Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2368

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-09-2015
Datum publicatie
10-12-2015
Zaaknummer
14/05974
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3500, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art 94 Sv. De Rb heeft de juiste maatstaf toegepast, maar haar oordeel dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert is, in aanmerking genomen hetgeen namens de klager naar voren is gebracht, zonder nadere motivering niet begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/05974 B

Zitting: 29 september 2015

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[klager]

1. De Rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft bij beschikking van 12 november 2014 het door klager ingediende klaagschrift ex art. 552a Sv ongegrond verklaard.

2. Tegen deze beschikking is namens klager cassatieberoep ingesteld.

3. Namens klager heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te Den Haag, een middel van cassatie voorgesteld.

4 Verloop van de procedure

4.1.

Het klaagschrift strekt tot teruggave aan klager van de op 12 juni 2014 onder hem in beslag genomen voorwerpen, te weten zes jerrycans gevuld met diesel, een 190 liter-vat gevuld met ongeveer 55 liter diesel, een leeg 190 liter-vat en een geldbedrag van € 325. Hiertoe is kort gezegd aangevoerd dat deze voorwerpen eigendom zijn van klager, dat hij de voorwerpen niet door misdrijf heeft verkregen en dat het belang van strafvordering zich niet verzet tegen de gevraagde teruggave.

4.2.

Het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift door de Rechtbank op 14 oktober 2014 luidt, voor zover relevant, als volgt:

“De officier van justitie voert het woord, zakelijk weergegeven, als volgt:
Het verzoekschrift dient ongegrond te worden verklaard omdat het onderzoek in de strafzaak tegen klager nog loopt. Klager wordt verdachte van heling van brandstof. Het beslag dient te worden gehandhaafd in verband met de waarheidsvinding. Indien het bewijs rond komt en het tot een veroordeling zou leiden, dan zijn de brandstof en het geld vatbaar voor verbeurdverklaring.

De advocaat voert het woord, zakelijk weergegeven, als volgt:
Ik handhaaf mijn verzoek tot teruggave van de onder klager inbeslaggenomen brandstof en een geldbedrag van 325 euro. Het onderzoek door de politie is afgerond. Dit blijkt uit het feit dat er tot nu toe geen nieuwe processen-verbaal zijn binnengekomen. De rechter-commissaris liet bij het verhoor van klager in verband met de toetsing van de inverzekeringstelling al doorschemeren dat dit geen sterke zaak was. De rechter-commissaris beoordeelde de inverzekeringstelling als onrechtmatig wegens het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld. Of het uiteindelijk tot een strafzaak komt, is dus erg onzeker. Het belang van strafvordering verzet zich derhalve niet langer tegen teruggave.

De officier van justitie voert het woord, zakelijk weergegeven, als volgt:
De strafzaak tegen klager loopt nog en het onderzoek door de politie is nog niet afgerond. Van de laatste ontwikkelingen in deze strafzaak ben ik niet op de hoogte. Als de rechtbank het noodzakelijk acht dat ik meer inlichtingen verschaf over de stand van zaken, dan verzoek ik de behandeling van het klaagschrift aan te houden. Indien uw rechtbank dit niet noodzakelijk acht, vorder ik de ongegrondverklaring van het klaagschrift.

De advocaat maakt bezwaar tegen een aanhouding van de behandeling en verzoekt de rechtbank zo spoedig mogelijk een beslissing te geven.

De rechter deelt mee dat de rechtbank zo spoedig mogelijk haar beslissing zal geven.”

4.3.

De Rechtbank heeft overwogen en beslist als volgt:

“Op grond van de inhoud van de voorhanden zijnde stukken is de rechtbank van oordeel dat de inbeslagname van voornoemde voorwerpen op zichzelf gerechtvaardigd is geweest. Uit deze stukken en hetgeen door de officier van justitie bij de behandeling naar voren is gebracht blijkt dat klager wordt aangemerkt als verdachte en dat strafvervolging zal plaatsvinden.

De rechtbank is van oordeel dat zich hier niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van de voorwerpen en het geld zal bevelen.

De rechtbank zal het klaagschrift, gelet op het vorenstaande, daarom ongegrond verklaren.”

5 Het middel

5.1.

Het middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, behelst de klacht dat het oordeel van de Rechtbank dat een belang van strafvordering aanwezig is voor het voortduren van het beslag omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen voorwerpen zal bevelen, onjuist is althans onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd.

5.2.

Ik merk allereerst op dat de Rechtbank zich in haar beschikking niet heeft uitgelaten over de vraag of de inbeslagneming is gebaseerd op art. 94 Sv of op art. 94a Sv. De aan het klaagschrift gehechte (kopieën van de) kennisgevingen van inbeslagneming houden echter in dat de voorwerpen ex art. 94 Sv in beslag zijn genomen en wel ten behoeve van de waarheidsvinding. De door de Rechtbank aangelegde toets is voorts duidelijk gestoeld op art. 94 Sv, hetgeen erop duidt dat de Rechtbank ervan is uitgegaan dat het beslag rechtsgrond vindt in dit artikel.

5.3.

In een geval als het onderhavige, waarin de beslagene zich bij Rechtbank beklaagt over de voortduring van het op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag en het uitblijven van een last tot teruggave aan hem, dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het in beslag genomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering verzet zich onder meer tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal bevelen.1

5.4.

Dat aan de inbeslagneming gebreken kleven op grond waarvan moet worden aangenomen dat het beslag onbevoegd is gelegd, lijkt tegenwoordig – tenzij het om gebreken in de “formaliteiten” gaat die de inbeslagneming “van onwaarde” maken – geen zelfstandige reden meer op te leveren om het beklag gegrond te verklaren. Zo dient de beklagrechter de vraag of ten tijde van de inbeslagneming jegens de klager een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit bestond, te beantwoorden “met het oog op de beantwoording van de vraag of een belang van strafvordering aanwezig is voor het voortduren van het beslag”.2 Ik begrijp daaruit dat de beklagrechter het beklag in een dergelijk geval ongegrond moet verklaren als er inmiddels – op het moment waarop hij oordeelt – wel voldoende belastend materiaal tegen de verdachte is op grond waarvan kan worden gezegd dat er een belang van de strafvordering is dat het voortduren van het beslag rechtvaardigt.

5.5.

In de overwegingen van de Rechtbank dat strafvervolging tegen klager zal plaatsvinden en dat zich niet voordoet het geval dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de voorwerpen verbeurd zal verklaren of zal onttrekken aan het verkeer, ligt als juiste maatstaf besloten dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Daarmee is nog niet gezegd dat de Rechtbank deze beslissing toereikend heeft gemotiveerd. Namens klager is bij de behandeling in raadkamer aangevoerd dat de Rechter-Commissaris de inverzekeringstelling onrechtmatig oordeelde omdat van een redelijk vermoeden van schuld geen sprake was. Tevens is aangevoerd dat er geen nieuwe processen-verbaal zijn binnengekomen. Daarin ligt de stelling besloten dat het vereiste redelijke vermoeden van schuld nog steeds ontbrak, dat er daarom geen grond is voor het instellen van een strafvervolging en dat het dus hoogst onwaarschijnlijk was dat de later oordelende strafrechter de voorwerpen zal verbeurd verklaren of onttrekken aan het verkeer.

5.6.

Hoewel het verhandelde in raadkamer daartoe alle aanleiding gaf, heeft de Rechtbank zich niet expliciet uitgelaten over de vraag of ten tijde van haar oordeel jegens klager een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit bestond. Misschien zou een bevestigend antwoord op deze vraag gelezen kunnen worden in haar overweging dat zij op grond van de inhoud van de voorhanden zijnde stukken van oordeel is dat de inbeslagneming van de desbetreffende voorwerpen gerechtvaardigd was. Op grond van hetgeen de Rechtbank daarop ter verduidelijking laat volgen, moet evenwel worden betwijfeld of die lezing juist is. De Rechtbank overweegt immers dat uit de stukken en uit de mededelingen van de Officier van Justitie blijkt “dat klager wordt aangemerkt als verdachte en dat strafvervolging zal plaatsvinden”. Dat klager op goede grond als verdachte wordt aangemerkt en dat er voldoende reden is om een strafvervolging in te stellen, is daarmee niet gezegd.

5.7.

Voor een welwillende lezing van een en ander zou wellicht grond gevonden kunnen worden in de gedingstukken en het verhandelde in raadkamer. Dat evenwel is niet het geval. Welke feiten en omstandigheden de Rechtbank bij de beoordeling heeft betrokken, wordt daaruit niet duidelijk. De Officier van Justitie heeft enkel aangevoerd dat het onderzoek door de politie nog niet was afgerond en dat hij niet op de hoogte was van de laatste ontwikkelingen in deze strafzaak. Uit het flinterdunne dossier dat aan de Hoge Raad is toegezonden, waarin geen enkel proces-verbaal van politie aanwezig is en de kennisgevingen van inbeslagneming alleen zijn te raadplegen doordat zij als bijlagen aan het klaagschrift zijn gehecht, kan niet worden opgemaakt wat de aanleiding was voor de inbeslagneming van de voorwerpen waarop het klaagschrift ziet. Het enige stuk dat enig licht op de zaak werpt, is een proces-verbaal van de rechter-commissaris in de Rechtbank Midden-Nederland van 13 juni 2014 betreffende een verhoor van klager in het kader van de toetsing van zijn inverzekeringstelling. Hieruit begrijp ik dat klager is aangehouden in verband met een diefstal van brandstof uit Zeewolde, maar welke feiten en omstandigheden ertoe hebben geleid dat de verdenking op klager is gevallen, is volkomen duister. Wel is duidelijk dat de rechter-commissaris onomwonden heeft geoordeeld dat op het moment van de aanhouding van klager geen redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit bestond.

5.8.

Bij deze stand van zaken acht ik het niet nader gemotiveerde oordeel van de Rechtbank dat erop neerkomt dat een belang van strafvordering aanwezig is voor het voortduren van het beslag, niet zonder meer begrijpelijk. Weliswaar is het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift over inbeslagneming noodzakelijkerwijs summier en voorlopig van aard,3 maar in de onderhavige zaak is, als de Rechtbank al heeft geoordeeld dat er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld dat (vooralsnog) voldoende grond oplevert voor een strafvervolging, dat oordeel wel buitengewoon karig gemotiveerd. Daarbij komt nog het volgende.

5.9.

Mocht de bestreden beschikking zo moeten worden begrepen dat de Rechtbank van oordeel is dat onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen niet hoogst onwaarschijnlijk is, dan is dat oordeel zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Immers, niet goed valt in te zien waarom het ongecontroleerde bezit van de in het klaagschrift bedoelde jerrycans en vaten (waarvan er één nota bene leeg was) in strijd is met de wet of het algemeen belang, terwijl het bovendien vaste rechtspraak is dat geld als wettig betaalmiddel niet vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer.4

5.10.

Voor zover de Rechtbank heeft geoordeeld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter de voorwerpen waarop het klaagschrift betrekking heeft verbeurd zal verklaren, acht ik ook dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. Nu heling impliceert dat de inbeslaggenomen (vaten met) diesel - even aangenomen dat deze diesel het voorwerp van het strafbare feit heeft uitgemaakt - niet aan klager toebehoren en door de Rechtbank geen feiten en omstandigheden zijn vastgesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat ofwel de rechthebbende bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit (art. 33a lid 2 sub a Sr) ofwel sprake is van de situatie dat niet is kunnen worden vastgesteld aan wie de voorwerpen toebehoren (art. 33a lid 2 sub b Sr), behoort ook verbeurdverklaring van de vaten met diesel niet zonder meer tot de mogelijkheden.5 Of het in beslag genomen geld aan de verdachte toebehoort en zo ja, in welke relatie dat geld dan staat tot de heling waarvan de klager wordt verdacht, is volstrekt onduidelijk. Ook in zoverre is de beschikking dus ontoereikend gemotiveerd.

5.11.

Ik veroorloof mij bij dit alles nog de volgende opmerkingen. Art. 552a Sv maakt deel uit van een stelsel van waarborgen dat beoogt te voorkomen dat voorwerpen naar willekeur in beslag worden genomen en gehouden. Zaken als de onderhavige lijken de bange twijfel te bevestigen dat dit stelsel niet naar behoren functioneert. Dat begint al bij de inbeslagneming zelf. Niet alleen is het de vraag of er ten tijde van die inbeslagneming wel een redelijk vermoeden van schuld aanwezig was, de vraag is ook of het beslag niet op oneigenlijke gronden is gelegd. Waarom het, gelet op de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, nodig was om de vaten met diesel, het lege vat en het geld ten behoeve van de waarheidsvinding in beslag te nemen, is onduidelijk, aangezien de waarheidsvinding afdoende lijkt te zijn gediend met het opmaken van een proces-verbaal van bevindingen. En zo al moet worden aangenomen dat er een reden was die maakte dat de vaten met diesel, het lege vat en het geld aan een nader onderzoek dienden te worden onderworpen, is niet duidelijk waarom dat nadere onderzoek niet binnen enkele dagen kon zijn afgerond. Dat roept de vraag op of de hulpofficier van justitie, aan wie de kennisgevingen van inbeslagneming in handen moesten worden gesteld om zo mogelijk zelf te beoordelen of het beslag dient te worden gehandhaafd (art. 94 lid 3 Sv jo. art. 116 lid 1 Sv), zijn taak wel naar behoren vervult. Dat roept ook de vraag op welke rol de officier van justitie, die gezien art. 116 lid 1 Sv medeverantwoordelijk is voor de handhaving van het beslag, voor zichzelf ziet weggelegd als het gaat om de vraag hoe te voorkomen dat een gelegd beslag zonder goede grond voortduurt. Erg actief lijkt die rol niet te zijn. Hoewel in de onderhavige zaak over het voortduren van het beslag werd geklaagd, vond de officier van justitie daarin geen aanleiding om zich van de stand van de zaak op de hoogte te stellen. Kennelijk verwachtte hij dat hij met de nietszeggende mededeling dat het onderzoek nog niet was afgerond, bij de beklagrechter wel zou wegkomen. Een verwachting die helaas niet van werkelijkheidszin is gespeend, zoals de onderhavige beschikking lijkt te bevestigen. Dat roept weer de vraag op hoe effective in de praktijk de beklagprocedure is als remedy tegen willekeurige inbeslagneming.

5.12.

Dat brengt mij op het volgende. De laatste jaren zijn van de rechtspraak van de Hoge Raad weinig tot geen signalen uitgegaan die de beklagrechter tot een kritische houding aansporen. De Hoge Raad lijkt niet moe te worden in het benadrukken van het gegeven dat de beklagprocedure een summier karakter draagt. Daar komt bij dat, zoals wij zagen, de onrechtmatigheid van de inbeslagneming geen zelfstandige reden meer vormt om het beklag ongegrond te verklaren, terwijl de Hoge Raad voorts meent dat de beslagene niets meer te klagen heeft als zijn spullen op voet van art. 117 Sv zijn vernietigd. Het door de Hoge Raad voorgeschreven criterium van de hoogste onwaarschijnlijkheid ten slotte bevordert bepaald geen indringende toetsing. Voor zover het daarbij gaat om de vraag of er voldoende bewijs is voor een veroordeling,6 valt er, aangenomen dat in elk geval sprake moet zijn van een redelijk vermoeden van schuld, nog wel wat voor te zeggen dat het beklag eerst gegrond is als het hoogst onwaarschijnlijk is dat een veroordeling volgt.7 Maar waarom het beklag pas gegrond is als verbeurdverklaring in geval van een eventuele veroordeling hoogst onwaarschijnlijk is, kan ik eerlijk gezegd niet volgen. Het komt erop neer dat voortzetting van het mogelijk op dubieuze gronden gelegde beslag al gerechtvaardigd wordt door het enkele feit dat er een theoretische mogelijkheid bestaat dat de strafrechter, als hij tot een veroordeling komt, de in beslag genomen voorwerpen zal verbeurdverklaren. In mijn ogen is er meer nodig om het laten voortduren van de inbreuk op het eigendomsrecht ‘noodzakelijk’ te oordelen in de zin van art. 1, Eerste Protocol bij het EVRM. Die inbreuk is pas gerechtvaardigd, zou ik zeggen, als er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat ingeval van een veroordeling verbeurdverklaring zal volgen.8 Dat betekent dat niet alleen getoetst moet worden of aan de wettelijke voorwaarden voor verbeurdverklaring is voldaan, maar ook of verbeurdverklaring gelet op de bestaande straftoemetingspraktijk in de rede ligt. Daarbij zou het feitelijk uitgangspunt niet de situatie moeten zijn waarmee de strafrechter zich ziet geconfronteerd als het beslag voortduurt (‘er ligt nog beslag waarmee we wat moeten’). De vraag zou veeleer moeten zijn of, als het beslag wordt opgeheven, dat door de straf toemetende rechter als een gemis zal worden ervaren. Ik merk daarbij op dat ook voorwerpen die niet in beslag zijn genomen, verbeurdverklaard kunnen worden (zie art. 34 lid 1 Sr). Ik merk ook op dat er andere sancties zijn dan verbeurdverklaring waarmee de verdachte in zijn vermogen kan worden getroffen. Erg groot is de behoefte aan verbeurdverklaring daardoor in veel gevallen niet.

5.13.

Ik spits dit toe op de onderhavige zaak. Zo de strafrechter al zou oordelen dat de diesel het voorwerp van het strafbare feit uitmaakt en dat niet kan worden vastgesteld aan wie die diesel toebehoort (art. 33a lid 2 sub b Sr), dan nog ligt bewaring ten behoeve van de rechthebbende meer in de rede dan verbeurdverklaring.9 Diesel en geld zijn voorts vervangbare gebruiksgoederen zonder bijzondere emotionele waarde, zodat niet goed valt in te zien waarom de verdachte door het verlies van juist deze voorwerpen zwaarder of op andere wijze zou worden getroffen dan door de betaling van de geschatte waarde ervan (art. 34 lid 1 Sr) of door de betaling van een (afroom)boete. Vanuit een oogpunt van straftoemeting heeft de mogelijkheid van verbeurdverklaring in dit geval dus weinig tot geen toegevoegde waarde.

5.14.

Het middel is terecht voorgesteld.

6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terugwijzing of verwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010, 654, rov. 2.8-2.9.

2 Zie in het bijzonder HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:130, NJ 2013, 578 m.nt. Schalken, rov. 3.6.

3 HR 28 september 2010, voornoemd, rov. 2.2.

4 HR 8 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7626, NJ 2007, 437, rov. 3.5.1.

5 Vgl. mijn conclusie voor HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4278, alinea 5.6, alsmede R.M. Vennix, Boef en beslag, diss. KUN 1998, p. 96-100.

6 Voor verbeurdverklaring is een veroordeling een vereiste, voor onttrekking aan het verkeer niet. Vanwege dat verschil beperk ik mij in het navolgende kortheidshalve tot de verbeurdverklaring.

7 Vanzelfsprekend is dat criterium echter niet. Art. 67 lid 3 Sv laat zien dat een meer indringende toetsing mogelijk is zonder dat de raadkamer op de stoel van de strafrechter gaat zitten.

8 Ik bepleit dus verschillende criteria voor de bewijsvraag en de vraag naar de sanctieoplegging, zoals ook het geval is bij de voorlopige hechtenis. Daar staan de ‘ernstige bezwaren’(art. 67 lid 3 Sv) naast het anticipatiegebod (art. 67a lid 3 Sv).

9 Vgl R.M. Vennix, a.w., p. 100.