Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2326

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-10-2015
Datum publicatie
01-12-2015
Zaaknummer
14/06577
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3439, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/06577

Zitting: 6 oktober 2015

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Op 17 december 2014 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, behalve ten aanzien van de strafoplegging en met aanvulling van een nadere bewijsoverweging – bevestigd het vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 13 december 2013, waarbij de verdachte wegens primair doodslag is veroordeeld. Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mrs. N. Flikkenschild en O.J. Much, advocaten te Rotterdam, hebben bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging strekkende tot vrijspraak onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

4. In de schriftuur wordt uitvoerig geciteerd uit de overgelegde pleitnotities. Ik volsta hier met een beknopte weergave. De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde nu geen sprake is van voorbedachte rade en niet kan worden bewezen dat verdachte de aanmerkelijke kans op dodelijk dan wel zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard. De verdediging heeft uitvoerig alternatieve scenario’s aangevoerd en heeft scenario 3 als meest aannemelijk bestempeld. Dit scenario houdt in dat een worsteling is ontstaan tussen verdachte en het slachtoffer en dat daardoor de verwondingen bij het slachtoffer zijn veroorzaakt. Dit scenario is met een vijftal aspecten (a t/m e) onderbouwd.

5. Het Hof heeft het aangevoerde opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt en is daarvan afgeweken. Naar aanleiding van het standpunt heeft het Hof het navolgende overwogen:

Aanvullende overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat het meest waarschijnlijke scenario is dat het slachtoffer [slachtoffer] en verdachte tijdens een worsteling in de kamer op de bank zijn gevallen en dat daarbij de verwondingen van het slachtoffer zijn veroorzaakt. Omdat er weinig bekend is over de feitelijke toedracht kan niet worden vastgesteld of er sprake was van de aanmerkelijke kans op het toebrengen van dodelijk letsel, laat staan dat verdachte die kans zou hebben aanvaard. Dit zou tot vrijspraak moeten leiden.

Het hof overweegt dat de verklaringen van verdachte over het ontstaan en het verloop van de worsteling die zou hebben plaatsgevonden op onderdelen niet is te rijmen met de verdere inhoud van het dossier en een aantal wezenlijke vragen onbeantwoord laat. Zo leert de tijdslijn die uit het dossier is af te leiden, dat [slachtoffer] al enige tijd in de woning aanwezig moet zijn geweest voordat het steekincident plaatsvond. In de tussentijd zijn via YouTube muziekfilmpjes opgevraagd. Dat verdachte in het geheel niet zou hebben gemerkt dat [slachtoffer] met het mes werd geraakt, acht het hof gezien de aard en de hoeveelheid verwondingen ongeloofwaardig.

De conclusie van het hof is dat het scenario van de verdediging niet aannemelijk is geworden en dat - zoals de rechtbank heeft gedaan - de toedracht moet worden afgeleid uit de (objectieve) resultaten van het forensische onderzoek en de verklaringen van getuigen.

Dit leidt tot een verwerping van het vrijspraakverweer.”

6. De geciteerde aanvullende bewijsoverweging bevat een beslissing op het standpunt. Het standpunt is verworpen, omdat het scenario niet aannemelijk is geworden. Er is dus een reactie van het Hof met een summiere motivering. Een dergelijke reactie volstaat indien een standpunt niets meer inhoudt dan een alternatieve speculatie over de gang van zaken. Hoewel het standpunt in de kern vooral speculatief is, heeft het Hof niettemin overwegingen gewijd aan zijn afwijking ervan. Het Hof heeft overwogen dat de verklaringen van verdachte over het ontstaan en het verloop van de worsteling die zou hebben plaatsgevonden op onderdelen niet te rijmen zijn met de verdere inhoud van het dossier en een aantal wezenlijke vragen onbeantwoord laat. Daarbij heeft het Hof erop gewezen dat uit de tijdslijn in het dossier is af te leiden dat het slachtoffer al enige tijd voor het steekincident in de woning aanwezig moet zijn geweest en dat de verklaring van verdachte dat hij in het geheel niet heeft gemerkt dat het slachtoffer met het mes werd geraakt ongeloofwaardig is gelet op de aard en hoeveelheid verwondingen van het slachtoffer. Het Hof heeft geconcludeerd dat het scenario van de verdediging niet aannemelijk is geworden en dat de toedracht moet worden afgeleid uit de (objectieve) resultaten van het forensische onderzoek en de getuigenverklaringen. Die motivering acht ik, mede in het licht van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen, niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, Sv niet zo ver gaat dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de motivering moet worden ingegaan.1 Daarbij komt dat de selectie en waardering van het bewijsmateriaal aan de feitenrechter is.

7. Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd het (voorwaardelijk) verzoek tot benoeming van een NFI-deskundige heeft afgewezen.

8. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 december 2014 is aldaar door de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van zijn pleitnotities die door hem aan het Hof zijn overgelegd. Deze pleitnotities houden, voor zover hier van belang, het navolgende in:

“VOORWAARDELIJK VERZOEK BENOEMEN DESKUNDIGE

Mocht u cliënt niet willen vrijspreken, dan verzoek ik u de zaak aan te houden en een deskundige van het NFI te benoemen, die zich zal uitlaten over de volgende vragen:

- Kan worden vastgesteld met welke kracht is gestoken? (Gelet op de diepte van, [de steekkanalen en de lengte van het lemmet van het mes).

- Wat betekent de eventuele uitkomst van deze vraag? (Gezien de verklaring van cliënt).

- Welke conclusies kunnen worden getrokken ten aanzien van de posities van de verwondingen? (In het licht van de stelling van cliënt).

De rechtbank heeft overwogen dat de 3 steekletsels zich in de linkerzijde bevinden van het bovenlichaam. De verdediging is van mening dat die conclusie onjuist is. Immers, op de tekening van het NFI is te zien dat letsel A (het dodelijke steekkanaal) zich nagenoeg in het midden van het lichaam bevindt. Steekkanalen B en C bevinden zich dan een stuk verder naar links. De vraag is of deze onjuiste conclusie van de rechtbank gevolgen heeft voor de aannemelijkheid, van de stelling van cliënt (dat [slachtoffer] in het mes is gevallen of het letsel tijdens de worsteling is ontstaan).

- Wat is de betekenis van het feit dat volgens het NFI het vermoeden bestaat dat het mes (of het lichaam van [slachtoffer]) tijdens of na de penetratie van het borstbeen iets gedraaid of gekanteld is?

- Is dit laatste een indicatie dat het dodelijke letsel wel degelijk is veroorzaakt: tijdens een worsteling of een val, waarbij het lichaam is gedraaid?

- Past het letsel in het borstbeen (2 beschadigingen, die niet in elkaars verlengde liggen) bij 1 vloeiende steekbeweging door dat borstbeen? Of is dat onwaarschijnlijk en past het letsel eerder bij een val of een worsteling?

Dit is noodzakelijk, omdat op deze vragen tot nu toe geen antwoorden gegeven zijn en zij cruciaal voor de bewijsvraag zijn, gelet op de verklaring van cliënt.

Waarbij ik opmerk dat voor die verklaring van cliënt (dat er een worsteling heeft plaatsgevonden) sterke steun bestaat (zoals besproken).

Welke deskundige dient dan te worden benoemd?

Ann Maes, patholoog, van het NFI. Zij heeft de sectie op het lichaam verricht. Of haar collega, mw. Bela Kubat. Zij heeft ervaring met het beantwoorden van dergelijke onderzoeksvragen.”

9. Het Hof heeft in zijn arrest, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“De raadsman heeft ter zitting van het hof het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het benoemen van een deskundige van het NFI wanneer het hof verdachte op grond van hetgeen door de raadsman is aangevoerd niet zal vrijspreken. De raadsman baseert dit voorwaardelijk verzoek op het door hem geschetste scenario.

Nu het hof niet uitgaat van dit scenario, is de noodzaak tot een onderzoek door een deskundige van het NFI niet aanwezig en wordt het verzoek afgewezen. Het hof merkt daarbij nog op dat het geenszins onaannemelijk is dat het slachtoffer zich heeft verweerd tegen de aanvallen van verdachte en in die zin een worsteling heeft plaatsgevonden.”

10. Het Hof was gehouden te beslissen op het voorwaardelijk verzoek en daarbij te toetsen aan het noodzaakcriterium. Uit de hierboven geciteerde overweging blijkt dat het Hof dit ook heeft gedaan en terecht wordt dit in de schriftuur niet bestreden. De vinger wordt gelegd op de begrijpelijkheid van de motivering van de afwijzing van het verzoek. De motivering van de verwerping is ongelukkig te noemen gelet op de eerste woorden ervan. Die woorden zijn namelijk zo te lezen dat het Hof het verzoek onder de voorwaarde dat het scenario van de verdediging niet wordt gevolgd, afwijst omdat dit scenario niet wordt gevolgd.

11. Het door de verdediging gedane verzoek tot het horen van een deskundige moet wel zijn ingegeven en is mijns inziens dan ook ingegeven door de vraag of beantwoording van de door de verdediging aan de deskundige te stellen vragen de verklaring van verdachte dat een worsteling op de bank heeft plaatsgevonden waarbij het slachtoffer gewond is geraakt, ondersteunt. Dit noem ik verder het worstel/val-scenario van de verdediging, omdat door de worsteling er kennelijk geen sprake van steken met een mes zou zijn, maar van een ongeluk waarbij het slachtoffer in het mes is ‘gevallen’. Met het oog op dat scenario heeft de verdediging in feitelijke aanleg opgave gedaan van de door een deskundige te beantwoorden vragen. In de kern gaat het om drie door de deskundige te beantwoorden vragen: met welke kracht is gestoken; is de Rechtbank er ten onrechte vanuit gegaan dat zich drie steekletsels in de linkerzijde van het bovenlichaam bevinden; welke betekenis moet worden toegekend aan het vermoeden dat het mes tijdens of na de insteek iets gedraaid of gekanteld is? Niet duidelijk is gemaakt of en waarom een bepaald antwoord zou dwingen tot het aannemelijk achten van het worstel/valscenario.

12. De vragen zijn vooral speculatief en de relevantie van de antwoorden is, zoals ik al opmerkte, niet duidelijk. Ik licht dit toe. De eerste vraag neemt tot uitgangspunt dat er is gestoken en daarmee is het antwoord van geen betekenis voor scenario 3. Zowel in het steekscenario als in het worstel/val-scenario kan passen dat een mes meer of minder krachtig het lichaam binnendringt. Niet duidelijk wordt waarom het antwoord op de vraag relevant kan zijn. Voor de tweede vraag geldt hetzelfde. Er wordt niet naar voren gebracht waarom een mogelijk andere locatie van steekkanaal A betekent of kan betekenen dat het worstel/val-scenario aannemelijk is. Wat de relevantie van draaien of kantelen van het mes kan zijn is evenmin duidelijk omdat het draaien en kantelen in beide scenario’s niet wordt uitgesloten.

13. Het Hof heeft nog overwogen dat een worsteling als verweer tegen de aanval van verdachte niet is uitgesloten. Het Hof heeft daarmee de mogelijkheid opengelaten dat er op enig moment wel een worsteling heeft plaatsgevonden. Dat beperkt de relevantie van de gestelde vragen, omdat het Hof dus wel wil aannemen dat er op enig moment geworsteld is. Zonder toelichting is niet duidelijk dat de aan een deskundige te stellen vragen enige opheldering kunnen geven over dat moment. Het Hof kon daargelaten de ongelukkige eerste woorden van de afwijzing van het verzoek in het licht van de te beantwoorden vragen oordelen dat er geen noodzaak was tot de benoeming van een deskundige.

14. Het middel faalt.

15. Het derde middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verzuimd de tenlastelegging op te nemen in het arrest.

16. Deze klacht kan evident niet tot cassatie leiden reeds omdat het Hof het vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland heeft bevestigd en in dat vonnis de tenlastelegging wel is opgenomen. Voor zover het middel klaagt dat de vordering van de advocaat-generaal niet expliciet in het arrest is vermeld geldt dat verdachte geen belang heeft bij bespreking van het middel. Immers verdachte en diens raadsman waren ter terechtzitting in hoger beroep van 3 december 2014 aanwezig en hebben daar kennis genomen van de vordering van de Advocaat-Generaal en deze vordering bevindt zich bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken. Tot slot verdient opmerking dat de volledige tenlastelegging zich in het dossier bevindt en, naar in cassatie moet worden aangenomen, aan verdachte is uitgereikt.

17. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006, 393 m.nt. Y. Buruma, rov. 3.8.4 onder d.