Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2285

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-11-2015
Datum publicatie
04-03-2016
Zaaknummer
15/02094
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:359, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Appelprocesrecht. Pilotreglement. Ambtshalve akte niet-dienen zonder peremptoirstelling of waarschuwing. HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1064, NJ 2015/210.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2016/23 met annotatie van mr. H.W. Wiersma
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 15/02094

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 13 november 2015 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

Flawa A.G.

tegen

Philips Consumer Lifestyle International B.V.

Het gaat in deze zaak om de vraag of het gerechtshof Amsterdam akte niet-dienen van grieven mocht verlenen op basis van het per 1 januari 2013 bij dit hof geldende pilotreglement1.

1. Feiten2 en procesverloop3

1.1 Eiseres tot cassatie (hierna: Flawa) is een bedrijf dat onder meer is gespecialiseerd in het ontwerpen, ontwikkelen en produceren van disposable breast pads.

Verweerster in cassatie (hierna: Philips) is onder meer actief op het gebied van persoonlijke verzorging.

Philips heeft Flawa gevraagd disposable breast pads voor haar te ontwerpen. Na goedkeuring van het ontwerp door Philips is Flawa deze gaan ontwikkelen en aan Philips gaan leveren.

1.2 De samenwerking tussen partijen is vastgelegd in een OEM General Purchasing Agreement (hierna: de overeenkomst). In de overeenkomst is onder meer een exclusiviteitsbeding opgenomen, alsmede in de bijlagen bepalingen over “Flexibility Rules”, “Obsolete Inventory”, “Unique Components” en “Allocation of responsabilities for cost of (obsolete) inventories of end-of-life products”.

1.3 Op 5 juli 2011 heeft een medewerker van Philips per e-mail aan Flawa, voor zover hier van belang, het volgende geschreven:

“(...) Unfortunately we have to inform you that we have decided not to award the next generation of breast pads to Flawa. (...) The coming period we will define the quantities, we still need to purchase, in order to conduct a proper phase out plan. Also the payment for the obsolete C2C materials we will settle the coming period. (...)”

1.4 Op 4 juli 2012 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen Flawa en Philips. Tijdens deze bespreking hebben partijen ten aanzien van de bij Flawa resterende voorraad Airlaid, onderdeel van de disposable breast pads, het volgende besproken:

"(...) FLAWA agrees there is no justification for the 2nd airlaid order dated Juni 8th, 2011, and suggest to reduce the volume of the 2nd order of 500,000 m from the declared stock of 818,000 m so that a balance of 318,000 m shall be paid for by Philips. (…)

Philips has recommended/recommends FLAWA to use this material op for other customers. ”

1.5 Flawa heeft e-mailcorrespondentie overgelegd uit de periode november 2010 tot en met april 2011 waarin Flawa toestemming heeft gevraagd aan Philips voor de inkoop van verschillende typen “AVENT Nursing pads boxes”. In deze aanvragen doet Flawa telkens opgave van de op dat moment aanwezige voorraad. Philips heeft toestemming gegeven voor bepaalde hoeveelheden.

1.6 Bij inleidende dagvaarding van 3 april 2013 heeft Flawa Philips gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam. Zij heeft daarbij – samengevat – gevorderd dat Philips bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal worden veroordeeld tot betaling van:

(i) CHF 166.383,66 zijnde de waarde van de door Flawa gehouden voorraad, met wettelijke handelsrente in Zwitserse franken vanaf 2 mei 2012,

(ii) CHF 3.204,55 zijnde de kosten voor het laten vernietigen van de door Flawa gehouden voorraad en

(iii) buitengerechtelijke incassokosten in Zwitserse franken.

1.7 Aan deze vorderingen heeft Flawa ten grondslag gelegd dat Philips toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. Philips heeft, aldus Flawa, in strijd met het exclusiviteitsbeding dat in 2.2 van de overeenkomst is opgenomen, disposable breast pads bij een andere partij afgenomen. Ook heeft Philips nagelaten om Flawa, nadat Philips de overeenkomst had opgezegd, een phase out plan te verstrekken. Hierdoor is Flawa met een onverkoopbare voorraad blijven zitten. Daarnaast heeft Philips toestemming gegeven voor de inkoop van verpakkingsmateriaal, waarvan een deel ongebruikt is gebleven. Philips dient de waarde van deze voorraden te vergoeden. De resterende hoeveelheden silicontape en airlaid vallen onder de definitie “products” uit artikel 12.4 van de overeenkomst en dienen door Philips te worden vergoed. Omdat Philips de voorraden niet wilde overnemen, heeft Flawa de voorraden laten vernietigen. Philips dient de kosten daarvoor te vergoeden, aangezien zij verantwoordelijk was voor de voorraden.

1.8 Nadat Philips bij conclusie van antwoord gemotiveerd verweer had gevoerd, heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 24 juli 2013 een comparitie van partijen gelast. Deze heeft op 12 december 2013 plaatsgevonden.

1.9 Vervolgens heeft de rechtbank bij vonnis van 24 september 2014 Philips uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld tot betaling aan Flawa van een bedrag van CHF 42.805,25, vermeerderd met de wettelijke handelsrente, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

1.10 Flawa is van dit vonnis bij appelexploot van 8 december 2014 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam.

De zaak is aangebracht op de rol van 16 december 2014.

1.11 Op de rol van 27 januari 2015 is verval verleend van het recht van Flawa op het nemen van een memorie van grieven.

1.12 Bij H5-formulier van 4 februari 2015 heeft de advocaat van Flawa het hof verzocht hem alsnog een uitstel van twee weken te verlenen voor het nemen van een memorie van grieven.

Dit verzoek is bij rolbeslissing van 5 februari 2015 afgewezen wegens het ontbreken van klemmende redenen.

1.13 De advocaat van Flawa heeft diezelfde dag bij H16-formulier verzocht het uitstelverzoek alsnog toe te wijzen en wederom op diezelfde dag (5 februari 2015) is het verzoek bij rolbeslissing (nogmaals) afgewezen omdat er geen klemmende redenen als bedoeld in artikel 1.9 van het pilotreglement zijn aangevoerd.

1.14 Het hof heeft Flawa vervolgens bij arrest van 24 februari 2015 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van grieven.

1.15 Flawa heeft tegen dit arrest alsmede tegen de daaraan ten grondslag liggende rolbeslissingen van 27 januari 2015 en van 5 februari 2015 tijdig4 cassatieberoep ingesteld5.

Tegen Philips is verstek verleend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het middel klaagt dat het hof heeft miskend dat in een geval als het onderhavige – waarin sprake is van één termijn voor het indienen van memories, die niet wordt verlengd, terwijl bij overschrijding van die termijn, zonder peremptoirstelling of voorafgaande waarschuwing, ambtshalve akte niet-dienen wordt verleend – de goede procesorde de appelrechter noopt tot een afweging van het belang van het voorkomen van een onredelijke vertraging tegen de ernst van het verzuim en de gevolgen van de strikte naleving van het reglement voor de partij die erdoor wordt getroffen en dat die afweging zonder meer dient te leiden tot het verlenen van een (korte) termijn van veertien dagen om dat verzuim te herstellen.

Het hof heeft, aldus Flawa, ten onrechte nagelaten op 27 januari 2015 en/of 5 februari 2015 aan Flawa een zodanige termijn te verlenen. Eveneens ten onrechte heeft het hof verzoeken van de advocaat van Flawa afgewezen vanwege het ontbreken van klemmende redenen nu het hof zonder meer, ongeacht of dergelijke redenen waren aangevoerd, gehouden was alsnog dit uitstel te verlenen.

2.2

In een soortgelijke zaak met betrekking tot het pilotreglement Amsterdam heeft Uw Raad bij arrest van 17 april 2015 in rechtsoverweging 3.7 overwogen6:

“Het middel slaagt. Het onderhavige pilotreglement wordt toegepast bij wijze van experiment en wijkt aanmerkelijk af van het landelijk procesreglement in die zin, dat (a) sprake is van één termijn voor het indienen van memories, die niet wordt verlengd, terwijl (b) bij overschrijding van die termijn, zonder peremptoirstelling of voorafgaande waarschuwing, ambtshalve akte niet-dienen wordt verleend. In zoverre is sprake van een bijzondere situatie. Weliswaar is aan het pilotreglement de nodige bekendheid gegeven en wordt een advocaat op grond van zijn deskundigheid zonder meer geacht op de hoogte te zijn van de geldende termijnen en de verstrekkende gevolgen van overschrijding (vgl. HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2813, NJ 2014/417 en ECLI:NL:HR:2014:2798, NJ 2014/418), maar hier staat tegenover dat strikte naleving van het reglement meebrengt dat [appellanten] door het verzuim van hun advocaat definitief hun zaak niet in hoger beroep aan de rechter kunnen voorleggen. Zeker nu de toegang tot de (appel)rechter in het geding is, behoort de sanctie op het niet in acht nemen van de termijnen van het pilotreglement in een redelijke verhouding te staan tot het verzuim. Een goede procesorde brengt dan in de hiervoor onder (a) en (b) omschreven omstandigheden mee dat het belang van het voorkomen van onredelijke vertraging van het geding moet worden afgewogen tegen de ernst van het verzuim en de gevolgen die strikte naleving van het reglement zou hebben voor de procesvoering van de partij die erdoor wordt getroffen. Art. 1.6 van het pilotreglement maakt deze afweging ook mogelijk. In een geval als het onderhavige dient die afweging zonder meer te leiden tot het verlenen van een (korte) termijn van veertien dagen om het verzuim te herstellen (vgl. art. 2.28 van het reglement). Het hof heeft ten onrechte nagelaten een zodanige termijn te verlenen.”

2.3

Dit oordeel is ook van toepassing op de onderhavige zaak. Het cassatiemiddel slaagt mitsdien.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 februari 2015 alsmede van de rolbeslissingen van 27 januari 2015 en van 5 februari 2015 en tot terugwijzing naar dit hof.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Pilot gerechtshof Amsterdam, Aanpassing van het landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven.

2 Voor zover in cassatie van belang. Ontleend aan rov. 2.1-2.5 van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 september 2014.

3 Zie rov. 1 van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 september 2014 en rov. 1 van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 februari 2015.

4 De cassatiedagvaarding is op 30 april 2015 uitgebracht.

5 Anders dan de vermelding in de inhoudsopgave van het procesdossier is in nr. 6 opgenomen het H5-formulier van 4 februari 2015 met daarop de rolbeslissing van 5 februari 2015 en ook het H16-formulier van 5 februari 2015 met de rolbeslissing van diezelfde datum. Naast het procesdossier heeft Flawa een roluitdraai van het hof overgelegd.

6 ECLI:NL:HR:2015:1075, RvdW 2015/565 (het middel verwijst bij vergissing naar ECLI:NL:HR:2015:1065). Zie ook HR 4 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2464, RvdW 2015/941, rov. 3.4.1.