Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2363

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-09-2015
Datum publicatie
08-12-2015
Zaaknummer
14/02889
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3494, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO. CAG over o.m. medeplegen vs. uitlokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/02889

Zitting: 29 september 2015

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 14 mei 2014 de verdachte wegens het “medeplegen van poging tot doodslag, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Hof de proeftijd, als vermeld in het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 10 december 2009 (onder parketnummer 09-757790-09), met een termijn van één jaar verlengd.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.1

3. Namens verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel

4.1. Het middel klaagt over de motivering van het bewezenverklaarde medeplegen.

4.2. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

“hij op 22 maart 2012 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en “ [slachtoffer 3] ” en meerdere omstanders2 van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen vijf malen te schieten in de richting van de zich in zijn nabijheid bevindende [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en “ [slachtoffer 3] ”, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

4.3. Aan deze bewezenverklaring liggen de volgende bewijsmiddelen ten grondslag:

1. Een proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 28 maart 2012 van de politie Haaglanden met nr. PL1514 2012062167-15. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 129-130):

als de op 28 maart 2012 afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] :

Op 22 maart 2012 bevond ik mij in de Koningstraat te Den Haag. Ik was daar met mijn broer genaamd [slachtoffer 2] en met zijn vriend genaamd [slachtoffer 3] . Ik zag dat mijn broer en een jongen gingen vechten. Wij zijn weggelopen. Toen wij wegliepen hoorde ik tussen de vier en zes schoten. Toen er werd geschoten liep ik ongeveer een paar meter van de schutter. Ik liep daar met mijn broer en die vriend van hem.

2. Het proces-verbaal ter terechtzitting van de meervoudige kamer jeugdstrafzaken in de rechtbank te 's-Gravenhage van 12 juli 2012 in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] , opgenomen in het proces-verbaal van de politie Haaglanden met nr. PL1514 2012062167. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 263):

als de verklaring van [medeverdachte] :

Ik was op 22 maart 2012 met [verdachte] . Ik zag [slachtoffer 2] , zijn broer en [slachtoffer 3] . Zij gingen mij met zijn drieën slaan. [verdachte] was erbij toen ik werd geslagen. Het was een tegen drie. Toen renden zij weg. Op een gegeven moment kwam [verdachte] , die mij een pistool in mijn handen gaf. Hij zei tegen mij 'als je niet schiet, ben je een flikker'. Ik was zo boos, ik kon niet meer nadenken. [verdachte] heeft het pistool doorgeladen, ik heb geschoten. Ik heb niet nagedacht, ik schoot meteen. Ik heb het doorgeladen wapen aangepakt en geschoten. Ik heb ongeveer vijf keer geschoten. [verdachte] zei tegen mij dat ik moest wegrennen.

3. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 15 oktober 2012. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - : als de op 15 oktober ,2012 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [medeverdachte] .:

Ik blijf bij de verklaring die ik op de terechtzitting van 12 juli 2012 heb afgelegd. Het klopt dat ik het pistool van [verdachte] heb gekregen.

4. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 23 maart 2012 van de politie Haaglanden met nr. PL1514 2012062167-9. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 111-112): als de op 23 maart 2012 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

Op 22 maart 2012 liep ik in de richting van de Koningstraat te 's-Gravenhage. Ik zag twee jongens staan. Jongen 1 was een Antilliaanse jongen, jongen 2 ook. Ik zag dat een andere Antilliaanse jongen naar die twee andere Antilliaanse jongens toeliep. Ik zal hem jongen 3 noemen, in het echt heet hij [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte, [verdachte] ). Ik zag dat de jongens 1 en 2 met elkaar op de vuist gingen en begonnen te vechten met elkaar. Ik zag dat jongen 2 vervolgens een vuurwapen overhandigd kreeg van jongen 3, de persoon die ik eerder [verdachte] noemde. Ik zag dat [verdachte] een vuurwapen uit zijn broeksband haalde, aan de vóórkant van zijn lichaam. Het was een klein vuurwapen. Ik zag vervolgens dat jongen 2 het vuurwapen aanpakte. Ik hoorde een geluid en daardoor werd mijn vermoeden dat het een vuurwapen betrof bevestigd. Ik zag dat jongen 2 vervolgens het vuurwapen recht voor zich uit richtte. Ik zag en hoorde dat hij een paar keer schoot. Ik zag dat jongen 2 in de richting schoot waar jongen 1 naartoe was gerend. Ik zag vervolgens dat jongen 2 wegrende. Ik zag dat [verdachte] rustig de Koningstraat in liep.

5. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 28 maart 2012 van de politie Haaglanden met nr. PL1514 2012062167-16. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 133):

als de op 28 maart 2012 afgelegde verklaring van [betrokkene 2] :

Op 22 maart 2012 reed ik over de Koningstraat te Den Haag. Ik hoorde plotseling een stuk of vijf à zes knallen. Ik zag dat er op de stoep een jongen stond met een vuurwapen in zijn hand. Omdat ik bang was om eventueel geraakt te worden, ben ik snel verder gereden.

6. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 31 oktober 2012 van de politie Haaglanden met nr. PL1514 2012062167-39. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 159-160):

als de op 31 oktober 2012 afgelegde verklaring van de verdachte:

Ik was met [medeverdachte] . We kwamen drie jongens tegen. Twee van hen zijn broers. De oudste van de twee riep op een brutale manier: hé kom hier!! Volgens mij heet die [slachtoffer 2] . [medeverdachte] liep naar hem toe. Ik stond met de derde jongen, [slachtoffer 3] , te praten. Vlakbij begonnen die broers ineens met [medeverdachte] te vechten. [medeverdachte] was onwijs kwaad. Hij rent ons voorbij en we hoorden schoten. [medeverdachte] rende in de richting van [betrokkene 3] . Het waren meerdere schoten.”

4.4. Ter zitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van verdachte (onder meer) aangevoerd dat – kort samengevat – geen sprake is (geweest) van medeplegen. Dat blijkt uit de aan het proces-verbaal van de zitting van 30 april 2014 gehechte pleitaantekeningen.3 Het Hof heeft het gevoerde door de raadsvrouw gevoerde verweer in het bestreden arrest als volgt samengevat:

Gevoerd verweer

Namens de verdachte heeft de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig haar overgelegde en in het dossier gevoegde pleitaantekeningen, naar voren gebracht dat geen veroordeling kan volgen voor het primair ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft hiertoe betoogd, dat – zakelijk weergegeven – het aanreiken van een vuurwapen met daarbij een aansporende tekst onvoldoende is voor het oordeel dat sprake is van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking dat de verdachte als medepleger van de poging tot doodslag kan worden aangemerkt.”

4.5. Het Hof heeft naar aanleiding van dit verweer het volgende overwogen:

“Blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en de zich in het dossier bevindende stukken staat vast dat de verdachte op 22 maart 2012 een vuurwapen heeft overhandigd aan [medeverdachte] . [medeverdachte] was toen nog minderjarig en zes jaar jonger dan de verdachte, en hij was vlak voor het schietincident erg boos wegens de daarvoor ontstane ruzie met de latere slachtoffers. Met het overhandigen van een vuurwapen aan een – gelet op voornoemde omstandigheden – op dat moment kwetsbare jongen met daaraan toegevoegd de bewoordingen “als je niet schiet, ben je een flikker”, is naar het oordeel van het hof sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met het oog op het daadwerkelijk schieten richting de slachtoffers. Het hof verwerpt dan ook het verweer.”

4.6. Het middel klaagt als gezegd over de motivering van het bewezenverklaarde medeplegen van de poging tot doodslag. De klacht berust in de kern op de stelling dat “het enkel aanreiken van een vuurwapen aan de schutter onder toevoeging van de woorden “als je niet schiet, ben je een flikker”” niet kan worden aangemerkt “als een wezenlijke of significante bijdrage aan daaropvolgende bewezenverklaarde schieten”. In dat verband wordt aangevoerd dat de overweging van het Hof dat medeverdachte [medeverdachte] (hierna: “ [medeverdachte] ”) ten tijde van het gepleegde feit “nog minderjarig [was] en zes jaar jonger dan de verdachte” en dat [medeverdachte] vlak voor het schietincident “erg boos” was, geen steun vindt in de bewijsmiddelen aangezien daaruit niet zou blijken dat de verdachte wetenschap had van deze omstandigheden. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad suggereert de steller van het middel vervolgens dat verdachte eerder (of: hooguit) medeplichtigheid kan worden verweten.

4.7. Laat ik beginnen met de klacht dat de bewijsoverweging van het Hof geen steun vindt in de bewijsmiddelen. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt niet van het door het Hof genoemde leeftijdsverschil, zodat het Hof daaruit inderdaad niet heeft kunnen afleiden dat de verdachte zich van het leeftijdsverschil bewust was.4 Tot cassatie behoeft dat niet te leiden. Uit het arrest van het Hof blijkt dat de geboortedatum van de verdachte 29 januari 1989 is, terwijl zich in het dossier een proces-verbaal in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] bevindt, waarin staat dat die medeverdachte op 2 april 1995 is geboren. Nu op eenvoudige wijze kan worden achterhaald waaraan het Hof dit gegeven heeft ontleend, terwijl aan de juistheid van dat gegeven in redelijkheid niet kan worden getwijfeld, is in zoverre geen sprake van een motiveringsgebrek dat aan de begrijpelijkheid van de motivering in haar geheel beschouwd afbreuk doet. Gelet op het feit dat het leeftijdsverschil relatief groot was – verdachte was destijds 23 jaar oud, terwijl “ [medeverdachte] ” nog (net) geen 17 jaar oud was – is het voorts alleen daarom al niet onbegrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte zich van dat leeftijdsverschil bewust moet zijn geweest. Daar komt bij dat het Hof uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de verdachte en [medeverdachte] bekenden van elkaar waren.5 Wat dan nog overblijft, is de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte wist dat [medeverdachte] erg boos was. Die klacht faalt omdat het Hof die wetenschap zonder meer heeft kunnen afleiden uit de eigen verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 6): “ [medeverdachte] was onwijs kwaad”.

4.8. Strikt genomen ontvalt daarmee de feitelijke grondslag aan de klacht dat van een wezenlijke of significante bijdrage geen sprake is. Volgens de steller van het middel kan “van een wezenlijke bijdrage aan de bewezen poging tot doodslag ( ) onder de gegeven omstandigheden slechts sprake zijn indien vastgesteld wordt dat verzoeker wetenschap had van de wezenlijke rechtens relevante omstandigheden op grond waarvan medeplegen wordt gebaseerd”. Nu van de aanwezigheid van wetenschap op de – door de steller van het middel als wezenlijk en rechtens relevant bestempelde – omstandigheden kan worden uitgegaan, blijft van de klacht weinig over.

4.9. Zo strikt zal ik het middel evenwel niet opvatten. Ook laat ik daar dat de door de steller van het middel gehanteerde terminologie ontleend lijkt te zijn aan de jurisprudentie met betrekking tot de openlijke geweldpleging (art. 141 Sr), een delict waarop de bewezenverklaring niet ziet.6 Ik versta het middel aldus dat het er mede over klaagt dat de bijdrage van de verdachte aan de totstandkoming van het bewezenverklaarde feit van onvoldoende gewicht is om van medeplegen te kunnen spreken.

4.10. In december 2014 heeft de Hoge Raad een tweetal arresten gewezen, waarin hij enige algemene overwegingen over het medeplegen heeft gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en meer in het bijzonder met het oog op de gevallen waarin het medeplegen niet bestaat in gezamenlijke uitvoering. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Indien verdachte hoofdzakelijk gedragingen na de uitvoering van het strafbare feit heeft verricht, is in uitzonderlijke gevallen medeplegen denkbaar. Maar een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal dan wel moeten worden gecompenseerd, bijv. door een grote(re) rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering in zulke uitzonderlijke gevallen ook bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen, aldus de Hoge Raad.7

4.11. In de onderhavige zaak was de verdachte op pad met zijn zes jaar jongere medeverdachte, [medeverdachte] . Ze liepen in de Koningstraat in Den Haag. Aldaar kwamen zij drie jongens tegen. Uit de bewijsmiddelen leid ik af dat de verdachte en [medeverdachte] die jongens – in elk geval bij naam - kenden. [medeverdachte] kreeg ruzie met die drie jongens en er werd gevochten. Verdachte was er bij toen [medeverdachte] werd geslagen. Toen de drie jongens wegrenden, gaf verdachte [medeverdachte] een – kennelijk eerst door hem doorgeladen – pistool. Verdachte zou daarbij tegen [medeverdachte] hebben gezegd: “als je niet schiet, ben je een flikker”. Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat [medeverdachte] zo boos was dat hij niet meer kon nadenken. Hij heeft vervolgens ongeveer vijf keer geschoten waarna verdachte tegen [medeverdachte] heeft gezegd dat hij moest wegrennen. 8

4.12. Het verschaffen van het wapen waarmee een geweldsdelict wordt gepleegd, is een gedraging die in verband pleegt te worden gebracht met medeplichtigheid. Zie bijvoorbeeld HR 19 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:AD1528, waarin het ging om een verdachte die zijn medeverdachte een doorgeladen pistool gaf waarna die medeverdachte met dat pistool op het slachtoffer schoot met fatale gevolgen. De verdachte werd veroordeeld wegens medeplichtigheid aan doodslag. Van belang is evenwel dat de medeverdachte in deze zaak – anders dan in de onderhavige zaak - om het pistool van de verdachte had gevraagd. Datzelfde verschil doet zich voor met HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4471 en HR 8 mei 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC0350, waarnaar in de schriftuur wordt verwezen. In deze zaken was de verdachte veroordeeld wegens medeplichtigheid aan zware mishandeling respectievelijk medeplichtigheid aan doodslag. In beide zaken gaf de verdachte op dwingend verzoek van zijn medeverdachte een wapen – het ging hier om een mes – aan die medeverdachte, waarna de medeverdachte met dat mes stak. In de onderhavige zaak is de intellectuele en materiële bijdrage van de verdachte aan de totstandkoming van het delict beduidend groter. Het initiatief ging hier van hem uit. Het plan om te schieten was van hem afkomstig; hij zette [medeverdachte] tot schieten aan. Hij kan aldus aangemerkt worden als de instigator en de organisator van de (pogingen tot) doodslag. Bij die intellectuele bijdrage komt dan nog de materiële bijdrage, bestaande in het bijzonder uit het doorladen van het pistool en het vervolgens verstrekken daarvan aan [medeverdachte] . De stelling dat deze intellectuele en materiële bijdrage van onvoldoende gewicht is om van medeplegen te kunnen spreken, komt mij dan ook onhoudbaar voor.

4.13. Iets anders is – maar daarover klaagt het middel ook bij welwillende lezing niet – of de intellectuele bijdrage die de verdachte aan de totstandkoming van het delict leverde, niet van een te groot gewicht is om van medeplegen te kunnen spreken. Het door middel van het verschaffen van het wapen aanzetten van iemand om een ander te doden, is een gedraging die in verband pleegt te worden gebracht, niet met medeplichtigheid, maar met uitlokking. Die uitlokking is niet tenlastegelegd, maar als dat wel het geval was geweest, zou een bewezenverklaring daarvan zonder meer op de gebezigde bewijsmiddelen hebben kunnen steunen. De vraag is of dat gegeven aan een veroordeling wegens medeplegen in de weg staat.

4.14. Ik stel voorop dat een eventueel bevestigend antwoord op deze vraag naar mijn mening onvoldoende reden oplevert om, al dan niet naar aanleiding van het middel, ambtshalve te casseren. Ik merk in de eerste plaats op dat, anders dan het geval is met betrekking tot medeplegen en medeplichtigheid, van een verschil in strafbedreiging geen sprake is. Medeplegers en uitlokkers worden beiden, zegt art. 47 Sr, “als daders” gestraft. De noodzaak van het trekken van een scherpe grens tussen de beide deelnemingsfiguren is daarom niet of in veel mindere mate aanwezig.9 Ik merk in de tweede plaats op dat cassatie vanwege het bedoelde bevestigende antwoord er in deze zaak vermoedelijk toe zal leiden dat de tenlastelegging na terugwijzing of verwijzing zal worden aangevuld met uitlokking. Veel schiet de verdachte daarmee niet op.

4.15. Desalniettemin, mede met het oog op de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling, , het volgende. Uitlokken en medeplegen sluiten elkaar als vormen van daderschap niet uit, aldus de Hoge Raad in HR 1 juni 1993, ECLI:HR:1993: AB7635, (rov. 5.1). Het is bijvoorbeeld goed denkbaar dat A door beloften B uitlokt om met hem een inbraak te plegen, waarna A en B vervolgens inderdaad samen de kraak zetten. Het bijzondere van de casus uit het genoemde arrest was dat het feitencomplex op grond waarvan medeplegen werd aangenomen, niet veel verschilde van het feitencomplex waarop de bewezenverklaring van uitlokken was gebaseerd. Het ging in deze zaak om de diefstal (met bedreiging met geweld) van twintig schilderijen uit het Van Goghmuseum. In cassatie moest als vaststaand worden aangenomen dat de verdachte, medewerker van een beveiligingsbedrijf, bij de uitvoering van de roofoverval niet lijfelijk aanwezig was. Zijn aandeel bestond dus kennelijk uit een grote intellectuele bijdrage in de voorfase. In diezelfde voorfase had de verdachte, zo was bewezenverklaard, een van zijn mededaders uitgelokt het feit mede te plegen. Het organiseren van de overval lijkt de verdachte aldus zowel een veroordeling wegens medeplegen als een veroordeling wegens uitlokking te hebben opgeleverd.10

4.16. Dat medeplegen en uitlokking dicht tegen elkaar kunnen liggen, blijkt ook uit HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4849, waarin de verdachte was veroordeeld voor heling van vrachtauto’s. De klacht in cassatie was dat dat niet kon, omdat uit de bewijsmiddelen zou blijken dat verdachte als medepleger die vrachtauto’s door diefstal had verkregen, hetgeen aan een veroordeling wegens in heling in de weg staat. Advocaat-Generaal Vellinga ging in dit betoog mee. In zijn conclusie schreef hij:

“In de onderhavige situatie heeft het Hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat de verdachte de opdracht heeft gegeven de twee vrachtauto’s die in zijn loods zijn aangetroffen te stelen en dat de verdachte aan de stelers aangaf waar de vrachtauto’s stonden die gestolen moesten worden. Een dergelijke verregaande bemoeienis met de diefstal van de vrachtauto’s levert in het algemeen diefstal in vereniging op.

(…)

Die vaststelling staat dus aan een veroordeling wegens heling van die zelfde vrachtauto’s in de weg.”

4.17. De Hoge Raad overwoog daarentegen:

“4.3. De inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen dwingt niet tot de gevolgtrekking dat het verdachte zelf is geweest die de vrachtauto’s door diefstal (in vereniging) heeft verkregen. De bewijsmiddelen laten de gevolgtrekking toe dat verdachte de diefstal van de vrachtauto’s op de in art. 47, eerste lid onder 2, Sr bedoelde wijze heeft uitgelokt.”

Deze overweging is in zoverre niet overtuigend, dat het feit dat de bewijsmiddelen de gevolgtrekking toelaten dat sprake was van uitlokking, niet meebrengt dat geen sprake is geweest van medeplegen. Het een sluit het ander immers niet uit. Dat de bewijsmiddelen niet “dwingen” tot de gevolgtrekking dat sprake was van medeplegen, wil voorts niet zeggen dat die bewijsmiddelen die conclusie niet toelaten. Het arrest illustreert aldus dat er gevallen zijn waarin de feiten zowel de kwalificatie medeplegen als de kwalificatie uitlokking kunnen dragen. De Hoge Raad lijkt daarbij de feitenrechter een zekere vrijheid te laten bij het maken van een keuze, in elk geval als het om de toepassing van de heler-stelerregel gaat.

4.18. Het enkele feit dat de bewijsmiddelen de gevolgtrekking toelaten dat sprake is geweest van uitlokking, staat, zo blijkt uit het voorgaande, aan een bewezenverklaring van medeplegen niet in de weg. Dat wordt niet anders als het om goeddeels hetzelfde feitencomplex gaat. Wat overblijft, is uiteraard dat de bewijsmiddelen (ook) de gevolgtrekking moeten kunnen dragen dat sprake is geweest van medeplegen. De vraag is of in de onderhavige zaak aan die eis is voldaan. 11 Het probleem is daarbij als gezegd niet dat het aandeel van de verdachte van onvoldoende gewicht was om van medeplegen te kunnen spreken. De vraag is wel of uit de bewijsmiddelen blijkt van de vereiste nauwe en bewuste samenwerking gericht op het begaan van doodslag. Daarvan was naar het zich laat aanzien nog geen sprake toen de verdachte het pistool uit zijn broeksband haalde, doorlaadde en aanreikte aan de schutter, [medeverdachte] . Die moest op dat moment immers nog worden overgehaald om te schieten, zodat van een gezamenlijk dodingsopzet nog niet kon worden gesproken. Het opzet om te doden was bij [medeverdachte] op zijn vroegst aanwezig toen hij het pistool aanpakte, op een moment dus waarop de materiële bijdrage van de verdachte aan het delict al grotendeels was geleverd.

4.19. Een onoverkomelijk bezwaar tegen het aannemen van medeplegen levert dat echter niet op. Uit de jurisprudentie blijkt dat van medeplegen ook kan worden gesproken als iemand zich in een laat stadium bij (de uitvoering van) het plan van een ander aansluit. Hetgeen vóór het moment waarop de samenwerking ontstond, is verricht, wordt daarbij aan alle medeplegers toegerekend.12 Gelet daarop meen ik dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een weliswaar kortstondige, maar toch nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte] gericht op het doden van de in de bewezenverklaring genoemde personen. Doordat [medeverdachte] zich bij het door de verdachte gemaakte plan aansloot, is hetgeen de verdachte daarvoor verrichtte onderdeel geworden van de gezamenlijke uitvoering van het feit. Ik teken daarbij nog aan dat de verdachte zich na de overhandiging van het wapen niet van het schieten heeft gedistantieerd. Zijn voortdurende betrokkenheid kan worden afgeleid uit zijn advies aan [medeverdachte] om weg te rennen.

4.20. Het middel faalt.

5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Het cassatieberoep is blijkens de akte cassatie beperkt ingesteld, in die zin dat het cassatieberoep niet is gericht tegen de beslissing van het Hof op de TUL-vordering.

2 In de bijlage, inhoudende de bewijsmiddelen, bij het bestreden arrest wordt onder het kopje “herstel omissie” het volgende opgemerkt ten aanzien van de woorden “en meerdere omstanders” in de bewezenverklaring: “In de bewezenverklaring heeft het hof bij vergissing in regel 5 de woorden “en … meerdere omstanders” niet doorgehaald, waar dat uitdrukkelijk wel de bedoeling was (zie de doorhaling van deze zelfde bewoordingen in regel 10-11). Dit dient gezien te worden als een kennelijke verschrijving, zodat de bewezenverklaring geacht moet worden deze bewoordingen niet te omvatten.”

3 Zie paragrafen 25 tot 30 van de pleitaantekeningen.

4 Ik ga er met de steller van het middel vanuit dat in de overweging van het Hof besloten ligt dat het Hof er vanuit is gegaan dat de verdachte met deze omstandigheid bekend was.

5 Die gevolgtrekking is ook in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk. De volledige verklaring van [medeverdachte] , zoals hij die heeft afgelegd op de terechtzitting van de Rechtbank Den Haag van 12 juli 2012 houdt onder meer in: “Ik was op 22 maart 2012 met [verdachte] en [betrokkene 4] en een neefje van [verdachte] . Ik had gewerkt bij [betrokkene 5] en ik was onderweg naar huis. Ik had gepingd met [verdachte] en we zouden gaan chillen, bij het belhuis (in de Koningstraat).”

6 Ik teken daarbij aan dat de Hoge Raad in twee na te noemen arresten van 2 en 16 december 2014 de suggestie wekt dat tussen het medeplegen in de zin van art. 47 Sr en het plegen van art. 141 Sr geen verschil bestaat.

7 HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 en HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637.

8 Zie bewijsmiddel 2 (slot).

9 Een verschil in rechtsgevolgen is er wel als het gaat om de zogenoemde heler-stelerregel, waarop de uitlokker zich niet lijkt te kunnen beroepen. Zie het aanstonds nog te besprek arrest HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4849.

10 Het Hof had in deze zaak meerdaadse samenloop aangenomen. Daarover werd niet geklaagd.

11 Zie voor een enigszins vergelijkbaar geval de geruchtmakende schietpartij in het schoolgebouw “de Leygraaf” in Veghel (HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:AE6118). De vader van de schutter werd wegens medeplegen veroordeeld, terwijl de bewijsmiddelen wijzen in de richting van uitlokking door middel van misbruik van gezag en door het verschaffen van het wapen. Een verschil is dat de verdachte, nadat zijn zoon had besloten om de eerwraak te plegen, die zoon nog in vijf minuten de werking van het pistool had uitgelegd. Conclusies kunnen uit dit arrest niet worden getrokken, omdat het middel enkel klaagde over het (voorwaardelijk) opzet op de dood van anderen dan het beoogde slachtoffer.

12 Zie in het bijzonder HR 28 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9962. Vgl. recent HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718.