Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2367

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-09-2015
Datum publicatie
09-12-2015
Zaaknummer
14/03988
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3499
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 94 Sv. Art. 552a Sv. Conservatoir beslag. Beslag op de voet van 94a lid 1 of lid 2 Sv? Bevoegdheid Rb / Hof. Redelijke wetstoepassing brengt mee dat, indien het gerecht waarbij een klaagschrift a.b.i. art. 552a Sv is ingediend constateert dat het niet bevoegd is tot afdoening daarvan, dit gerecht bepaalt dat de griffier de stukken zal zenden naar het bevoegde gerecht. De HR doet wat de Rb had behoren te doen en zendt de stukken ter verdere behandeling en afdoening van het klaagschrift naar het Gerechtshof Den Haag. Opmerking verdient dat de Rb in het midden heeft gelaten of het conservatoir beslag is gelegd op de voet van art. 94a lid 1 Sv, dan wel op de voet van lid 2, dan wel op beide. Indien het Hof vaststelt dat het beslag (mede) op de voet van art. 94a lid 2 Sv is gelegd, kan het Hof het klaagschrift (ook in zoverre) zelf behandelen en afdoen, tenzij de klager of de AG verlangen dat de stukken ter verdere behandeling en afdoening van het klaagschrift (in zoverre) zullen worden gezonden naar de Rb, als de bevoegde instantie ten aanzien van een op de voet van art. 94a lid 2 Sv gelegd beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/03988 B

Zitting: 29 september 2015

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[klager]

1. Bij beschikking van 22 juli 2014 heeft de Rechtbank Rotterdam zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het door klager ingediende klaagschrift ex art. 552a Sv.

2. Tegen deze uitspraak is namens klager cassatieberoep ingesteld.

3. Namens klager heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te Den Haag, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4 Verloop van de procedure

4.1.

Sinds 2004 loopt tegen klager een strafrechtelijk onderzoek wegens verdenking van - kort gezegd - corruptie in zijn functie van directeur van [A] NV. In het kader van dit onderzoek is op 26 januari 2010 en 18 februari 2010 beslag gelegd op respectievelijk twee bankrekeningen en het ABP-pensioen van klager. Op 2 februari 2010 heeft de rechter-commissaris een machtiging conservatoir beslag ex art. 103 lid 1 Sv afgegeven. Klager is op 15 oktober 2010 in eerste aanleg door de Rechtbank Rotterdam wegens valsheid in geschrift, ambtelijke omkoping en oplichting veroordeeld tot een (gedeeltelijk voorwaardelijke) gevangenisstraf.1 Tegen dit vonnis is door zowel klager als het OM tijdig hoger beroep ingesteld.

4.2.

Ten tijde van de behandeling in eerste aanleg van de strafzaak tegen klager is door het OM een ontnemingsvordering ex art. 36e Sr aangekondigd. Zo een vordering is echter niet binnen twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg als voorgeschreven in art. 511b lid 1 Sv, bij de Rechtbank aanhangig gemaakt. Ook niet op een later tijdstip overigens.

4.3.

De onderhavige procedure is niet de eerste keer dat klager zich schriftelijk beklaagt over het uitblijven van een last tot teruggave van het beslag. Ook op 22 november 2010 is een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend, hetwelk heeft geresulteerd in een beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 24 mei 2011.2 Bij deze beschikking is het beklag deels gegrond verklaard, is het onder het ABP gelegde beslag op de pensioenuitkering van klager opgeheven tot een bedrag van € 2.000 per maand en is de teruggave daarvan aan klager gelast. Voor het overige is het beklag ongegrond verklaard.

4.4.

Op 2 april 2014 is het onderhavige klaagschrift, dat strekt tot opheffing van het nog rustende beslag, ingediend ter griffie van de Rechtbank Rotterdam.

4.5.

In het klaagschrift wordt aangevoerd dat nu bij de behandeling in eerste aanleg van de strafzaak tegen klager door het OM geen geldboete is geëist en zo een vermogenssanctie ook niet is opgelegd door de Rechtbank, terwijl wel een ontnemingsvordering werd aangekondigd, het op de voet van art. 94a Sv gelegde conservatoir beslag kennelijk uitsluitend ziet op het verkrijgen van zekerheid ter mogelijke ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Aangezien de aangekondigde ontnemingsvordering niet binnen twee jaren na het vonnis in eerste aanleg aanhangig is gemaakt en ontneming van het mogelijk door de in de hoofdzaak bewezenverklaarde misdrijven verkregen wederrechtelijk voordeel dus niet meer mogelijk is, moet het beslag met onmiddellijke ingang worden opgeheven, aldus het klaagschrift.

4.6.

Het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling van dit klaagschrift op 22 juli 2014 houdt, voor zover relevant, het volgende in:

“De voorzitter deelt mede dat thans eerst de vraag aan de orde is, of de rechtbank bevoegd is om van het onderhavige klaagschrift kennis te nemen.

De officier van justitie verklaart:
Het standpunt van het openbaar ministerie luidt, dat de rechtbank onbevoegd is om van het klaagschrift kennis te nemen en dat de stukken ter afdoening zullen worden gezonden naar het gerechtshof te ’s-Gravenhage, omdat de strafzaak tegen klager als verdachte inmiddels bij dat gerechtshof aanhangig is.
Ik verwijs naar het arrest van de Hoge Raad, HR 24 oktober 1995, DD 96.082.

De raadsman verklaart:
(…) Ik ben het niet met het openbaar ministerie eens, want ik vind dat de rechtbank wel degelijk bevoegd is om van het klaagschrift kennis te nemen. (…)

De raadsman voert vervolgens het woord overeenkomstig de door hem overgelegde pleitaantekeningen. (…)

De officier van justitie repliceert:
Op dit moment is er geen ontnemingszaak tegen klager aanhangig en het staat de advocaat-generaal bij het gerechtshof vrij om een geldboete tegen klager als verdachte te eisen en daar kan het conservatoir beslag ook voor dienen.

De raadsman dupliceert:
Er is conservatoir beslag gelegd met het oog op een ontnemingsvordering en niet met het oog op een op te leggen geldboete.
Nu blijkt dat verzuimd is om tijdig een ontnemingsvordering in te dienen kan het niet de bedoeling zijn, dat de rechtbank onbevoegd is om van het klaagschrift kennis te nemen.

(…)

Na beraad deelt de voorzitter als beslissing van de rechtbank mede, dat de rechtbank zich onbevoegd acht van het onderhavige klaagschrift kennis te nemen.”

4.7.

Uit de tijdens de raadkamerbehandeling door de raadsman voorgedragen pleitaantekeningen blijkt dat de raadsman zijn stelling dat de Rechtbank bevoegd is, heeft onderbouwd met een verwijzing naar HR 14 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9239, NJ 2006, 628. In die beschikking maakte de Hoge Raad wat de bevoegdheidsvraag betreft onderscheid tussen beslag dat ex art. 94 Sv is gelegd en beslag dat is gegrond op art. 94a Sv.

4.8.

De Rechtbank heeft in de bestreden beschikking de volgende overweging gewijd aan haar beslissing dat zij onbevoegd is kennis te nemen van het klaagschrift:

“De rechtbank acht zich onbevoegd van het onderhavige klaagschrift kennis te nemen, nu er op dit moment geen enkele zaak -ook geen ontnemingszaak- tegen klager bij dit gerecht aanhangig is, terwijl de strafzaak tegen klager als verdachte inmiddels aanhangig is bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage.
De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat een conservatoir beslag ex artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering ook kan dienen tot verhaal ter zake van een eventueel in de hoofdzaak tegen klager als verdachte op te leggen geldboete.”

5 Het eerste middel

5.1.

Het middel klaagt dat de Rechtbank zich ten onrechte, althans op onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden onbevoegd heeft verklaard tot kennisneming van het klaagschrift.

5.2.

De leden 3 en 4 van art. 552a Sv luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

(3) Het klaagschrift (..) wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen (..) ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift (...) is niet ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.

(4) Indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld wordt het klaagschrift (..) zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee jaren na de inbeslagneming, (..) ingediend ter griffie van de rechtbank van het arrondissement, binnen hetwelk de inbeslagneming (..) is geschied. De rechtbank is bevoegd tot afdoening tenzij de vervolging mocht zijn aangevangen voordat met de behandeling van het klaagschrift (..) een aanvang kon worden gemaakt. In dat geval zendt de griffier het klaagschrift of het verzoek ter afdoening aan het gerecht, bedoeld in het vorige lid.

5.3.

Het middel sluit aan bij het in feitelijke aanleg gevoerde betoog en beroept zich derhalve eveneens op HR 14 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9239, NJ 2006, 628. Deze beschikking houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"3.4.1. Het gaat in dit geding om het geval dat de strafzaak, waarin op de voet van art. 94 Sv een voorwerp - hier: de telefoon - inbeslaggenomen is, in hoger beroep aanhangig is bij het Gerechtshof en deze hoofdzaak dus voor het Hof wordt vervolgd als bedoeld in art. 552a, derde lid, (oud) Sv, en de ontnemingszaak, in het kader waarvan - de overige - voorwerpen op de voet van art. 94a, tweede lid, Sv inbeslaggenomen zijn, nog bij de Rechtbank aanhangig is, terwijl het bij de Rechtbank ingediende klaagschrift al deze voorwerpen betreft.

3.4.2.

In een dergelijk geval is de rechtbank op grond van art. 552a, derde lid, (oud) Sv niet bevoegd tot kennisneming van het beklag voor zover het de op de voet van art. 94 Sv inbeslaggenomen voorwerpen betreft.
Een redelijke toepassing van art. 552a, derde lid, (oud) Sv brengt mee dat de rechtbank, als het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de ontnemingszaak wordt vervolgd in de zin van deze bepaling, wel bevoegd is tot kennisneming van het klaagschrift voor zover dat betrekking heeft op de voorwerpen die op de voet van art. 94a, tweede lid, Sv inbeslaggenomen zijn.

3.5.

De Rechtbank heeft zich derhalve terecht (gedeeltelijk) bevoegd geacht kennis te nemen van het klaagschrift voor zover dit betrekking heeft op de voorwerpen die op de voel van art 94a, tweede lid, Sv inbeslaggenomen zijn."

5.4.

De vraag waarom de Hoge Raad deze toepassing van art. 552a lid 3 Sv - die meebrengt dat de beslagene met zijn klachten naar het kastje én de muur wordt gestuurd - “redelijk” heeft geoordeeld, laat ik voorlopig even rusten. Ik bespreek eerst de vraag hoe de bedoelde beschikking precies moet worden begrepen. De geciteerde overwegingen roepen namelijk diverse interpretatievragen op. Dat komt mede doordat de Hoge Raad in rov. 3.4.1 eerst het voorliggende geval schetst, om vervolgens, in rov. 3.4.2, te bepalen wat “in een dergelijk geval” heeft te gelden. Dat roept de vraag op wanneer van “een dergelijk geval” sprake is en tevens de vraag wat heeft te gelden in andere gevallen. Hetzelfde of iets anders?

5.5.

Tot het door de Hoge Raad geschetste geval behoort dat de ontnemingszaak in het kader waarvan het conservatoire beslag is gelegd, bij de rechtbank aanhangig is. De vraag is hoe moet worden geoordeeld in gevallen waarin de ontnemingszaak (nog) niet bij de rechtbank aanhangig is. Is dan het hof bevoegd omdat van “een dergelijk geval” geen sprake is? Of geldt, gezien de in rov. 3.4.2 gebezigde terminologie, dat de rechtbank bevoegd is in alle gevallen waarin de ontnemingszaak nog voor de rechtbank “wordt vervolgd”? De vraag daarbij is wanneer van een dergelijke vervolging moet worden gesproken. Is dat steeds het geval als een sfo is gevorderd? En ook als enkel een machtiging ex art. 103 Sv is gevorderd?

5.6.

Tot het door de Hoge Raad geschetste geval behoort ook dat de hoofdzaak in hoger beroep aanhangig is bij het gerechtshof. De vraag is weer of dat een wezenlijk kenmerk van dat geval is. Moet anders worden geoordeeld als de zaak niet meer aanhangig is in hoger beroep? Moet daarbij onderscheid worden gemaakt tussen het geval waarin de uitspraak van het hof onherroepelijk is en het geval waarin dat niet het geval is doordat tegen die uitspraak nog een cassatieberoep loopt?

5.7.

Tot het door de Hoge Raad geschetste geval behoort verder dat zowel ex art. 94 Sv als ex art. 94a Sv beslag is gelegd en dat die beslaglegging verschillende goederen betreft. Het geval kan ook zijn dat uitsluitend conservatoir beslag is gelegd (met het oog op voordeelsontneming). Ik neem aan dat in dit geval eveneens heeft te gelden dat de Rechtbank bevoegd is als de ontnemingszaak bij haar aanhangig is en de hoofdzaak voor het hof wordt vervolgd. Moeilijker wordt het als op een en hetzelfde voorwerp zowel conservatoir als klassiek beslag rust. Men denke bijvoorbeeld aan het geval dat het voorwerp zowel is beslagen met het oog op een eventuele verbeurdverklaring als met het oog op voordeelsontneming. Is dan, als de ontnemingszaak bij de rechtbank ligt en de hoofdzaak bij het hof, de rechtbank bevoegd om zowel over het conservatoire beslag als over het klassieke beslag te oordelen? Of is dan juist het hof als enige bevoegd? Of, derde mogelijkheid, moet aangenomen worden dat de beslagene ook in dit geval niet bij één loket terecht kan, maar zich bij de rechtbank moet beklagen voor zover het om conservatoir beslag gaat en bij het hof voor zover sprake is van beslag ex art. 94 Sv?

5.8.

Tot het door de Hoge Raad geschetste geval behoort voorts dat het conservatoir beslag is gelegd “in het kader van” de ontnemingszaak. Dat roept de vraag op hoe moet worden geoordeeld als het conservatoire beslag niet op grond van art. 94a lid 2 Sv is gelegd, maar op grond van art. 94a lid 1 Sv (verhaal geldboete) of op grond van art. 94a lid 3 Sv (verhaal schadevergoedingsmaatregel).3 Er lijkt dan geen reden om de rechtbank bevoegd te achten als de hoofdzaak voor het hof wordt vervolgd, ook niet als bij de rechtbank een ontnemingszaak aanhangig is. Maar de vraag is dan wel hoe moet worden geoordeeld als het conservatoire beslag op verschillende gronden is gelegd. In zijn conclusie die voorafging aan de beschikking van de Hoge Raad wees P-G Fokkens er al op dat dit een reële mogelijkheid is. “Eenzelfde goed kan bijvoorbeeld ter verhaal van zowel een geldboete, als ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in beslag zijn genomen.” Ik voeg daaraan toe dat tegenwoordig ook de combinatie van beslag gericht op voordeelsontneming en beslag met het oog op het verhaal van een schadevergoedingsmaatregel denkbaar is. In dergelijke gevallen van gecombineerde beslaggronden rijzen soortgelijke vragen als die aan het slot van punt 5.7 werden opgeworpen met betrekking tot de combinatie klassiek en conservatoir beslag. Is uitsluitend de rechtbank bevoegd of juist alleen het hof? Of moet weer gesplitst worden naar de grond van het beslag, zodat de rechtbank bevoegd is voor zover het om ontnemingsbeslag gaat en het hof voor zover het beslag berust op art. 94a lid 1 of art. 94a lid 3 Sv?

5.9.

Een bijkomende vraag is hoe moet worden uitgemaakt of het desbetreffende voorwerp (uitsluitend of mede) in het kader van de ontnemingszaak in beslag is genomen. Soms zal daarover weinig twijfel bestaan. Als het voorwerp tijdens een strafvorderlijk financieel onderzoek zonder verdere rechterlijke machtiging in beslag is genomen, zal het er gezien de huidige - onlangs gewijzigde4 - tekst van art. 126b lid 1 Sv wel voor kunnen worden gehouden dat het (alleen) om beslag ex art. 94a lid 2 Sv gaat. In andere gevallen zal het antwoord mogelijk kunnen worden gevonden door nadere raadpleging van de stukken van het geding, waaronder in het bijzonder de machtiging ex art. 103 Sv en de daartoe strekkende vordering van de officier van justitie, (de kopie van) het bewijs van ontvangst en de kennisgeving van inbeslagneming. Niet verwacht mag echter worden dat de gedingstukken altijd direct uitsluitsel bieden. Ik merk bij dit alles op dat het voor de beslagene (of andere belanghebbende) die beklag wenst te doen, in veel gevallen niet duidelijk zal zijn bij welke instantie (rechtbank of hof) hij moet wezen. Van de gedingstukken kan hij immers pas kennisnemen nadat beklag is gedaan (art. 23 lid 5 Sv).

5.10.

Bij de beantwoording van de vraag of het beslag al dan niet in het kader van de ontnemingszaak is gelegd, kan men niet alleen op praktische problemen stuiten, maar ook tegen principiële vragen aanlopen. Ik zal dat pogen te verduidelijken aan de hand van een voorbeeld. Onder de gelding van de oude, onlangs gewijzigde tekst van art. 126b lid 1 Sv was onzeker of de officier van justitie tijdens een strafrechtelijk financieel onderzoek zonder voorafgaande machtiging van de RC beslag kon leggen op grond van art. 94a lid 1 Sv. Stel dat de OvJ zich ten aanzien van een onder de oude wet gelegd beslag op het standpunt stelt dat een machtiging niet was vereist en dat het beslag dus rechtsgeldig op grond van art. 94a lid 1 Sv is gelegd. Moet de rechter dan in het kader van de bevoegdheidsvraag ingaan op de vraag of dat standpunt juist is, of komt die vraag pas aan de orde als over de gegrondheid van het beklag moet worden geoordeeld? Als dat laatste het geval is, lijkt het gevolg te zijn dat het standpunt dat de officier van justitie bij de behandeling in raadkamer inneemt over de grondslag van het beslag, zonder meer bepalend is voor de vraag of de rechter bevoegd is. Daarbij moet worden bedacht dat dit standpunt in de loop van de procedure kan wijzigen.

5.11.

Het gegeven voorbeeld staat niet op zichzelf. Zo is omstreden of de officier van justitie een op grond van art. 94 Sv gelegd beslag tijdens het strafrechtelijk financieel onderzoek zonder voorafgaande machtiging mag omzetten in een conservatoir beslag.5 Moet de beklagrechter, als een dergelijke omzetting heeft plaatsgevonden, constateren dat het voorwerp dus de facto in het kader van de ontnemingszaak in beslag is genomen6 en de vraag of die omzetting rechtsgeldig is, opzouten tot over de gegrondheid van het beklag wordt geoordeeld? Een andere variant betreft het volgende. De huidige tekst van art. 126b lid 1 Sv stelt buiten twijfel dat de OvJ een machtiging ex 103 Sv van node heeft als hij tijdens het sfo beslag ex art. 94a lid 1 of 94a lid 3 Sv wenst te leggen. Minder duidelijk is of een dergelijke machtiging is vereist als de OvJ een tijdens het sfo gelegd ontnemingsbeslag (art. 94a lid 2 Sv) wil combineren met schadevergoedingsbeslag (art. 94a lid 3 Sv). Is dan een machtiging vereist voor zover het om die laatste beklaggrond gaat? Onduidelijk is ook wat rechtens is als de OvJ een tijdens het sfo ex art. 94a lid 2 Sv gelegd beslag op een later tijdstip wenst om te zetten in - of aan te vullen met - een schadevergoedingsbeslag. Is voor die verandering van beslaggrond een machtiging van de RC vereist? Diezelfde vraag ten slotte speelt ook bij verandering van beslaggronden als het conservatoir beslag met machtiging van de RC is gelegd of gehandhaafd. Mag, als de machtiging is beperkt tot beslag ex art. 94a lid 2 Sv, de OvJ dit zonder nadere machtiging omzetten in een beslag ex art. 94a lid 1 Sv? Bij alle hier gegeven voorbeelden kan de vraag worden gesteld of de beklagrechter in voorkomende gevallen reeds bij de beoordeling van zijn bevoegdheid op de uitleg van de wet moet ingaan. En steeds geldt dat een negatieve beantwoording van deze vraag tot consequentie lijkt te hebben dat de beklagrechter de bij de behandeling in raadkamer gedane mededeling van de OvJ dat hij de beklaggronden ter plekke heeft gewijzigd of aangevuld, tot feitelijk uitgangspunt moet nemen bij de beoordeling van zijn bevoegdheid.

5.12.

De onderhavige zaak vormt van deze problematiek een illustratie. Uit de bestreden beschikking blijkt niet precies op welke gronden het beslag aanvankelijk is gelegd. De aan de Hoge Raad toegezonden stukken geven daar evenmin uitsluitsel over. 7 Uit de bestreden beschikking kan alleen worden afgeleid dat het beslag in elk geval mede is gelegd met het oog op een ontnemingsvordering en dus mede in het kader van een ontnemingszaak tegen klager. Of art. 94a lid 2 Sv de enige beslaggrond was, staat daarmee echter niet vast. Bij de behandeling in raadkamer stelde de officier van justitie dat de advocaat-generaal bij het Hof een geldboete kon eisen, waaraan hij toevoegde: “daar kan het conservatoire beslag ook voor dienen”. Die stellingname is niet problematisch als het beslag destijds mede op basis van art. 94a lid 1 Sv is gelegd. Dat is anders als het beslag aanvankelijk uitsluitend op art. 94a lid 2 Sv berustte. Dan lijkt de stellingname te impliceren dat de officier van justitie – mogelijk onbevoegd, want zonder machtiging van de RC – de beslaggrond van art. 94a lid 2 Sv in raadkamer heeft aangevuld met die van art. 94a lid 1 Sv. Als evenwel juist is dat de rechtmatigheid van die omzetting bij de beoordeling van de bevoegdheid van de rechtbank buiten beschouwing moet blijven, zal ook in dit geval het feitelijke uitgangspunt bij die beoordeling moeten zijn dat sprake is van een combinatie van beslaggronden.

5.13.

Misschien kan zelfs een stapje verder worden gegaan en worden gezegd dat de stellingname van de officier van justitie, beschouwd in het licht van het feit dat de twee-jaarstermijn waarbinnen de ontnemingsvordering had moeten zijn ingediend reeds ruimschoots was overschreden, impliceert dat het Openbaar Ministerie art. 94a lid 2 Sv als beklaggrond heeft laten vallen en dat het ex art. 94a lid 2 Sv gelegde conservatoire beslag dus – mogelijk onbevoegd – is omgezet in beslag ex art. 94a lid 1 Sv. De conclusie had dus wellicht kunnen zijn dat van een in het kader van een ontnemingsvordering gelegd beslag geen sprake meer was.

5.14.

Na deze verkenning van de onduidelijkheden die de beschikking van de Hoge Raad van 14 november 2006 aankleven, is het tijd om de blik te richten op de vraag op welke gronden de toepassing die daarin door de Hoge Raad aan art. 552a lid 3 Sv is gegeven, redelijk zou kunnen worden genoemd. Ik vermeld in dit verband dat de bedoelde beschikking is voorafgegaan door HR 28 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0305, NJ 1996, 383. Uit de conclusie van A-G Van Dorst kan worden opgemaakt dat de klager/verdachte in de hoofdzaak reeds onherroepelijk was veroordeeld door het Gerechtshof en dat ten tijde van het indienen van het klaagschrift ex art. 552a Sv het tegen klager ingestelde sfo nog liep. A-G Van Dorst wierp ambtshalve de vraag op of de Rechtbank zich onder die omstandigheden terecht bevoegd had geacht om over het beklag te oordelen. Hij beantwoordde die vraag bevestigend. De Hoge Raad zag geen reden voor ambtshalve cassatie, hetgeen destijds nog wel iets zei.8

5.15.

Hier van belang is de argumentatie waarmee A-G Van Dorst zijn standpunt kracht bij zette. Een andere opvatting zou zijns inziens leiden “tot de proces-economisch ongewenste uitkomst dat het hof zou moeten beslissen over een klaagschrift dat betrekking heeft op een beslaglegging in het kader van een onderzoek waarmee het verder geen enkele bemoeienis heeft, zolang niet tegen de eventuele ontnemingsbeslissing hoger beroep is ingesteld”. Van Dorst meende daarbij dat voor zijn standpunt steun kon worden gevonden in een passage uit de MvT bij de Wet van 10 december 1992, Stb. 1993, 11, Kamerstukken 1989-1990, 21504, nr. 3, p. 44-45. Deze passage luidt als volgt:

“De ondergetekende heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt een wijziging voor te stellen van de termijn waarbinnen een beklag op grond van artikel 552aartikel 552a Sv kan worden ingesteld. Thans is bepaald, dat het beklag binnen drie jaren na de inbeslagneming moet zijn ingediend. Dat kan tot gevolg hebben dat wanneer de vervolging zich over een langere periode uitstrekt - hetgeen wanneer hoger beroep en cassatieberoep wordt ingesteld gemakkelijk het geval kan zijn - een tardief ingesteld beklag niet meer door de strafrechter kan worden behandeld, ook al is de vervolging nog gaande. Dan blijft echter de gang naar de burgerlijke rechter open, met als consequentie dat het dossier tussen het strafrechtelijk en civielrechtelijk circuit zal gaan circuleren. Zulks is niet doelmatig. De kans daarop wordt als gevolg van het instellen van s.f.o.'s en de afsplitsing van ontnemingsprocedures van de hoofdzaak alleen maar groter. Vandaar dat wordt voorgesteld dat beklag op grond van artikel 552a Sv in beginsel ontvankelijk is zolang de vervolging, waaronder mede begrepen is een s.f.o. en een ontnemingsprocedure nog loopt (mijn cursivering, vD). De uiterste termijn daarbij is gelegd bij drie maanden nadat de vervolging der zaak tot een einde is gekomen.”

5.16.

Ik moet bekennen dat ik niet zie welke steun deze passage biedt voor de door A-G Van Dorst verdedigde opvatting. Uit die passage blijkt dat het begrip vervolging bij de toepassing van art. 552a lid 3 Sv ruim moet worden genomen en dat daarom ook de ontnemingsprocedure tot de vervolging moet worden gerekend. Daaruit valt naar mijn mening af te leiden dat die vervolging als een (alles omvattend) geheel moet worden genomen en dus juist niet gesplitst moet worden in twee vervolgingen en een daaraan gekoppelde aparte bevoegdheid. Door die opsplitsing wordt het nodeloos ingewikkeld. Dan namelijk lijkt het aan te komen op de vraag of in de ontnemingszaak “wordt vervolgd” (vgl. onder 5.5) dan wel of die vervolging “niet of nog niet is ingesteld”. Ook kan dan de vraag rijzen of de ontnemingszaak inmiddels is geëindigd (doordat de termijn van art. 511b lid 1 Sv is overschreden), zodat wellicht moet worden gezegd dat de zaak “werd vervolgd”. Niet uit het oog mag worden verloren dat de geciteerde passage betrekking heeft op de vraag binnen welke termijn beklag moet worden gedaan. Die vraag speelt in de onderhavige zaak niet. Duidelijk is dat de vervolging (in ruime zin) nog niet ten einde is gekomen, nu de hoofdzaak in hoger beroep aanhangig is. Iets anders is dat het ruime vervolgingsbegrip dat uit de passage spreekt, maakt dat de zaak bij verschillende gerechten (rechtbank en hof) tegelijk kan “worden vervolgd”. De bevoegdheidsregeling van art. 552a, leden 3 en 4, Sv voorziet daarin niet, zodat inderdaad naar een redelijke oplossing voor dat probleem moet worden gezocht. Maar in welke richting die oplossing moet worden gevonden, valt in de bedoelde passage niet te lezen.

5.17.

Zoals P-G Fokkens liet zien in zijn conclusie die voorafging aan de beschikking van 14 november 2006, vindt de opvatting van Van Dorst, waarbij hij zich aansloot, brede steun in de literatuur.9 Keulen evenwel oordeelde anders. Hij wees erop dat het beslag op uiteenlopende gronden kan berusten en vreesde tegenstrijdige uitspraken als de bevoegdheid om over het klaagschrift te oordelen over verschillende rechters wordt verdeeld.10 Ik meen dat het verdelen van de bevoegdheid over verschillende rechters op zich al bezwaarlijk is, omdat de klager zo niet bij één loket terecht kan. Daar komt bij dat voor de klager niet altijd op eenvoudige wijze kenbaar is bij welk gerecht hij beklag moet doen. Ik merk daarbij op dat ook de proces-economie is gebaat bij een eenduidige en heldere bevoegdheidsregeling. Een regeling die tal van onzekerheden kent en sterk lijkt te leunen op de bijzonderheden van het geval valt niet als zodanig aan te merken, laat staan een regeling die de bevoegdheid afhankelijk lijkt te maken van de (onvoorspelbare) opstelling die de OvJ in raadkamer kiest met betrekking tot de gronden van het beslag.

5.18.

Het proceseconomisch voordeel dat volgens A-G Van Dorst met zijn opvatting kan worden behaald, zal tegen de nadelen moeten worden afgewogen. Daar komt bij dat bij dat proceseconomische voordeel zelf vraagtekens kunnen worden geplaatst. Van de beklagrechter wordt verlangd dat hij niet op de stoel van de strafrechter gaat zitten. Zo gezien is het de vraag waarom het bezwaarlijk is dat de beklagrechter met de zaak “verder geen enkele bemoeienis heeft”. Misschien heeft Van Dorst het oog gehad op organisatorische voordelen. De planning van de beklagprocedure en die van de ontnemingszaak kan wellicht in voorkomende gevallen gemakkelijker op elkaar worden afgestemd als beide procedures bij dezelfde instantie lopen. Ook kan “eenheid van instantie” voorkomen dat het (nog niet gedigitaliseerde) dossier heen en weer moet worden gezonden tussen rechtbank en hof. Dat evenwel zijn voordelen die als ik het goed zie alleen spelen als de ontnemingszaak al bij de rechtbank aanhangig is gemaakt. Als voordeel kan mogelijk ook gelden dat de officier van justitie beter op de hoogte is van de stand van zaken in de ontnemingsprocedure (ook of juist als de zaak nog niet bij de rechtbank aanhangig is) dan de advocaat-generaal bij het hof. De vraag daarbij is wel of dat voordeel zich in de praktijk vaak realiseert. Het is in elk geval lang niet altijd de verantwoordelijke zaaksofficier die in raadkamer optreedt.

5.19.

Waartoe leidt dit alles? In elk geval tot de conclusie dat de Hoge Raad er goed aan doet als hij het onderhavige cassatiemiddel aangrijpt voor, zo niet een heroverweging van het oordeel dat hij in zijn beschikking van 14 november 2006 gaf, dan toch in elk geval voor een verduidelijking daarvan. Zelf geef ik, alles afwegende, de voorkeur aan de eenvoudige regel dat het klaagschrift in alle gevallen waarin de hoofdzaak bij het gerechtshof aanhangig is of aanhangig is geweest, bij dat gerechtshof moet worden ingediend, dus onafhankelijk van de verdere stand van het geding en onafhankelijk van de gronden waarop het beslag rust. Subsidiair zou ik een verduidelijking van het in 2006 gegeven oordeel willen bepleiten die erop neerkomt dat in gevallen waarin de hoofdzaak bij het gerechtshof aanhangig is (geweest), de rechtbank alleen dan tot kennisneming van het beklag bevoegd is als (1) buiten twijfel is dat het beslag op het desbetreffende voorwerp uitsluitend berust op art. 94a lid 2 Sv en (2) de ontnemingszaak bij de rechtbank aanhangig is. Eventueel zou op die laatste eis een uitzondering kunnen worden gemaakt voor het geval de beslissing in de hoofdzaak inmiddels onherroepelijk is.11 Dat zou dan betekenen dat de rechtbank in dat uitzonderingsgeval ook bevoegd is als de ontnemingszaak (nog) niet bij haar aanhangig is. Daarbij kan worden gedacht aan gevallen waarin het sfo nog loopt en aan gevallen waarin geen sfo is ingesteld, maar het voornemen tot het instellen van de ontnemingsvordering op de zitting kenbaar is gemaakt (vgl. art. 311 lid 1 Sv).

5.20.

Terug naar het middel. Duidelijk moge zijn dat het middel faalt als het primair door mij verdedigde standpunt zou worden gevolgd. Datzelfde geldt als het subsidiair door mij verdedigde standpunt voor juist zou worden gehouden. De ontnemingszaak was immers op het moment waarop de bestreden beschikking werd gewezen niet bij de Rechtbank aanhangig, terwijl in de hoofdzaak toen nog niet onherroepelijk door het Hof was beslist.12 Overigens meen ik dat het middel ook zou moeten falen als de Hoge Raad ervoor zou kiezen zijn casuïstische aanpak van het onderhavige bevoegdheidsvraagstuk voort te zetten. De onderhavige zaak kenmerkt zich – naar de Rechtbank in de bestreden beschikking kennelijk tot uitdrukking heeft willen brengen – hierdoor dat de ontnemingszaak niet meer bij de Rechtbank aanhangig zal worden gemaakt. Nu de Rechtbank als gevolg daarvan met de zaak “geen enkele bemoeienis” meer heeft, is er geen reden om de Rechtbank bevoegd te achten over het klaagschrift te oordelen. De beslissing van de Rechtbank is dus hoe dan ook juist.13 Het middel faalt derhalve.

6 Het tweede middel

6.1.

Het tweede middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte heeft volstaan met het uitspreken van haar onbevoegdheid en heeft verzuimd te bepalen dat het klaagschrift ter behandeling en afdoening zal worden verzonden naar het Gerechtshof Den Haag.

6.2.

Het middel is terecht voorgesteld. Op het gerecht dat constateert dat het niet bevoegd is tot afdoening van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv rust de plicht te bepalen dat de griffier de stukken zal zenden naar het wel bevoegde gerecht.14 De Rechtbank heeft nagelaten dit in de bestreden beschikking te bepalen.

6.3.

De Hoge Raad kan het verzuim herstellen door de bestreden beschikking in zoverre te vernietigen en vervolgens alsnog te doen wat de Rechtbank had behoren te doen. Ik meen echter dat een klacht als de onderhavige geen behandeling in cassatie rechtvaardigt. De klager had zich tot de Rechtbank kunnen wenden met het verzoek deze kennelijke missslag te herstellen.15 Ook kan de klager, als verzending naar het Hof achterwege blijft, de griffie van de Rechtbank verzoeken dit alsnog te doen. Ten slotte kan de klager ook zelf het klaagschrift aan het Hof doen toekomen. Een en ander leidt ertoe dat het middel bij gebrek aan voldoende belang niet tot cassatie kan leiden.

7. Beide middelen falen.

8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 ECLI:NL:RBROT:2010:BO0530.

2 Raadkamernummer 10/1433, niet gepubliceerd.

3 Deze mogelijkheid is ingevoerd bij de op 1 januari 2014 in werking getreden Wet van 26 juni 2013 tot aanpassing van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof in verband met de introductie van de mogelijkheid conservatoir beslag te leggen op het vermogen van de verdachte ten behoeve van het slachtoffer.

4 Bij voornoemde Wet van 26 juni 2013 is dit artikellid in die zin gewijzigd, dat niet langer van “artikel 94a” wordt gesproken, maar van “artikel 94a, tweede lid”.

5 Zie Tekst & Commentaar Strafvordering, aant. 23 op art. 103.

6 Onder inbeslagneming valt ook het onder zich gaan houden van het voorwerp ten behoeve van de strafvordering (art. 134 lid 1 Sv).

7 Bij die stukken bevinden zich geen vordering en geen machtiging ex art. 103 Sv, en evenmin een kennisgeving van inbeslagneming en een bewijs van ontvangst. Navraag bij de Rechtbank Rotterdam en bij het Hof Den Haag heeft er niet toe geleid dat die documenten boven water zijn gekomen.

8 Vgl. HR 23 november 1993, NJ 1994, 263 en HR 23 november 1993, NJ 1994, 264, waarin de Hoge Raad naar aanleiding van de middelen ambtshalve de onbevoegdheid van de Rechtbank resp. het Hof uitsprak. Desalniettemin is enige voorzichtigheid geboden met het trekken van conclusies uit de besproken beschikking. Zo lijkt het erop dat de Hoge Raad in elk geval destijds niet eiste dat de ondernemingszaak al bij de Rechtbank aanhangig is (vgl. hiervoor, onder 5.5), maar het zou ook kunnen dat de Hoge Raad die eis in dit geval niet stelde omdat de beslissing in de hoofdzaak al onherroepelijk was.

9 Zie W.E.C.A. Valkenburg, ‘Beklagprocedures’, in: M.S. Groenhuijsen, J.L. van der Neut & J. Simmelink, Ontneming van voordeel in het strafrecht, Deventer: Gouda Quint 1997, p. 220, J. Wöretshofer in: Melai/Groenhuijsen e.a., Wetboek van Strafvordering, aant. 14.5 bij art. 552a Sv en R. Kuiper, ‘552a-beklag tegen 94(a)-beslag’, Strafblad 2008, p. 96.

10 Zie B.F. Keulen, Crimineel vermogen en strafrecht, Deventer: Gouda Quint 1999, p. 191 e.v.

11 Daarbij zij er overigens wel op gewezen dat ook na dat tijdstip beklag ex art. 552a Sv kan worden gedaan dat betrekking heeft op de hoofdzaak. Men denke bijvoorbeeld aan het geval waarin het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende heeft gelast. Complicaties zijn bij het maken van deze uitzondering dus niet geheel uitgesloten.

12 Overigens heeft de behandeling van de strafzaak tegen klager in hoger beroep inmiddels geresulteerd in de oplegging van een geldboete van € 75.000 (Gerechtshof Den Haag 30 juni 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1751). Tegen dit arrest is op 13 juli 2015 beroep in cassatie ingesteld (15/03492).

13 Ook via andere wegen kan deze slotsom worden bereikt. Minder gelukkig zou mijns inziens zijn als de Hoge Raad het over de boeg van onvoldoende belang (art. 80a RO) zou gooien. In het midden blijft dan immers of de beslissing van de Rechtbank juist is, zodat dan onzeker is of het Hof, waarnaar het klaagschrift moet worden gezonden, bevoegd is van het beklag kennis te nemen.

14 Zie bijv. Tekst en Commentaar Strafvordering, 10e druk 2013, aant. 12 bij art. 552a Sv.

15 Zie voor de mogelijkheid van een herstelbeslissing met betrekking tot het verzuim toepassing te geven aan art. 27 Sr HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4478.