Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2315

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-10-2015
Datum publicatie
27-11-2015
Zaaknummer
15/03112
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3396, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 80a lid 1 RO. Onverschuldigde betaling of betaling ingevolge afspraak? Ongerechtvaardigde verrijking?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. 15/03112

Mr M.H. Wissink

Zitting: 16 oktober 2015

conclusie inzake art. 80a RO

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats]

(hierna: “[eiser]”)

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats]

(hierna: “[verweerder]”)

1. Het tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 17 maart 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:946. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 oktober 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:6992, die [eiser] had veroordeeld om aan [verweerder], als door deze onverschuldigd betaald, een bedrag van € 24.918,55 terug te betalen, vermeerderd met rente en kosten.

2. De klachten van het cassatiemiddel rechtvaardigen naar mijn mening geen behandeling in cassatie omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

3. Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 3.4-3.5, waarin het hof de door [eiser] gestelde afspraak tussen partijen niet heeft aangenomen. Nr. 1 bevat geen klacht.

Dat de in rov. 3.4 weergegeven uitlatingen een erkentenis opleveren, is niet onbegrijpelijk en leent zich niet voor herbeoordeling in cassatie zodat de klacht in nr. 2 faalt. De klacht in nr. 3 mist feitelijke grondslag omdat het hof niet heeft geoordeeld dat een persoonlijke ontmoeting een voorwaarde was om een afspraak te kunnen maken.

De (overige) klachten in nr. 2 en de klachten in de nrs. 3 t/m 7 (m.b.t. de ‘power of attorney’) voldoen niet aan de daaraan stellen eisen nu niet is aangegeven (onder verwijzing naar de stukken van het geding in feitelijke instanties) welke stellingen zouden zijn ingenomen rondom de in de klachten bedoelde feitelijke gebeurtenissen, die in cassatie overigens niet nader kunnen worden onderzocht.

De klacht in nr. 8 mist feitelijke grondslag omdat het hof niet heeft geoordeeld dat [verweerder] handelingsonbekwaam was. Het oordeel van het hof is voorts niet onbegrijpelijk in het licht van het betoog in de nrs. 8-11 m.b.t. de omstandigheden dat er 7 maanden na het einde van de huur een betaling van juist een bedrag van € 24.918,55 was, welke omstandigheden het hof heeft verdisconteerd.

Het onderdeel verwijst in noot 3 en nr. 12 naar stellingen van [eiser] over de afspraak in MvG nr. 12 en CvA nr. 4.1. De geloofwaardigheid en consistentie van (ook) die stellingen heeft het hof in rov. 3.4 beoordeeld. Dat oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk. De nrs. 13 en 14 bevatten geen zelfstandige klachten.

Het hof heeft de stelling van [eiser] dat er een afspraak was verworpen op grond van onder meer (i) de erkentenis van de zijde van de advocaat van [eiser] ter comparitie in eerste aanleg dat er geen afspraak was en (ii) de constatering dat het proces-verbaal van die comparitie juist is, welke constatering het hof ook baseert op de opmerking van de nieuwe advocaat van [eiser] in hoger beroep, dat zijn voorganger een standpunt van [eiser] heeft geconstrueerd zonder afstemming met [eiser]. Bij gebrek aan voldoende stellingen ter zake, wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Het oordeel wordt niet onbegrijpelijk in het licht van de drie (gelijkluidende, niet nader geconcretiseerde) verklaringen die [eiser] in hoger beroep heeft overgelegd. De klacht in nr. 15 faalt daarom.

4. Onderdeel 2 klaagt over de rov. 3.6-3.13. De klacht in de nrs. 16-18 miskent dat het hof feiten en omstandigheden mag ontlenen aan (delen van) stukken uit andere procedures die in de onderhavige procedure zijn overgelegd en waarop een beroep is gedaan (het middel klaagt niet dat op die stukken geen beroep is gedaan). Voorts miskent nr. 18 dat het oordeel van het hof niet berust op een vaststelling of [betrokkene] in de winkel heeft gestaan.

Nr. 20 klaagt vergeefs over een feitelijk en niet onbegrijpelijk oordeel in rov. 3.8, dat de in de rov. 3.7 en 3.8 bedoelde verklaringen inconsistent zijn ten aanzien van de vraag of [betrokkene] de nieuwe huurder wilde worden. De nrs. 19 en 21 bevatten geen zelfstandige klachten, de nrs. 22-24 bevatten voortbouwende klachten die het lot van de voorgaande klachten delen.

5. Onderdeel 3 (nrs. 25-27) bevat een voortbouwende klacht over het passeren van het bewijsaanbod, welke faalt in het verlengde van de onderdelen 1 en 2. Het middel verwijst daarbij naar de CvA onder 5 en 6. Daarin bestrijdt [eiser] het door [verweerder] bijgebrachte bewijs, hetgeen wordt gevolgd door een algemeen bewijsaanbod (“zijn gedaagde en zijn broer [betrokkene] bereid om te getuigen”). Dat bewijsaanbod kon het hof in het licht van het voorgaande verwerpen op de in rov. 3.15 aangegeven gronden.

6. Het cassatieberoep kan naar mijn mening met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk worden verklaard.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G