Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2388

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
11-09-2015
Datum publicatie
11-12-2015
Zaaknummer
14/06357
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3567, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Partneralimentatie. Onderhoudsverplichting ingegaan op datum vóór inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

14/06357

mr. Keus

Zitting 11 september 2015

Conclusie inzake:

[de vrouw]

(hierna: de vrouw)

verzoekster tot cassatie

verweerster in het (deels voorwaardelijke) incidentele cassatieberoep

advocaat: mr. S. Kousedghi

tegen

[de man]

(hierna: de man)

verweerder in cassatie

verzoeker in het (deels voorwaardelijke) incidentele cassatieberoep

advocaat: mr. M.A.J.G. Janssen

In deze zaak gaat het om de vaststelling van de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw. De klachten betreffen de omvang van de rechtsstrijd in appel, de ingangsdatum van de alimentatie en de draagkracht van de man en de behoefte van de vrouw in relatie met een door de vrouw te ontvangen uitkering in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.

1. Feiten 1 en procesverloop

1.1 Partijen zijn op 8 mei 2006 met elkaar gehuwd.

1.2 Bij verzoekschrift echtscheiding met nevenvoorzieningen, gedateerd 4 januari 2013 maar ingekomen ter griffie op 2 januari 20132, heeft de vrouw de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, onder meer verzocht tussen partijen de echtscheiding uit te spreken en de door de man aan haar te betalen partneralimentatie te bepalen op € 3.000,- per maand3. Bij exploot van 11 januari 2013 is het verzoekschrift met nevenvoorzieningen aan de man betekend.

Bij verweerschrift echtscheiding met nevenvoorzieningen van 21 maart 2013, op 22 maart 2013 ter griffie ingekomen4, heeft ook de man de rechtbank verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en heeft hij voorts onder meer verzocht primair het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud af te wijzen, dan wel subsidiair een door de rechtbank in goede justitie te bepalen partneralimentatie in een termijn van 5 jaren gefaseerd tot nihil af te bouwen.

De vrouw heeft bij verweerschrift op zelfstandig verzoek van 16 april 2013, ingekomen ter griffie op 17 april 20135, onder meer verzocht het verzoek van de man tot limitering van de partneralimentatie af te wijzen.

Bij brief van 15 augustus 2013, ingekomen ter griffie op 23 augustus 20136, heeft de vrouw haar verzoek vermeerderd en verzocht de door de man aan haar te betalen partneralimentatie vast te stellen op een bedrag van € 5.356,- bruto per maand.

1.3 Nadat op 5 september 2013 een mondelinge behandeling met gesloten deuren had plaatsgehad, heeft de rechtbank (inmiddels de rechtbank Gelderland) bij beschikking van 24 oktober 2013 - voor zover in cassatie van belang - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal betalen € 1.117,- per maand en wel vanaf de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Tevens heeft de rechtbank bepaald dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van vijf jaar na de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op nihil wordt gesteld.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrouw haar behoefte onvoldoende heeft onderbouwd, maar heeft het aannemelijk geacht dat de vrouw enige behoefte heeft, nu zij niet over eigen inkomen beschikt. Bij gebrek aan gegevens heeft de rechtbank het redelijk geacht aan te sluiten bij de bijstandsnorm voor een alleenstaande. Daarbij is in aanmerking genomen dat de man de lasten van de echtelijke woning nog betaalt (p. 7, tweede alinea, van de beschikking van 24 oktober 2013).

1.4 Bij beroepschrift van 21 januari 2014, op 23 januari 2014 ter griffie van het hof Arnhem-Leeuwarden ingekomen, is de vrouw met veertien grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 24 oktober 2013. De vrouw heeft - voor zover in cassatie van belang - aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de echtscheiding tussen partijen heeft uitgesproken en heeft grieven gericht tegen het oordeel over de behoefte en behoeftigheid van de vrouw aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en over de beëindiging op termijn van de verplichting van de man in het levensonderhoud van de vrouw bij te dragen.

Bij verweerschrift van 6 maart 2014, op diezelfde dag ter griffie ingekomen, heeft de man verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep, althans het beroep van de vrouw af te wijzen en de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen7.

1.5 Nadat de mondelinge behandeling op 8 april 2014 had plaatsgehad, heeft het hof bij tussenbeschikking van 17 april 2014 de beschikking van de rechtbank, voor zover daarbij de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken, bekrachtigd. Volgens het hof is het bij gebrek aan belang niet mogelijk een in eerste aanleg toegewezen verzoek in hoger beroep te herstellen, ook als sommige gevolgen van de toewijzing van dat verzoek nadelig zijn (rov. 4.3).

1.6 Op 15 juli 2014 heeft wederom een mondelinge behandeling plaatsgehad. Ten tijde van deze mondelinge behandeling was de bestreden echtscheidingsbeschikking, die ten aanzien van de echtscheiding bij beschikking van het hof van 17 april 2014 was bekrachtigd, nog niet in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven8.

Bij eindbeschikking van 18 september 20149 heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd en bepaald dat de man met ingang van 17 april 2014 de door de rechtbank vastgestelde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (ter hoogte van € 1.117,- bruto per maand) dient te betalen en deze bijdrage met ingang van 17 april 2019 op nihil gesteld. Daartoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

“5.11 Het hof stelt het volgende voorop. De hoogte van behoefte van de vrouw is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven geven immers een aanwijzing voor het niveau waarop de onderhoudsgerechtigde na de beëindiging van het huwelijk inzake kosten van levensonderhoud in redelijkheid aanspraak kan maken. Ook (de mogelijkheid van) vermogensvorming zal in beginsel - afhankelijk van de omstandigheden - bijdragen tot het oordeel dat echtelieden in een bepaalde welstand hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald. In hoeverre de vaste lasten en de overige, globaal te schatten, uitgaven of reserveringen voor te verwachten lasten van de onderhoudsgerechtigde redelijk zijn, zal mede beoordeeld moeten worden naar de mate van welstand zoals deze door de rechter op vorenbedoelde wijze is vastgesteld.

5.12 Door bij de berekening van de hoogte van haar behoefte in eerste instantie uit te gaan van 60% van het gezamenlijk gezinsinkomen dat partijen aan het einde van het huwelijk verdienden (waartegen de man zich verzet), miskent de vrouw dat de behoefte aan alimentatie in redelijkheid moet worden bepaald aan de hand van alle relevante omstandigheden. Het hof zal de 60%-regel dan ook niet toepassen, maar uitgaan van de gegevens die partijen in het geding hebben gebracht.

5.13 Zoals het hof hiervoor onder 5.7 heeft overwogen, gaat het hof - evenals de rechtbank - ervan uit dat het netto bedrag dat partijen ten tijde van het huwelijk ter beschikking stond voor hun uitgaven (ten behoeve van het hele gezin, bestaande uit vier personen) ongeveer € 4.500,- per maand bedroeg. Het totaal van de posten op de door de vrouw in het geding gebrachte behoeftelijst (€ 6.221,- netto) overstijgt voormeld bedrag ruimschoots en wel zodanig dat niet kan worden gezegd dat die lijst de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de vrouw betreft. Het gaat hier veeleer om een wensenlijst, waarvan (de advocaat van) de vrouw uitdrukkelijk heeft verklaard dat deze is afgestemd op de toekomst. Naar het oordeel van het hof staat dit overzicht in een zodanig ver verwijderd verband met het uitgavenpatroon van de vrouw (en van het gezin) ten tijde van het huwelijk, dat deze niet als basis kan dienen voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw. Daarbij heeft de man gemotiveerd betwist dat de vrouw de door haar opgevoerde kosten wat betreft de posten huur, boodschappen, auto, vakanties, en huishoudelijke hulp heeft gemaakt of zal maken en heeft de vrouw, gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, die posten niet dan wel onvoldoende gespecificeerd.

5.14 Uit het voorgaande volgt dat de grieven 8, 9 en 10 tevergeefs zijn voorgedragen. Dat de vrouw behoefte heeft aan een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 1.117,- bruto per maand, zoals door de rechtbank is vastgesteld, staat, mede gelet op de welstand van partijen tijdens het huwelijk en het hiervoor weergegeven gezinsinkomen van € 4.500,-, naar het oordeel van het hof voldoende vast.

5.15 De grieven 5, 6, 12, 13 en 14, die zien op de draagkracht van de man, behoeven geen bespreking, nu vast staat dat de man in staat is de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie te betalen. Wat betreft het verzoek van de man om rekening te houden met de omstandigheid dat hij ingevolge de huwelijkse voorwaarden € 25.000,- netto per jaar aan de vrouw dient te betalen en, indien dit leidt tot een lagere partneralimentatie dan door de rechtbank is vastgesteld, de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog de lagere partneralimentatie vast te stellen, overweegt het hof het volgende. Weliswaar kan de man, anders dan de vrouw stelt, worden ontvangen in dat verzoek (dat dient te worden beschouwd als een verzoek in incidenteel hoger beroep en in dit geval ook nog ter mondelinge behandeling kan worden gedaan), maar nu het verzoek betrekking heeft op een toekomstige omstandigheid, althans een omstandigheid die eerst bij de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de orde zal komen, zal het hof het verzoek afwijzen.

5.16 Ten slotte ligt voor de beslissing van de rechtbank om de partneralimentatie op nihil te stellen na verloop van een termijn van vijf jaar (na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand). De vrouw stelt dat zij niet binnen een termijn van vijf jaar in haar behoefte kan voorzien. Zij voert daartoe aan dat zij volledig arbeidsongeschikt is en dat zij dat zal blijven, gelet op de ernst van haar medische klachten. De man betwist dat de vrouw (blijvend) arbeidsongeschikt is en voert aan dat zij, op termijn, weer kan gaan werken.

5.17 Het hof overweegt daarover als volgt. De vrouw heeft tot aan het huwelijk met de man gewerkt in het onderwijs en is directrice van een basisschool geweest. Ten tijde van het huwelijk heeft zij de administratie verzorgd voor de onderneming(en) en vennootschappen van de man en heeft zich laten scholen tot counselor, mediator en coach. Weliswaar is gebleken dat de vrouw lichamelijke klachten ondervindt ten gevolge van een aanrijding op 19 februari 2012, maar dat zij niet in staat zal zijn op termijn in haar eigen levensonderhoud te voorzien, is onvoldoende aannemelijk geworden. Uit de overgelegde producties blijkt dat de klachten en de problematiek van de vrouw voor een deel van psychosomatische aard zijn. Bescheiden waaruit blijkt dat zij, zoals zij stelt, volledig arbeidsongeschikt is of zal blijven, heeft zij niet in het geding gebracht. Ook grief 11 faalt.

5.18 De man voert in dit verband aan dat de vrouw misbruik heeft gemaakt van het (proces)recht door in hoger beroep te komen van de beslissing van de rechtbank om echtscheiding tussen partijen uit te spreken, waarmee de vrouw de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand wil vertragen en daarmee de periode van de (in het kader van voorlopige voorzieningen vastgestelde) alimentatieverplichting van de man wil verlengen. De man verzoekt daarom de ingangsdatum van de termijn van vijf jaar te bepalen op 24 januari 2014, de datum waarop de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven had kunnen zijn.

5.19 Het hof is van oordeel dat de vrouw door haar opstelling in deze procedure misbruik van recht dan wel misbruik van haar processuele bevoegdheid heeft gemaakt. Daartoe overweegt het hof het volgende. In eerste aanleg heeft de rechtbank op beider verzoek echtscheiding tussen partijen uitgesproken. In hoger beroep heeft de vrouw geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die een wijziging van dat standpunt, bezien in het licht van de stelling van de man dat de vrouw de duur van het huwelijk wil oprekken met het oog op doorbetaling van de (hogere) alimentatie zoals die bij beschikking voorlopige voorzieningen van 4 december 2012 is vastgesteld, kan verklaren en/of rechtvaardigen. Integendeel, de vrouw heeft aangegeven en volgehouden dat zij in hoger beroep is gekomen van de echtscheidingsbeschikking teneinde te bewerkstelligen dat de band tussen het verzoek en de verzochte nevenvoorzieningen in stand blijft, althans wordt hersteld, zodat een nauwe koppeling aanwezig blijft tussen enerzijds de uit te spreken en in te schrijven echtscheiding en anderzijds de beslissing over de partneralimentatie. Reeds bij beschikking van 17 april 2014 heeft het hof de bestreden beschikking bekrachtigd voor zover daarbij de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken, waarbij het hof heeft overwogen dat het bij gebrek aan belang niet mogelijk is een in eerste aanleg toegewezen verzoek in hoger beroep te herstellen, ook als sommige gevolgen van die beslissing nadelig zijn.

5.20 De conclusie luidt dat de vrouw de haar gegeven bevoegdheid hoger beroep in te stellen tegen de beschikking waarbij de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken (terwijl zij in eerste aanleg eveneens heeft verzocht de echtscheiding uit te spreken) heeft uitgeoefend met geen ander doel dan de man te schaden dan wel met een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid is verleend, namelijk met het doel te bewerkstelligen dat de duur van het huwelijk wordt verlengd en dat de man de (veel) hogere alimentatie zoals die bij beschikking voorlopige voorzieningen van 4 december 2012 is vastgesteld, blijft betalen.

5.21 Op grond van het voorgaande zal het hof bepalen dat de man met ingang van 17 april 2014 - de dag waarop het hof de bestreden beschikking heeft bekrachtigd voor zover daarbij de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken - de door de rechtbank vastgestelde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw dient te betalen en dat deze bijdrage met ingang van 17 april 2019 op nihil wordt gesteld.

6 De slotsom

6.1

Grief 1 is reeds behandeld bij voormelde beschikking van 17 april 2014 en ongegrond bevonden. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven 2 (gericht tegen de vastgestelde zorgregeling), 3, 4 en 7 (gericht tegen de vaststelling van de behoefte van [betrokkene]) en 8, 9 en 10 (gericht tegen de vaststelling van de behoefte van de vrouw) en behoeven de grieven 5, 6, 12, 13 en 14 (gericht tegen de vaststelling van de draagkracht van de man) geen bespreking. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover nog aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen en aanvullen wat betreft de datum waarop de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw op nihil wordt gesteld.”

1.7

De vrouw heeft bij cassatierekest van 18 december 2014, op dezelfde datum ter griffie van de Hoge Raad ingekomen en derhalve tijdig, cassatieberoep tegen de beschikking van het hof van 18 september 2014 ingesteld. De man heeft verweer gevoerd en (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld. De vrouw heeft verzocht het onvoorwaardelijke en voorwaardelijke cassatieberoep van de man te verwerpen.

2 Bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep

2.1

De vrouw heeft één cassatiemiddel, bestaande uit twee onderdelen, voorgesteld. Onderdeel I (“De minimale behoefte van de vrouw”) valt uiteen in twee subonderdelen (I.1-I.2). Onderdeel II (“De ingangsdatum partneralimentatie”) is onderverdeeld in vijf subonderdelen (II.1-II.5), waarvan de subonderdelen II.1 en II.4 verder in subonderdelen zijn onderverdeeld (II.1.1-II.1.6 respectievelijk II.4.1-II.4.2).

2.2

Subonderdeel I.1 klaagt dat het hof buiten het partijdebat in hoger beroep is getreden en de art. 24 en 149 Rv heeft geschonden door in rov. 5.14 de behoefte van de vrouw aan een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud op € 1.117,- bruto per maand vast te stellen. Het subonderdeel betoogt dat de man in zijn verweerschrift en tijdens de mondelinge behandeling bij het hof van 15 juli 2014 heeft gesteld dat de behoefte van de vrouw € 1.196,50 netto per maand bedraagt. Door in rov. 5.14 de behoefte van de vrouw op veel minder dan de erkende behoefte van € 1.196,50 netto per maand te bepalen, namelijk op € 1.117,- bruto per maand, is het hof volgens het subonderdeel buiten het partijdebat getreden. Het subonderdeel vervolgt dat, gelet op deze erkenning van de man van de minimale behoefte van de vrouw, het oordeel van het hof in rov. 5.14, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ook onbegrijpelijk is. Zo valt, met name, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien waarom deze minimale behoefte van € 1.196,50 netto per maand, mede gelet op de welstand van partijen tijdens het huwelijk en het netto gezinsinkomen van € 4.500,-, niet voldoende kan vaststaan.

De man heeft zich voor wat betreft de klacht van dit subonderdeel aan het oordeel van de Hoge Raad gerefereerd.

2.3

Bij de beoordeling van het subonderdeel stel ik voorop dat rov. 5.14 niet een “eigen” vaststelling door het hof van de behoefte van de vrouw omvat. Na, in cassatie onbestreden, te hebben geoordeeld dat de 60%-regel niet kan worden toegepast (rov. 5.12) en dat de door de vrouw in het geding gebrachte behoeftelijst niet de reële of de met zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de vrouw betreft, maar veeleer een op de toekomst afgestemde wensenlijst vormt en daarom niet als basis voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw kan dienen (rov. 5.13), heeft het hof in de eerste volzin van rov. 5.14 aan dit een en ander de door het subonderdeel evenmin als zodanig bestreden conclusie verbonden “dat de grieven 8, 9 en 10 tevergeefs zijn voorgedragen”10. De verwerping door het hof van de door de vrouw voorgedragen grieven 8, 9 en 10, die tegen de vaststelling door de rechtbank van de behoefte van de vrouw op € 1.117,- bruto per maand waren gericht (zie ook rov. 4.2), bracht met zich dat het hof aan die vaststelling door de rechtbank was gebonden.

Uit het vervolg van rov. 5.14 blijkt ook niet van een “eigen” vaststelling door het hof van de behoefte van de vrouw. Veeleer blijkt daaruit dat het hof zich ervan rekenschap heeft gegeven dat, gelet op het falen van de grieven 8, 9 en 10, van het door de rechtbank vastgestelde (en aan de bijstandsnorm voor een alleenstaande ontleende) bedrag van € 1.117,- bruto per maand moet worden uitgegaan, zij het dat het hof daaraan ten overvloede heeft toegevoegd dat voldoende vaststaat dat de vrouw in elk geval aan een door de man te betalen bedrag in de kosten van haar levensonderhoud tot dát bedrag behoefte heeft. Dat die overweging ten overvloede is en een behoefte van de vrouw, in elk geval tot een bedrag van € 1.117,- bruto per maand, voldoende vaststaat, vloeit immers reeds voort uit het feit dat naar het oordeel van het hof in appel niet met succes tegen de desbetreffende vaststelling door de rechtbank is opgekomen.

Subonderdeel I.1 is daarom ongegrond.

2.4

Subonderdeel I.2 betoogt dat gegrondbevinding van subonderdeel I.1 ook raakt aan de daarop voortbouwende oordelen, te weten de conclusie dat de grieven 8, 9 en 10 van de vrouw falen (rov. 5.14, eerste volzin, en rov. 6.1), het oordeel dat de grieven 5, 6, 12, 13 en 14, die zien op de draagkracht van de man, geen bespreking behoeven, omdat de man in staat is de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie (van € 1.117,- bruto per maand) te voldoen (rov. 5.15, eerste volzin en rov. 6.1, tweede volzin), de verwijzing naar voornoemde bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw in rov. 5.21, alsmede het dictum.

2.5

Anders dan het subonderdeel suggereert, heeft het hof met de verwerping van de grieven 8, 9 en 10 niet voortgebouwd op een “eigen” vaststelling door het hof van de behoefte van de vrouw op een bedrag van € 1.117,- bruto per maand, maar volgt, juist omgekeerd, uit de verwerping van de grieven 8, 9 en 10 dat óók in hoger beroep van dit - door de rechtbank vastgestelde - bedrag moet worden uitgegaan. Waar de klacht van subonderdeel I.1 ongegrond is, raakt zij evenmin aan de overige, door subonderdeel I.2 bedoelde oordelen.

2.6

Aan het voorgaande doet naar mijn mening niet af dat de vrouw wellicht wél had kunnen klagen dat, waar de man bij een kritische beschouwing van de behoeftelijst van de vrouw op een totale netto-behoefte van € 1.196,50 per maand is uitgekomen (verweerschrift in hoger beroep onder 76: “De totale netto behoefte komt daarmee op € 1.196,50 per maand.”), het hof niet had mogen oordelen (zoals het in rov. 5.13, in cassatie onbestreden, heeft gedaan) dat de behoeftelijst “niet als basis kan dienen voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw” en dat het hof, in plaats daarvan, van de behoeftelijst van de vrouw, zoals door de man gecorrigeerd, had moeten uitgaan. Dat de klachten van onderdeel I mede daarop zijn gericht, kan echter onmogelijk worden aangenomen, nu dat in het cassatierekest juist met zoveel woorden wordt uitgesloten:

“I. In rov. 5.13, derde volzin, concludeert het hof dat de behoeftelijst van de vrouw niet als basis kan dienen voor de vaststelling van haar behoefte. In de 1e, 2e, 3e en 4e volzinnen van deze rov. zijn de motiveringen daarvan te vinden. Hiertegen klaagt de vrouw in cassatie niet.”

Overigens kan, anders dan in het cassatierekest wordt gesteld, uit de bedoelde stelling van de man, die bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is herhaald (“De door cliënt berekende netto behoefte bedraagt € 1.196,50.”), naar mijn mening niet zonder meer worden afgeleid dat de man een netto behoefte van € 1.196,50 (in de zin van art. 154 Rv) heeft erkend11. Dat de man de behoeftelijst van de vrouw heeft opgeschoond van de meest discutabele posten, betekent nog niet dat hij de resterende posten uitdrukkelijk en ondubbelzinnig voor waar heeft aangenomen. Veeleer komt daaraan de betekenis toe dat hij in elk geval een behoefte van méér dan € 1.196,50 uitgesloten achtte (vergelijk de omschrijving in de derde alinea van subonderdeel I.1: “De man heeft in zijn verweerschrift én tijdens de mondelinge behandeling bij het hof van 15 juli 2014 gesteld dat de behoefte van de vrouw niet meer bedraagt dan € 1.196,50 netto (…).”; onderstreping toegevoegd; LK).

2.7

Subonderdeel II.1 is gericht tegen de rov. 5.18-5.20. Het subonderdeel klaagt dat het hof door het “misbruik-verweer” van de man te behandelen en dit zelfs te honoreren, en door naar aanleiding daarvan in rov. 5.21 de ingangsdatum van de door de man verschuldigde partneralimentatie te bepalen op 17 april 2014, heeft miskend dat volgens rechtspraak van de Hoge Raad als enige beperking in de vrijheid van de rechter bij de toepassing van art. 1:402 lid 1 BW heeft te gelden dat de partneralimentatie niet vóór de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand mag ingaan. Deze miskenning is volgens het subonderdeel des te erger, nu blijkens rov. 3.1 het hof door partijen ervan op de hoogte was gesteld dat de echtscheidingsbeschikking in elk geval ten tijde van de mondelinge behandeling op 15 juli 2014 nog niet was ingeschreven.

2.8

Volgens subonderdeel II.2 heeft het hof in elk geval in de rov. 5.18-5.21 miskend dat het op grond van de, enige, beperking in zijn vrijheid bij de toepassing van art. 1:402 lid 1 BW die uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt, was gehouden om een kenbaar onderzoek naar de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking te verrichten, alvorens die ingangsdatum vast te stellen op een bepaalde datum, en dan nog wel een datum in het verleden, te weten: 17 april 2014. Dit geldt te meer nu het hof door partijen was geïnformeerd over het feit dat de echtscheidingsbeschikking ten tijde van de mondelinge behandeling op 15 juli 2014 nog niet was ingeschreven.

2.9

Subonderdeel II.3 betoogt dat, voor zover het hof heeft gemeend dat het geen gegevens had over de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, zulk, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk is, nu het hof in rov. 3.1 heeft vastgesteld dat de echtscheidingsbeschikking op 15 juli 2014 nog niet was ingeschreven.

2.10

De klachten van de subonderdelen II.1-II.3 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Alvorens deze klachten te behandelen, bespreek ik meer in het algemeen op welk moment de alimentatierechter een partneralimentatie kan laten ingaan.

Ingangsdatum partneralimentatie

2.11

Art. 1:402 lid 1 BW bepaalt dat de rechter, die het bedrag van een uitkering tot levensonderhoud bepaalt, wijzigt of intrekt, tevens de dag vaststelt, van welke dit bedrag is verschuldigd of ophoudt verschuldigd te zijn. Deze bepaling laat de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting12.

2.12

In de Toelichting Meijers is het volgende over de bepaling opgemerkt13:

“(…) Daar het rechterlijk vonnis de verplichting tot onderhoud niet schept, kan de rechter de dag te rekenen waarvan het onderhoud verschuldigd is in zijn vonnis bepalen. (…)

Al is dus de rechter bevoegd de aanvangsdatum van de verplichting (…) vóór de dag der dagvaarding te stellen (…), zo dient de rechter desniettemin van deze bevoegdheid een voorzichtig gebruik te maken. (…) Deze verplichting is minder sprekend, wanneer levensonderhoud voor het verleden dan wanneer het voor de toekomst wordt gevraagd (…). En zeker mag het recht om levensonderhoud te kunnen vorderen niet misbruikt worden om door met het instellen van de actie te wachten, een potje te vormen. Aan de andere kant mogen deze overwegingen niet ten gevolge hebben, dat zij, die levensonderhoud verschuldigd zijn de betaling uitstellen of geheel achterwege laten en het instellen van een procedure door schijnmanoeuvres trachten te voorkomen om aldus minder te behoeven te betalen. Vandaar dat hier een discretionaire macht aan de rechter is gegeven.”

2.13

De Hoge Raad heeft ten aanzien van de ingangsdatum van partneralimentatie in zijn beschikking van 8 juli 1996, ECLI:NL:HR:1996:AC0478, NJ 1997/120 m.nt. JdB, het volgende overwogen:

“3.3.1 Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het Hof op onjuiste gronden en in strijd met art. 826 lid 1, aanhef en onder c, Rv. de door de man te betalen alimentatie heeft doen ingaan op 10 juni 1994, de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Het onderdeel betoogt dat de door de Rechtbank op de voet van art. 822 lid 1, aanhef en onder e, getroffen voorlopige voorziening, volgens welke de man de vrouw een bedrag van ƒ 516 per maand diende te betalen, ingevolge art. 826 lid 1, aanhef en onder c, haar kracht behield totdat de door de Rechtbank op het verzoek van de vrouw als bedoeld in art. 1:157 BW bij beschikking van 21 december 1994 gegeven beslissing voor tenuitvoerlegging vatbaar werd, hetgeen - aldus het onderdeel - uitsluit dat laatstgenoemde beslissing de voorlopige voorziening met terugwerkende kracht (tot 10 juni 1994) vervangt.

3.3.2

Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard. Het huidige art. 826 Rv., dat zakelijk overeenstemt met art. 826 van het in 1986 ingetrokken wetsvoorstel 15 638 en met art. 827c van het in 1990 door de Eerste Kamer verworpen wetsvoorstel 19 242, heeft blijkens de toelichting op de twee laatstgenoemde bepalingen tot strekking voorlopige voorzieningen zo goed mogelijk te laten aansluiten op eventuele overeenkomstige definitieve voorzieningen (Kamerstukken II, 1978/79, 15 638, nr. 3, blz. 24 en 25, alsmede Kamerstukken II, 1986/87, 19 242, nr. 6, blz. 17). Met name wilde men het ‘hiaat’ opvullen, dat onder het toenmalige art. 825e kon ontstaan, indien de rechter eerst bij latere uitspraak een definitieve alimentatie vaststelde en de voorlopige alimentatievoorziening ingevolge lid 2 van die bepaling reeds voordien was geëindigd door inschrijving van het echtscheidingsvonnis. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van art. 826 vallen echter geen aanwijzingen te putten dat de wetgever beoogd heeft de vrijheid die de rechter toekomt bij de bepaling van de ingangsdatum van de door hem naar aanleiding van een op art. 1:157 BW gegrond verzoek op te leggen alimentatie, te beperken in die zin dat deze niet zou mogen ingaan op de datum van inschrijving van de echtscheiding of op enig ander tijdstip nadien, gelegen vóór de datum van zijn beslissing.”

In zijn beschikking van 10 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2961, NJ 1999/795, oordeelde de Hoge Raad in dezelfde zin:

“3.2 Onderdeel 1 klaagt dat het Hof de uitkeringen ten behoeve van de vrouw en de minderjarige heeft doen ingaan op 1 mei 1997, en derhalve voordat op 17 november 1997 de echtscheiding was tot stand gekomen onderscheidenlijk het gezag van de moeder een aanvang had genomen.

Voor zover het onderdeel ter bestrijding van ’s Hofs vaststelling van de ingangsdatum aanvoert dat aldus de uitkeringen zijn ingegaan terwijl de door de Rechtbank bij beschikking van 20 februari 1997 bij wege van voorlopige voorzieningen vastgestelde uitkeringen nog van kracht waren, is het tevergeefs voorgesteld. Klaarblijkelijk heeft het onderdeel hier het oog op het in art. 826 Rv omtrent het eindigen van de voorlopige voorzieningen bepaalde, en gaat het uit van de opvatting dat de definitieve alimentatie niet kan ingaan voordat op de voet van deze bepaling de dienovereenkomstige voorlopige voorziening is geëindigd. Deze opvatting kan niet als juist worden aanvaard. Uit de wetsgeschiedenis van voormelde bepaling blijkt dat met name beoogd is te voorkomen dat, zoals onder het vroegere recht mogelijk was, een hiaat zou ontstaan doordat de voorlopige alimentatie reeds is geëindigd en de definitieve alimentatie eerst bij latere beschikking wordt vastgesteld. De wetsgeschiedenis biedt evenwel geen aanknopingspunt voor de veronderstelling dat deze bepaling ertoe strekt de rechter te beperken in zijn vrijheid de ingangsdatum van de alimentatie vast te stellen (art. 1:402 lid 1 BW).

Deze vrijheid is voor zover het betreft de na echtscheiding aan een echtgenoot toe te kennen alimentatie slechts in zoverre beperkt dat - zoals ook strookt met art. 1:157 BW - de rechter deze niet kan doen ingaan vóór de datum van inschrijving van de echtscheiding (HR 8 juli 1996, nr. 8767, NJ 1997, 120). Dit brengt mee dat het onderdeel gegrond is, voor zover het zich richt tegen de door het Hof vastgestelde ingangsdatum van de alimentatie ten behoeve van de vrouw.”

Uit deze uitspraken volgt dat de Hoge Raad van oordeel is dat de rechter de partneralimentatie niet kan doen ingaan vóór de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Dit strookt volgens de Hoge Raad met art. 1:157 BW, in welk artikel in lid 3 (laatste volzin), lid 4 en lid 6 de datum van de inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand wordt genoemd als aanvangsdatum van de in deze leden genoemde termijnen na ommekomst waarvan de verplichting tot levensonderhoud uiterlijk eindigt.

2.14

In de memorie van toelichting bij art. 1:157 BW is het volgende opgemerkt over de ingangsdatum van de partneralimentatie14:

“Lid 3 geeft in zijn huidige vorm aan de rechter de bevoegdheid de toekenning van alimentatie aan een termijn of aan voorwaarden te binden. Bij de herformulering van het artikel is tot uitdrukking gebracht dat, overeenkomstig de jurisprudentie (men zie HR 22 april 1977, NJ 1978, 497, HR 18 mei 1979, NJ 1979, 598 en HR 1 juli 1982, NJ 1983, 15), de rechter hieromtrent niet buiten het verzochte om mag beslissen. Het artikel wordt aangevuld met de bepaling dat de door de rechter vastgestelde termijn niet meer mag bedragen dan 12 jaar. Deze termijn vangt aan op het tijdstip van inschrijving van het vonnis in de registers van de burgerlijke stand. De afdeling burgerlijke rechtspraak van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak kon zich met dit door de interdepartementale werkgroep voorgestelde aanvangstijdstip verenigen. De adviescommissie burgerlijk recht van de Orde van Advocaten was voorstander van de datum waarop de echtscheidingsprocedure werd aangevangen of van de datum waarop de voorlopige voorzieningen zijn getroffen, zulks om te voorkomen dat de procedure om der wille van de verlenging van de termijn wordt gerekt.

Argumenten van rechtszekerheid en duidelijkheid pleiten evenwel voor een - ook na 12 jaar - gemakkelijk vast te stellen aanvangstijdstip.

Zo nodig zal de rechter bij de vaststelling van de termijn rekening kunnen houden met de duur van de procedure of van de voorlopige voorzieningen. Ook indien eerst enige jaren na de scheiding alimentatie wordt toegekend, eindigt de onderhoudsplicht uiterlijk 12 jaar (behoudens de mogelijkheid van verlenging) na de inschrijving.”

En in de memorie van antwoord15:

“27. De vrees dat het gebruiken van de inschrijving van het vonnis in de registers van de burgerlijke stand als datum van aanvang van de termijn zal leiden tot vertragingstaktieken, delen wij niet. Men mag aannemen dat het rekken van de procedure zal worden beantwoord met een verzoek aan de rechter de onderhoudsverplichting aan een zodanige termijn te binden dat deze handelwijze ongedaan wordt gemaakt. De rechter kan voorts in een later stadium, wanneer reeds enige jaren alimentatie is betaald en alsnog een verzoek tot limitering wordt gedaan, rekening houden met de periode, die voorafgaand aan de formele scheiding is verstreken. Bezwaar van een andere aanvangsdatum, zoals de dag waarop partijen feitelijk gescheiden zijn gaan leven of de dag waarop de vordering of het verzoek tot scheiding aanhangig werd gemaakt, zou bij het verstrijken van de jaren onzekerheid kunnen meebrengen omtrent het tijdstip waarop de onderhoudsplicht eindigt en wanneer een verzoek tot verlenging aanhangig moet worden gemaakt, met de kans op vergissingen. Inschrijving van het vonnis is duidelijk en kan gemakkelijk worden nagetrokken.”

2.15

De wetgever heeft met het oog op de rechtszekerheid ervoor gekozen de aanvangsdatum van de termijn na ommekomst waarvan de onderhoudsverplichting (uiterlijk) eindigt, te bepalen op de dag dat de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand wordt ingeschreven. Naar de letter van art. 1:157 BW sluit dat de vaststelling van de onderhoudsverplichting op een eerdere ingangsdatum niet uit, maar zodanige vaststelling - die zou impliceren dat de (maximale) termijn gedurende welke feitelijk alimentatie zou moeten worden betaald, de wettelijk voorziene termijn zou overtreffen - zou niet met de kennelijke bedoeling van de wetgever stroken. Dat de Hoge Raad het om die reden niet mogelijk acht de partneralimentatie vóór de inschrijvingsdatum te doen ingaan, ontneemt de rechter de mogelijkheid het rekken van de procedure door de alimentatiegerechtigde ongedaan te maken door de alimentatie op een eerdere datum dan die van inschrijving te doen ingaan (correctie aan de start). Blijkens de geschiedenis van totstandkoming van art. 1:157 BW kan de alimentatierechter in geval van zodanig rekken de onderhoudsverplichting echter wel aan een zodanige termijn binden dat de bedoelde handelwijze ongedaan wordt gemaakt (correctie aan de finish)16.

Bespreking van de klachten

2.16

Subonderdeel II.1.1, nader uitgewerkt in de subonderdelen II.1.2-II.1.5, klaagt dat het hof de door de rechtbank vastgestelde bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw heeft doen ingaan op een datum waarop de echtscheidingsbeschikking nog niet was ingeschreven. Die klacht is gegrond. Naar het hof zelf in rov. 3.1 van de bestreden beschikking heeft overwogen, was de echtscheidingsbeschikking ten tijde van de mondelinge behandeling op 15 juli 2014 nog niet in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven; zij was dat op de door het hof bepaalde ingangsdatum (17 april 2014) derhalve evenmin. Zoals hiervoor reeds aan de orde kwam, staat het de rechter niet vrij de bij echtscheidingsbeschikking of latere uitspraak te bepalen partneralimentatie op een eerdere datum dan die van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand te doen ingaan.

2.17

Subonderdeel II.1.6 verbindt aan het voorgaande de gevolgtrekking dat het hof ook het door de man gevoerde misbruik-verweer niet had mogen honoreren, kort gezegd omdat dit verweer de mogelijkheid van vaststelling van de ingangsdatum van de partneralimentatie op een vroegere datum dan die van de inschrijving zou vooronderstellen. Die klacht is ongegrond. Het door het subonderdeel bedoelde “misbruik”, te weten het feit “dat de vrouw de haar gegeven bevoegdheid hoger beroep in te stellen tegen de beschikking waarbij de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken (terwijl zij in eerste aanleg eveneens heeft verzocht de echtscheiding uit te spreken) heeft uitgeoefend met geen ander doel dan de man te schaden dan wel met een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid is verleend, namelijk met het doel te bewerkstelligen dat de duur van het huwelijk wordt verlengd en dat de man de (veel) hogere alimentatie zoals die bij beschikking voorlopige voorzieningen van 4 december 2012 is vastgesteld, blijft betalen” (rov. 5.20), is óók gegeven de onmogelijkheid van een vóór de datum van inschrijving gelegen ingangsdatum van de alimentatie relevant, omdat het de rechter aanleiding kan geven de alimentatie in tijd te beperken en het hof kennelijk (ook) van die mogelijkheid gebruik heeft willen maken door te bepalen dat de bijdrage met ingang van 17 april 2019 op nihil wordt gesteld.

2.18

Bij het voorgaande teken ik nog aan dat de man in zijn verweerschrift in cassatie tevens houdende (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep onder 2.14-2.16 heeft gesteld dat hij het hof überhaupt niet heeft verzocht de definitieve alimentatie op een eerdere datum dan die van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking te laten ingaan. Volgens de man heeft hij het hof in zijn verweerschrift in appel verzocht de tijd gedurende welke de vrouw heeft gerekt, op de (door de rechtbank vastgestelde) alimentatietermijn van vijf jaar in mindering te brengen en die termijn per saldo dus korter te laten duren17. Meer in het bijzonder zou hij het hof hebben verzocht uit te gaan van de dag dat de echtscheidingsbeschikking had kunnen worden ingeschreven als de vrouw geen appel tegen de echtscheiding had ingesteld, te weten 24 januari 201418. De man meent dan ook dat de vaststelling van de alimentatieverplichting per 17 april 2014 onjuist is, althans onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Voor het geval het tweede middelonderdeel in het principale beroep geheel of gedeeltelijk gegrond zou worden verklaard, heeft de man dan ook (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld tegen het oordeel dat zijn alimentatieverplichting op 17 april 2014 ingaat en met ingang van 17 april 2019 op nihil wordt gesteld. Volgens de man is dit oordeel, gelet op hetgeen hij het hof heeft verzocht, door het hof onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, althans is het hof daarmee buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen getreden. Het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep ten aanzien van dit punt komt hierna (onder 3.12-3.16) nog nader aan de orde.

2.19

De subonderdelen II.2 en II.3 strekken ten betoge dat het hof althans nader had moeten onderzoeken of en wanneer de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking had plaatsgevonden, alvorens de door de man verschuldigde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw op een concrete datum te doen ingaan. Deze subonderdelen kunnen onbesproken blijven, nu het hof de verplichting van de man om met het door de rechtbank vastgestelde bedrag in het levensonderhoud van de vrouw bij te dragen niet kon laten ingaan op een datum waarop (naar het hof bekend was) inschrijving nog niet had plaatsgehad en dit voor gegrondbevinding van de subonderdelen II.1.1-II.1.5 volstaat.

2.20

De subonderdelen II.4.1-II.4.2 klagen dat het hof de twee-conclusieregel heeft miskend, althans zijn gedachtegang hieromtrent onvoldoende met redenen heeft omkleed, door het nieuwe verweer van de man dat op grond van het door hem gestelde misbruik van procesrecht door de vrouw de ingangsdatum van de partneralimentatie moet worden bepaald op 24 januari 2014, welk verweer voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling bij het hof op 15 juli 2014 is opgeworpen, in de rov. 5.18-5.20 te behandelen en naar aanleiding daarvan in rov. 5.21 een nieuwe ingangsdatum te bepalen.

2.21

Bij de beoordeling van de klacht stel ik voorop dat het hof met de bestreden beslissing niet heeft gerespondeerd op een betoog van de man dat de ingangsdatum van de alimentatieplicht op 24 januari 2014 zou moeten worden gesteld, maar op diens betoog dat de termijn van vijf jaar na ommekomst waarvan de door de man verschuldigde alimentatie nihil zou bedragen, niet (zoals de rechtbank had bepaald) op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, maar op 24 januari 2014 zou moeten ingaan. Ik verwijs in dit verband naar rov. 5.18:

“5.18 De man voert in dit verband aan dat de vrouw misbruik heeft gemaakt van het (proces)recht door in hoger beroep te komen van de beslissing van de rechtbank om echtscheiding tussen partijen uit te spreken, waarmee de vrouw de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand wil vertragen en daarmee de periode van de (in het kader van voorlopige voorzieningen vastgestelde) alimentatieverplichting van de man wil verlengen. De man verzoekt daarom de ingangsdatum van de termijn van vijf jaar te bepalen op 24 januari 2014, de datum waarop de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven had kunnen zijn.”

Het bedoelde betoog is niet eerst bij de mondelinge behandeling, maar reeds in het verweerschrift in appel (onder 16) ontwikkeld:

“De rechtbank heeft alimentatie duur (van) de partneralimentatie reeds beperkt tot 5 jaren na de datum inschrijving echtscheidingsbeschikking. De inschrijving had kunnen plaatsvinden op 24 januari 2014. Door de proceshouding van de vrouw wordt deze termijn verlengd, zodat de man verzoekt de echtscheidingsbeschikking te bekrachtigen en te bepalen dat de termijn dat de vrouw heeft gerekt dit in mindering te laten strekken op de alimentatietermijn van 5 jaren”.

Bij de mondelinge behandeling heeft de man het navolgende aangevoerd19:

Ingangsdatum beslissing vaststellen op 24 januari 2014

(…) Cliënt verzoekt daarom met klem om [de vrouw] niet te belonen in haar vertragingstactiek en de jurisprudentie op dit gebied te volgen (zie verweer op grief 1 waarin de vindplaatsen staan opgenomen20) en uit te gaan van de datum waarop de inschrijving had kunnen plaatsvinden, te weten 24 januari 2014”.

Dit betoog moet mijns inziens als een uitwerking van het reeds in het verweerschrift ontwikkelde standpunt worden opgevat en is, wat belangrijker is, blijkens rov. 5.18 kennelijk ook zo door het hof begrepen. Het verzoek van de man om de alimentatie vijf jaar na zekere datum op nihil te stellen, kan onmogelijk worden gelijkgesteld met een verzoek ook de alimentatieverplichting op die datum te doen ingaan. Al om die reden mist de klacht van de subonderdelen (die uitgaan van een verzoek van de man, strekkende tot vaststelling van de ingangsdatum van de partneralimentatie op 24 januari 2014) feitelijke grondslag. Maar zelfs als dat anders zou zijn, geldt dat de man zijn verzoek reeds bij verweerschrift in appel en derhalve tijdig had gedaan, zodat de klacht ook in dat geval faalt.

Een geheel andere vraag dan die naar de tijdigheid van het beroep van de man op het rekken van de procedure door de vrouw en de daaraan te verbinden gevolgen, is de vraag of het hof hetgeen de man (tijdig) heeft aangevoerd, (overigens in afwijking van rov. 5.18) heeft mogen begrijpen als een verzoek de door de rechtbank vastgestelde alimentatieverplichting reeds op 24 januari 2014 te doen ingaan. Zoals hiervoor (onder 2.18) al aan de orde kwam, wordt dit laatste door de man in diens voorwaardelijke incidentele cassatieberoep bestreden. Wat daarvan verder ook zij, met de door de subonderdelen II.4.1-II.4.2 bedoelde miskenning van de twee-conclusieregel heeft die laatste vraag niets van doen.

2.22

Volgens subonderdeel II.5 raakt gegrondbevinding van (een van) de klachten van onderdeel II ook de daarop voortbouwende conclusie van het hof in rov. 5.21 dat de door de rechtbank vastgestelde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 17 april 2019 op nihil wordt gesteld, alsmede de laatste volzin in rov. 6.1 dat het de datum waarop de onderhoudsbijdrage op nihil wordt gesteld zal aanvullen, alsmede het dictum.

2.23

De slagende klacht van de subonderdelen II.1.1-II.1.5 raakt rov. 5.21 rechtstreeks, en niet - zoals het subonderdeel stelt - omdat die rechtsoverweging op een met die subonderdelen met succes bestreden oordeel zou voortbouwen. Waarom de slagende klacht tegen de door het hof vervroegde ingangsdatum van de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie ertoe zou leiden dat ook rov. 6.1 niet in stand kan blijven, zie ik niet in. Weliswaar wordt in de laatste volzin van die rechtsoverweging gesproken van een “aanvulling” van de beschikking van de rechtbank “wat betreft de datum waarop de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw op nihil wordt gesteld”, maar dat laatste is iets anders dan de vervroeging van de ingangsdatum van de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie. Uiteraard heeft het slagen van die klacht wél tot gevolg dat het dictum van de bestreden beschikking, voor zover daarin is bepaald dat de man met ingang van 17 april 2014 de door de rechtbank vastgestelde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw dient te betalen, niet in stand kan blijven.

3. Bespreking van het cassatiemiddel in het (deels voorwaardelijk) incidentele beroep

3.1

De man heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Dat middel omvat één onvoorwaardelijke klacht tegen rov. 5.15 van de bestreden beschikking (onderdeel III-A, randnummers 3.2-3.13) en een voorwaardelijke klacht tegen de rov. 5.18 en 5.21, voor zover een of meerdere klachten van de vrouw ter zake van de door het hof gehanteerde ingangsdatum van de definitieve partneralimentatie tot cassatie leiden (onderdeel III-B, randnummers 3.14-3.16). Nu de klacht van de subonderdelen II.1.1-II.1.5 van het principale beroep slaagt, bespreek ik hierna beide klachten.

3.2

Onderdeel III-A klaagt onder 3.3-3.9 dat rechtens onjuist, althans zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk is dat het hof het verzoek van de man om bij het vaststellen van de hoogte van de partneralimentatie rekening te houden met de omstandigheid dat hij aan de vrouw ingevolge de huwelijkse voorwaarden € 25.000,- netto per huwelijksjaar na 8 mei 2006 dient te betalen, in rov. 5.15 heeft afgewezen met de motivering dat “het verzoek betrekking heeft op een toekomstige omstandigheid, althans een omstandigheid die eerst bij de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de orde zal komen”. Het onderdeel wijst erop dat van een toekomstige omstandigheid, althans een omstandigheid die eerst bij de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de orde zal komen, geen sprake is, nu - zoals ook uit de gedingstukken blijkt - de vrouw de in art. 21 van de huwelijkse voorwaarden genoemde (netto)uitkering ter hoogte van € 25.000,- per huwelijksjaar daadwerkelijk van de man heeft opgeëist en de man op zichzelf en in beginsel de verschuldigdheid van dit bedrag heeft erkend. Daarbij komt, volgens het onderdeel, dat het huwelijk ten tijde van de bestreden beschikking reeds was beëindigd21.

3.3

Onderdeel III-A klaagt onder 3.10-3.12 voorts dat, voor zover het hof heeft bedoeld dat niet van belang is dat de man op grond van art. 21 van de huwelijkse voorwaarden een uitkering aan de vrouw is verschuldigd, althans dat zulks niet aan de door het hof vastgestelde behoefte van de vrouw en/of de draagkracht van de man kan afdoen, dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, althans van een onvoldoende begrijpelijke gedachtegang blijk geeft. Aangezien de op grond van art. 21 van de huwelijkse voorwaarden verschuldigde uitkering van invloed is op de behoefte van de vrouw en/of de draagkracht van de man, kon het hof volgens het onderdeel het verzoek van de man niet verwerpen met de enkele overweging in rov. 5.15 dat “het verzoek betrekking heeft op een toekomstige omstandigheid, althans een omstandigheid die eerst bij de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de orde zal komen”.

3.4

Onderdeel III-A voert onder 3.13 ten slotte aan dat de rov. 5.2.1 (kennelijk is bedoeld 5.21), 6.1 en 7 evenmin in stand kunnen blijven, nu het aldaar door het hof overwogene (deels) voortbouwt op het bestreden oordeel in rov. 5.15.

3.5

De klachten van onderdeel III.A lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.6

Art. 21 van de huwelijkse voorwaarden van 2 mei 200622 luidt als volgt:

“In geval het huwelijk eindigt door echtscheiding of tussen de echtgenoten scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, heeft de comparante sub 2, naast door de comparante sub 2 en eventuele kinderen te ontvangen alimentatie, in verband met het gegeven verschil in de maatschappelijke positie van de echtgenoten het recht op een uitkering ten laste van de comparant sub 1.

Gemelde uitkering zal bestaan uit een som in contanten, die wordt berekend als volgt:

voor iedere periode van twaalf maanden gedurende welke de comparanten gehuwd zijn geweest na acht mei tweeduizend zes: een netto-bedrag groot vijfentwintigduizend euro (EUR 25.000,-).

Wordt het huwelijk beëindigd tijdens een periode van twaalf maanden, dan zal de uitkering voor die betreffende periode tijdsevenredig worden verminderd.”

3.7

De man heeft in zijn pleitaantekeningen in hoger beroep het volgende zelfstandige verzoek geformuleerd23:

“Cliënt verzoekt gezien de omstandigheid dat de huwelijkse voorwaarden voorschrijven dat cliënt € 25.000,-- netto per jaar dient te betalen, welke van directe invloed is op de behoefte van [de vrouw] en de draagkracht van cliënt, om met deze situatie rekening te houden bij de berekening van de partneralimentatie en een jusvergelijking. Indien dit leidt tot een lagere partneralimentatie dan door de rechtbank op 24 oktober 2013 is vastgesteld, dan verzoekt cliënt alsnog zelfstandig deze beslissing van de rechtbank te vernietigen en alsnog rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, de lagere partneralimentatie vast te stellen, zoals uw Gerechtshof in goede justitie vermeent te behoren.

Dit verzoek mag worden gedaan in alimentatiekwesties, conform de uitspraak van de Hoge Raad van 12 mei 2006, NJ 2006, 293 (noot E.L. Schaafsma-Beversluis).”

3.8

Bij de beoordeling van de klachten van het onderdeel stel ik voorop dat art. 21 van de huwelijkse voorwaarden nadere uitleg behoeft. Zo blijkt uit de genoemde bepaling niet of zij een aanspraak op een periodieke uitkering dan wel een aanspraak op een uitkering ineens beoogt te vestigen. Art. 21 van de huwelijkse voorwaarden spreekt van “een som in contanten” die aldus wordt berekend dat voor ieder huwelijksjaar na 8 mei 2006 aanspraak op een nettobedrag van € 25.000,- bestaat. De huwelijkse voorwaarden bepalen niet wanneer en op welke wijze de man de bedoelde som in contanten dient te voldoen. Overigens zou niet slechts een door de man aan de vrouw te verstrekken periodieke uitkering, maar ook een door de man aan de vrouw te verstrekken uitkering ineens voor de beoordeling van de alimentatieaanspraak van de vrouw van belang kunnen zijn. In dit verband herinner ik eraan dat volgens de rechtspraak van de Hoge Raad voor de behoeftigheid van degene die vaststelling van een partneralimentatie verzoekt, mede diens vermogen van belang is24, en dat het voorts vaste rechtspraak van de Hoge Raad is dat bij het bepalen van de draagkracht in beginsel rekening dient te worden gehouden met alle schulden van de onderhoudsplichtige, ook met schulden waarop niet wordt afgelost25.

Onduidelijk is voorts wat de strekking is van de passage dat de vrouw, “naast door de comparante sub 2 en eventuele kinderen te ontvangen alimentatie, in verband met het gegeven verschil in de maatschappelijke positie van de echtgenoten het recht op een uitkering ten laste van de comparante sub 1 (heeft)”. De vrouw legt die passage aldus uit dat met die uitkering bij de bepaling van haar behoefte en bij de bepaling van de draagkracht van de man in het geheel geen rekening zou mogen worden gehouden. Tot die uitleg dwingt de geciteerde passage echter niet. Met die passage kan ook zeer wel zijn bedoeld zeker te stellen dat de beoogde uitkering niet tot afkoop van eventuele alimentatieaanspraken strekt en derhalve niet bij voorbaat aan dergelijke aanspraken in de weg staat, voor zover de (mede met inachtneming van die uitkering te bepalen) behoefte van de vrouw en de (mede met inachtneming van die uitkering te bepalen) draagkracht van de man daartoe nog aanleiding geven.

3.9

Ik begrijp het slot van rov. 5.15 aldus dat het hof zich buiten staat acht de in art. 21 van de huwelijkse voorwaarden voorziene uitkering bij de vaststelling van de partneralimentatie te betrekken, zolang over de exacte strekking van die bepaling nog geen duidelijkheid bestaat en bovendien nog onzeker is wanneer en hoe in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden betaling van de overeengekomen uitkering door de man aan de vrouw zal plaatsvinden. Aldus opgevat geeft het slot van rov. 5.15 niet van een onjuiste rechtsopvatting of een ontoereikende motivering blijk. Nu het huwelijk van partijen door echtscheiding is geëindigd26, staat het recht van de vrouw op de bedoelde uitkering weliswaar vast, maar nog niet wanneer en in welke vorm die uitkering daadwerkelijk voor haar beschikbaar zal komen en de daaraan voor de man verbonden lasten voor hem voelbaar zullen worden. In die zin is wel degelijk sprake van een toekomstige omstandigheid, waarmee de alimentatierechter (mits hij een redelijke mate van zekerheid heeft dat die omstandigheid zich in de toekomst zal voordoen) op voorhand rekening mag, maar niet behoeft te houden27. De klacht onder 3.3-3.9 is dan ook tevergeefs voorgesteld. Dat behoeft mijns inziens overigens niet uit te sluiten dat, na een cassatie en verwijzing op andere gronden, de verwijzingsrechter, afhankelijk van de stand van zaken ten tijde van zijn beslissing en de mate van zekerheid die op dat moment over de aan de vrouw toekomende uitkering zal bestaan, zou kunnen besluiten die uitkering alsnog in zijn oordeel te betrekken28.

3.10

Voor zover het onderdeel onder 3.10-3.12 klaagt over een onjuiste rechtsopvatting, althans een onvoldoende begrijpelijke gedachtegang, als het hof heeft bedoeld dat niet van belang is dat de man op grond van art. 21 van de huwelijkse voorwaarden een uitkering aan de vrouw is verschuldigd, althans dat zulks niet aan de door het hof vastgestelde behoefte van de vrouw en/of de draagkracht van de man kan afdoen, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 5.15 allerminst uitgesloten dat de door de man op grond van art. 21 van de huwelijkse voorwaarden verschuldigde uitkering van belang kan zijn met het oog op de vaststelling van de door de man verschuldigde partneralimentatie en de daarbij in aanmerking te nemen behoefte en draagkracht.

3.11

Nu de voorgaande klachten van het onderdeel niet slagen, doet de door het onderdeel onder 3.13 verdedigde doorwerking van het welslagen van die klachten in de rov. 5.21, 6.1 en het dictum zich niet voor.

3.12

Onderdeel III-B richt zich tegen de rov. 5.18 en 5.21, maar uitsluitend voor zover een of meer klachten van de vrouw ter zake van de door het hof gehanteerde ingangsdatum voor de definitieve partneralimentatieverplichting van de man tot cassatie leidt. Ik acht die voorwaarde vervuld.

3.13

Het onderdeel klaagt onder 3.15 dat de man het hof niet heeft verzocht zijn definitieve alimentatieverplichting in te laten gaan per 24 januari 2014, althans een andere datum gelegen vóór de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Volgens het onderdeel heeft de man verzocht om de tijd die de vrouw heeft gerekt - doordat zij appel instelde tegen de uitgesproken echtscheiding - van de alimentatietermijn van vijf jaar af te halen en die termijn per saldo dus korter te laten duren. Voor het bepalen van de duur van de termijn die de vrouw heeft gerekt, heeft de man het hof verzocht uit te gaan van de dag dat de echtscheidingsbeschikking had kunnen worden ingeschreven, als de vrouw geen appel tegen de uitgesproken echtscheiding had ingesteld. Die dag was 24 januari 2014, aldus het onderdeel. Het oordeel van het hof dat de definitieve alimentatieverplichting van de man aanvangt per 17 april 2014 en op nihil wordt gesteld per 17 april 2019 is derhalve, volgens het onderdeel onder 3.16, onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, althans is het hof met dit oordeel buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen getreden.

3.14

Volgens het onderdeel onder 3.16 raakt gegrondbevinding van de klacht ook de op het daarmee bestreden oordeel voortbouwende conclusie in rov. 6.1 dat het hof de datum waarop de onderhoudsbijdrage op nihil wordt gesteld zal aanvullen, alsmede het dictum voor zover daarin de ingangsdatum van de alimentatieverlichting van de man is bepaald op 17 april 2014 en deze bijdrage met ingang van 17 april 2019 op nihil is gesteld.

3.15

Dat de man het hof zou hebben verzocht de ingangsdatum van zijn alimentatieverplichting op 24 januari 2014 vast te stellen, valt naar mijn mening niet uit zijn stellingen te lezen en is kennelijk ook door het hof blijkens rov. 5.18 niet uit die stellingen afgeleid. Blijkens rov. 5.18, slot, heeft het hof uit de stellingen van de man niet meer afgeleid dan dat “(d)e man verzoekt (…) de ingangsdatum van de termijn van vijf jaar te bepalen op 24 januari 2014, de datum waarop de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven had kunnen zijn”. Die uitleg was geheel in lijn met de stellingen van de man, die in zijn verweerschrift onder 16 het hof had verzocht “te bepalen dat de termijn dat de vrouw heeft gerekt dit in mindering te laten strekken op de alimentatietermijn van 5 jaren” en daaraan bij gelegenheid van de mondelinge behandeling (pleitaantekeningen zijdens de man in hoger beroep, p. 3, laatste alinea) het verzoek had toegevoegd “uit te gaan van de datum waarop de inschrijving had kunnen plaatsvinden, te weten 24 januari 201429.

Dat het hof, in plaats van de termijn van vijf jaren, zoals door de man verzocht, te bekorten, slechts de aanvang (niet alleen van die termijn, maar ook) van de alimentatieverplichting zelf in strijd met het recht heeft verschoven tot een datum (17 april 2014) die vóór de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking is gelegen, valt inderdaad buiten hetgeen de man had verzocht. In zoverre is het hof getreden buiten de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep. Voorts is de bestreden beslissing, waarmee het hof kennelijk tegemoet heeft willen komen aan het verzoek van de man om de termijn van vijf jaren te bekorten, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk, nu van zodanige bekorting geen sprake is: het hof heeft immers bepaald dat de bijdrage met ingang van 17 april 2019 (exact vijf jaren na de nieuwe, door het hof bepaalde ingangsdatum van de alimentatie) op nihil wordt bepaald.

3.16

Gegrondbevinding van de klacht leidt ertoe dat ook het oordeel in rov. 6.1 (slot) en het dictum met betrekking tot de datum waarop de alimentatieverplichting van de man ingaat respectievelijk die met ingang waarvan zij op nihil is gesteld, niet in stand kunnen blijven.

4 Conclusie

De conclusie strekt zowel in het principale als in het incidentele beroep tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van het geding.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Rov. 3.1-3.4 van de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 17 april 2014 en rov. 3.1-3.5 van de bestreden beschikking van dat hof van 18 september 2014.

2 Zie voor die laatste datum de beschikking van de rechtbank Gelderland van 24 oktober 2013.

3 Voor de aanvang van deze procedure bepaalde de rechtbank Arnhem bij beschikking voorlopige voorzieningen van 4 december 2012 de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen op € 500,- per maand en de door de man te betalen voorlopige partneralimentatie op € 3.000,- per maand.

4 Zie voor die laatste datum de beschikking van de rechtbank Gelderland van 24 oktober 2013.

5 Zie voor die laatste datum de beschikking van de rechtbank Gelderland van 24 oktober 2013.

6 Zie voor die laatste datum de beschikking van de rechtbank Gelderland van 24 oktober 2013.

7 Uit de door de vrouw op 24 maart 2014 aan het hof overgelegde stukken (prod. 61-63) blijkt dat de man op 31 januari 2014 een verzoekschrift tot wijziging van de voorlopige voorzieningen had ingediend. Bij beschikking van 28 februari 2014 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland de zaak voor wat betreft de zorgregeling aangehouden en de man voor het overige niet-ontvankelijk in diens verzoek verklaard. Volgens de voorzieningenrechter is geen sprake van (gewijzigde) omstandigheden van een zodanige aard dat een herbeoordeling zou zijn gerechtvaardigd (rov. 3.2.2). Het feit dat de rechtbank in de bodemprocedure ten aanzien van de kinder- en partneralimentatie tot een ander oordeel is gekomen dan de voorzieningenrechter, maakt volgens de voorzieningenrechter niet dat de in de voorlopige voorzieningen vastgestelde bijdragen van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven hebben voldaan (rov. 3.2.3).

8 Zie rov. 3.1 van de bestreden beschikking.

9 ECLI:NL:GHARL:2014:7232.

10 Die conclusie wordt slechts indirect door subonderdeel I.2 ter discussie gesteld, voor zover zij bij gegrondbevinding van subonderdeel I.1 niet in stand zou kunnen blijven.

11 Een gerechtelijke erkentenis in de zin van art. 154 Rv is het in een aanhangig geding door een partij uitdrukkelijk erkennen van de waarheid van een of meer stellingen van de wederpartij. In dat verband is mede van belang dat de vrouw in de feitelijke instanties nimmer heeft gesteld dat haar behoefte € 1.196,50 netto per maand zou bedragen. Zij heeft aangevoerd dat haar behoefte € 6.221,- netto per maand is (aldus ook subonderdeel I.1, tweede alinea) en dus juist niet enig lager bedrag, zoals € 1.196,50 netto per maand.

12 HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6631, NJ 2002/185, rov. 3.4.

13 Parl. Gesch. Boek 1, p. 784, art. 1.17.1.11.

14 Kamerstukken II 1985/86, 19 295, nr. 3, p. 18.

15 Kamerstukken II 1986/87, 19 295, nr. 6, p. 14.

16 Zie ook Asser/De Boer 1* (2010), nr. 632; hof ’s-Gravenhage 30 juli 2008, ECLI:NL:GHSGR:2008:BE0076, NJF 2008/405, JPF 2008/144 m.nt. PVl.

17 Verweerschrift in appel, onder 16: “De rechtbank heeft alimentatie duur (van) de partneralimentatie reeds beperkt tot 5 jaren na de datum inschrijving echtscheidingsbeschikking. De inschrijving had kunnen plaatsvinden op 24 januari 2014. Door de proceshouding van de vrouw wordt deze termijn verlengd, zodat de man verzoekt de echtscheidingsbeschikking te bekrachtigen en te bepalen dat de termijn dat de vrouw heeft gerekt dit in mindering te laten strekken op de alimentatietermijn van 5 jaren”. Zie ook verweerschrift in appel onder 11: “(…) De man meent dat de vrouw hier misbruik maakt van het procesrecht. De vrouw veroorzaakt opzettelijk vertraging bij de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. (…).”

18 Pleitaantekeningen zijdens de man in hoger beroep: “Cliënt verzoekt daarom met klem om [de vrouw] niet te belonen in haar vertragingstactiek en de jurisprudentie op dit gebied te volgen (zie verweer op grief 1 waarin de vindplaatsen staan opgenomen) en uit te gaan van de datum waarop de inschrijving had kunnen plaatsvinden, te weten 24 januari 2014.

19 Pleitaantekeningen zijdens de man in hoger beroep, p. 3 (laatste alinea).

20 Deze vindplaatsen (hof ’s-Gravenhage 30 juli 2008, ECLI:NL:GHSGR:2008:BE0076, en hof ’s-Gravenhage 12 december 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ6304) betroffen een verkorting van de termijn gedurende welke alimentatie was verschuldigd (“aan de finish”) in verband met door de proceshouding van de alimentatiegerechtigde veroorzaakte vertraging respectievelijk een kostenveroordeling van de partij die in hoger beroep tevergeefs tegen de door de rechtbank uitgesproken echtscheiding was opgekomen.

21 Volgens het verweerschrift in cassatie onder 1.6 is de echtscheidingsbeschikking op 18 juli 2014 in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven. Volgens het verzoekschrift tot cassatie, voetnoot 2, is de echtscheidingsbeschikking op 28 juli 2014 ingeschreven.

22 Prod. 21 zijdens de man in hoger beroep.

23 De vrouw heeft in cassatie geen klacht gericht tegen het oordeel van het hof dat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek (rov. 15, laatste zin).

24 HR 12 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF7412, NJ 2009/13, rov. 3.4.

25 HR 9 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:40, RvdW 2015/144, rov. 3.3.3.

26 Zie voetnoot 21.

27 HR 30 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1335, NJ 2004/294 m.nt. SW, rov. 3.6.1.

28 Vgl. Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 (2012), nr. 114.

29 Boven de bedoelde passage in de pleitaantekeningen is het opschrift geplaatst “Ingangsdatum beslissing vaststellen op 24 januari 2014”. In dit opschrift wordt weliswaar gesproken van een “(i)ngangsdatum beslissing”, maar dat impliceert niet dat daarmee, in plaats van de eerder bedoelde ingangsdatum van de termijn van vijf jaren, de ingangsdatum van de alimentatieverplichting zelf zou zijn bedoeld.