Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2354

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-11-2015
Datum publicatie
12-02-2016
Zaaknummer
15/00047
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:234, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bevrijdende verjaring (art. 3:310 lid 1, 7:23 lid 2 en 7:761 lid 1 BW). Aanvangstijdstip verjaring. Verzuim van hof om aansprakelijkstelling in oordeel te betrekken (art. 24 en 149 Rv).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

15/00047

Mr. E.B. Rank-Berenschot

Zitting: 27 november 2015

Conclusie inzake:

[eiseres]

(hierna: [eiseres] )

adv.: mr A.C. van Schaick

tegen

Mr. C.J. de Vries, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap [A] B.V.

(hierna: de curator resp. [A] )

niet verschenen

In deze zaak komen verschillende aspecten van het leerstuk van de extinctieve verjaring van een rechtsvordering aan bod. In het bijzonder gaat het om het verbod van ambtshalve toetsing van het middel van verjaring door de rechter (art. 3:322 lid 1 BW), de stuiting van de verjaring op grond van erkenning (art. 3:318 BW) en de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid.

1 Feiten en procesverloop

1.1

De relevante feiten in deze zaak zijn als volgt.1

a. In augustus 2002 zijn [eiseres] en [A] overeengekomen dat [A] een containervloer zou leveren en monteren in de kwekerij van [eiseres] tegen betaling van een bedrag van € 30.600,-. Onderdeel van de overeenkomst was dat [A] een teeltvloer met een bevloeiingsmat van het merk ‘Aquafil’ (verder: Aquafilmat) zou leveren en monteren.

b. [A] betrok de Aquafilmatten van [B] B.V., die deze op haar beurt geleverd kreeg van de importeur van de Aquafilmatten, TGU GmbH.

c. In augustus en september 2002 heeft [A] de Aquafilmatten geleverd en geplaatst. Vervolgens constateerde [eiseres] problemen met de bewatering van de door haar geteelde planten. In februari/maart 2003 kwam [eiseres] tot de conclusie dat de oorzaak van de slechte bewatering was gelegen in de Aquafilmatten.

d. Naar aanleiding van de door [eiseres] geconstateerde problemen hebben tussen partijen in maart en april 2003 besprekingen plaatsgevonden.

e. Bij brief van 19 mei 2003 van haar rechtsbijstandverzekeraar2 heeft [eiseres] [A] aansprakelijk gesteld voor de schade ten gevolge van de (volgens haar) gebrekkige Aquafilmatten.

f. In de periode van mei 2003 tot april 2008 heeft tussen partijen regelmatig contact bestaan over het tussen hen bestaande geschil over de Aquafilmatten.

g. Op 3 april 2008 heeft mr. Gelpke namens [eiseres] een stuitingsbrief3 gestuurd aan [A] , die deze brief heeft ontvangen.

1.2

Bij inleidende dagvaarding van 24 september 2010 heeft [eiseres] gevorderd voor recht te verklaren dat [A] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen en dat zij mitsdien aansprakelijk is voor de kosten van vervanging van de Aquafilmatten, alsmede [A] te veroordelen tot betaling van € 135.270,96 wegens gevolgschade.

Tot haar verweer heeft [A] zich onder meer beroepen op verjaring als bedoeld in art. 7:23 lid 2 BW.

1.3

Bij vonnis van 27 juli 2011 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad overwogen dat de overeenkomst tussen partijen een gemengd karakter heeft omdat zij voldoet aan de omschrijving van zowel koop (verkoop en levering van Aquafilmatten) als aanneming van werk (montage van de matten). Nu [eiseres] haar vordering baseert op de non-conformiteit van de geleverde Aquafilmatten, is art. 7:23 lid 2 BW van toepassing. Door verloop van twee jaren na de aansprakelijkstelling van 19 mei 2003 (die is aan te merken als de kennisgeving als bedoeld in art. 7:23 lid 2 BW) is de vordering verjaard, aldus de rechtbank (rov. 4.2). De door [eiseres] aangedragen omstandigheden kunnen niet tot de conclusie leiden dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (rov. 4.4).

De rechtbank heeft de vorderingen van [eiseres] derhalve afgewezen.

1.4

[eiseres] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen met conclusie dat het hof Arnhem-Leeuwarden, na vernietiging, [A] alsnog veroordeelt tot betaling van een bedrag ad € 135.270,96 ten titel van schadevergoeding.

1.5

Bij arrest van 16 september 20144 heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd. Voor zover van belang heeft het hof daartoe als volgt overwogen.

De grieven strekken ertoe dat de rechtbank het beroep op verjaring ten onrechte heeft gehonoreerd (rov. 4.1).

[eiseres] heeft aangevoerd dat niet de verjaringstermijn van twee jaar (art. 7:23 lid 2 BW) maar die van vijf jaar (art. 3:310 BW) van toepassing is en dat die verjaringstermijn door de brief van 3 april 2008 tijdig is gestuit (rov. 4.3).5

In het midden kan blijven welke verjaringstermijn van toepassing is, omdat in beide gevallen de verjaringstermijn zou zijn voltooid (rov. 4.6).

Indien wordt uitgegaan van de toepasselijkheid van art. 3:310 BW, geldt dat de verjaringstermijn in ieder geval is aangevangen op 21 maart 2003 – de dag volgend op die waarop [eiseres] zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon ( [A] ) bekend is geworden – en, behoudens eerdere stuiting, is voltooid op 21 maart 2008. Het beroep van [eiseres] op de stuitingsbrief van 3 april 2008 mist derhalve doel (rov. 4.8).

Indien wordt uitgegaan van de toepasselijkheid van art. 7:23 lid 2 BW is de rechtsvordering van [eiseres] ook verjaard, omdat de verjaringstermijn een aanvang nam in maart 2003 – toen geklaagd werd over het gebrek aan de matten – en, behoudens eerdere stuiting, is voltooid in maart 2005 (rov. 4.9).

De stelling van [eiseres] dat de verjaring van de rechtsvordering is gestuit doordat [A] de vordering heeft erkend6, wordt verworpen. Dat [A] met [eiseres] in gesprek ging over de door [eiseres] ondervonden problemen met de Aquafilmatten zegt op zich nog niets over een erkenning van de aansprakelijkheid door [A] . Hetzelfde geldt voor het bij die discussie betrekken van de importeur en fabrikant van de matten en het aansprakelijk stellen van derden door [A] (rov. 4.10).

[eiseres] stelt zich kennelijk op het standpunt dat [A] haar bevoegdheid om zich op verjaring te beroepen heeft verwerkt.7 Van een gerechtvaardigd vertrouwen bij [eiseres] dat [A] zich niet op verjaring zou beroepen is echter geen sprake, terwijl van een onredelijk nadeel of verzwaring bij [eiseres]8 door het alsnog gedane beroep op verjaring niet is gebleken (rov. 4.11 t/m 4.14).

1.6

[eiseres] heeft – tijdig9 – cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. Tegen de curator is verstek verleend. [eiseres] heeft haar standpunt schriftelijk toegelicht.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen.

2.2

Onderdeel 1 voert verschillende klachten aan.

2.3

Eerst zal worden ingegaan op de klacht onder 9, die luidt dat het hof in rov. 4.6 t/m 4.8 van het bestreden arrest art. 3:322 lid 1 BW heeft geschonden. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof de vraag of de rechtsvordering van [eiseres] is verjaard heeft beoordeeld volgens art. 3:310 lid 1 BW, terwijl [A] zich niet op deze bepaling heeft beroepen. Het middel wijst op het verbod van art. 3:322 lid 1 BW voor de rechter om de verjaring ambtshalve toe te passen, hetgeen meebrengt dat degene die zich op verjaring beroept met voldoende duidelijkheid dient aan te geven op welke verjaring hij het oog heeft, wil dit beroep kunnen slagen. [A] heeft haar beroep op verjaring uitsluitend gebaseerd op art. 7:23 lid 2 BW.

Als het hof van oordeel is geweest dat [A] ook een beroep op art. 3:310 lid 1 BW heeft gedaan, is dat volgens het middel in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk.

2.4

Bij de beoordeling van deze klachten geldt het volgende. Op grond van art. 3:322 lid 1 BW mag de rechter het middel van verjaring niet ambtshalve toepassen. Volgens de wetsgeschiedenis – waarin wordt gesproken van het ‘in beginsel’ niet ambtshalve mogen toepassen van de extinctieve verjaring – houdt de bepaling verband met het karakter van de bevrijdende verjaring als een instelling waardoor wel de rechtsvordering teniet gaat, maar desniettemin een natuurlijke verbintenis overblijft.10 Er wordt wel gesproken van een wilsrecht van de schuldenaar11: de rechter dient het aan de schuldenaar over te laten of deze zich op verjaring wil beroepen. Dit kan ook reeds wenselijk geacht worden omdat de rechter uit eigen wetenschap niet kan weten of een op het eerste gezicht voltooide verjaring is gestuit of verlengd.12 Op degene die zich op verjaring beroept rust de stelplicht en eventuele bewijslast van het feitencomplex dat aan het verjaringsverweer ten grondslag ligt.13 Uw Raad heeft voorts geoordeeld dat in art. 3:322 lid 1 BW besloten ligt dat degene die zich op verjaring beroept met voldoende duidelijkheid dient aan te geven op welke verjaring hij het oog heeft, wil dit beroep kunnen slagen. Of het beroep op verjaring in dit opzicht inderdaad voldoende duidelijk is, is een kwestie van uitleg van de desbetreffende verklaring. Een algemeen beroep op verjaring, zonder daarbij een bepaald wetsartikel te noemen of anderszins aan te duiden welke verjaring de betrokken partij op het oog heeft, kan voldoende zijn wanneer in de gegeven omstandigheden ook zonder nadere uitleg duidelijk is welke verjaring voor toepassing in aanmerking komt.14

2.5

In het onderhavige geval heeft [A] zich in eerste aanleg tegen de vordering van [eiseres] verweerd door te stellen, onder meer, dat de rechtsvordering is verjaard op grond van art. 7:23 lid 2 BW.15 De rechtbank heeft dit verweer gehonoreerd op de grond dat [eiseres] haar vordering heeft gebaseerd op non-conformiteit van de Aquafilmatten, en de vordering van [eiseres] op deze grond afgewezen. Tegen dit oordeel is [eiseres] in hoger beroep opgekomen met haar grief I. Zij heeft zich in dat verband op het standpunt gesteld, voor zover van belang, dat de verjaring van haar vordering niet wordt beheerst door de verjaringstermijn van art. 7:23 lid 2 BW, omdat geen sprake is van een gemengde koop-aannemingsovereenkomst, maar door de verjaringstermijn van art. 3:310 BW, aangezien sprake is van een overeenkomst van aanneming van werk.16 [A] heeft de grief bestreden en zich in dat verband wederom beroepen op de verjaringstermijn van art. 7:23 lid 2 BW, stellende dat [eiseres] haar vordering baseert op non-conformiteit van de Aquafilmatten.17

2.6

Tegen de achtergrond van dit partijdebat faalt de motiveringsklacht bij gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dan die klacht veronderstelt, is het hof er kennelijk en begrijpelijkerwijs niet vanuit gegaan dat [A] zich op de verjaring van art. 3:310 lid 1 BW heeft beroepen. Het hof heeft, integendeel en volkomen begrijpelijk, vastgesteld dat [eiseres] heeft aangevoerd dat niet de verjaringstermijn van art. 7:23 lid 2 BW maar die van art. 3:310 lid 1 BW van toepassing is (rov. 4.3).

2.7

In het licht van de weergegeven stellingnames van partijen moet naar mijn mening ook de rechtsklacht worden verworpen. Weliswaar heeft [A] , als schuldenaar, zich in eerste aanleg (en in hoger beroep) steeds uitsluitend op de verjaring van art. 7:23 lid 2 BW beroepen, maar dit brengt naar mijn mening niet mee dat het hof zich, op straffe van schending van art. 3:322 lid 1 BW, diende te onthouden van een beoordeling van de in grief I van [eiseres] besloten stelling dat niet art.7:23 lid 2 BW, maar art. 3:310 lid 1 BW de verjaring van de rechtsvordering beheerst. [A] heeft immers in eerste aanleg te kennen gegeven zich op verjaring te willen beroepen en ook duidelijk gemaakt op welke verjaring zij het oog had. Vervolgens is, naar aanleiding van de honorering van dit beroep door de rechtbank, tussen partijen een discussie ontstaan over de vraag door welke bepaling deze eventuele verjaring wordt geregeerd – art. 7:23 BW dan wel art. 3:310 BW. Daarmee maakt de kwalificatie van het verjaringsverweer deel uit van de rechtsstrijd tussen partijen en kan de beoordeling daarvan door het hof niet worden aangemerkt als een verboden ambtshalve toepassing van het middel van verjaring als bedoeld in art. 3:322 lid 1 BW.

2.8

In onderdeel 1 onder 8 wordt vanuit verschillende invalshoeken geklaagd dat het hof bij de beoordeling van de verjaring van de vordering van [eiseres] in rov. 4.8 en rov. 4.9 van het bestreden arrest ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het in rov. 2.818 vastgestelde feit dat [eiseres] [A] bij brief van 19 mei 2003 aansprakelijk heeft gesteld voor de schade als gevolg van de gebrekkige Aquafilmatten. Volgens het onderdeel heeft het hof daarmee miskend dat aan deze brief stuitende werking toekomt.

2.9

[eiseres] heeft geen belang bij deze klacht met betrekking tot een eventuele verjaring op de voet van art. 7:23 lid 2 BW. Ook indien met het middel wordt aangenomen dat aan de brief van 19 mei 2003 stuitende werking toekomt, blijft overeind dat de verjaringstermijn van art. 7:23 lid 2 BW ruimschoots was verlopen bij het inleiden van de onderhavige procedure in 2010.

2.10

In het kader van de eventuele toepasselijkheid van art. 3:310 lid 1 BW dient de klacht mijns inziens eveneens te worden verworpen. Al zou op zichzelf verdedigbaar zijn dat aan de aansprakelijkstelling van 19 mei 2003 (prod. 6 bij inl. dagv.) stuitende werking moet worden toegekend19, [eiseres] heeft dit in de procedure niet aangevoerd. Naar het hof – in cassatie niet bestreden – heeft vastgesteld, heeft “ [eiseres] (…) aangevoerd dat (…) de verjaringstermijn van vijf jaar (artikel 3:310 BW) [van toepassing is] en dat die verjaringstermijn tijdig is gestuit door een brief van 3 april 2008 van mr. Gelpke aan [A] .” (rov. 4.3).20 [eiseres] heeft zich in de gedingstukken op geen enkele wijze uitgelaten over het moment waarop, gelet op de eisen van art. 3:310 lid 1 BW, de verjaring van de rechtsvordering volgens haar een aanvang zou hebben genomen. Mogelijk verkeerde zij, zulks in het verlengde van de door de rechtbank gehonoreerde stelling van [A] dat de verjaringstermijn is gaan lopen vanaf de aansprakelijkstelling van 19 mei 2003, in de veronderstelling dat ook de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW is aangevangen op 19 mei 2003. Wat daarvan zij, blijkens de gedingstukken – en anders dan in de cassatiedagvaarding onder 6 wordt gesuggereerd – heeft [eiseres] in elk geval niet gesteld dat een lopende verjaring op de voet van art. 3:310 lid 1 BW ook reeds door de brief van 19 mei 2003 is gestuit. Dat volgt ook niet uit de in het onderdeel (voetnoot 3) aangegeven vindplaatsen. Anders dan in de s.t. (nr. 2) wordt gesteld, heeft [A] ook niet erkend dat de aansprakelijkstelling van 19 mei 2003 een lopende verjaring heeft gestuit (er wordt daarvan ook geen vindplaats vermeld). Integendeel, [A] heeft uitdrukkelijk betwist dat, afgezien van de brief van 3 april 2008, sprake is geweest van enige stuitingshandeling.21 Toen het hof tot de bevinding kwam dat de verjaringstermijn in ieder geval was aangevangen op 21 maart 2003 (rov. 4.8), behoefde het niet ambtshalve te onderzoeken of de verjaring reeds voor 3 april 2008 was gestuit. Hierop stranden alle klachten van onderdeel 1, onder 8.

2.11

De hierop voortbouwende klachten in onderdeel 1 onder 10 treffen evenmin doel.

2.12

Onderdeel 2 komt op tegen rov. 4.10 van het bestreden arrest, waarin het hof de stelling van [eiseres] verwerpt dat de verjaring van haar rechtsvordering is gestuit doordat [A] de vordering heeft erkend. Volgens de klacht heeft het hof hiermee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 3:318 BW, althans een onbegrijpelijke beslissing gegeven. Kort gezegd voert het middel hiertoe aan dat het hof in het licht van het gemotiveerd betoog van [eiseres] niet (kenbaar) heeft onderzocht of [eiseres] uit de in MvG, p. 5 t/m 7 genoemde gedragingen van [A] (in onderling verband bezien) heeft mogen afleiden dat [A] haar aansprakelijkheid jegens [eiseres] heeft erkend. Met name zou het hof niet zijn ingegaan op het onderlinge verband tussen de aangevoerde gedragingen.

2.13

In art. 3:318 BW is bepaald de verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door erkenning van het recht tot welks bescherming die rechtsvordering dient. De erkenning kan zowel uitdrukkelijk geschieden als in handelingen of gedragingen van de schuldenaar besloten liggen (vgl. art. 3:37 lid 1).22

2.14

In haar grief II heeft [eiseres] uiteengezet op grond van welke, in onderlinge samenhang te beoordelen, feiten en omstandigheden zij erop heeft mogen vertrouwen dat [A] haar vordering erkende. In MvA, nr. 19 e.v. heeft [A] uiteengezet waarom volgens haar geen sprake is van erkenning door haar van de vordering van [eiseres] , waarbij zij onder andere erop heeft gewezen dat zij de bevloeiingsmatten voor eigen rekening heeft vervangen onder de uitdrukkelijke vermelding dat zulks geen erkenning van de aansprakelijkheid zou opleveren (nr. 22) en dat uit de correspondentie tussen partijen blijkt dat [A] uitdrukkelijk aansprakelijkheid van de hand heeft gewezen (nr. 23).

In rov. 4.10 van het bestreden arrest heeft het hof de stellingen van [eiseres] kennelijk en niet onbegrijpelijk samengevat tot het betoog dat de erkenning van de vordering door [A] mocht worden afgeleid uit – kort gezegd – de omstandigheden dat (i) [A] het gesprek is aangegaan met [eiseres] , (ii) daarbij de importeur en de fabrikant van de Aquafilmatten heeft betrokken en (iii) derden aansprakelijk heeft gesteld voor de schade die [eiseres] op haar tracht te verhalen. Het hof heeft die omstandigheden gewogen en gemotiveerd – onder andere met een verwijzing naar het vrijwaringskarakter van de actie jegens derden – geoordeeld dat deze noch op zichzelf beschouwd, noch in onderlinge samenhang bezien, voldoende zijn om te kunnen worden aangemerkt als een erkenning door [A] . Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie verder niet op juistheid worden getoetst. Het is, mede in het licht van de stellingen van [A] , niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.23 De klachten van onderdeel 2 kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.

2.15

Onderdeel 3 klaagt dat het hof een rechtens onjuiste dan wel een onbegrijpelijke beslissing heeft gegeven bij de beoordeling en verwerping in rov. 4.11 t/m 4.14 van de stelling van [eiseres] dat het beroep van [A] op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De klacht houdt in dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 6:2 lid 2 respectievelijk art. 6:248 lid 2 BW door de stelling van [eiseres] dat het beroep van [A] op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, te vernauwen tot de vraag of [A] haar bevoegdheid om zich op verjaring te beroepen heeft verwerkt (rov. 4.11) en vervolgens slechts te onderzoeken of bij [eiseres] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [A] haar beroep op verjaring niet (meer) geldend zou maken, hetzij de positie van [eiseres] onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard ingeval [A] zich alsnog op verjaring zou beroepen (rov. 4.12). Het hof zou hierdoor hebben miskend dat rechtsverwerking weliswaar geldt als een toepassing van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, maar dat de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid niet tot gevallen van rechtsverwerking is beperkt. Ook buiten gevallen van rechtsverwerking kunnen zich omstandigheden voordoen – zoals die door [eiseres] zijn aangevoerd in MvG, p. 8 – waarin de uitoefening van een bevoegdheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof is ten onrechte niet ingegaan op alle door [eiseres] aangevoerde omstandigheden (vgl. s.t., nr. 10).

2.16

Bij de beoordeling van de vraag of een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval.24 Deze omstandigheden moeten worden aangevoerd en bij voldoende betwisting worden bewezen door degene die zich op strijd met de redelijkheid en billijkheid beroept, waarbij in het algemeen geldt dat strijdigheid met de redelijkheid en billijkheid niet snel wordt aangenomen. In het onderhavige geval heeft [eiseres] reeds in eerste aanleg betoogd dat het beroep van [A] op verjaring van de vordering in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, omdat – kort gezegd – [A] het gerechtvaardigd vertrouwen heeft opgewekt dat zij geen beroep zou doen op verjaring.25 De rechtbank heeft dat beroep verworpen, overwegende dat de enkele omstandigheid dat [eiseres] en [A] samen ‘optrokken’ tegen [B] B.V. niet ertoe leidt dat [eiseres] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [A] geen beroep zou doen op verjaring, en voorts dat de door [eiseres] gestelde onderhandelingen tussen haar en [A] op zichzelf genomen evenmin een grond opleveren om de verjaringsregels buiten toepassing te laten (rov. 4.4). Dat oordeel heeft [eiseres] in hoger beroep bestreden met grief III, waarin kort gezegd de volgende argumenten worden aangevoerd (vgl. ook rov. 4.11 van het bestreden arrest): (i) [A] heeft de vordering van [eiseres] erkend26, (ii) [eiseres] meende dat [A] ook de schade van [eiseres] op de leverancier en/of de importeur van de Aquafilmatten zou verhalen, terwijl uit de door [A] opgestelde en voor de leverancier bedoelde concept-dagvaarding blijkt dat [A] deze schade voor haar rekening neemt, (iii) de raadsman van [A] heeft toegezegd om [eiseres] hangende de procedure op de hoogte te houden van de stand van zaken, hetgeen veronderstelt dat [eiseres] een afwachtende houding zou (blijven) aannemen, (iv) [A] heeft [eiseres] aan het lijntje gehouden, en (v) [A] is door het verstrijken van de tijd niet geschaad in haar verdediging of mogelijkheden van regres/schadeverhaal.

2.17

Het komt mij voor dat het hof grief III van [eiseres] heeft mogen opvatten als een beroep op rechtsverwerking, aangezien [eiseres] met de in 2.16 vermelde argumenten zich in de kern erop beroept dat bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [A] haar beroep op verjaring niet geldend zou maken. Bij de beoordeling van dat beroep heeft het hof de juiste maatstaf aangelegd, te weten of [A] zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met haar vervolgens gedane beroep op verjaring, en meer in het bijzonder of bijzondere omstandigheden aanwezig zijn als gevolg waarvan hetzij bij [eiseres] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [A] haar beroep op verjaring niet (meer) geldend zou maken, hetzij de positie van [eiseres] onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval [A] zich alsnog op verjaring zou beroepen (rov. 4.12).27 In aanmerking genomen dat een beroep op rechtsverwerking slechts in uitzonderlijke omstandigheden gegrond kan worden geoordeeld,28 heeft het hof in rov. 4.13-4.14 van het bestreden arrest terecht en niet onbegrijpelijk beslist dat het op de onder 2.16 genoemde argumenten gebaseerde beroep van [eiseres] op rechtsverwerking niet opgaat. Ten overvloede teken ik nog aan dat de desbetreffende argumenten naar mijn mening evenmin tot het slagen van het beroep van [eiseres] op de redelijkheid en billijkheid zouden kunnen leiden, wanneer met het middel zou worden aangenomen dat het betoog van [eiseres] in MvG, p. 8 moet worden opgevat als een meer algemeen beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 2.1 t/m 2.10 van het bestreden arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 16 september 2014, alsmede rov. 2.1 t/m 2.5 van het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 juli 2011.

2 Prod. 6 bij inl. dagv.

3 Prod. 2 bij MvG. Zie rov. 4.4 van het bestreden arrest: tussen partijen is niet in geschil is dat de brief van 3 april 2008 inhoudelijk voldoende is om een op dat moment lopende verjaringstermijn te stuiten.

4 ECLI:NL:GHARL:2014:7143.

5 Zie grief I.

6 Zie grief II.

7 Zie grief III.

8 Het hof vermeldt kennelijk abusievelijk: [A] .

9 De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 12 december 2014.

10 TM en MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 939.

11 Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013/388.

12 Mon. BW B14 (Koopmann), 2010, nr. 9.5.

13 Mon. BW B14 (Koopmann), 2010, nr. 9.7.

14 HR 29 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1943, NJ 1996/418, m.nt. P.A. Stein, rov. 3.3. Vgl. HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:ZC2911, NJ 2000/290, m.nt. J.B.M. Vranken, rov. 3.2.

15 Zie CvA, nr. 38; CvD, nr. 3 e.v. Zie voor de betwisting hiervan door [eiseres] , CvR, nr. 18 e.v.

16 Zie grief I, in het bijzonder nrs. 4 en 7. [eiseres] beroept zich erop dat voor de overeenkomst van aanneming van werk krachtens art. 7:761 lid 1 BW weliswaar een verjaringstermijn geldt van twee jaar, maar deze bepaling ingevolge art. 217 lid 3 Overgangswet Nieuw BW op de onderhavige zaak niet van toepassing is. Zie Van der Beek, T&C BW 2015, art. 7:761, aant. 7.

17 Zie MvA, nr. 14 e.v. en nr. 18: ‘ [A] is aldus van mening dat de beslissing van de rechtbank omtrent de verjaring van de vordering van [eiseres] op goede gronden is genomen. (…)’.

18 Zie hiervoor onder 1.1-e.

19 Vgl. HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5811, NJ 2002/195, rov. 3.5.

20 Zie CvR, nr. 19; MvG, nr. 7.

21 MvA, nr. 19.

22 Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2013/426; Mon. BW B14 (Koopmann), 2010, nr. 30.

23 Vgl. over toetsing in cassatie van de vraag of sprake is van erkenning: HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5811, NJ 2002/195, rov. 3.4.

24 Zie bijvoorbeeld HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3463, RvdW 2015/4, rov. 3.8.3.

25 Zie CvR, p. 5 e.v.

26 Dit argument volgt uit de verwijzing onder sub 2a) van grief III naar de feiten en omstandigheden die in het kader van de toelichting op grief II zijn aangevoerd.

27 Zie voor deze maatstaf o.a. HR 29 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1827, NJ 1996/89, rov. 3.2-3.3.

28 HR 20 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS4406, RvdW 2005/75, rov. 5.