Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2346

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-11-2015
Datum publicatie
19-02-2016
Zaaknummer
15/03927
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:295, Contrair
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Omgangsondertoezichtstelling (art. 1:254 (oud) BW). Terughoudende maatstaf en hoge motiveringseisen (HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1009, NJ 2002/4; HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1073, NJ 2002/5).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

15/03927

Mr. P. Vlas

Zitting, 27 november 2015 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[de vader]

(hierna: de vader)

tegen

De Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidwest Nederland

(hierna: de Raad)

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de moeder]

(hierna: de moeder)

en

De stichting William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering

(hierna: de Stichting)

Deze zaak heeft betrekking op een ondertoezichtstelling op grond van art. 1:254 (oud) BW en de door de rechter in dat verband aangelegde maatstaf.

1. Feiten1 en procesverloop

1.1 De moeder en de vader hebben met elkaar samengeleefd. Op [geboortedatum] 2011 is uit deze relatie geboren [de minderjarige] (hierna: de minderjarige). De vader heeft [de minderjarige] erkend. De vader en de moeder oefenen samen het ouderlijk gezag over de minderjarige uit. In 2012 is de relatie tussen de moeder en de vader verbroken. De minderjarige woont bij de vader. Uit een eerdere relatie van de moeder is op [geboortedatum] 2003 een dochter ([de dochter]) geboren, waarover de moeder alleen het gezag uitoefent. [de dochter] woont bij haar moeder.

1.2 Bij beschikking van 17 februari 2015 heeft de rechtbank Zeeland-West Brabant de minderjarige voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van de Stichting. De rechtbank heeft overwogen dat de man geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek door de Raad. De ernstige ex-partnerstrijd waarmee de minderjarige direct dan wel indirect wordt belast, maakt dat sprake is van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige. De rechtbank acht het in het zwaarwegende belang van de minderjarige dat in het kader van de ondertoezichtstelling een gezaghebbende gezinsvoogdijwerker de belangen van de minderjarige zal waarborgen. Ook acht de rechtbank het van belang dat wordt gewerkt aan een herstel van het contact tussen de minderjarige en haar halfzusje.

1.3 Tegen die beschikking heeft de vader hoger beroep ingesteld bij het hof ’s‑Hertogenbosch. Bij beschikking van 18 juni 2015 heeft het hof ’s-Hertogenbosch de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Het hof heeft, na weergave van de standpunten van partijen en van de Stichting, in rov. 3.8.2 het volgende overwogen:

‘Het hof is van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:254 BW. Het (inmiddels langdurig) verbroken family life van [de minderjarige] met haar moeder alsmede met haar (half)zusje als gevolg van de hevige strijd tussen partijen vormt een ernstige bedreiging voor de persoons- en identiteitsontwikkeling van [de minderjarige]. Dat de huidige opvoedsituatie bij de vader wellicht geen aanleiding biedt voor een beschermingsmaatregel als een ondertoezichtstelling maakt dit niet anders, immers het verbroken family life en de constatering van het hof ter zitting dat de ouders tezamen op dit moment niet gemotiveerd blijken hierin verandering te brengen, maken de ondertoezichtstelling noodzakelijk. Het hof overweegt daarbij dat een ontwrichte relatie tussen de minderjarige en (een van) haar ouders en halfzus, veroorzaakt door partnerstrijd na het uiteengaan van de ouders, op zich reeds een ernstige bedreiging voor die minderjarige oplevert, althans kan opleveren. Gelet op de verbetenheid waarmee – naar het hof is gebleken – partijen hun stellingen hebben betrokken, is te voorzien dat de bedreiging van de persoons- en identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] in het vrijwillige kader niet kan worden afgewend. Het door de vader verzochte aanvullend onderzoek op grond van artikel 810a Rv wijst het hof af, nu dit onderzoek niet mede tot de beslissing van het hof kan leiden, immers zowel het verbroken zijn van het family life als de ernstige strijd tussen de ouders zijn vaststaande feiten, reeds voortvloeiende uit hetgeen partijen over en weer zelf aanvoeren. Daarbij komt dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met het belang van [de minderjarige], nu dit belang vordert dat het family life van [de minderjarige] met de moeder en haar halfzus met spoed wordt hersteld en derhalve het treffen van een maatregel thans zonder verder uitstel is geboden.

Hetgeen de vader overigens in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel’.

1.4 De vader heeft tegen de beschikking van het hof (tijdig) cassatieberoep ingesteld. De Raad heeft geen verweerschrift ingediend, evenmin als de belanghebbenden.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel is gericht tegen rov. 3.8.2 van de bestreden beschikking en klaagt in de kern genomen dat het hof een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de wettelijke vereisten voor ondertoezichtstelling. Voorts wordt geklaagd dat het hof ten onrechte het op de voet van art. 810a Rv gedane verzoek van de man voor een aanvullend onderzoek heeft afgewezen en dat het hof heeft miskend dat ook in zaken als de onderhavige art. 149-150 Rv van toepassing zijn.

2.2

Het cassatiemiddel (onder 2.1.1) klaagt in de eerste plaats dat de ondertoezichtstelling niets anders is dan een omgangsondertoezichtstelling en dat het hof daarmee buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, nu door de Raad geen omgangsondertoezichtstelling is verzocht. De klacht mist feitelijke grondslag, omdat het hof geen omgangsondertoezichtstelling heeft uitgesproken. Het hof heeft in rov. 3.8.2 overwogen dat het inmiddels langdurig verbroken family life van de minderjarige met haar moeder alsmede met haar halfzusje als gevolg van de hevige ex-partnerstrijd een ernstige bedreiging vormt voor de persoons- en identiteitsontwikkeling van de minderjarige. Het hof heeft met de ondertoezichtstelling professionele hulpverlening mogelijk willen maken, nu de bedreiging voor de persoons- en identiteitsontwikkeling van de minderjarige in het vrijwillige kader niet kan worden afgewend.

2.3

Het cassatiemiddel (onder 2.1.2) klaagt dat het hof een onjuiste invulling heeft gegeven van de maatstaf voor een ondertoezichtstelling, althans geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang. Voorts klaagt het middel (onder 2.1.3) dat het hof heeft miskend dat een ondertoezichtstelling een ultimum remedium is. Hierover merk ik het volgende op. Het hof heeft, onbestreden in cassatie, in rov. 3.8.1 vooropgesteld dat op het onderhavige verzoek tot ondertoezichtstelling art. 1:254 BW van toepassing is, zoals deze bepaling tot 1 januari 2015 heeft gegolden. Ingevolge art. 1:254 lid 1 BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen indien die minderjarige zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. Het is vaste rechtspraak dat de maatregel van een ondertoezichtstelling slechts is gerechtvaardigd, indien zij berust op de in de wet aangegeven gronden en dient ter bescherming van het belang van het kind.2 In rov. 3.8.2 heeft het hof deze maatstaf gehanteerd door te overwegen dat het (langdurig) verbroken ‘family life’ van de minderjarige met haar moeder en met haar halfzus als gevolg van de hevige partnerstrijd een ernstige bedreiging vormt voor de persoons- en identiteitsontwikkeling van de minderjarige, mede gelet op de constatering van het hof ter zitting dat de ouders tezamen niet gemotiveerd blijken verandering in deze situatie te brengen. Het hof heeft daarbij overwogen dat een ontwrichte relatie tussen de minderjarige en (een van) haar ouders en halfzus, veroorzaakt door de partnerstrijd, op zich reeds een ernstige bedreiging voor de minderjarige oplevert, althans kan opleveren. Ten slotte heeft het hof overwogen dat, gelet op de verbetenheid waarmee partijen hun stellingen hebben betrokken, is te voorzien dat de bedreiging van de persoons- en identiteitsontwikkeling van de minderjarige in het vrijwillige kader niet kan worden afgewend. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onvoldoende gemotiveerd. Hierop stuiten de genoemde klachten in hun geheel af.

2.4

Het middel (onder 2.1.4) betoogt dat het hof heeft miskend dat art. 149-150 Rv ook gelden voor een geding als het onderhavige en dat derhalve op de Raad als verzoekende partij de stelplicht en de bewijslast rust. De klacht kan niet tot cassatie leiden. Zowel art. 149 lid 1 Rv als art. 150 Rv hebben betrekking op ‘feiten of rechten’. De in het cassatiemiddel bedoelde beoordeling is zodanig verweven met aan de feitenrechter voorbehouden waarderingen van feitelijke aard, dat deze in cassatie verder niet op juistheid kunnen worden getoetst.3

2.5

In onderdeel 2.2 klaagt het middel over de onjuiste toepassing van art. 810a Rv. Hierover merk ik het volgende op. Het hof heeft in rov. 3.8.2 geoordeeld dat het door de vader verzochte aanvullend onderzoek op grond van art. 810a Rv wordt afgewezen, nu dit onderzoek niet mede tot de beslissing van de zaak kan leiden, en omdat toewijzing van dat verzoek strijdig zou zijn met het belang van de minderjarige. In deze overweging ligt besloten dat het hof de door Uw Raad in de beschikking van 5 september 2014 geformuleerde maatstaf met betrekking tot de beoordeling van een verzoek op grond van art. 810a Rv in acht heeft genomen.4 Het hof heeft daarbij overwogen dat zowel het verbroken zijn van ‘family life’ als de ernstige strijd tussen de ouders, vaststaande feiten zijn, welke maken dat het onderzoek op grond van art. 810a Rv niet mede tot de beslissing van de zaak kan leiden. Voorts heeft het hof overwogen dat het belang van ‘family life’ van de minderjarige met haar moeder én met haar halfzus vordert dat het ‘family life’ met spoed wordt hersteld en derhalve het treffen van een maatregel thans zonder verder uitstel is geboden, en dat zulks maakt dat toewijzing van het verzochte onderzoek op grond van art. 810a Rv strijdig zou zijn met het belang van de minderjarige. Daarmee is het oordeel van het hof dat een dergelijk verzoek moet worden afgewezen voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.

2.6.

Ik kom tot de slotsom dat geen van de onderdelen tot cassatie kan leiden en dat het beroep dient te worden verworpen. Ik geef Uw Raad in overweging het beroep af te doen met toepassing van art. 81 RO.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 2.1-2.6 en 3.1-3.3 van het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 juni 2015.

2 Zie HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1009, NJ 2002/4 en HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1073, NJ 2002/5, m.nt. J. de Boer; zie ook Asser/De Boer I* 2010, nr. 844.

3 Ik volsta hier met een verwijzing naar de punten 2.3, 2.19 en 2.20 van de conclusie van mijn ambtgenoot Langemeijer (ECLI:NL:PHR:2014:580) vóór HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, NJ 2014/469, m.nt. S.F.M. Wortmann.

4 Zie noot 3.