Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2297

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-10-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
14/05816
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3355, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Afwijzing voorwaardelijk getuigenverzoek. Bij appelschriftuur gedaan en ttz. in h.b. bij pleidooi in voorwaardelijke vorm herhaald verzoek tot horen van verbalisanten. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2014:1496 m.b.t. beoordeling cassatieklachten over beslissingen inzake verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen. Het verzoek van de verdediging strekt ertoe de verbalisanten X en Y als getuigen te horen over hun waarnemingen op de camerabeelden van de openlijke geweldpleging, alsmede over de tegenstrijdigheden tussen de door hen gerelateerde waarnemingen en die van verbalisant Z. Het Hof heeft het verzoek afgewezen op de enkele grond dat het “horen van de genoemde verbalisanten zou neerkomen op het stellen van vragen omtrent hun waarnemingen, terwijl de mogelijkheden van waarneming niet zijn betwist”. In het licht van hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en mede in aanmerking genomen dat de camerabeelden - aan de hand waarvan die waarnemingen hadden kunnen worden getoetst - in het ongerede zijn geraakt, is dit oordeel van het Hof niet z.m. begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/05816

Zitting: 27 oktober 2015

Mr. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 14 november 2014 de verdachte wegens 1. “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J.J. Weldam, advocaat te Utrecht, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het gaat in deze zaak - kort gezegd - om het volgende. Op 29 september 2012 hebben zich tijdens de voetbalwedstrijd FC Utrecht tegen Vitesse in het voetbalstadion ‘De Galgenwaard’ in Utrecht ongeregeldheden voorgedaan. Daarbij heeft een groep personen geweld gepleegd tegen een aantal stewards van FC Utrecht. De verdachte is door verschillende verbalisanten op de camerabeelden herkend als één van de relschoppers. Vervolgens is de verdachte zowel in eerste aanleg als in hoger beroep veroordeeld voor zijn aandeel in deze openlijke geweldpleging.

4. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, het verzoek om de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuigen te horen heeft afgewezen.

5. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben op 3 oktober 2012 in een proces-verbaal van bevindingen van de politie gerelateerd wat zij hebben gezien op de camerabeelden die zijn gemaakt van de ongeregeldheden in het voetbalstadion. Dit proces-verbaal is door het hof als bewijsmiddel 3 voor het bewijs gebruikt en houdt onder meer het volgende in. De verdachte, een man met een groene jas, pakt met beide armen de borstzijde van een steward ([slachtoffer]) vast en houdt de steward tegen om naar beneden te lopen. De verdachte maakt tot twee keer toe een slaande beweging in de richting van (het hoofd van) deze steward. Er ontstaat een worsteling tussen de verdachte en de steward, waarbij de verdachte de steward vast houdt, eerst boven zijn armen en later om zijn nek. Ook maakt de verdachte een schoppende beweging in de richting van een andere steward, aldus de verbalisanten.

(ii) De politierechter in de Rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis van 21 mei 2014 de verdachte (op tegenspraak) veroordeeld. De politierechter heeft het hiervoor genoemde proces-verbaal van bevindingen tot het bewijs gebezigd. Namens de verdachte is op 4 juni 2014 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.

(iii) De raadsman van de verdachte heeft bij tijdig ingediende appelschriftuur van 17 juni 2014 verzocht de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuigen te horen. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de raadsman het volgende aangevoerd. De verdachte is door de politierechter in beslissende mate veroordeeld op basis van het door deze verbalisanten opgemaakte proces-verbaal van bevindingen. Dit proces-verbaal staat haaks op het door verbalisant [verbalisant 3] opgemaakte proces-verbaal, aangezien [verbalisant 3] niets heeft verklaard over het vastpakken, de worsteling en de vuistslagen. De verdediging wil de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van deze verbalisanten toetsen om de onbetrouwbaarheid en de ongeloofwaardigheid van de door hen afgelegde verklaringen aan te tonen en daarmee tevens de onschuld van de verdachte “te bewijzen”. De verdachte ontkent het ten laste gelegde feit.

(iv) In reactie op het verzoek in de appelschriftuur heeft de advocaat-generaal bij het hof bij e-mailbericht van 10 juli 2014, gericht aan het hof, medegedeeld dat het verzoek dient te worden toegewezen, aangezien gebleken is dat het van belang voor de verdediging kan zijn om de in het vooronderzoek afgelegde verklaringen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te toetsen op hun geloofwaardigheid dan wel betrouwbaarheid.

(v) Bij e-mailbericht van 31 juli 2014 is aan de raadsman bericht dat de voorzitter van het hof vooralsnog geen aanleiding ziet om in het verzoek tot het horen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuigen te bewilligen en dat de raadsman het verzoek desgewenst ter terechtzitting kan herhalen. De voorzitter van het hof acht het wel wenselijk dat de advocaat-generaal bij het hof beziet of de camerabeelden beschikbaar zijn en, indien dat het geval is, dat deze beelden aan het dossier worden toegevoegd. De advocaat-generaal wordt verzocht het hof hierover te informeren.

(vi) Op de terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2014 heeft de voorzitter van het hof medegedeeld dat door de politie onderzoek is gedaan naar de camerabeelden maar dat de camerabeelden zoek zijn.

(vii) Zoals blijkt uit zijn op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota, heeft de raadsman bij pleidooi (voorwaardelijk) verzocht om de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuigen te horen, indien het hof tot een bewezenverklaring komt. De raadsman heeft ter onderbouwing van dit verzoek naast een herhaling van de in de appelschriftuur genoemde argumenten het volgende aangevoerd. De verklaring van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat de verdachte lange tijd in een worsteling is geweest en daarbij heeft geslagen, is niet te verenigen met de verklaring van de verbalisant [verbalisant 3] dat de verdachte mee wilde doen maar dat het niet zover is gekomen. De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben verklaard over een groene jas, verbalisant [verbalisant 3] heeft verklaard over een groene jas met capuchon en bontkraag en aangever [slachtoffer] heeft verklaard over een licht gekleurd vest/jasje. Voorts blijkt uit het proces-verbaal van de verbalisanten niet door wie de verdachte zou zijn herkend en op basis van welk “screen-shot” van de camerabeelden de herkenning zou hebben plaatsgevonden. De verdediging wil de verbalisanten onder meer horen over deze tegenstrijdigheden en onduidelijkheid, waarbij de raadsman een aantal specifieke vragen heeft opgegeven. Met het horen van de verbalisanten kan de verdediging volgens de raadsman aantonen dat er sprake is van een vals positieve herkenning. Het proces-verbaal van de verbalisanten is van beslissende betekenis, aangezien uit de verklaringen van de aangevers [slachtoffer] en [betrokkene] op geen enkele wijze de betrokkenheid van de verdachte kan worden afgeleid.

(viii) In reactie op dit verzoek heeft de advocaat-generaal bij het hof op voornoemde terechtzitting aangegeven dat hij het niet van belang acht om de verbalisanten te horen. Volgens hem is het hof uitstekend in staat om te beoordelen of de beschrijving van de verbalisanten overeenkomt met hetgeen op de “stills” is te zien.

(ix) De raadsman heeft hierop ter terechtzitting gereageerd met de mededeling dat de verdediging, als het hof het proces-verbaal van het uitkijken van de camerabeelden gebruikt, dat wil kunnen toetsen. Wie wat heeft gedaan moet uit de beelden blijken, terwijl het hof zelf heeft aangegeven de beelden van belang te achten en de beelden niet langer beschikbaar zijn.

(x) Het hof heeft in de bestreden uitspraak het voorwaardelijk verzoek van de raadsman om de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuigen te horen afgewezen, aangezien het hof het horen van de verbalisanten niet noodzakelijk acht. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen. Het horen van de verbalisanten zou neerkomen op het stellen van vragen omtrent hun waarnemingen, terwijl de “mogelijkheden van waarneming” niet zijn betwist. De omstandigheid dat hun waarnemingen voor een deel anders zijn dan die van verbalisant [verbalisant 3], maakt dat niet anders. Ook overigens acht het hof zich voldoende geïnformeerd.

6. Zoals blijkt uit de toelichting, bevat het middel in de eerste plaats de klacht dat het hof bij de beoordeling van het getuigenverzoek een onjuiste maatstaf heeft aangelegd.

7. Het bij appelschriftuur van 17 juni 2014 gedane en op de terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2014 bij pleidooi in voorwaardelijke vorm herhaalde verzoek van de raadsman van de verdachte om de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuigen horen, is een verzoek als bedoeld in art. 287, derde lid onder a, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv. Nu het hof tot een bewezenverklaring is gekomen, is de aan het verzoek verbonden voorwaarde vervuld. In aanmerking genomen dat deze getuigen namens de verdachte bij (tijdig ingediende) appelschriftuur zijn opgegeven en de getuigen niet op de terechtzitting in eerste aanleg dan wel door de rechter-commissaris zijn gehoord, is de maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek ingevolge art. 288, eerste lid, onder c, Sv in verbinding met art. 418, eerste lid, Sv of redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door het afzien van de oproeping van de getuigen niet in zijn verdediging wordt geschaad.1

8. De vraag kan worden gesteld of het voorafgaande anders wordt in geval, zoals in de onderhavige zaak, de raadsman van de verdachte het verzoek eerst bij pleidooi heeft herhaald en niet onmiddellijk nadat de zaak door het openbaar ministerie is voorgedragen. Ik meen dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. In dit verband bestaat een verschil met de regeling voor meegebrachte getuigen als bedoeld in art. 287 Sv. In art. 287, eerste lid, Sv is bepaald dat de voorzitter vaststelt welke personen als getuigen ter terechtzitting zijn verschenen. Indien de verdediging gebruik maakt van het recht getuigen mee te brengen, dient zij bij de (hernieuwde) aanvang dan wel hervatting van de behandeling van de zaak mede te delen dat zij getuigen heeft meegebracht teneinde die op de voet van art. 287, tweede lid, Sv ter terechtzitting te doen horen. Het uitgangspunt van art. 287, tweede lid, Sv is immers dat alle ter terechtzitting verschenen getuigen worden gehoord. Een vergelijkbare wettelijke voorziening ten aanzien van het inventariseren of de raadsman zijn verzoek tot het horen van de bij appelschriftuur opgegeven getuigen handhaaft, ontbreekt. Ook in het uitvoerige overzichtsarrest van de Hoge Raad van 1 juli 2014 is niet overwogen dat het verzoek onmiddellijk na aanvang van de terechtzitting zou moeten worden gedaan. Daarin is slechts in algemene termen overwogen dat het hof gehouden is een beslissing te geven omtrent de oproeping van de bij appelschriftuur opgegeven getuige indien daartoe door of namens de verdachte ter terechtzitting een uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoek is gedaan en dat de maatstaf bij de beslissing op een dergelijk verzoek het verdedigingsbelang is.2Beslissend is dan ook dat de herhaling van het verzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden. Daarbij komt dat de voorzitter van het hof de leiding heeft van het onderzoek op de terechtzitting. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt niet dat de voorzitter op een eerder moment tijdens de zitting heeft geïnventariseerd of de raadsman zijn in de appelschriftuur geuite onderzoekswensen handhaaft. De omstandigheid dat de raadsman het verzoek eerst bij pleidooi heeft herhaald, kan de verdediging dan ook niet worden tegengeworpen. Daarbij merk ik ten overvloede nog op dat het verzoek in voorwaardelijke vorm is gegoten, waardoor het hof eerst bij arrest op het verzoek hoefde te beslissen en de terechtzitting doorgang kon vinden.

9. Het criterium van het verdedigingsbelang geldt ook als aan het in de appelschriftuur opgenomen verzoek tot het horen van een getuige een voorwaarde is verbonden.3 Dat wordt naar mijn mening niet anders als de desbetreffende voorwaarde nog niet in de appelschriftuur was opgenomen. Doorslaggevend is dat sprake is van getuigen die reeds bij schriftuur zijn opgegeven, zoals bedoeld in art. 410, derde lid, Sv. In HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:857 had de raadsman aan het begin van de terechtzitting medegedeeld dat het bij appelschriftuur gedane getuigenverzoek niet werd gehandhaafd maar dat in plaats daarvan een voorwaardelijk verzoek zou worden gedaan, dat betrekking had op dezelfde getuigen, waarna hij dit verzoek bij pleidooi alsnog voorwaardelijk deed. Hoewel het ging om een opgave van dezelfde getuigen, leidde de Hoge Raad uit de zinsnede dat het verzoek niet wordt gehandhaafd af dat het bij pleidooi voorwaardelijk gedane verzoek moest worden aangemerkt als een op de voet van art. 328 Sv gedaan nieuw verzoek dat op grond van art. 315 Sv is onderworpen aan de maatstaf van de noodzaak. De weergave in het proces-verbaal brak de verdediging aldus op. In het onderhavige geval is van dubbelzinnigheid in het proces-verbaal geen sprake. Daarin staat niet vermeld dat de verdediging het verzoek niet zou handhaven. De opgave van de getuigen komt overeen met die in de appelschriftuur. Het hof had dan ook moeten toetsen of redelijkerwijs viel aan te nemen dat de verdachte door het afzien van de oproeping van de getuigen niet in zijn verdediging zou worden geschaad.

10. Het hof heeft - zoals hiervoor onder 5 sub x is weergegeven - het horen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet noodzakelijk geacht. Aldus heeft het hof niet de juiste maatstaf toegepast. In zoverre is het middel terecht voorgesteld.

11. De enkele omstandigheid dat het hof bij de afwijzing van het verzoek niet de juiste maatstaf heeft genoemd, levert evenwel niet zonder meer voldoende - rechtens te respecteren - belang op bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak. Daarvoor is dus meer nodig.4

12. Zoals blijkt uit de toelichting, behelst het middel voorts de klacht dat de motivering die het hof aan de afwijzing van het getuigenverzoek ten grondslag heeft gelegd, niet begrijpelijk is.

13. Ten aanzien van de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof, kan het volgende worden voorop gesteld. Alleen dan kan worden gezegd dat de verdachte door de afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuigen kunnen verklaren in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel indien redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat de getuigen iets over bedoelde punten zouden kunnen verklaren. Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het in cassatie uiteindelijk om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.5

14. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn verzoek aangevoerd dat de verdediging de verbalisanten wil horen over de tegenstrijdigheden tussen het door hen opgemaakte proces-verbaal van bevindingen en het door de verbalisant [verbalisant 3] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen ten aanzien van de door de verdachte gepleegde gewelddadige gedragingen en de jas die de verdachte aan had en over de onduidelijkheid betreffende de herkenning van de verdachte. De verdediging wilde de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van (de verklaringen van) de verbalisanten toetsen. Het verzoek stond in het teken van een bewijsverweer, inhoudende dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, aangezien er sprake zou zijn van een persoonsverwisseling. Het hof heeft dit verweer verworpen en geoordeeld dat het de verdachte is geweest die de aangever [slachtoffer] in het gezicht heeft geslagen en naar een andere steward heeft geschopt en dat van een persoonsverwisseling niet is gebleken. Daarbij heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

15. Het hof heeft aan zijn afwijzende beslissing van het getuigenverzoek niet ten grondslag gelegd dat redelijkerwijze kan worden uitgesloten dat de getuigen iets over bedoelde punten zouden kunnen verklaren. Nu de getuigen hebben gerelateerd wat zij op de camerabeelden hebben waargenomen, lag zulks ook niet in de rede. Het hof heeft zijn oordeel dat het het horen van de verbalisanten niet noodzakelijk acht, onderbouwd met de overweging dat dit horen zou neerkomen op het stellen van vragen omtrent de waarnemingen van de verbalisanten, terwijl “de mogelijkheden van waarneming” niet zijn betwist. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet duidelijk wat het hof met deze zinsnede heeft bedoeld. Mogelijk doelt het hof op de omstandigheid dat door de verdediging de mogelijkheid dat de verbalisanten hebben gerelateerd wat zij daadwerkelijk hebben waargenomen niet is betwist. Ook aldus begrepen kan de vermelding betreffende “de mogelijkheden van waarneming” de beslissing tot afwijzing van het getuigenverzoek niet dragen. De verdediging wilde de verbalisanten nu juist vragen stellen over de desbetreffende waarnemingen en de gestelde tegenstrijdigheden met de gerelateerde waarnemingen van verbalisant [verbalisant 3]. Het relaas van die waarnemingen vormt (in eerste aanleg en in hoger beroep) een belangrijk onderdeel van de bewijsvoering, terwijl de camerabeelden aan de hand waarvan die waarnemingen zouden kunnen worden getoetst - en die het hof wilde bekijken - in het ongerede zijn geraakt.

16. In het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen, acht ik het oordeel van het hof niet begrijpelijk.

17. Voor zover het middel klaagt over de door het hof gegeven motivering, is het eveneens terecht voorgesteld.

18. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof aan het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 3] een wezenlijk andere betekenis heeft gegeven dan de verbalisant daaraan kennelijk heeft bedoeld te geven. Door denaturering van zijn verklaring is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed, aldus de steller van het middel.

19. Het middel doelt op het door het hof als bewijsmiddel 4 voor het bewijs gebezigde relaas van verbalisant [verbalisant 3], voor zover inhoudende:

“Op 29 september 2012 werd de voetbalwedstrijd FC Utrecht tegen Vitesse gespeeld in het voetbalstadion van FC Utrecht. Ik werd verzocht camerabeelden te bekijken die waren opgenomen tijdens bovengenoemde wedstrijd.

Op 29 september 2012 werd via de portofoon door cameratoezicht in het stadion doorgegeven dat er door stewards van FC Utrecht twee personen gecontroleerd zouden worden. Tijdens deze controle werden stewards van FC Utrecht mishandeld door meerdere personen.

Diezelfde dag bekeek ik de videobeelden. Ik zag op de camerabeelden dat meerdere stewards van FC Utrecht de tribune opliepen. Ik zag dat de stewards twee mannen aanspraken. Ik zag dat meerdere supporters in de nabijheid van de twee personen agressief reageerden op de stewards. Ik zag dat er meerdere personen aan de stewards begonnen te trekken en te duwen. Vervolgens zag ik dat de mij ambtshalve bekende [verdachte] in beeld kwam. Ik zag dat [verdachte] gekleed was in een donkergroene jas. Ik herkende [verdachte] voor 100% op de camerabeelden. Ik zag dat [verdachte] de trappen van de tribune oprende en richting de stewards sprong.”

20. Het hiervoor genoemde relaas van verbalisant [verbalisant 3] luidt, zoals blijkt uit het onderliggende proces-verbaal van bevindingen van de politie van 24 januari 2013, voor zover hier van belang als volgt:

“Ik zag op de camerabeelden dat, omstreeks 20:15 uur meerdere stewards van FC Utrecht de tribune van de Bunnikside opliepen. Ik zag dat de stewards ongeveer halverwege de tribune twee mannen aanspraken. Ik zag dat meerdere supporters in de nabijheid van de twee personen agressief reageerden op de stewards en dat de twee personen niet meewerkten aan de identiteitscontrole. Ik zag dat er meerdere personen op de Bunnikside aan de stewards begonnen te trekken en te duwen. Vervolgens zag ik dat de mij ambtshalve bekende [verdachte] in beeld kwam van de camera die gericht stond op de stewards op de Bunnikside. Ik zag dat [verdachte] gekleed was in een donkergroene jas tot over de heupen en voorzien van een capuchon met bontkraag. Ik herkende [verdachte] voor 100% op de camerabeelden. Ik zag dat [verdachte] aandachtig keek naar wat er allemaal in zijn nabijheid op de tribune gebeurde. Op het moment dat de stewards werden belaagd door meerdere personen, zie ik dat [verdachte] overduidelijk mee wil doen in het openlijk geweld richting de stewards. Ik zag dat [verdachte] de trappen van de tribune oprende en richting de stewards sprong. Ik vermoed dat [verdachte] ook klappen wilde uitdelen aan de stewards. Dit was duidelijk op te maken uit de camerabeelden. Ik zag dat [verdachte], op het moment dat hij een klap wilde uitdelen, stevig werd terug gewerkt door een steward. Ik zag dat [verdachte] hierdoor de trap van de tribune af stuiterde naar beneden en uit beeld van de camera verdween.”

21. Het is aan de feitenrechter voorbehouden om van een bepaalde verklaring die onderdelen te selecteren en eventueel samen te vatten die hem betrouwbaar en nuttig voorkomen om daarop zijn oordeel te baseren en andere delen van de verklaring terzijde te laten.6 Wat in de uitspraak wordt weergegeven, mag niet in strijd zijn met de bewoordingen van de originele verklaring.7De vrijheid van de feitenrechter vindt haar grens daar waar een verklaring, door de wijze waarop zij is weergegeven en/of door de selectie van onderdelen ervan voor wat betreft die geselecteerde onderdelen, een betekenis zou krijgen die degene die haar heeft afgelegd daaraan niet heeft willen toekennen.8 De rechter mag aan het gebruikte onderdeel van een verklaring dus niet een andere betekenis geven dan de betekenis die dat onderdeel in het verband van de gehele verklaring had. Dat zou neerkomen op een ontoelaatbare denaturering van de verklaring.9

22. Het hof heeft het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] betrouwbaar geacht, voor zover hij heeft gerelateerd dat de verdachte was gekleed in een donkergroene jas, dat hij de verdachte voor 100% heeft herkend op de camerabeelden en dat hij zag dat de verdachte de trappen van de tribune oprende en richting de stewards sprong. Het hof heeft ervoor gekozen andere delen van het relaas van [verbalisant 3] niet voor het bewijs te gebruiken. Daarbij gaat het in het bijzonder om zijn verklaring voor zover inhoudende dat de lengte van de jas van de verdachte “tot over de heupen” was en was voorzien van een capuchon met bontkraag en dat de verdachte op het moment dat hij een klap wilde uitdelen “stevig werd terug gewerkt door een steward”, waardoor hij “de trap van de tribune af stuiterde naar beneden”.

23. Het hof heeft aldus geen andere betekenis gegeven aan de inhoud van het relaas van de verbalisant [verbalisant 3]. Anders dan de steller van het middel veronderstelt, volgt uit de originele verklaring van de verbalisant [verbalisant 3] niet dat de verdachte vóór het uitdelen van de eerste klap de tribune afstuiterde en buiten beeld verdween.

24. Gelet op het voorafgaande en in licht van hetgeen hiervoor onder 21 is voorop gesteld, heeft het hof het proces-verbaal van [verbalisant 3] voor het bewijs kunnen bezigen, met weglating van de in het middel bedoelde passages, zonder de feitelijke inhoud van de verklaringen te veranderen. De bewezenverklaring is naar de eis der wet met redenen omkleed.10

25. Het middel faalt.

26. Het derde middel behelst de klacht dat het hof de strafoplegging gelet op art. 359, zesde lid, Sv niet zonder meer begrijpelijk heeft gemotiveerd.

27. De officier van justitie heeft in eerste aanleg gevorderd dat de verdachte ter zake van openlijke geweldpleging tegen twee stewards dient te worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. De politierechter heeft de verdachte ter zake van dit feit veroordeeld tot de door de officier van justitie gevorderde straf. De advocaat-generaal bij het hof heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 1.000, subsidiair 20 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Ten slotte heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

28. Het hof heeft ter motivering van de opgelegde straf onder “oplegging van straf en/of maatregel” het volgende overwogen:

“De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- de navolgende omstandigheden.

Verdachte heeft zich samen met een anderen schuldig gemaakt aan agressief gedrag in een voetbalstadion, gericht tegen zogeheten ‘gekwalificeerde slachtoffers’, te weten beveiligers van het stadion, die zijn geschopt en geslagen. Dergelijke gewelddadigheden worden als schokkend en ingrijpend ervaren door de slachtoffers en de maatschappij. Bovendien veroorzaken dergelijke ernstige feiten gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij.

Bij de strafbepaling heeft het hof de binnen de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten in aanmerking genomen. Daarbij heeft het hof gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor een geweldsmisdrijf, hetgeen hem er niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Nu aan verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd en verdachte deze taakstraf heeft verricht, staat artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht aan oplegging van een taakstraf in de weg. Oplegging van een geldboete en een voorwaardelijke taakstraf, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd en door de raadsman subsidiair bepleit, acht het hof gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de recidive van verdachte niet aan de orde.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend en geboden.”

29. Ingevolge art. 359, zesde lid, Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, dient het hof bij de oplegging van een vrijheidsbenemende straf in het bijzonder de redenen op te geven die tot de keuze van deze strafsoort hebben geleid. Aan dit vereiste is voldaan indien in de strafmotivering tot uitdrukking is gebracht dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.

30. Zoals blijkt uit de toelichting, ligt aan het middel de veronderstelling ten grondslag dat het hof gelet op de verwijzing in zijn strafmotivering naar de “LOVS-oriëntatiepunten” een werkstraf voor de duur van 150 uren tot uitgangspunt heeft genomen. Die veronderstelling berust op een verkeerde lezing van de strafmotivering van het hof en mist daardoor feitelijke grondslag. Uit de hiervoor onder 28 weergegeven overwegingen blijkt dat het hof bij het bepalen van de opgelegde straf de “LOVS-oriëntatiepunten” (slechts) in aanmerking heeft genomen en dat het hof daarnaast verschillende andere factoren heeft meegewogen. Zo heeft het hof gerefereerd aan de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van de verdachte. Daarnaast heeft het hof in aanmerking genomen dat het feit was gericht tegen “gekwalificeerde slachtoffers” (beveiligers van het stadion) en gewezen op de gevolgen van dergelijke feiten. Ook heeft het hof gerefereerd aan een eerdere veroordeling van de verdachte voor een geweldsmisdrijf en opgemerkt dat art. 22b Sr in de weg staat aan de oplegging van een taakstraf. Ten slotte heeft het hof in reactie op de door de advocaat-generaal bij het hof gevorderde straf en de door de raadsman van de verdachte (subsidiair) bepleite straf overwogen dat de oplegging van een geldboete in combinatie met een voorwaardelijke taakstraf niet aan de orde is. Daarbij heeft het hof gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de recidive van de verdachte.

31. In het licht van het voorgaande, heeft hof in zijn strafmotivering gemotiveerd uiteengezet dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming meebrengt en dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend en geboden is. Deze strafoplegging is voldoende gemotiveerd. In aanmerking genomen hetgeen de raadsman van de verdachte bij wijze van strafmaatverweer heeft aangevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota, heeft de raadsman slechts aan het hof verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat de zaak in eerste aanleg onnodig lang heeft geduurd en dat de verdachte voor de behandeling in eerste aanleg drie toevoegingen heeft moeten aanvragen met drie keer een eigen bijdrage. Daarnaast heeft de raadsman aan het hof verzocht om een werkstraf op te leggen. Aldus voldoet de strafmotivering aan de op grond van art. 359, zesde lid, Sv te stellen eisen.11

32. Zoals blijkt uit de toelichting, bevat het middel ten slotte de klacht dat het hof tot het opleggen van een werkstraf in combinatie met een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf had kunnen komen, terwijl ook het opleggen van een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf van kortere duur dan drie maanden tot de mogelijkheden behoorde. Deze klacht stuit af op de omstandigheid dat in cassatie niet kan worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren.12

33. Het middel faalt.

34. Het eerste middel slaagt. Het tweede en het derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

35. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 7 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7346, rov. 2.3, HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO1585, rov. 3.3, HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO1584, rov. 2.3 en HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1726, NJ 2010/589, rov. 2.4.

2 Zie HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers, rov. 2.47.

3 Zie onder meer HR 31 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5632 en HR 4 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3678, NJ 2008/157.

4 Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers, rov. 2.75.

5 Vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers, rov. 2.76.

6 Vgl. HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993, NJ 2006/219 m.nt. Sch, rov. 3.8, HR 5 november 2002, nr. 02299/01 (niet gepubliceerd), rov. 5.5 en HR 23 oktober 1990, NJ 1991/328, rov. 5.3.

7 Vgl. HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7487, NJ 2006/550, rov. 5.5.

8 Vgl. HR 5 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS7592, rov. 3.5.

9 Vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5377, HR 16 januari 2007, ECLI:NL:HR: 2007:AY9172, NJ 2007/71, rov. 4.2, HR 4 januari 2000, NJ 2000/225, rov. 3.5, HR 8 oktober 1991, NJ 1992/155, rov. 6.1 en G.J.M. Corstens en M.J. Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 766.

10 Vgl. HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993, NJ 2006/219 m.nt. Sch, rov. 3.8 en HR 5 november 2002, nr. 02299/01 (niet gepubliceerd), rov. 5.5.

11 Vgl. HR 16 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0011, rov. 3, HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1716, rov. 2 , HR 3 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3128, rov. 3 en HR 3 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3133, rov. 4.

12 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, achtste druk, Deventer: Kluwer 2015, p. 310.