kenmerkende facetten van het gezicht zijn niet waar te nemen. Daarnaast is nnman4 erg kort in beeld. Desalniettemin zijn er welgeteld vier verbalisanten die cliënt op basis van deze beelden menen te herkennen. Ik zal deze herkenningen kort bespreken. De rechtbank heeft deze herkenningen gebruikt voor het bewijs.

4. Verbalisant [verbalisant 2] relateert het volgende:

"Na het beeldmateriaal bekeken te hebben vermoedde ik dat nnman4 [verdachte] betrof."

En verder:

"Ik zag dat het signalement van [verdachte] overeenkwam met die van nnman4. [verdachte] herkende ik aan zijn gelaat, klein postuur en houding."

Het gelaat is op de beelden (AA: ik heb ook de bewegende beelden bekeken) niet te zien. Op basis hiervan is een herkenning dan ook niet mogelijk. De verbalisant noemt verder postuur en houding maar noemt hierbij niet onderscheidende kenmerken van Redwans houding en postuur waarop hij de herkenning baseert.

5. Verbalisant [verbalisant 5] relateert dat hij [verdachte] duidelijk herkent aan zijn gezicht op de beelden. Hij noemt geen enkel kenmerk op basis waarvan hij tot deze conclusie komt. Hetzelfde geldt voor verbalisant [verbalisant 3] . Verbalisant [verbalisant 1] is voorzichtiger met zijn conclusie, hij ziet een sterke gelijkenis tussen de beelden en de foto’s van [verdachte] . Tot een volwaardige herkenning komt hij dan ook niet.

6. Tevens zijn de beelden aan de vader van [verdachte] getoond. Hij zou tegen de verbalisant gezegd hebben dat de persoon op de beelden volgens hem zijn zoon was. Navraag bij vader leerde mij dat hij dit niet zo gezegd zou hebben. Wat daar ook van zij, op basis van deze beelden kan naar mening van de verdediging hooguit de voorzichtige conclusie worden getrokken dat er enige gelijkenis is, van een 100% herkenning kan absoluut geen sprake zijn.

7. De verdediging wordt gesterkt in deze gedachte door het bijzondere proces-verbaal dat terug te vinden is op pagina 594 van het dossier. De betreffende verbalisant, [verbalisant 4] , heb ik inderdaad gevraagd of hij cliënt op basis van de beelden herkent. Ik weet ambtshalve dat deze rechercheur gespecialiseerd is in het bekijken van camerabeelden en daarop volgend het al dan niet herkennen van personen. [verbalisant 4] relateert:

"Als ik de verdachte ook herkend had, dan zou daar een proces-verbaal van in het dossier zitten."

Welnu, leden van het Hof, ik constateer dat er geen proces-verbaal van de hand van [verbalisant 4] met betrekking tot een herkenning in dit dossier zit. Mijn conclusie is dan ook dat [verbalisant 4] - die deze beelden meerdere keren bekeken heeft en cliënt ook in levende lijve heeft gezien (namelijk tijdens de verhoren) - cliënt niet herkent op basis van de beelden. Dat zegt nog meer over de herkenning door de zojuist genoemde wijkagenten. Want zelfs een expert herkent cliënt niet.

8. Het is inmiddels vaste jurisprudentie dat voor betrouwbare herkenningen onderscheidende aspecten moeten worden genoemd op basis waarvan die herkenning geschiedt. Daarnaast is voor de (bewijs)waarde van camerabeelden en herkenning van groot belang of er in andere bewijsmiddelen ondersteuning gevonden kan worden voor het tenlastegelegde feit, en precies die ondersteuning is in z’n geheel niet aanwezig in deze zaak.

9. De Rechtbank Limburg overwoog recent nog als volgt:

“De enkele ambtsedige verklaring van een verbalisant dat verdachte op de camerabeelden is te herkennen, vormt weliswaar voldoende wettig bewijs voor betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde, maar de rechtbank acht dat in het licht van het onderhavig dossier onvoldoende overtuigend. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de herkenning door de verbalisant, bij gebreke van enige informatie op basis waarvan de verbalisant tot die herkenning is gekomen, niet te toetsen valt, terwijl de rechtbank dat gelet op de onduidelijke aard van de camerabeelden in deze zaak in het bijzonder noodzakelijk acht om een uitspraak te kunnen doen over de mate waarin het aanwezige bewijs overtuigend kan worden geacht.”

Ook in deze zaak zijn naar mening van de verdediging de herkenningen niet te toetsen, is er zoals gezegd geen enkel ander bewijsmiddel, en past de omschrijving 'de onduidelijke aard van de camerabeelden' ook naadloos op deze zaak.

10. Het verzoek is om cliënt vrij te spreken van het tenlastegelegde vanwege - kort gezegd - het ontbreken van daderschap. Op basis van het dossier kan niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat [verdachte] nnman4 is en derhalve aanwezig is geweest ten tijde van het delict. Het is zeer wel mogelijk dat nnman4 een andere persoon betreft. Dit leidt tot de conclusie dat er onvoldoende wettig en met name overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen en het verzoek is derhalve [verdachte] vrij te spreken.

11. Mocht uw hof van mening zijn dat de herkenningen wel bruikbaar zijn voor het bewijs dan is het naar mening van de verdediging noodzakelijk dat alsnog het bij appelschriftuur verzochte biometrisch onderzoek plaats zal vinden. De verdediging handhaaft (in voorwaardelijke zin) deze onderzoekswens.

8. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank, waarin de betwiste herkenningen betrouwbaar zijn geacht en voor het bewijs zijn gebruikt en de veroordeling van verdachte op grond daarvan, bevestigd. Daardoor is de voorwaarde van het op de zitting van 26 februari 2015 gedane verzoek tot biometrisch onderzoek vervuld. Gelet op de onderbouwing van het verzoek kan niet gezegd worden dat een biometrisch onderzoek door een deskundige irrelevant is voor de vaststelling van de schuld van verdachte, die heeft ontkend bij de brandstichting aanwezig te zijn geweest. Het hof was daarom hoe dan ook ingevolge art. 328 jo. art. 331 en art. 415 Sv gehouden op het door de verdediging gedane voorwaardelijke verzoek bepaaldelijk te beslissen. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, noch het bestreden arrest houdt een beslissing van het hof in op het door de raadsman gedane verzoek. Dit verzuim heeft ingevolge art. 330 Sv nietigheid tot gevolg.1

9. Het middel slaagt.

10. In het tweede middel wordt geklaagd dat de door het hof overgenomen bewezenverklaring van de rechtbank getuigt van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het medeplegen, althans dat deze bewezenverklaring ten aanzien van het medeplegen ontoereikend is gemotiveerd.

11. Aan de verdachte is primair medeplegen van het in art. 157, aanhef en onder 1 en 2, Sr omschreven strafbare feit tenlastegelegd en subsidiair medeplichtigheid bij datzelfde feit. Ten laste van hem is bewezenverklaard dat:

“hij op 31 december 2013 te Haarlem tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk brand heeft gesticht op het dak en in de afvoerpijp en/of in de afzuiginstallatie van jongerencentrum ‘ [A] ’, gevestigd aan de [a-straat 1] , immers hebben verdachte en zijn mededaders (op het dak van ‘ [A] ’) toen aldaar opzettelijk een of meer vuurpijlen en een lap textiel en andere brandbare stoffen aangestoken, en vervolgens die vuurpijlen en/of lap textiel en/of die andere brandende stoffen door een of meer gaten in het dak en/of in een of meerdere afvoerbuizen naar beneden gegooid, terwijl zij daarbij een brandversnellend middel hebben gebruikt, ten gevolge waarvan een groot deel van dat pand en de in dat pand aanwezige inventaris waaronder onder meer keukenapparatuur en computers en een muziekinstallatie en meubels geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de genoemde en andere in dat pand aanwezige goederen en andere delen van het pand te duchten was.”

12. Het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang en met weglating van voetnoten, het volgende in:

“3.2. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 31 december 2013 heeft omstreeks 20.05 uur brand gewoed in het jongerencentrum ‘ [A] ’ aan de [a-straat 1] te Haarlem. Door het vuur en de hitteoverdracht zijn delen van het pand verwoest. Andere delen van het pand zijn door de rook en roetontwikkeling extreem vervuild; zelfs in de plafonds en de spouwmuren is roet doorgedrongen. De schade aan het pand werd door deskundigen voorlopig geschat op ongeveer € 300.000,- en is zodanig dat het pand tot aan het casco zal moeten worden gestript. Ook is er naar schatting schade van € 80.000,- toegebracht aan de inboedel, bestaande uit onder andere computers, kantoormeubilair, keukenapparatuur en muziekapparatuur.

Uit onderzoek is gebleken dat de brand is aangestoken. Op het dak van de keuken zijn bij de schoorsteen drie lege flessen wasbenzine, vuurwerk van het type Romeinse kaars en Kobra 6 en een kleine gasbrander aangetroffen. Tevens is een lang stuk textiel op het dak gevonden. Uit één van de beluchtingspijpen op het dak is een flexibel stuk aluminium pijp getrokken. De kappen van de twee beluchtingspijpjes op het dak zijn verwijderd of afgebroken. Op het dak zijn sporen aangetroffen van een ontbrandbare stof, namelijk van een aardoliedestillaat van de subklasse kookpuntbenzine, waaronder onder andere wasbenzine valt.

Op de beelden van de beveiligingscamera’s van [A] is te zien dat er circa 15 personen in de buurt van het pand heen en weer rennen en vuurwerk afsteken, waarvan ongeveer zes personen actief zijn bij de brandstichting. Te zien is dat een persoon, NNman 3, op het dak van het pand klimt en drie voorwerpen krijgt toegeworpen welke een sterke gelijkenis vertonen met plastic flessen. NNman 1 gooit twee op flessen gelijkende voorwerpen en een staafvormig voorwerp op het dak ter hoogte van de keuken, welke qua vorm en omgang overeen komt met de later aangetroffen Romeinse kaars. Als NNman 3 van het dak springt, wordt hij geholpen door NN 1 en NNman 4. Ter hoogte van de keuken gooien de NN-mannen vuurwerk op het dak, waarna op de beelden flitsen vanuit de richting van het dak van de keuken zichtbaar zijn. NNman 5 klimt vervolgens omhoog, vermoedelijk via de regenpijp. Er zijn twee handen in beeld, de ene heeft iets met een lont vast en de andere hand steekt de lont aan. NNman 2 rolt een lang stuk textiel op en overhandigt iets brandends aan iemand, vermoedelijk degene die in de regenpijp was geklommen. NNman 1, 2 en NNman 4 staan toe te kijken en NNman 2 en 4 wijzen in de richting van het keukendak. Nadat NNman 5 naar beneden is geklommen, klimt NNman 1 via de regenpijp naar het dak. Kort daarna pleegt hij handelingen ter hoogte van één van de ontluchtingspijpen van de keuken; zijn bovenlichaam is buiten het bereik van de camera. Wel zijn ter hoogte van de plek lichtflitsen zichtbaar. Nadat NNman 1 van het dak springt, waarbij hij wordt opgevangen door NNman 4, rennen NNmannen 1 tot en met 4 weg. Drie seconden later is op het keukendak een beeldvullende flits zichtbaar.

De beveiligingsbeelden zijn uitgekeken door diverse verbalisanten. Drie verbalisanten hebben, ieder voor zich en op verschillende tijdstippen, NNman 1 hierbij herkend als [betrokkene 2] en NNman 4 als [verdachte] . Verbalisant [verbalisant 1] herkent naar aanleiding van de analyse van het beeldmateriaal direct dat de HKS foto van [verdachte] een zeer sterke gelijkenis vertoonde met NNman 4. Voorts herkent een niet nader genoemde medewerker van Stichting [B] , de organisatie die het jongerencentrum in beheer heeft, NNman 4 als [verdachte] . Daarbij geeft hij aan dat hij [verdachte] herkent omdat deze voorheen wel in [A] kwam, maar daar al een tijd niet meer is geweest. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij vroeger wel in [A] kwam maar recent niet meer. Uit de gegevens uit het politiesysteem HKS blijken verdachte en voornoemde [betrokkene 2] als relaties van elkaar te zijn geregistreerd in negen meldingen en de gebiedsagenten geven aan dat deze verdachten nagenoeg altijd samen zijn en samen met ene Hamza de vaste kern van de groep jongeren zijn. Voorts zagen de gebiedsagenten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] [verdachte] samen met [betrokkene 2] lopen op 11 januari 2014.

(…)

Subsidiair heeft de verdediging, voor het geval de rechtbank wel bewezen acht dat verdachte de NNman 4 op de camerabeelden is, aangevoerd dat de rol van NNman 4 niet is aan te merken als medeplegen, nu hij slechts iemand na de brandstichting van het dak afhelpt en zijn bijdrage in die zin onvoldoende significant is om van medeplegen dan wel zelfs medeplichtigheid te kunnen spreken.

De rechtbank overweegt dat uit (de beschrijving van) de camerabeelden blijkt dat verdachte gedurende langere tijd bij de andere leden van de groep heeft gestaan en wel vanaf het begin van het verrichten van handelingen die tot de brand hebben geleid tot aan het eind, namelijk het moment dat de brand daadwerkelijk uitbreekt. Hij heeft op diverse momenten handelingen verricht: hij heeft op twee momenten hulp verleend aan anderen die van het dak afklimmen en daar kennelijk brand hadden gesticht, te weten aan NNman 3 en NN man 1.

De rechtbank stelt allereerst vast dat hij bij de groep is gebleven toen er door NNman 1 - naar uit het aantreffen van de flessen wasbenzine op het dak en de Romeinse kaars in combinatie met de camerabeelden kan worden afgeleid - deze spullen op het dak werden gegooid. Hij helpt vervolgens samen met NNman 1, deze NNman 3 van het dak. Er zijn lichtflitsen zichtbaar afkomstig van het dak. Hij is, terwijl door NNman 2 iets brandends aan vermoedelijk NNman 5 - degene die in de regenpijp is geklommen - wordt overhandigd, samen met NNman 1 blijven toekijken en heeft samen met NNman 2 naar het dak gewezen. Vervolgens heeft hij, nadat NNman 1 via de regenpijp op het dak is geklommen en kort daarna handelingen ter hoogte van één van de ontluchtingspijpen van de keuken heeft gepleegd, ter welke hoogte lichtflitsen zichtbaar zijn, NNman 1 geholpen van het dak. Hij rent samen met NNman 1 en de anderen weg. Drie seconden later is op het keukendak een beeldvullende flits zichtbaar.

Uit het geheel van deze aaneengeschakelde handelingen blijkt, naar het oordeel van de rechtbank, dat verdachte als actief deelnemer van de groep jongeren betrokken is geweest bij het hele proces van de brandstichting, en niet dat hij slechts passief aanwezig is geweest zonder zich te distantiëren, zoals de raadsman stelt.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte met zijn handelen een zodanig significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de brandstichting dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, in die zin dat gesproken kan worden van medeplegen.”

13. Volgens de pleitnotities die zijn gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 februari 2015 heeft de raadsman van de verdachte bij die gelegenheid onder meer het volgende aangevoerd (de voetnoten zijn in de citaten opgenomen):

“Medeplegen

12. Primair wordt cliënt medeplegen van brandstichting verweten. Mocht u ervan uitgaan dat nnman4 cliënt is, dan is de verdediging van mening dat er onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring van medeplegen brandstichting te komen. Ik zal eerst kort samenvatten wat er met betrekking tot nnman4 op de beelden te zien is:

1) De brand is op het dak van het buurthuis gesticht.

2) Nnman4 is - dat kan op basis van de beelden worden vastgesteld - niet op het dak geweest.

3) Nnman4 heeft de brand niet aangestoken.

4) Niet is te zien dat nnman4 vuurwerk, benzine of andere hulpmiddelen vastheeft, doorgeeft etc.

5) Nnman4 helpt slechts iemand van het dak af (p. 138-140)

13. De vraag die nu voorligt is of op basis van deze feiten gesproken kan worden van medeplegen. De jurisprudentie is op dit punt duidelijk en streng.

14. De rechtbank Oost-Brabant sprak op 28 augustus 2013 [noot 6 ECLI:NL:RBOBR:2013:4794] één van de verdachte ‘Eindhovense kopschoppers’ vrij omdat de verdachte er weliswaar bij was toen slachtoffer door zijn vrienden zwaar mishandeld werd, maar zelf geen enkele geweldshandeling had gepleegd en dat daartoe ook geen gezamenlijk plan of voornemen bestond. Voorts was de bijdrage aan het openlijk geweld onvoldoende significant. Het enkel zich dichtbij de groep ophouden is onvoldoende om tot een dergelijke bijdrage te kunnen concluderen.

15. De HR hield op 18 maart 2008 [noot 7 HR 18 maart 2008, NJ2008, 209] de vrijspraak voor medeplegen moord in de Rijswijkse stoeptegelmoordzaak in stand. Het hof heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat de verdachte - ondanks de bij hem aanwezige wetenschap over hetgeen stond te gebeuren - zich niet heeft gedistantieerd van het gooien van een stoeptegel naar een op de snelweg rijdende auto (met dodelijke afloop) in casu onvoldoende is om de vereiste bewuste en nauwe samenwerking op het medeplegen van moord te kunnen opleveren.

16. Tot slot een vergelijkbare casus met onderhavige. De verdachte hield zich op met een groepje jongeren in Akkrum. Vervolgens is door één van deze jongeren een vlinderbom in een dakgoot tot ontploffing gebracht. Deze ontploffing gaf verdachte een kick. Wanneer de groep vervolgens naar het treinstation gaat - terwijl de verdachte de gevolgen van de bom kort daarvoor heeft kunnen aanschouwen - gaat verdachte met de groep mee om wederom vuurwerk tot ontploffing te brengen. Verdachte verklaart hierover dat de groep het een goed idee vond en dat het ze allemaal wel een kick gaf. Terwijl medeverdachte de vlinderbom in de kaartjesautomaat stopt is er niemand van de groep die hem weerhoudt en blijft de meerderheid waaronder verdachte kijken wat er gebeurd. Uit deze bewijsmiddelen kan niet zonder meer volgen dat de verdachte zo bewust en nauw met een ander heeft samengewerkt dat sprake is van medeplegen, in aanmerking genomen dat het louter aanwezig zijn bij en zich niet distantiëren van een door een ander gepleegde vernieling, alsmede het louter instemmen met die vernieling, ieder voor zich en daarmee in onderling samenhang bezien daarvoor onvoldoende zijn.[noot 8 ECLI:HR:2009:BK3356]

17. We kunnen vaststellen dat in het dossier slechts de camerabeelden iets kunnen vertellen over de gang van zaken. De medeverdachten verklaren niets, er zijn geen andere feiten of omstandigheden waaruit kan blijken dat cliënt bijvoorbeeld al in de voorfase betrokken is geweest, kortom op basis van de beelden moet uw rechtbank vast kunnen stellen of er sprake is van medeplegen. Nnman4 (AA: standpunt blijft dat dit niet cliënt is) heeft slechts gekeken, en iemand na de brandstichting naar beneden geholpen. Met de zojuist besproken jurisprudentie in het achterhoofd kan dit nimmer leiden tot de conclusie dat de gedragingen van nnman4 gekwalificeerd kunnen worden als medeplegen brandstichting. Het verzoek is dan ook om cliënt vrij te spreken van medeplegen brandstichting omdat er geen sprake is van een vooropgezet plan (althans deze conclusie kan niet met feiten geschraagd worden) en ook geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking.”

14. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 februari 2015 houdt als aanvulling van de raadsman op zijn pleitnotities voorts nog in:

“Ter aanvulling van punt 12 uit mijn pleitnota is de context van het verhaal belangrijk. Het was 20.00 uur ’s avonds. Je mag al vanaf 18.00 uur vuurwerk afsteken. Op enig moment komt NNman4 erbij. Niet is vast te stellen dat hij er daarvoor al bij was. Om te zeggen dat er een vooropgezet plan is, dat weten we niet. We weten niet of er gezamenlijk iets is besproken. Als dat wel het geval is weten we niet wie daarvan op de hoogte was. Het voortraject is een groot zwart gat.

De nadruk ligt op de betrokkenheid bij de feitelijke uitvoering, dus het komt aan de op de beelden. De vraag is wat de intensiteit is van het handelen van NNman4. Feitelijk doet NNman4 niets om te zorgen dat er brand ontstaat. Hij helpt alleen 2 keer iemand van het dak. Het pand is vrij hoog, zoals te zien is op p. 566. Hierdoor wist NNman4 niet wat er op het dak gebeurde. De geringe rol van NNman4 kan geen opzet op medeplegen opleveren. Het wijzen naar een gebouw geeft geen ondersteuning aan het delict.”

15. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. In zijn arrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 heeft de Hoge Raad een aantal algemene piketpalen uitgezet met betrekking de afbakening van medeplegen ten opzichte van medeplichtigheid met name als het gaat om gevallen waarin het medeplegen niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Voor de kwalificatie “medeplegen” is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Als het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), rust op de rechter de taak om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient overigens opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.2

16. Uit de door het hof overgenomen bewijsvoering van de rechtbank kan volgen dat de verdachte van begin tot eind deel heeft uitgemaakt van de groep van personen die aanwezig is geweest bij de tenlastegelegde brandstichting op het dak van een jeugdcentrum en dat hij de genoemde brandstichting – onder meer door op enig moment naar het dak van het jeugdcentrum te wijzen – ook ‘actief’ heeft meebeleefd. Daarnaast kan uit die bewijsvoering volgen dat de verdachte tot twee keer toe een helpende hand heeft geboden aan een medeverdachte die na brand te hebben gesticht van het dak afklom en dat de verdachte uiteindelijk samen met enkele medeverdachten van de plaats van de brandstichting is weggerend. Wat uit de genoemde bewijsvoering niet kan volgen is dat het handelen van de verdachte kan worden geschaard onder de noemer van een gezamenlijke uitvoering van die brandstichting zelf. Toch blijft het de vraag of uit de bewijsvoering als geheel niettemin een zodanige intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan de brandstichting spreekt dat van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten kan worden gesproken dat er sprake is van medeplegen en in het verlengde hiervan, of het oordeel van het hof in dit verband voldoende nauwkeurig is gemotiveerd.

17. Ik meen dat dit niet het geval is. De onderhavige zaak behoort niet tot de categorie van zaken waarin de rol van de verdachte zich beperkt tot het zich niet distantiëren van de uitvoering van een strafbaar feit3 en evenmin tot de categorie van zaken waarin het belang van de bijdrage van de verdachte voorafgaand aan, tijdens of na het strafbare feit evident is.4 Dat de verdachte voorafgaand aan de brandstichting betrokken is geweest bij het maken van plannen en/of het verrichten van voorbereidingshandelingen kan op grond van de aanwezigheid van de verdachte in de groep van de brandstichters wellicht worden vermoed, maar enig bewijs daaromtrent ontbreekt. De brandstichting kan ook een min of meer spontane oudejaars-actie zijn geweest. En dat de verdachte tijdens de brandstichting zelf steeds is blijven toekijken, de medeverdachten heeft geholpen van het dak te komen en na afloop samen met enkele medeverdachten is weggerend, zegt op zichzelf genomen ook niet veel over de mate waarin de verdachte echt aan de brandstichting heeft bijgedragen. Dat zou wellicht anders zijn als het hof bijvoorbeeld had vastgesteld dat verdachte de medeverdachten had geholpen bij de beklimming van het dak. Nu de belangrijkste feitelijk vastgestelde gedragingen van de verdachte erin bestaan dat hij twee keer een helpende hand heeft geboden aan een medeverdachte die van het dak afklom, had het voor de hand gelegen dat het hof zich nader had uitgelaten over het specifieke belang van deze gedragingen voor de uitvoering van de brandstichting, met name met betrekking tot de vraag, zo er al sprake was van strafrechtelijke betrokkenheid, of deze als medeplegen of medeplichtigheid zou moeten worden gekwalificeerd. Was de hulp van de verdachte bijvoorbeeld van zodanige aard dat het voor de hand ligt om te denken dat de medeverdachten zonder deze hulp niet aan de brandstichting waren begonnen? De bewijsvoering noch de motivering van de door het hof overgenomen vonnis van de rechtbank biedt voor een antwoord op deze en vergelijkbare vragen aanknopingspunten.

18. Het lijkt erop dat de rechtbank en het hof het ‘probleem’ van de niet (zonder meer) substantiële bijdrage van de verdachte hebben willen oplossen door erop te wijzen dat de verdachte de gang van zaken rond de brandstichting met een zekere mate van intensiteit heeft meebeleefd. Hoewel het ‘actief’ meebeleven van de uitvoering van een strafbaar feit voor de vraag of sprake is van medeplegen wel enig belang kan hebben, komt de betekenis van dit meebeleven in casu in de bewijsvoering onvoldoende uit de verf. Wanneer het hof bijvoorbeeld had overwogen dat de handelingen van de verdachte zodanig nauw met de handelingen van zijn medeverdachten waren verbonden dat (bepaalde van) deze laatste handelingen net zo goed door de verdachte hadden kunnen worden verricht – en de rollen van de verdachte en zijn medeverdachten inwisselbaar waren –, was dit mogelijk anders geweest. Al met al laat de bewijsvoering als geheel te veel ruimte om een dergelijke overweging in de redenering van de rechtbank en het hof te lezen. Het oordeel van de rechtbank en het hof berust in de kern op een ontkenning van de stelling van de verdediging dat de verdachte enkel heeft nagelaten zich van de brandstichting te distantiëren in plaats van op een motivering waaruit blijkt wat het belang was van de bijdrage van de verdachte aan het plegen van de brandstichting zelf en of de rol van verdachte daarbij als medeplegen of medeplichtigheid daaraan zou moeten worden gekwalificeerd.

19. Het middel slaagt.

20. Beide middelen slagen. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing dan wel verwijzing van de zaak, teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie bijvoorbeeld HR 4 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3678, HR 23 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8160 en HR 31 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:804, rov. 2.3.

2 Zie ook HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1794, rov. 2.3.

3 Zie bijv. HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1794 en HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2861.

4 Zie bijv. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1590.