Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2292

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-10-2015
Datum publicatie
18-12-2015
Zaaknummer
15/04345
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:3614, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Cassatieprocesrecht. Ontvankelijkheid. Indiening cassatierekest per e-mail? Art. 33 Rv, art. 10.1 Reglement rekestzaken Hoge Raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2016/19 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Conclusie

15/04345

Mr. L. Timmerman

Zitting, 16 oktober 2015

Conclusie inzake:

[verzoeker]

verzoeker tot cassatie,

(hierna: [verzoeker]).

In de onderhavige zaak is cassatieberoep ingesteld door middel van een als attachment aan een emailbericht gehecht cassatierekest in Pdf-formaat. De vraag is of zulks mogelijk is. In een brief van de voorzitter van de Civiele Kamer, Mr. E.J. Numann, van 26 juni 2014 aan advocaten bij de Hoge Raad wordt deze vraag ontkennend beantwoord: processtukken kunnen niet per email worden ingediend. In art. 3.1 jo art. 10.1 van het Reglement rekestzaken van de civiele kamer van de Hoge Raad der Nederlanden (per 1 juli 2012) wordt bepaald, dat onverminderd het bepaalde in art. 426b Rv., cassatierekesten per post of per fax ter griffie van de Hoge Raad kunnen worden ingediend. In een begeleidende brief bij het procesdossier merkt de cassatie-advocaat van [verzoeker], mr. M.A.R. Schucking Kool, op dat naar zijn mening de indiening van een cassatierekest ook door middel van email mogelijk dient te zijn, aangezien - kort gezegd - deze wijze van indiening betrouwbaarder is dan via de fax, waarvan de goede werking niet altijd vaststaat. Nog afgezien van het feit, dat op grond van het Reglement rekestzaken en bovengenoemde bief van de voorzitter van de Civiele Kamer van 26 juni 2014 indiening van cassatierekesten per email niet is toegestaan, moet - anders dan door mr. M.A.R. Schuckink Kool kennelijk wordt verondersteld - worden aangenomen dat laatstgenoemde wijze van indiening niet is toegestaan, omdat deze onvoldoende betrouwbaar is. Een belangrijke indicatie hiervoor vormt ook de omstandigheid, dat in het nieuwe, in ontwikkeling zijnde onderdeel van het project Kwaliteit en Innovatie, Dic@s, uitsluitend digitaal procestukken kunnen worden ingediend door daartoe gerechtigden, wanneer deze eerst zijn ingelogd.

Conclusie

Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G