Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2296

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-09-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
14/01716
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3353, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ve n-o in h.b. Bekend met de einduitspraak a.b.i. art. 408.2 Sv? HR herhaalt ECLI:NL:HR:1994:ZC9722, NJ 1994/578. Kennelijk heeft het Hof uit de brief van ve d.d. 26 sept. 2012 afgeleid dat hij uiterlijk op die datum over voldoende informatie beschikte a.b.i. genoemd arrest. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk, aangezien uit de in genoemde brief vermelde gegevens niet kan volgen dat hij toen reeds op de hoogte was van datgene wat voor hem van belang was voor de besluitvorming t.a.v. het instellen van h.b., zoals de aard of zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 14/01716

Zitting: 29 september 2015

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft bij arrest van 7 maart 2014 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. D. Greven, advocaat te Enschede, één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel

4.1. Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep, althans dat deze beslissing niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd.

4.2. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden gedingstukken blijkt dat de verdachte door de Kantonrechter bij vonnis van 24 januari 2011 bij verstek is veroordeeld tot een hechtenis voor de duur van twee weken en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden.

4.3. Uit het dossier blijkt niet dat een “mededeling uitspraak” betreffende het vonnis van de Kantonrechter aan de verdachte in persoon is uitgereikt.1 De laatste mededeling heeft als dagtekening 3 december 2012. Op 18 december 2012 heeft de verdachte hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

4.4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer het volgende in:

“De voorzitter merkt op dat, alvorens de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, gekeken dient te worden naar de ontvankelijkheid van verdachte in zijn appel.

De voorzitter merkt op dat het dossier een brief van verdachte bevat waarin hij verzoekt om een kopie van het vonnis dat op 24 januari 2011 is uitgesproken. Deze brief van verdachte is gedateerd 26 september 2011. Nu verdachte reeds op 26 september 2011 op de hoogte was van het vonnis, rijst de vraag of het appèl dat op 18 december 2012 is ingesteld wel tijdig is ingesteld.

De advocaat-generaal merkt op – zakelijk weergegeven – als volgt:

Verdachte was bekend met het vonnis. Hij heeft dus te laat hoger beroep ingesteld.

De voorzitter geeft de verdachte het woord teneinde zich uit te laten over de ontvankelijkheid van het hoger beroep.

De verdachte verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik snap het niet helemaal. Nadat ik de brief had ontvangen ben ik gelijk naar de hulpverlening gegaan. Zij hebben mij geholpen, dus ik snap niet waarom ik te laat hoger beroep heb ingesteld.

De raadsman voert het woord tot verdediging – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik zie geen ontsnapping. Het is duidelijk dat verdachte al veel eerder op de hoogte was, anders had hij ook niet om het vonnis gevraagd. Het enige dat ik kan doen is aan de advocaat-generaal vragen om gratie. “

4.5. Het Hof heeft de verdachte, als gezegd, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en daartoe het volgende overwogen:

“Uit de brief van verdachte gedateerd 26 september 2012 blijkt dat verdachte toen op de hoogte was van de uitspraak. Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen na op de hoogte te zijn van de uitspraak daartegen hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van die termijn ingesteld. Daarom zal verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.”

4.6. Ingevolge art. 408 lid 2 Sv moet de verdachte binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is, hoger beroep instellen tegen het vonnis van de rechtbank. De steller van het middel voert aan dat het Hof ten onrechte 26 september 2012 als startdatum van de hoger beroep-termijn heeft aangemerkt. Betoogd wordt dat verdachte op 26 september 2012 weliswaar wist dat er een vonnis tegen hem was gewezen, maar dat niet is gebleken dat verdachte toen ook bekend was met de inhoud van dat vonnis. Van een “omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is” in de zin van art. 408 lid 2 Sv is sprake als de verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep, zoals de aard of zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en).2 Het in het middel besloten liggende uitgangspunt dat van voldoende bekendheid met het vonnis pas kan worden gesproken als de verdachte op de hoogte is (gesteld) van de essentialia van het vonnis, is dus juist.3 Vervolgens rijst de vraag wat de verdachte op 26 september 2012 wist.

4.7. Anders dan in de schriftuur wordt opgemerkt, behoort de brief van 26 september 2012 waaraan in het proces-verbaal en het bestreden arrest wordt gerefereerd wél tot de op de voet van art. 434 Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Het betreft een brief van verdachte aan de Centrale Verwerking O.M. (CVOM). De inhoud van die brief luidt als volgt:

“Geachte heer/mevrouw,

Middels dit schrijven wil ik een kopie opvragen van het vonnis wat op 24-01-2011 is uitgesproken. Betreft parketnummer 9624319210, inzake [verdachte] geboren [...]-[...]-1978.

Wilt u de kopieën opsturen naar mijn adres?

[a-straat 1], [plaats].

Met vriendelijke groet,

[verdachte]”

4.8. In het dossier zit ook een (kopie van een) brief van het COVM aan de verdachte gedateerd op 24 oktober 2012. De inhoud van die brief – die (anders dan de eerder gedane mededeling uitspraak die zich in het dossier bevindt) is geadresseerd aan het door de verdachte in zijn brief van 26 september 2012 opgegeven adres - luidt:

“Geachte [verdachte],

In antwoord op uw brief ontvangt u hierbij de mededeling uitspraak, zoals u die zou hebben ontvangen als de dagvaarding u niet had bereikt. De bijsluiter is niet bijgevoegd. U was op de hoogte van de zittingsdatum en had, gerekend vanaf die datum 14 dagen de tijd om hoger beroep in te stellen.

De zaak is onherroepelijk.

De officier van justitie”

Bij de stukken bevindt zich voorts een mededeling van uitspraak – met bijsluiter – van eveneens 24 oktober 2012 die geadresseerd is aan het door de verdachte opgegeven adres. Een akte van uitreiking ontbreekt evenwel.

4.9. Het Hof heeft niet vastgesteld dat de zojuist genoemde stukken aan de verdachte zijn verzonden, laat staan dat zij hem hebben bereikt. In cassatie moet het er derhalve voor worden gehouden dat zij geen omstandigheid opleveren waaruit voortvloeit dat de verdachte met de inhoud van het vonnis bekend was. Ik ga ook voorbij aan de suggestie die uit de brief van de CVOM spreekt, namelijk dat de dagvaarding de verdachte heeft bereikt, zodat een mededeling uitspraak achterwege is gebleven. Het Hof is ervan uitgegaan dat de dagvaarding de verdachte niet tijdig heeft bereikt, zodat de appeltermijn van art. 408 lid 1 Sv niet van toepassing is. Een andersluidend oordeel zou gezien de gedingstukken onbegrijpelijk zijn geweest.4

4.10. De vraag waarop het aankomt, is derhalve of het Hof heeft kunnen oordelen dat de brief van de verdachte aan het COVM van 26 september 2012 een omstandigheid als bedoeld in art. 408 lid 2 Sv oplevert. Uit de tekst van die brief blijkt niet zonder meer dat de verdachte op dat moment bekend was met de inhoud van het door hem opgevraagde vonnis. Het feit dat hij dat vonnis opvroeg, duidt er veeleer op dat hij met de inhoud ervan bekend wilde worden. Opmerkelijk is wel dat de verdachte beschikte over het parketnummer van de zaak en de datum waarop het vonnis was uitgesproken. Daaruit volgt echter niet zonder meer dat de essentialia van dat vonnis hem bekend waren. Denkbaar is bijvoorbeeld dat de inleidende dagvaarding hem op enig tijdstip na de uitspraak alsnog heeft bereikt.5

4.11. Het oordeel van het Hof is dan ook niet zonder meer begrijpelijk. Daaraan kan naar mijn mening niet afdoen dat de raadsman van de verdachte “geen ontsnapping” zag en meende dat het duidelijk was dat de verdachte “al veel eerder op de hoogte was”. Die uitlating levert wel een omstandigheid op die erop wijst dat aan het rechtskundige gehalte van de verleende bijstand het een en ander schortte, maar niet een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de verdachte kennis had van de inhoud van het vonnis. In elk geval had het Hof het beter moeten weten dan de raadsman.

5. Het middel slaagt derhalve.

6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 In het dossier zitten diverse van dergelijke mededelingen, afkomstig van de CVOM, maar een daarbij behorende akte van uitreiking ontbreekt telkens.

2 Zie HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940

3 Zie ook HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3055 en HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7028.

4 Een akte van uitreiking van de inleidende dagvaarding is door mij in het dossier niet aangetroffen. Uit de mededelingen uitspraak die in het dossier zijn te vinden, lijkt te volgen dat de CVOM ervan uitging dat een verstekmededeling vereist was (vgl. 366 lid 2 Sv).

5 Vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940.