Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2361

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-11-2015
Datum publicatie
08-12-2015
Zaaknummer
14/06214
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3490, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht opzettelijk behulpzaam zijn bij hennepteelt. Uit de bewijsvoering kan het opzet van ve op het behulpzaam zijn bij het telen van hennep niet worden afgeleid. De enkele omstandigheid dat ve ten tijde van zijn opruimwerkzaamheden "had moeten weten" dat hij schoonmaakte met als doel het voorbereiden van een volgende oogst, kan de gevolgtrekking dat ve opzettelijk bij een volgende hennepteelt behulpzaam is geweest, niet dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 14/06214

Zitting: 3 november 2015

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Bij arrest van 28 november 2014 heeft het Gerechtshof Den Haag het vonnis van de rechtbank de Rechtbank Den Haag van 29 januari 2014 bevestigd, bij welk vonnis verdachte wegens “medeplichtigheid aan handelen in strijd met een in art. 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod” is veroordeeld tot een taakstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis.

  2. Mr. M. Berndsen, thans advocaat in Amsterdam, heeft namens verdachte één middel van cassatie voorgesteld. Mr. J.C. Reisinger, advocaat te Utrecht, heeft de behartiging van de belangen van verdachte in het cassatieberoep van hem overgenomen.

  3. Het middel bevat drie klachten. In de eerste plaats de klacht dat de invulling die de rechtbank in haar bewijsmotivering aan het bestanddeel “opzet” heeft gegeven, welke bewijsmotivering door het hof is bevestigd, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. In de tweede plaats wordt geklaagd dat verdachtes opzet op het gronddelict onvoldoende met redenen is omkleed. Tot slot komt het middel op tegen het oordeel van het hof dat het opruimen na een oogst in feite moet worden gezien als het in gereedheid brengen van de hennepplantage voor de volgende oogst. Volgens de steller van het middel is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. De klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking en voordat ik hiertoe overga zal ik eerst de bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen weergeven.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“een of meer onbekend gebleven personen in de periode 1 februari 2012 tot en met 21 februari 2013 te 's-Gravenhage, (telkens) opzettelijk heeft/hebben geteeld, in een pand aan de [a-straat] nummer [1] , een groot aantal hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode 1 februari 2012 tot en met 21 februari 2013 te 's-Gravenhage opzettelijk behulpzaam is geweest door voor die onbekend gebleven personen opruimingswerkzaamheden in de hennepkwekerij uit te voeren.”

5. Hieraan is de volgende (PROMIS) bewijsconstructie ten grondslag gelegd:

“3. Bewijsoverwegingen

3.1 Inleiding1

In januari 2012 heeft [betrokkene 1] een woning aan de [a-straat 1] te [plaats] verhuurd aan iemand die haar vertelde dat hij daar wilde gaan wonen.2 Op 21 februari 2013 werd in deze woning werkende hennepkwekerij aangetroffen.3 Het betrof een kwekerij met 159 vrouwelijke hennepplanten in volle bloei.4 De verdenking komt er kort gezegd op neer dat verdachte medeplichtig is aan deze hennepkwekerij doordat hij er opruimwerkzaamheden heeft verricht.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Naar de mening van de officier van justitie is het niet zo dat het opruimen van een hennepkwekerij slechts behulpzaamheid achteraf is, omdat er sprake is van een cyclus van meerdere oogsten, waartussen opgeruimd moet worden.

3.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De raadsman heeft hiertoe - zakelijk en verkort weergegeven - aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte medeplichtig is aan de hennepkwekerij, omdat zijn opruimwerkzaamheden slechts behulpzaamheid achteraf zijn. Deze vorm van behulpzaamheid is niet strafbaar gesteld.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging

Op een lamp in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] is een vingerafdruk van verdachte aangetroffen.5 Verdachte heeft hierover verklaard dat het kan kloppen dat zijn vingerafdrukken daar zijn aangetroffen. Hij heeft verklaard eind 2012 ergens in een flat niet ver van Voorburg een hennepkwekerij te hebben opgeruimd en daarbij toen de lampen te hebben aangeraakt.6 Naar het oordeel van de rechtbank staat op grond hiervan vast dat verdachte de ten laste gelegde opruimwerkzaamheden heeft begaan. Anders dan door de raadsman betoogd, zijn opruimwerkzaamheden niet slechts te kwalificeren als behulpzaamheid achteraf. Het opruimen na een oogst is in feite het in gereedheid brengen van de plantage voor de volgende oogst. Verdachte wist blijkens zijn verklaring dat het om hennep ging en hij had moeten weten dat hij schoonmaakte met als doel het voorbereiden van een volgende oogst. De plantage is na het opruimen van verdachte ook daadwerkelijk opnieuw in gebruik genomen, wat blijkt uit de omstandigheid dat verdachte eind 2012 opgeruimd heeft en er in februari 2013 een plantage in volle bloei is aangetroffen.

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL 1521 2013037988, van de regiopolitie Haaglanden, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 203).

2. Proces-verbaal van verhoor aangeefster [betrokkene 1] , p. 92-93.

3. Proces-verbaal van bevindingen, p. 153.

4. Proces-verbaal narcotica, p. 175.

5. Proces-verbaal van bevindingen van identificatie van dactyloscopische sporen, p. 191.

6. Proces-verbaal ter terechtzitting van 15 januari 2014.”

6. Het hof heeft de verdachte medeplichtig geacht aan een hennepteelt die heeft plaatsgevonden aan de [a-straat 1] te [plaats] , nadat de verdachte daar eerder een hennepkwekerij had opgeruimd. Met de steller van het middel meen ik dat verdachtes opzet op dat gronddelict niet zonder meer uit de bewijsmiddelen volgt. Verdachte wist ten tijde van het opruimen dat er een hennepteelt had plaatsgevonden, maar zijn wetenschap over een op handen zijnde teelt blijft ongewis. Het middel klaagt daarover terecht.

7. Voor zover de overweging dat verdachte “had moeten weten dat hij de hennepkwekerij schoonmaakte met als doel het voorbereiden van een volgende oogst” ertoe strekt tot uitdrukking te brengen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het gronddelict, getuigt dit van een onjuiste opvatting van het hof met betrekking tot het begrip voorwaardelijk opzet. Niet alleen laat deze overweging de vraag open of de kans aanmerkelijk was dat er na de opruimwerkzaamheden opnieuw geteeld zou worden (dat er de facto opnieuw is geteeld, is daarvoor niet van beslissend belang); onbeantwoord blijft ook de vraag of de verdachte die eventuele aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Hierover wordt in het middel eveneens terecht geklaagd. De al dan niet bewuste aanvaarding van de al dan niet aanmerkelijke kans dat er nog een hennepteelt zou volgen, hangt overigens samen met de laatste klacht.

8. Uit de bewijsconstructie valt niet op te maken dat de situatie ten tijde van de opruimwerkzaamheden van dien aard was, dat het voor de verdachte duidelijk moet zijn geweest dat dat hij voorbereidingen trof voor een volgende teelt en niet slechts de restanten van de laatste hennepteelt opruimde. Met de steller van het middel meen ik dat het oordeel van het hof dat het opruimen na een oogst (per definitie) gezien moet worden als het in gereedheid brengen van de plantage voor de volgende oogst, niet zonder meer begrijpelijk is.

9. Het middel slaagt in al zijn onderdelen.

10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag, zodat het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG