Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2319

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-10-2015
Datum publicatie
02-12-2015
Zaaknummer
14/00899
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3430, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel (gooien vuurwerkbom op dak van ME-busje).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/00899

Zitting: 6 oktober 2015

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 24 januari 2014 de verdachte wegens 1. “poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”, 2. ‘’opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen’’ en 3. ‘’overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1. van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan’’ veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek als bedoeld in de artt. 27 en 27a Sr, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid opgelegd, de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen, aan verdachte een betalingsverplichting opgelegd en de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf afgewezen, een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Namens verdachte heeft mr. T.P. van Dijken, advocaat te Amsterdam beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld

3. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit niet steunt op de gebezigde bewijsmiddelen, nu daaruit niet het (voorwaardelijk) opzet van verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kan worden afgeleid, althans dat het Hof het hiertoe strekkende door de verdediging gevoerde verweer onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

4. Ten laste van de verdachte is, voor zover voor de beoordeling van dit middel van belang, bewezenverklaard dat:

‘’hij op 01 december 2012 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten een politieambtenaar van de politie Rotterdam Rijnmond genaamd [verbalisant 1] , gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet brandend zwaar vuurwerk (een vuurwerkbom) op het dak van een dienstmotorvoertuig van de mobiele eenheid heeft gegooid, terwijl [verbalisant 1] in voornoemd dienstmotorvoertuig zat als chauffeur bij de mobiele eenheid van politie Rotterdam-Rijnmond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;’’

5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

‘’1. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 december 2012 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL17K0 2012557394-4.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 1 en 2):


als relaas van de opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , dan wel één hunner:

Op 1 december 2012 waren wij aanwezig bij de voetbalregeling Feyenoord-RKC. Wij bevonden ons op het Van Zandvlietplein te Rotterdam aan de zijde van het "Topsportcentrum." Het herkenbaar dienstmotorvoertuig, voorzien van kenteken 13-RXJ-1, waar wij gebruik van maakten stond op dat moment geparkeerd op het Van Zandvlietplein


Te 18:12 uur zag ik, verbalisant [verbalisant 2] , dat er een groep van ongeveer vijf á zes mannen het voornoemde dienstmotorvoertuig passeerde. Ik zag dat de voornoemde groep stil bleef staan en dat de afstand tussen de groep en het dienstmotorvoertuig ongeveer tien meter was. Ik zag dat een van de mannen met zijn gezicht in de richting van het dienstmotorvoertuig stond. Ik zag dat de voornoemde man een blanke man was die een muts op had. Ik zag dat de voornoemde man iets in zijn hand vast had en dat het voorwerp rookte.


Ik zag dat de voornoemde man een gooi beweging maakte en dat hij het rokende voorwerp in de richting van het dienstmotorvoertuig gooide en dat het voorwerp op het dak van het dienstmotorvoertuig terecht kwam. Ik zag dat het rokende voorwerp, vanaf het moment dat de man het vasthad tot het moment dat het op het dak van het dienstmotorvoertuig terecht kwam, in de lucht een rookspoor had achtergelaten.

Te 18:13 uur ben ik met verbalisant [verbalisant 2] meegelopen in de richting van de voornoemde groep. Terwijl wij naar de voornoemde groep liepen hoorden wij, uit de richting van het voornoemde dienstmotorvoertuig, achter elkaar vijf á zes vuurwerk knallen en direct daarna hoorden wij een hele harde explosie. Tevens zagen wij een felle lichtflits en voelden wij een drukgolf en roken wij een sterke kruitlucht. Ik, verbalisant [verbalisant 3] , voelde dat mijn linkeroor suisde. Op het moment van de explosie zat collega [verbalisant 1] in het voornoemde dienstmotorvoertuig.


Gelet op de feiten en omstandigheden eerder genoemd in ons proces-verbaal van bevindingen hebben wij de 'voornoemde man' aangemerkt als verdachte en hebben wij hem te 18:14 uur aangehouden. De aangehouden verdachte bleek later genaamd te zijn: [verdachte] , geboren [geboortedatum] -1972 te [geboorteplaats] en wonende [a-straat 1] te [woonplaats] .


Wij zijn met de aangehouden verdachte naar het dienstvoertuig gelopen en wij zagen dat collega [verbalisant 1] ons tegemoet kwam lopen. Hij zei dat het dak van het voertuig was vernield en dat er een flinke deuk in zat.

2 Een proces-verbaal van bevindingend.d. 1 december 2012 van

de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL17C0 2012557394-14.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 3) :


als relaas van de opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , dan wel één hunner:

Op 1 december 2012 hebben wij verbalisanten een man op het Van Zandvlietplein te Rotterdam aangehouden die werd verdacht van het afsteken van zwaar vuurwerk. Deze aanhouding is gerelateerd onder het volgende proces-verbaalnummer: 2012557394-4.

Nadat wij de aangehouden verdachte hadden overgebracht het politiebureau en de bevindingen hadden opgemaakt zijn wij teruggegaan naar onze ME-bus. Dit betrof de ME-bus met het volgende kenteken: 13-RXJ-l.

Toen wij in de bus naar het dak keken, zagen wij dat er een gat in het dak zat. Dit gat had een doorsnede van ongeveer 15 cm. Wij zagen tevens dat er rondom het gat metaal naar binnen was gebogen. Tevens waren er koperen draden zichtbaar die mogelijk aan de speaker in de bus hadden gezeten. Deze speaker hebben wij in de bus niet meer aangetroffen, mogelijk was deze helemaal verpulverd door de explosie. Direct onder het gat bevind zich een klapstoel, waar bij een bemand voertuig de plaatsvervanger plaats neemt. Wij zagen dat er in de bekleding van de klapstoel koperkleurige splinters metaal zaten.

3 Een proces-verbaal aangifted.d. 1 december 2012 van de

politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL17D0 2012557394-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 6-7):


als de op 1 december 2012 afgelegde verklaring van [verbalisant 1] :


Op 1 december 2012 bevond ik mij op het Van Zandvlietplein te Rotterdam. Ik was op dat moment werkzaam als chauffeur bij de Mobiele Eenheid van politie Rotterdam-Rijnmond. Het voertuig waarin ik zat, was herkenbaar als voertuig van de mobiele eenheid. Het kenteken van het voertuig waar ik in zat, is 13-RXJ-l.

Ik was daar werkzaam in verband met de voetbalwedstrijd van Feyenoord tegen RKC, die later deze avond gespeeld zou worden.

De spelersbus van RKC was zojuist hij het Feyenoord stadion aan de zijde van het Van Zandvlietplein gearriveerd.

Ik opende de voordeur aan de bestuurderszijde en hoorde toen een tik op het dak van het voertuig waarin ik zat. Direct hierop hoorde ik een gesis alsof er iets spetterde en direct daarop hoorde en voelde ik een oorverdovende harde knal. Ik begreep direct dat dit vermoedelijk een vuurwerkbom was geweest, die kennelijk op het dak van mijn voertuig was gegooid. Ik hoorde na de harde knal ongeveer 30 seconden lang alleen nog maar een harde piep in mijn oren. Deze harde piep trok langzaam weg maar nog steeds heb ik een enigszins doof gevoel in mijn oren en hoor ik een lichte constante piep. Toen ik later op het dak van mijn mobiele eenheid voertuig keek, zag ik dat een behoorlijke deuk in het dak was ontstaan. Voor elk optreden word het voertuig waar ik in rijd gecontroleerd. Dit is standaard en word door elke chauffeur gedaan. Toen wij omstreeks 17:00 uur deze dag wegreden zat er geen deuk in het dak.


4. Een proces-verbaal aangifte d.d. 11 december 2012 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL17I0 2012557394-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 26-27):


als de op 6 december 2012 afgelegde verklaring van [betrokkene] :


Ik ben werkzaam als medewerker BCCB bij de politie Rotterdam-Rijnmond. Ik ben gerechtigd om namens de politie Rotterdam-Rijnmond aangifte te doen.


Ik doe aangifte van vernieling van een dienstmotorvoertuig dat eigendom is van de politie Rotterdam-Rijnmond, voorzien van kenteken 13-RXJ-1, en uitgerust als voertuig van de Mobiele Eenheid, hierna ME-bus genoemd. Op 1 december 2012 werd dit voertuig ingezet als ME-bus bij de voetbalwedstrijd Feyenoord-RKC. Hiertoe werd het voertuig bij aanvang van de dienst gecontroleerd. Er was omstreeks 17:00 uur geen schade aan de bus. Ik hoorde van de chauffeur van de ME-bus, [verbalisant 1] , dat er omstreeks 18:15 uur schade aan de ME-bus was ontstaan op het Van Zandvlietplein te Rotterdam. Tevens vernam ik dat er een verdachte was aangehouden voor het gooien van vuurwerk op de ME-bus. De schade was ontstaan door vuurwerk dat op het dak van de ME-bus was gegooid.

Ik zag dat er een deuk en een gat in het dak waren ontstaan. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

5 Een proces-verbaal van bevindingend.d. 7 januari 2013 van

de politie Rotterdam-Rijnmond, Forensische Opsporing, met nr. 2012557394-17. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 73-91):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren, dan wel één hunner:

Op 2 december 2012 werden wij in kennis gesteld van het feit dat op 1 december 2012 op het Van Zandvlietplein te Rotterdam een explosief was gegooid naar een auto van de Mobiele Eenheid, verder in dit proces-verbaal ME bus genoemd. Naar aanleiding van het bovengenoemd incident hebben wij een onderzoek ingesteld in en aan een bedrijfsauto, voorzien van het kenteken 13-RXJ-1.


Bevindingen onderzoek

Tijdens het onderzoek troffen wij een ME bus aan met aan de buitenzijde een beschadigd dak. Deze beschadiging betrof een deuk met in het midden een ongelijkmatig, langwerpig gat dat ter hoogte van de stroboscoop lichtunit linksvoor was gesitueerd. Dit gat had een doorsnede van ongeveer 40 centimeter en een maximale grootte van ongeveer 16 centimeter.

Tevens zagen wij dat het metalen dak van deze bus op de plek van de impact naar binnen gekruld was en dat de lak van het dak verdwenen was. De beschadigingen aan het dak passen bij het beeld dat men zou verwachten bij een beschadiging als gevolg van een explosie. Tevens zagen wij op de vloer van het tweede compartiment van de ME bus diverse onderdelen welke wij herkenden als onderdelen van een luidspreker, alsmede enkele stukken grijs hard plastic. Op de zitting van de bijrijdersstoel zagen wij een stukje metaal liggen. Eveneens zagen wij dat stukken bedrading, vermoedelijk afkomstig van de luidspreker, aanwezig waren op de hoofdsteun van de klapstoel achter de bestuurderstoel.


6. Een proces-verbaal van verhoord.d. 11 december 2012 van de

politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL17I0 2012557394-23. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -

(blz. 28-29):


als de op 11 december 2012 afgelegde verklaring van de getuige [getuige 1] :


[verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte [verdachte] ) heeft mij verteld dat hij er voor heeft gekozen brandend vuurwerk naar die bus te gooien.


7. Een proces-verbaal van verhoord.d. 1 december 2012 van de

politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL17I0 2012557394-10. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 13-14) :


als de op 1 december 2012 afgelegde verklaring van de getuige [getuige 2] :

Ik heb vuurwerk afgestoken, ben gepakt en ben bij u in een celletje gezet. In de cel zat nog een man, die u [verdachte] noemde. Hij vertelde mij dat hij voor de wedstrijd een Italiaanse bom had weggegooid, toen de bus van RKC net kwam binnenrijden, waarbij de bom op het dak van een ME-busje ontplofte.


8. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 20 december 2012 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL17I0 2012557394-25. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 64-65):


als de op 20 december 2012 afgelegde verklaring van de verdachte :


[verdachte] , wij hebben je vriendin [getuige 1] gehoord. Zij verklaarde dat je tegen haar hebt gezegd dat je er voor hebt gekozen om de brandende vuurwerkbom naar de ME bus te gooien op het plein voor de Kuip. Klopt dat?

Dat klopt.

Het was een bolletje met een staafje. Aan het staafje zat het lontje. Ik zag dat het lontje brandde. Ik heb ervoor gekozen om dat bolletje met staafje naar de ME bus te gooien.

9 De verklaring vande verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 10 januari 2014 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Op 1 december 2012 was ik voorafgaande aan de voetbalwedstrijd Feyenoord-RKC aanwezig bij voetbalstadion De Kuip. Ik liep toen daar en ik droeg een muts op mijn hoofd. Ik ben daar aangehouden door de politie.

10 Een proces-verbaal van bevindingend.d. 1 december 2012

van de politie Rotterdam-Rijnmond, met nr. 2012557394-24. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 31 en 32):


als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:


Op zondag 1 december 2012 heb ik een onderzoek ingesteld op de plaats waar de betreffende ME-bus had gestaan en waar het onbekende explosief, voorafgaand aan de voetbalwedstrijd tussen Feyenoord en RKC, tot ontploffing was gebracht. Verklaringen van een collega ME-er, een Verkeersregelaar van Feijenoord, en enkele langslopende supporters, wezen in de richting van maar één soort vuurwerk, dat is ook het vuurwerk wat [verdachte] benoemde toen hij samen met een andere arrestant (hof: de getuige [getuige 2] ) was ingesloten. Genoemd werd een Italiaanse of Napolitaanse bom.

Soortgelijk vuurwerk is in het verleden onderzocht door het NFI en wordt genoemd knalvuurwerk met lont.

Napolitaanse bommen hebben een lading met netto explosieve massa tussen de 25 en 50 gram flitspoeder. Over het algemeen is de diameter uitwendig van een Napolitaanse bom gebruikelijk tussen de 55 en 75 milimeter. De lont heeft een maximale brand vertraging van tussen de 6- en 8 seconden. Hierna is de lont opgevouwen en met touw vast gezet, wat de werking geeft van gecompartimenteerd knal vuurwerk, wat wij kennen als een meerklapper.

De brandende lont geeft een sissend geluid, gevolgd door meerdere kleine explosies en daarna de eind explosie van de effectlading.

Ik heb enkele malen telefonisch gesproken met de heer Ing. Rikus Woortmeijer van het NFI en de heer Albert Heugen van I.o.d. Vliegende vuurwerk brigade.

Zij verklaarden ieder [voor zich]:

"Met wat je hebt gehoord en aan mij hebt verteld gaat het hier inderdaad om een Napolitaanse bom. Die heeft dit gedrag

Bij een Napolitaanse bom is de effect lading meestal gecomprimeerd en vastgezet met touw en karton. De uitwerking is niet voorspelbaar".

11. Een 'Deskundigenverklaring Knalvuurwerk met lont van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag', versie 4 d.d. 24 oktober 2008. Deze verklaring houdt onder meer in – zakelijk weergegeven - (blz. 35):

Napolitaanse bommen

Napolitaanse bommen bestaan uit een opgevouwen en gebuisd lont, of een stuk gebuisd lont waaraan knalladingen zijn bevestigd, met aan het uiteinde een bol- of cirkelvormig voorwerp met de knallading.’’

6. In de cassatieschriftuur worden de volgende passages geciteerd uit de ter terechtzitting in hoger beroep van 10 januari 2014 overgelegde pleitnota:

"()

Mocht u anders dan de verdediging van oordeel zijn dat wel kan worden vastgesteld dat cliënt degene is geweest die het voorwerp dat op de ME-bus is geëxplodeerd, heeft gegooid, dan stelt de verdediging zich op het standpunt dat vrijspraak behoort te volgen voor het onder 1 primair tenlastegelegde nu geen sprake is van opzet - ook niet in de voorwaardelijke zien - op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

()

Dat cliënt zich bewust was van de aanmerkelijk kans op een explosie die zwaar lichamelijk letsel ten gevolge zou kunnen hebben, worden betwist.

Hierbij kan niet onopgemerkt blijven dat niet bekend is wat voor soort voorwerp de explosie op de ME-bus heeft veroorzaakt. Uit het rapport blijkt dat het aangetroffen stuk kunststof afkomstig kan zijn van het explosieve voorwerp, maar welk soort voorwerp dit is, is niet te achterhalen, zelfs niet of het een fabrieksvoorwerp of een zelfgemaakt voorwerp betreft. Daarbij komt dat zelfs experts in het beeld van de Italiaanse of Napolitaanse bommen, geen kunststof kan plaatsen (p. 31). Uit deze tegenstrijdige feiten kan in ieder geval worden geconcludeerd dat niet kan worden vastgesteld welk type voorwerp de explosie heeft veroorzaakt. Laat staan dat hieruit kan worden afgeleid dat de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft bestaan.

In dit kader is eveneens relevant dat het voorwerp op een ME-bus is gegooid. Een ME-bus is een gepantserde voertuig dat niet zomaar is te beschadigen. Het is een zodanig voertuig dat uit het gegeven dat het hierop een exploderend voorwerp wordt gegooid, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de gooier bewust is dat de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel voor de inzittenden zou bestaan.

Zou er een aanmerkelijk kans hebben bestaan, dan kan niet worden vastgesteld dat deze is aanvaard. Uit het feit dat het voorwerp is gegooid, kan niet worden afgeleid dat daarmee ook de kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bij de inzittenden daadwerkelijk is aanvaard, zeker niet gezien het feit dat dit op een ME-bus is gegooid."

7. Het Hof heeft ten aanzien van het bewijs, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:

‘’De raadsvrouw heeft voorts als verweer gevoerd dat er bij de verdachte geen sprake was van opzet - ook niet in voorwaardelijke zin - op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Met betrekking tot dit verweer overweegt het hof als volgt. (…) Uit eerder genoemde verklaring van de getuige [getuige 2] , alsmede de op 20 december 2012 tegenover de politie afgelegde verklaring van de verdachte blijkt dat hij wist wat voor soort vuurwerkbom hij gegooid had. Door dergelijk zwaar vuurwerk op een ME-bus te gooien zonder zich ervan te vergewissen of er iemand in dat voertuig zat, heeft de verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat door de ontploffing van die bom op de bus zwaar lichamelijk letsel voor een inzittende het gevolg kon zijn. Dat er in casu geen gewonden zijn gevallen doet daar niet aan af en is zeker niet aan het handelen van de verdachte te danken.


Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.’’

8. De verklaring van verdachte biedt geen direct aanknopingspunt voor het bewijs van opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Daarmee komt, ook voor het Hof, de constructie van voorwaardelijk opzet in beeld. De vraag die thans in cassatie voorligt is of de verdachte die zwaar vuurwerk op een ME-bus heeft gegooid, bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij de inzittende heeft aanvaard.1 De steller van het middel betoogt dat in de eerste plaats geen sprake is van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer.

9. Of de kans aanmerkelijk is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip 'aanmerkelijke kans' afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.2 Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen, blijkt niet zonder meer dat de kans dat het door verdachte op de ME-bus gegooide vuurwerk zwaar lichamelijk letsel aan de inzittende toebrengt, naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Uit de bewijsmiddelen blijkt slechts dat het desbetreffende vuurwerk een Napolitaanse bom betreft waarvan ‘de uitwerking niet voorspelbaar’ is (bewijsmiddel 10). Onvoorspelbaar betekent dat de uitwerking gevaarlijk kan zijn, zelfs in die zin dat er zwaargewonden kunnen vallen, maar of de kans daarop aanmerkelijk is laat die term geheel in het midden. Voor het overige bevatten de bewijsmiddelen (vrijwel) geen informatie omtrent de werking van het desbetreffende vuurwerk. Ik zou niet durven zeggen dat het een feit van algemene bekendheid dat de kans dat de ontploffing van een vuurwerkbom zwaar letsel oplevert aanmerkelijk is.

10. Mogelijk kunnen bijzondere omstandigheden meebrengen dat een vuurwerkbom een aanmerkelijk kans op zwaar letsel oplevert. Dat kan zelfs in het licht van die omstandigheden een feit van algemene bekendheid zijn. Denk aan een vuurwerkbom die in een kleine afgesloten ruimte vol met mensen wordt gegooid. Hier is het anders. De bom werd op het dak van een ME-bus gegooid en dat is eerder contra-indicatief. Of de kans dat het vuurwerk zich door het dak van een ME-bus kan boren aanmerkelijk is, valt zonder nadere informatie over de samenstelling van het dak namelijk niet te zeggen en dat geldt ook voor de kans dat in het vervolg daarop een zwaargewonde valt.

11. Kortom de onderhavige bewijsmiddelen schieten tekort. Ik wijs erop dat als nadere technische inlichtingen omtrent het effect van een vuurwerkbom niet beschikbaar zijn of komen het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing indien daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, is te rubriceren onder de delictsomschrijving van art. 157 Sr en dat daarop een strafmaximum van twaalf jaren staat.

12. Het middel slaagt.

13. Het tweede middel bevat de klacht dat de aanvulling van het arrest in strijd met het bepaalde in art. 365a, derde lid, Sv niet binnen vier maanden na het instellen van cassatie heeft plaatsgevonden, althans dat de zogenaamde inzendingstermijn bij het naar de Hoge Raad zenden van de gedingstukken is overschreden. Het cassatieberoep is ingesteld op 24 januari 2014 en de stukken van het geding zijn op 3 september 2014 bij de Hoge Raad binnengekomen.

14. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad leidt het niet binnen de in art. 365a, derde lid, Sv vermelde termijnen aanvullen van een verkort arrest niet tot nietigheid.3 Overschrijding van de zogenaamde redelijke inzendingstermijn kan tot strafvermindering leiden. Die inzendingstermijn is gesteld op acht maanden. De inzendingstermijn wordt op zes maanden gesteld in zaken waarin op of na 1 september 2008 beroep in cassatie wordt ingesteld en waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert en/of strafrecht voor jeugdigen is toegepast.4 Van een van deze uitzonderingen op de regel dat de inzendingstermijn acht maanden bedraagt, is in de onderhavige zaak geen sprake.5 Nu de stukken van het geding op 3 september 2014 bij de Hoge Raad zijn binnengekomen, is de inzendingstermijn die volgens bestendige rechtspraak is gesteld op acht maanden niet overschreden.

15. De steller van het middel is van oordeel dat in gevallen waarin een dadelijke uitvoerbare vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd de stukken onverwijld naar de hogere rechter moeten worden gezonden en indien het niet terstond plaatsvindt in ieder geval binnen een maand na het instellen van het rechtsmiddel. Bij overschrijding hiervan is naar zijn oordeel de redelijke inzendingstermijn overschreden en dient strafvermindering te volgen. Het betreft hier de volgende vrijheidsbeperkende maatregel:


“Legt aan de verdachte voorts op een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor een periode van 2 (twee) jaren en beveelt dat de verdachte zich gedurende die tijd niet zal ophouden in enig voetbalstadion of op enig speelveld waar een voetbalwedstrijd wordt gespeeld van de voetbalclub F.C. Feyenoord in het kader van enige door de KNVB, een internationale voetbalbond, voetbalclub F.C. Feyenoord of door derden georganiseerde competitie.”

16. In de rechtspraak van de Hoge Raad is voor nadere beperking van de redelijke inzendingstermijn in verband met de dadelijke uitvoerbaarheid van enige beslissing geen aanknopingspunt te vinden. In de schriftuur worden geen bijzondere omstandigheden aangevoerd waarom van een zodanig bijzonder geval sprake is dat de termijn uiterlijk op een maand moet worden gesteld. Op zichzelf is er wel begrip voor op te brengen om bij dadelijke uitvoerbaarheid een spoedige beoordeling van de bestreden, maar desondanks al uitgevoerde, beslissing te bewerkstelligen en dus in ieder geval een voortvarende aanvulling met bewijsmiddelen te eisen. De wetgever heeft de termijn van art. 365a, derde lid, Sv echter niet aangepast voor de gevallen waarin een bevel dadelijke uitvoerbaarheid wordt gegeven. De door de steller van het middel gewenste termijn voor aanvulling van het arrest van ten hoogste een maand bij een bevel dadelijke uitvoerbaarheid past derhalve niet in de wettelijke regeling. De in de toelichting op het middel vervatte opvatting dat onverwijlde inzending, althans inzending binnen uiterlijk een maand, vereist is in geval van een bevel dadelijke tenuitvoerlegging ontbeert enige grondslag.6

17. Ik voeg hieraan min of meer ten overvloede nog het volgende toe. Bij een bevel dadelijke tenuitvoerlegging is er een zekere overeenkomst met het geval waarin de appellant nog in voorlopige hechtenis verblijft, omdat in beide gevallen voorafgaande aan een onherroepelijke veroordeling de vrijheid om te gaan en staan waar men wil in het geding is. Het verschil met voorlopige hechtenis zit vrijwel altijd in de ingrijpendheid van de dadelijk uitvoerbare maatregel. Alleen als een vrijheidsbeperkende maatregel zo wordt ingevuld dat deze sterk in de richting van vrijheidsbeneming gaat, is dat verschil niet altijd meer goed te begrijpen. In bijzondere gevallen is een de bewegingsvrijheid van de verdachte sterk beperkende, maar nog net niet vrijheidsontnemende, invulling van de maatregel niet volledig uitgesloten. Daarvan is hier echter in het geheel geen sprake nu er een groot verschil is tussen de hier opgelegde concrete vrijheidsbeperkende maatregel en vrijheidsbeneming bijvoorbeeld in de vorm van voorlopige hechtenis. In dit geval is, gelet op het concrete karakter van de vrijheidsbeperking, verkorting van de termijn van acht maanden tot zes maanden niet in te passen in de vaste rechtspraak van de Hoge Raad.

18. Het middel faalt.

19. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie De Hullu, Materieel strafrecht 2012, p. 225 e.v.

2 HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 m.nt. Buruma, r.o. 3.6.

3 HR 24 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0988, NJ 1998/557.

4 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, r.o. 3.3.

5 Op het moment dat de verdachte cassatieberoep instelt, bevindt hij zich niet in voorlopige hechtenis in verband met de zaak.

6 In de toelichting op het middel wordt niet verdedigd dat de termijnen van art. 365a, derde lid, Sv in geval van een bevel dadelijke tenuitvoerlegging in strijd zouden zijn met art. 6 EVRM, omdat de redelijke termijn in een dergelijk geval korter dient te zijn dan drie resp. vier maanden. Ik laat dat punt verder rusten.