Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2357

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-11-2015
Datum publicatie
08-12-2015
Zaaknummer
14/06511
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3485, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Het Hof heeft als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het begaan van het in de met deze ontnemingsprocedure verband houdende strafzaak bewezenverklaarde witwassen tot het door de btr wederrechtelijk verkrijgen van vermogen heeft geleid en dat voordeel geschat op bedrag X. De kennelijk aan dat oordeel ten grondslag liggende opvatting dat o.m. de contante stortingen op de bankrekeningen van de btr, nu zij voorwerp van het bewezenverklaarde witwassen waren, reeds daardoor w.v.v. vormden is onjuist (vgl. HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3071). Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk dat btr daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot bedrag X d.m.v. of uit de baten van het bewezenverklaarde witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 14/006511 P

Zitting: 10 november 2015

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[betrokkene]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 8 december 2014 het vonnis bevestigd waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat op € 29.274,99 en de betrokkene de verplichting is opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

2. Namens de betrokkene heeft mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het Hof zijn oordeel dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen ontoereikend heeft gemotiveerd.

4. Het Hof heeft overwogen dat in de hoofdzaak is vastgesteld dat de betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen, doordat hij in de bewezenverklaarde periode een bedrag van € 29.274,99 meer contant heeft uitgegeven dan hij contant heeft ontvangen en dat de betrokkene wist dat dit bedrag afkomstig was uit enig misdrijf. Ten aanzien van de berekening van inkomsten en uitgaven houdt het door het Hof bevestigde vonnis van de Rechtbank in:


“4. De beoordeling

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de officier van justitie voldoende aannemelijk gemaakt dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank komt, gelet op het bewezenverklaarde feit in de strafzaak, tot de volgende berekening.

In het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar witwassen zijn de totale beschikbare contante ontvangsten afgezet tegen de totale contante uitgaven van veroordeelde in de periode van 1 januari 2007 tot en met 26 mei 2009.

Ontvangsten

In de periode van 15 januari 2007 tot en met 21 oktober 2007 heeft er voor een totaalbedrag van € 2.470,00 aan contante opnames plaatsgevonden van de ING-rekening [001] van veroordeelde.

In de periode van 17 december 2007 tot en met 23 februari 2009 heeft er een totaalbedrag van € 7.970,00 aan contante opnames plaatsgevonden van de ABN AMRO-rekening (…) van veroordeelde.

Dit is een totaal aan contante opnames van € 10.440,00, hetgeen veroordeelde ter beschikking heeft gehad voor contante uitgaven.

Hiernaast heeft veroordeelde € 5.000,00 van zijn oud-werkgever geleend. [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij dat geld aan veroordeelde heeft geleend in 2008 of 2009.

Veroordeelde heeft in die tijd ook € 5.000,00 geleend van zijn familie en € 3.500,00 van zijn broer.

Totaal ontvangsten € 23.940,00.

Uitgaven

In de periode van 15 januari 2007 tot en met 21 oktober 2007 heeft er voor een totaalbedrag van € 4.214,99 aan contante stortingen plaatsgevonden op de ING-rekening (…) van veroordeelde.

In de periode van 17 december 2007 tot en met 23 februari 2009 heeft er een totaalbedrag van € 19.400,00 aan contante stortingen plaatsgevonden op de ABN AMRO-rekening (…) van veroordeelde.

Dit is een totaal aan contante stortingen van € 23.614,99, hetgeen gezien wordt als contante uitgaven van veroordeelde.

Veroordeelde heeft in die tijd voor € 8.000,00 een Volkswagen Passat gekocht en voor € 6.600,00 een Mercedes C32.

Veroordeelde heeft € 15.000,00 uitgegeven aan het opstarten van zijn restaurant [A]. [A] is opgericht op 26 mei 2009.

Totaal uitgaven € 53.214,99.

Veroordeelde heeft in de genoemde periode derhalve € 29.274,99 meer contant uitgegeven, dan hij contant heeft ontvangen.

Op grond van het bovenstaande bedraagt het wederrechtelijk verkregen voordeel voor veroordeelde € 29.274,99”.

5. Op de terechtzitting van het Hof is blijkens de aldaar overgelegde pleitnota door de raadsman van de betrokkene met een beroep op onder meer HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5217, NJ 2013/293 aangevoerd dat de betrokkene geen daadwerkelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde witwassen.1 Het Hof is van dat standpunt afgeweken en heeft in dat verband overwogen:

“In de hoofdzaak is vastgesteld dat veroordeelde in de bewezenverklaarde periode in totaal een bedrag van € 29.274,99 meer contant heeft uitgegeven dan hij contant heeft ontvangen en dat veroordeelde wist dat dit bedrag afkomstig was uit enig misdrijf, waardoor veroordeelde zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen. Het bedrag van € 29.274,99 betreft derhalve wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, nu veroordeelde degene is geweest die contant meer heeft uitgegeven dan hij contant ontvangen heeft.

Als al moet worden aangenomen dat een drietal stortingen op de rekening van veroordeelde in de bewuste periode door andere mensen zijn verricht en welke stortingen dan in mindering zouden moeten worden gebracht op de totale uitgaven van veroordeelde, maakt dit het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde niet lager nu tevens is aangevoerd dat veroordeelde dit geld ten behoeve van die andere mensen voor hen heeft opgenomen, waardoor eveneens het totaalbedrag aan contante opnames met diezelfde bedragen dient te worden verlaagd. Het verschil tussen de contante uitgaven en de contante ontvangsten blijft derhalve even groot.

De vergelijking met de door de raadsman aangehaalde arresten van de Hoge Raad gaat niet op, aangezien in die zaken het witwasbedrag niet is vastgesteld aan de hand van een vermogensvergelijking van de veroordeelde zoals in de onderhavige zaak. Het hof verwerpt dan ook het verweer”.

6. In de met de onderhavige ontnemingszaak verband houdende hoofdzaak is ten laste van de betrokkene bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een feit dat als witwassen is gekwalificeerd.

7. Onder de door de Rechtbank als “contante uitgaven” aangemerkte bedragen bevinden zich, blijkens haar overwegingen, ook stortingen op eigen bankrekeningen van de betrokkene, naast uitgaven aan de aanschaf van twee auto’s en het opstarten van een restaurant. Dit een en ander is door het Hof overgenomen. Daarmee heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het begaan van het witwas-feit heeft geleid tot het door de betrokkene wederrechtelijk verkrijgen van vermogen. Kennelijk is het Hof bij de schatting van het voordeel ten bedrage van € 29.274,99 ervan uitgegaan dat onder meer de contante stortingen op en opnames van de eigen bankrekeningen van de betrokkene voorwerpen van het bewezenverklaarde witwassen zijn en reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormen. Dat standpunt is evenwel niet juist, zo blijkt uit het arrest van HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3071. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is dan ook in ieder geval met betrekking tot de genoemde stortingen niet begrijpelijk het oordeel van het Hof dat verzoeker daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot het bedrag van € 29.274,99 door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde witwassen. Daarover klaagt het middel terecht.

8. Dat, zoals het Hof overweegt, voor het berekenen van het voordeel de methode van vermogensvergelijking is toegepast maakt daarbij geen verschil. In het bijzonder niet nu het hier gaat om voordeel dat is verkregen uit het bewezenverklaarde witwassen en niet (ook) om voordeel uit andere strafbare feiten verkregen. Dat de betrokkene het uit het misdrijf van witwassen afkomstige bedrag niet slechts voorhanden heeft gehad, maar dat dit hem daadwerkelijk tot voordeel heeft gestrekt, zal daarom hier nader dienen te worden gemotiveerd.2

9. Het middel slaagt.

10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Pleitnota, derde tot en met zesde alinea, waarin voorts wordt verwezen naar HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1559 en HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2648.

2 Vgl. in dezelfde zin ten aanzien van de methode van kasopstelling de conclusie van A-G Bleichrodt (ECLI:NL:PHR:2013:2436) vóór HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:233 onder 13. Het voorgaande ligt in het onderhavige geval denk ik anders ten aanzien van de bedragen die de betrokkene heeft aangewend voor de aanschaf van auto’s (€ 8.000,00 en € 6.600,00) en het opstarten van een eigen restaurant (€ 15.000,00). Daaruit kan worden afgeleid dat sprake is van persoonlijke investeringen en niet langer van het enkele voorhanden hebben – bijvoorbeeld door voor een derde een geldbedrag verkregen met de tot de veroordeling van witwassen aanleiding gevende grondfeiten in bewaring te houden – zodat mag worden aangenomen dat déze specifieke uitgaven de betrokkene wel daadwerkelijk tot voordeel hebben gestrekt.