Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2358

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-11-2015
Datum publicatie
08-12-2015
Zaaknummer
13/03711
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3486
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 11.3 en 5 Opiumwet. Art. 80a RO. Blijkens hetgeen is bewezenverklaard en de kwalificatie daarvan, niet alleen inhoudende dat verdachte heeft gehandeld “in de uitoefening van een beroep of bedrijf” maar ook dat het feit betrekking heeft op “een grote hoeveelheid”, heeft het Hof niet alleen het 3e, maar ook het 5e lid van art. 11 Opiumwet toepasselijk geacht. In het licht daarvan en gelet op de wettelijke strafmaxima en in aanmerking genomen voorts de door het Hof opgelegde straf en de motivering daarvan, is het belang van verdachte bij zijn cassatieberoep niet evident. De schriftuur bevat niet de in ECLI:NL:HR:2012:BX0146, rov. 2.6.2. bedoelde, in zo een geval vereiste toelichting m.b.t. het belang bij het ingestelde cassatieberoep en het - rechtens te respecteren- belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof met het oog op een nieuwe behandeling. Gelet hierop verklaart de HR - gezien art. 80a RO - het beroep n-o.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 13/03711

Zitting: 10 november 2015

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Bij arrest van 25 juli 2013 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de politierechter in de Rechtbank ’s-Hertogenbosch, waarbij verdachte is veroordeeld wegens 1. “het in de uitoefening van beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid” en 2. “diefstal” bevestigd, met uitzondering van de bewijsoverwegingen, de opgelegde straf en de strafmotivering. Het hof heeft verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand en tot 120 uur werkstraf, subsidiair 60 dagen hechtenis.

  2. Mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. In het eerste middel wordt geklaagd over (de motivering van) de bewezenverklaring van feit 1 voor zover deze inhoudt dat verdachte heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf als bedoeld in art. 11, derde lid, Opiumwet.

  4. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat hij:

“in de periode van 1 februari 2010 tot en met 17 maart 2010 te Drunen, gemeente Heusden, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk een grote hoeveelheid van 348 hennepplanten, zijnde hennep een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, heeft geteeld;”

5. Het hof heeft bij zijn oordeel dat het vonnis in eerste aanleg van 17 oktober 2012 (gedeeltelijk) kan worden bevestigd, acht geslagen op de door de eerste rechter op p. 5 in de aantekening van het mondeling vonnis aangeduide bewijsmiddelen1 en deze als volgt uitgewerkt:

“1. Een schriftelijk bescheid, te weten de aangifte door Enexis B.V., voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende als verklaring van aangever [betrokkene] het navolgende:

AANGIFTE

Pleegplaats Drunen

Adres [adres]

Postcode [postcode]

Namens Enexis B. V. ben ik, [betrokkene] , in dienstbetrekking als Medewerker Fraudebestrijding, uit hoofd van mijn functie bevoegd om aangifte te doen [van diefstal energie na verbreking van verzegeling].

Enexis B. V. heeft met een persoon genaamd [verdachte] een overeenkomst betreffende aansluiting en transport van elektriciteit naar bovengenoemd perceel.

Op verzoek van politieambtenaar [verbalisant 1] van Korps Brabant-Noord is op 17 maart 2010 door fraude-inspecteur [verbalisant 2] van Enexis B. V. een onderzoek ingesteld naar de meetinrichting in bovengenoemd perceel.

De fraude-inspecteur constateerde op 17 maart 2010 verboden handelingen aan de elektriciteitsinstallatie en trof het volgende aan:

Illegale aansluiting op onderzijde zekeringhouders

De eerdergenoemde medewerker zag dat de zegels van de hoofdaansluitkast waren verbroken. Na het verwijderen van het deksel van de aansluitkast zag hij dat aan de onderzijde van de zekeringhouders een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt. Hij zag dat deze aansluiting buiten de elektriciteitsmeter om liep naar de hennepplantage en deze voorzag van elektriciteit. Uit ervaring weet hij dat door een illegale aansluiting te maken, het mogelijk is meer vermogen af te nemen dan de contractueel overeengekomen en geïnstalleerde hoofdzekeringen zouden doorlaten.

Hij weet dat daardoor schade en hinder werd veroorzaakt aan Enexis, omdat de juiste tarievenregeling niet juist kon worden toegepast.

Door de manipulatie werd afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage niet correct via de elektriciteitsmeter geregistreerd.

Naar aanleiding van [de] inventarisatie en het door Enexis B. V. ingestelde onderzoek is door mij een berekening gemaakt waaruit blijkt dat er [electriciteit] illegaal is afgenomen (weggenomen) ten behoeve van de hennepplantage en eventueel huishoudelijk gebruik.

Niemand is gerechtigd de elektra, zijnde eigendom van Enexis B. V. op deze wijze weg te nemen en zich toe te eigenen.

2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 maart 2010 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3] (hoofdagent van politie), met proces-verbaalnummer P21X4 2010028311-7, zoals dit zich bevindt op ongenummerde pagina 33, achter doorgenummerde pagina 32, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende als relaas van eigen waarneming of bevindingen van de betreffende verbalisant het navolgende:

Op maandag 29 maart 2010 ontving ik, verbalisant, van collega [verbalisant 1] , brigadier van politie, vijf planten die de uiterlijke kenmerken vertoonden van hennepplanten. De planten werden op woensdag 17 maart 2010 in beslag genomen op het adres [adres] te Drunen, gemeente Heusden.

De planten hadden de uiterlijke kenmerken van hennepplanten en riekten tevens naar de geur van dit soort planten. De gemiddelde lengte van de planten varieerde tussen de 100 centimeter en 110 centimeter.

Door mij verbalisant [verbalisant 3] , zijn deze planten getest met een Narco testset van het merk O. D. V. Het resultaat van deze test was positief op hennep. Hennep is vermeld op lijst I[ behorende bij de Opiumwet.

3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 april 2011 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] (brigadier van politie), [verbalisant 4] (hoofdagent van politie) en [verbalisant 5] (hoofdagent van politie), doorgenummerde dossierpagina 55, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, inhoudende als relaas van eigen waarneming of bevindingen van de betreffende verbalisanten het navolgende:

In aanvulling op het dossier, proces-verbaalnummer 2010028311 contra verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1982, delen wij, verbalisanten het navolgende mede:

Het aantal hennepplanten dat wij aantroffen in de garage van het pand [adres] te Drunen betreft 348 planten. De garage is gelegen naast de woning en zit aan genoemde woning vast. De ruimte betrof de garage waarbij de gehele ruimte was geïsoleerd en afgeschermd met betrekking tot buitenlicht.

Achter de garagedeuren was het afgetimmerd door middel van grote houten platen. Verder waren de ramen van de schuur afgedekt door middel van plastic.

De belichting vond plaats door middel van kunstlicht op tijdklokken. Op genoemde locatie hingen 24 assimilatielampen met kappen, die aangesloten waren aan 24 transformatoren. De voeding werd centraal geregeld vanuit een ruimte gelegen naast de garage. Wij verbalisanten zagen dat de ventilatie geregeld was en dat de slangen van de ventilatie uitkwamen buiten de garage in de buitenlucht. De planten stonden in bakken, die gevuld waren met potgrond.

4. de verklaring van verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 17 oktober 2012 voor zover relevant en zakelijk weergegeven inhoudende het navolgende;

A: Hetgeen aan mij ten laste is gelegd, klopt. Ik heb een hennepkwekerij opgezet in mijn woning aan [adres] te Drunen. Ik heb hennep geteeld in mijn garage in de periode van 1 februari 2010 tot en met 17 maart 2010. Alleen ik heb de hennepkwekerij onderhouden. Ik heb de benodigde elektriciteit illegaal afgenomen. Ik heb de omleiding voor de elektriciteit zelf aangelegd.”

6. Als bijzondere overweging omtrent het bewijs heeft het hof, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende in zijn arrest opgenomen:

“Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de door de eerste rechter gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

[…]”

7. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het hof, noch de rechtbank in het door het hof bevestigde vonnis, nader hebben gemotiveerd waarom in casu sprake zou zijn van “in de uitoefening van een beroep of bedrijf” zoals bedoeld in art. 11, derde lid, Opiumwet.

8. De tenlastelegging is kennelijk toegesneden op art. 11 Opiumwet dat, voor zover van belang, luidt:

“1. Hij die handelt in strijd met een in artikel 3 gegeven verbod, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.

2. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder B, C of D, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

3. Hij die in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

4. (…)

5. Indien een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.

(…)”

9. De steller van het middel verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 23 september 20142, waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat de in de tenlastelegging voorkomende uitdrukking “in de uitoefening van een beroep of bedrijf” geacht moet worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in het derde lid van art. 11 Opiumwet en dat mede gelet op het strafverhogende effect van dit bestanddeel aan de vaststelling daarvan “bepaaldelijk eisen worden gesteld en dat de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht dient te geven”.

10. In het middel wordt er terecht over geklaagd dat noch in het bestreden arrest van het hof, noch in het deels door het hof bevestigde vonnis van de politierechter een nadere motivering is opgenomen voor de bewezenverklaring van genoemd bestanddeel. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt ook niet zonder meer dat hier sprake was van een zodanig grootschalige en professionele teelt dat van een beroeps- of bedrijfsmatige uitvoering daarvan kan worden gesproken, zoals wel het geval was in de hiervoor genoemde zaak die heeft geleid tot voornoemd arrest van de Hoge Raad van 23 september 2014.3

11. Dit hoeft dit echter niet tot cassatie te leiden op grond van het volgende.

12. De door het hof bevestigde kwalificatie door de politierechter luidt:

“T.a.v. feit I :

het in de uitoefening van beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid.”

13. Net als de Hoge Raad in genoemde uitspraak van 23 september 2014, leid ik ook hier uit de bewezenverklaring en kwalificatie daarvan af dat het hof eveneens het vijfde lid van art. 11 Opiumwet toepasselijk heeft geacht, nu zowel de bewezenverklaring als de kwalificatie inhoudt dat sprake was van een grote hoeveelheid hennepplanten. Bovendien wijs ik erop dat het hof daar in de strafmotivering ook nog eens nadrukkelijk op heeft gewezen:

“Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Hierbij heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op:

  • -

    de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en

  • -

    de grote hoeveelheid hennepplanten die in beslag zijn genomen;

  • -

    de omstandigheid verdachte blijkens het hem betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 28 mei 2013 reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van overtreding van de Opiumwet.”

14. Dat het hof in navolging van de politierechter kennelijk art. 11, lid 5 Opiumwet van toepassing heeft geacht getuigt ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Uit de bewezenverklaring en gebezigde bewijsmiddelen volgt immers dat er 348 hennepplanten zijn aangetroffen, terwijl art. 1 van het Opiumwetbesluit (de in art. 11, vijfde lid Opiumwet genoemde algemene maatregel van bestuur) onder meer en voor zover hier van belang inhoudt dat onder een “grote hoeveelheid” als bedoeld in genoemd vijfde lid, 200 hennepplanten wordt verstaan.4

15. Nu ten aanzien van die ‘grote hoeveelheid’ van art. 11 lid 5 Opiumwet hetzelfde verhoogde strafmaximum geldt als ten aanzien van het ‘in de uitvoering van een beroep of bedrijf’ uitvoeren als bedoeld in lid 3, kunnen de bewezenverklaring en kwalificatie mijns inziens worden gelezen met weglating van laatstgenoemd bestanddeel zonder dat de ernst en aard daarvan wordt aangetast.

16. Anders dan de steller van het middel betoogt, maakt hetgeen het hof ter motivering van de opgelegde straf heeft overwogen dat niet anders. In die strafmotivering lees ik niet dat het hof het bewezen geachte beroeps- of bedrijfsmatige karakter van de teelt als een bijzonder zwaarwegende factor heeft meegenomen bij de strafoplegging. Ook lees ik, anders dan de steller van het middel, in de verwijzing van het hof naar de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd niet uitsluitend een verwijzing naar straffen die voor het beroeps- of bedrijfsmatig handelen als bedoeld in art. 11 lid 3 Opiumwet worden opgelegd maar een verwijzing naar opiumwetdelicten in het algemeen.

17. Gelet op het voorgaande acht ik het niet aannemelijk dat verdachte een lagere straf zou hebben gekregen als het hof bedoeld bestanddeel niet bewezen had geacht, en zie ik, anders dan de steller van het middel, niet dat - en zo ja welk - belang verdachte heeft bij deze klacht.

18. Het middel kan niet tot cassatie leiden.

19. In het tweede middel wordt geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. Het cassatieberoep is ingesteld op 29 juli 2013 en de stukken van het geding zijn pas op 6 mei 2015 door de Hoge Raad ontvangen.

20. De door de steller van het middel vermelde gegevens zijn juist. Dit betekent dat de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn met bijna veertien maanden aanzienlijk is overschreden. Het middel is dan ook terecht voorgesteld.

21. Bovendien zijn inmiddels al ruim zevenentwintig maanden verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep zodat ook de uitspraak termijn is overschreden en de overschrijding van de inzendtermijn niet meer door een voortvarende behandeling in cassatie zal kunnen worden gecompenseerd. Dit moet leiden tot strafvermindering.

22. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven dan de hiervoor genoemde overschrijding van de uitspraaktermijn heb ik niet aangetroffen.

23. Deze conclusie strekt tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Aangeduid als: “ - de aangifte van Enexis B.V. d.d. 29 maart 2010 (p. 4 t/m 17); - het relaas van verbalisant [verbalisant 3] , opgemaakt en ondertekend d.d. 29 maart 2010 (op de ongenummerde pagina 33, achter pagina 32); - het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , opgemaakt en ondertekend d.d. 16 april 2011 (p. 55).”

2 HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2756.

3 Zie rov. 2.5.

4 Art. 1 lid 2 Opiumbesluit, dat luidt: “2. De hoeveelheid middelen, bedoeld in artikel 11, vijfde lid artikel 11, vijfde lid, van de wet, betreft 500 gram hennep, 200 hennepplanten of 500 eenheden van een ander middel als bedoeld in de bij de wet behorende lijst II." Zie ook Kamerstukken II, 2005–2006, 30 339, nr. 7, p. 5-6.