Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2335

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-10-2015
Datum publicatie
18-12-2015
Zaaknummer
15/04237
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3631, Gevolgd
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Verzoek toepassing schuldsaneringsregeling ten onrechte afgewezen vanwege alimentatieverplichting; art. 288 lid 1, onder c, Fw. HR 14 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7589, NJ 2009/52.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 15/04237 (Schuldsanering)

mr. Wuisman

Parketdatum: 21 oktober 2015

CONCLUSIE inzake

[verzoeker],

verzoeker tot cassatie,

advocaat: mr. P.S. Kamminga.

1 Voorgeschiedenis

1.1

Bij verzoekschrift d.d. 21 maart 2015 heeft verzoeker tot cassatie (hierna: [verzoeker]) zich tot rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere gewend, met het verzoek hem toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Hij had toen een schuldenlast van in totaal € 202.310,88,

1.2

Tot die schuldenlast behoren onder meer een belastingschuld van € 121.767,- en een schuld aan ABN AMRO van € 21.883,53 Deze twee schulden houden verband met de eenmanszaak, die [verzoeker] in april 2004 is gestart maar eind 27 december 2013 wegens sterk afgenomen inkomsten heeft gestaakt. Van januari tot april 2014 heeft hij een bijstands-uitkering ontvangen. Met ingang van 1 mei 2014 verricht hij weer werk, nu in het kader van een dienstverband uit hoofde waarvan hij een inkomen van € 1.650,- bruto per maand geniet.

1.3

Van de schuldenlast maakt ook deel uit een alimentatieschuld van € 28.082,41. Deze schuld houdt verband met een per 3 augustus 2011 als gevolg van echtscheiding geëindigd huwelijk, waaruit drie kinderen zijn geboren. Over de kinder- en partneralimentatie zijn enige procedures gevoerd. De laatste beschikking inzake de alimentatie is van de rechtbank Midden-Nederland en dateert van 22 oktober 2014. Daarin is bepaald dat [verzoeker] voor de periode van 1 januari 2014 tot 1 mei 2015 aan kinderalimentatie een bedrag van € 292,- per maand per kind dient te betalen en dat de partneralimentatie in die periode nihil bedraagt. De rechtbank gaat er van uit dat [verzoeker] een hogere verdiencapaciteit heeft en deze na 1 mei 2015 weer kan benutten, zodat hij dan ook weer de eerder door het hof Amsterdam vastgestelde alimentatieverplichtingen ten bedrage van in totaal € 2.302,- per maand kan nakomen.

1.4

Bij vonnis d.d. 4 juni 2015 wijst de rechtbank het verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling af. De rechtbank oordeelt dat [verzoeker] niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het doen ontstaan van de belastingschuld. Hij heeft naar het oordeel van de rechtbank een onaanvaardbaar groot risico genomen door de opgelegde inkomstenbelasting niet te betalen, aan zijn alimentatieverplichtingen te blijven voldoen en te voorzien in zijn levensonderhoud.

1.5

Tegen het vonnis van de rechtbank heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem. In zijn arrest d.d. 7 september 2015 oordeelt het hof, anders dan de rechtbank, dat aan [verzoeker] geen verwijt valt te maken van het ontstaan en onbetaald laten van de belastingschulden. Niettemin acht het hof het verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling niet toewijsbaar vanwege het in artikel 288 lid 1 aanhef en onder c Fw bepaalde. Aldaar wordt als voorwaarde tot toelating tot de schuldsaneringsregeling gesteld dat voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit die regeling voortvloeiende verplichtingen zal nakomen. Daaronder hoort ook de verplichting om geen nieuwe schulden te doen ontstaan. Dat [verzoeker] geen nieuwe schulden zal doen ontstaan acht het hof niet aannemelijk gelet op de alimentatieverplichtingen van [verzoeker]. [verzoeker] zal eerst zijn inkomsten en uitgaven in evenwicht moeten brengen. Het hof geeft hem mee dat het voor de hand ligt dat de hoogte van diens alimentatieverplichting de bepalende factor voor het gewenste resultaat zal zijn.

1.6

Van het arrest van het hof is [verzoeker] in cassatie gekomen bij een verzoekschrift dat op maandag 14 september 2015 bij de griffie van de Hoge Raad is binnengekomen. Het cassatieberoep is daarmee tijdig ingesteld.

2 Bespreking van cassatiemiddel

2.1

Het afwijzen van het verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling op de grond dat vanwege de bestaande alimentatieverplichting het niet aannemelijk is dat [verzoeker] geen nieuwe schulden zal doen ontstaan en hij daarmee niet voldoet aan de voorwaarde in artikel 288 lid 1 aanhef en onder c, wordt als een onjuist en onbegrijpelijk oordeel bestreden.

2.1.1

[verzoeker] onderbouwt zijn klacht in het verzoekschrift tot cassatie hiermee dat hij onder 4.4. van zijn aanvullend beroepschrift heeft aangevoerd niet alleen dat de door de rechtbank Midden-Nederland uitgesproken verwachting dat op 1 mei 2015 [verzoeker] zijn voormalige verdiencapaciteit weer terug zou hebben en de door het hof Amsterdam vastgestelde alimentatieverplichting weer zou kunnen nakomen niet is uitgekomen, maar ook dat hij na tot de schuldsaneringsregeling te zijn toegelaten zo spoedig mogelijk wederom om het op nihil stellen van de alimentatieverplichtingen zal verzoeken.

2.1.2

Ook verwijst hij in zijn verzoekschrift tot cassatie naar de uitspraak van 14 november 2008 van de Hoge Raad(1) inzake de gevolgen van een schuldsaneringsregeling voor een bestaande alimentatieverplichting. In rov. 3.3.2 van die uitspraak oordeelt de Hoge Raad:

“Uitgangspunt (…) is dat de rechter bij de beoordeling van een verzoek van een alimentatieplichtige een vastgestelde uitkering tot levensonderhoud op grond van een wijziging van omstandigheden op een lager bedrag of op nihil vast te stellen, in aanmerking zal kunnen nemen dat ten aanzien van de alimentatieplichtige de schuldsaneringsregeling van toepassing is en veelal de in dat verband vastgestelde feiten tot uitgangspunt zal kunnen nemen (HR 25 januari 2002, nr. R01/061, NJ 2002, 314). In aanmerking genomen voorts dat de saniet gedurende de tijd waarin de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is, slechts kan beschikken over het op de voet van artikel 295 lid 2 F. door de rechter-commissaris vastgestelde vrij te laten bedrag en dit bedrag, gelet op het daarbij van toepassing verklaarde art. 475d Rv., onder het bijstandsniveau is gelegen, tenzij de rechter-commissaris op de voet van art. 295 lid 3 anders heeft bepaald, moet worden aangenomen dat een saniet, behoudens bijzondere omstandigheden, niet over draagkracht beschikt om onderhous-bedragen te betalen. Dit kan anders zijn, indien het vrij te laten bedrag door de rechter-commissaris op een hoger bedrag is bepaald. Indien in een procedure tot wijziging van alimentatie een verweer daartoe aanleiding geeft, dan wel de rechter informatie daaromtrent wenst, zal de saniet kenbaar moeten maken of de rechter-commissaris het vrij te laten bedrag op een hoger bedrag heeft bepaald en, zo niet, of hij deze daarom heeft verzocht. Is dit laatste niet het geval, dan kan de rechter de beslissing aanhouden teneinde de saniet in de gelegenheid te stellen alsnog dat verzoek te doen.” ( 2 )

2.2

Hetgeen hiervoor in 2.1.1 en 2.1.2 wordt vermeld, is om de volgende redenen te dezen van belang te achten. De onder 2.1.1 vermelde omstandigheden rechtvaardigen de verwachting dat [verzoeker] na toelating tot de schuldsaneringsregeling spoedig een verzoek tot nihil-stelling van zijn alimentatieverplichtingen zal instellen. Van een belang bij [verzoeker] om van het doen van een dergelijk verzoek af te zien is niet gebleken. Dit klemt te meer, omdat het afzien van een dergelijk verzoek een grond oplevert voor het voortijdig beëindigen van de schuldsaneringsregeling; zie met name artikel 350 lid 3 sub d Fw. De in 2.1.2 geciteerde overweging van de Hoge Raad doet aannemelijk zijn dat het verzoek zal worden gehonoreerd, althans dat het verzoek zal leiden tot vaststelling van de alimentatieverplichtingen van [verzoeker] op een bedrag tot voldoening waarvan [verzoeker] op grond van artikel 295 lid 3 Fw in staat wordt gesteld. Een en ander brengt mee dat, anders dan het hof aanneemt, niet te verwachten valt dat na toelating van [verzoeker] tot de schuldsaneringsregeling er vanwege op hem rustende alimentatieverplichtingen er nieuwe schulden zullen ontstaan. Dit alles staat er aan in de weg om het verzoek van [verzoeker] om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten af te wijzen op grond van het bepaalde in artikel 288 lid 1 aanhef en onder c Fw.

2.3

Uit het bestreden arrest valt niet af te leiden dat het hof hetgeen hierboven in 2.1.1 en 2.1.2 is vermeld in aanmerking heeft genomen. Indien de verklaring hiervoor hierin zou moeten worden gezocht dat het hof het in 2.1.1 en 2.1.2 vermelde niet relevant heeft geacht dan is er sprake van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het er voor moet worden gehouden dat het hof het in 2.1.1 en 2.1.2 vermelde wel relevant heeft geacht, dan heeft het hof niet voldoende duidelijk gemaakt waarom er te dezen toch ruimte is om aan artikel 288 lid 1 aanhef en onder c Fw toepassing te geven.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

(A-G)

1 . HR 14 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7589, NJ 2009, 52 m.nt. S.F.M. Wortmann.

2 . Het oordeel dat moet worden aangenomen dat een saniet, behoudens bijzondere omstandigheden, niet over draagkracht beschikt om onderhoudsbedragen te betalen past de Hoge Raad ook toe op een failliet verklaarde schuldenaar; zie HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5884, NJ 2012, 585.