Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2015:2284

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
13-11-2015
Datum publicatie
04-03-2016
Zaaknummer
14/06308
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:376, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Appelprocesrecht. Pilotreglement. Ambtshalve akte niet-dienen zonder peremptoirstelling of waarschuwing. HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1064, NJ 2015/210.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2016/22

Conclusie

Zaaknr: 14/06308

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 13 november 2015

Conclusie inzake:

[eiseres]

tegen

[verweerster]

Het gaat in deze zaak om de vraag of het gerechtshof Amsterdam akte niet-dienen van grieven mocht verlenen op basis van het per 1 januari 2013 bij dit hof geldende pilotreglement1.

1. Feiten2 en procesverloop3

1.1 Eiseres tot cassatie (hierna: [eiseres] ) is met ingang van 1 juni 2010 met verweerster in cassatie (hierna: [verweerster] ) en nog een derde participant (hierna: [betrokkene 1] ) de maatschap “ [A] ” aangegaan (hierna: de maatschap). [betrokkene 1] is op 1 juli 2011 uit de maatschap getreden.

1.2 De maatschap exploiteert het door [verweerster] en [eiseres] geschreven kookboek “ […] ” met recepten van [betrokkene 1] . De maatschap heeft twee websites in gebruik, www. […] .nl en www. […] .nu. Op laatstgenoemde website, die ook door [eiseres] werd gebruikt voor haar eenmanszaak, [B] is, het boek “ […] ” te bestellen. Het publiek kan/kon er tevens het boek van [eiseres] , “ […] ” bestellen.

1.3 [verweerster] heeft tot januari 2012 de boekhouding van de maatschap gevoerd. Vanaf januari 2012 is de maatschap overgestapt op een ander boekhoudprogramma en verzorgt de partner van [eiseres] , [betrokkene 2] , tegen betaling de boekhouding.

1.4 In de loop van december 2011 is wrijving ontstaan in de samenwerking tussen partijen. Op verzoek van [eiseres] heeft in de periode december 2011 tot mei 2012 een viertal gesprekken plaatsgevonden tussen partijen en een coach. Doel van deze gesprekken was de samenwerking tussen partijen te stroomlijnen. Naar aanleiding van deze gesprekken zijn partijen tot een taakverdeling gekomen.

1.5 Daarna zijn de problemen blijven bestaan. Op 2 november 2012 heeft [eiseres] [verweerster] feitelijk op non-actief gesteld. [eiseres] heeft het bankrekeningnummer van de maatschap op de facturen voor het boek “ […] ” gewijzigd in het bankrekeningnummer van haar eenmanszaak [B] . Zij heeft enkele bedragen van de bankrekening van de maatschap overgemaakt naar andere rekeningen.

1.6 [verweerster] heeft bij de voorzieningenrechter van de Rechtbank Oost-Nederland (locatie Arnhem), kort gezegd, veroordeling van [eiseres] gevorderd om met [verweerster] samen te werken op de wijze zoals die uit de maatschapsovereenkomst voortvloeit en [verweerster] weer toe te laten tot de e-mailaccount van de maatschap, [verweerster] de toegangsgegevens voor de portal van de Vrije Uitgevers en van het Centraal Boekenhuis te verstrekken en [verweerster] weer toegang te geven tot het boekhoudprogramma van de maatschap.

[eiseres] heeft in reconventie veroordeling van [verweerster] gevorderd tot betaling van een bedrag van € 20.000,- wegens door [eiseres] ten behoeve van de maatschap gewerkte uren en van € 20.000,- wegens verminderde omzet over 2012 in de praktijk van [eiseres] ten opzichte van de normale omzet.

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [verweerster] bij vonnis van 23 januari 2013 op hoofdlijnen toegewezen en die van [eiseres] afgewezen.

1.7 Bij dit geding inleidende dagvaarding van 7 januari 2013 heeft [eiseres] [verweerster] gedagvaard voor de rechtbank Noord-Holland en heeft daarbij, na meermalen haar eis gewijzigd te hebben, (zoals de rechtbank het heeft begrepen) primair gevorderd4:

(a) de maatschap te ontbinden en te bepalen dat [eiseres] met uitsluiting van [verweerster] bevoegd is tot voortzetting van de activiteiten van de maatschap, inclusief het gebruik van de naam “ [A] ” en

(b) een deskundige te benoemen die op kosten van de maatschap bindend zal vaststellen welk bedrag tussen partijen moet worden verrekend bij toewijzing van het gevorderde onder a.

[eiseres] heeft subsidiair een verklaring voor recht en verdeling van de gemeenschap gevorderd “betreffende de hierna volgende feiten c.q. afspraken welke voortvloeien uit de na de conclusie van antwoord en eis in reconventie zijdens [verweerster] nog tussen partijen gevoerde onderhandelingen”, die inhouden:

 dat de maatschap wordt ontbonden per datum vonnis met toedeling van de activa en passiva voor 50 procent aan [eiseres] en voor 50 procent aan [verweerster] , zulks met recht van verrekening van ieders vordering uit welke hoofde dan ook;

 verdeling van de voorraad resterende boeken in het magazijn (Centraal Boekhuis), aldus dat ieder de helft van de resterende boeken krijgt toegedeeld;

 dat de opbrengst van de verkoop van de boeken via het Centraal Boekhuis, onder aftrek van de daarmee samenhangende kosten, aan ieder voor de helft wordt toegedeeld;

 de exploitatie van de website “ […] ” toe te delen aan [verweerster] , met uitzondering van de webshop;

 de exploitatie van de website “ […] .nu” toe te delen aan [eiseres] , inclusief de webshop;

 de verplichting van de ene partij om bij uitputting van de voorraad aan boeken bij de andere partij, die andere partij tegen kostprijs boeken te blijven leveren, tot aan algehele uitputting van de voorraad die nog resteert;

 het eeuwig durend recht voor beide partijen om voor eigen rekening en risico boeken te blijven produceren;

 dit mede van toepassing te verklaren op e-books;

 [eiseres] ten laste van [verweerster] een redelijke urenvergoeding toe te kennen van € 30.000,- plus btw en

 te bepalen dat ieder van de voormalige vennoten op hun eigen herdruk de volgorde van de auteurs zelf kan bepalen.

1.8 In reconventie heeft [verweerster] gevorderd:

Ia. de tussen partijen bestaande maatschap te ontbinden met vaststelling van de verdeling van de gemeenschap;

Ib. de verdeling aldus vast te stellen dat de activa van de maatschap, waaronder het gemeenschappelijk auteursrecht met betrekking tot het boek, aan [verweerster] wordt toegedeeld;

IIa. de verdeling vast te stellen van het gezamenlijk auteursrecht op het boek, voor zover dit auteursrecht niet reeds behoort tot de maatschapsgemeenschap;

IIb. de verdeling aldus vast te stellen dat het aandeel van [eiseres] in het gemeenschappelijk auteursrecht met betrekking tot het boek aan [verweerster] wordt toegedeeld;

III. indien het gezamenlijk auteursrecht op het boek volledig aan [verweerster] wordt toegedeeld, [eiseres] te veroordelen tot overdracht aan [verweerster] om niet van een eventueel aan [eiseres] toekomend auteursrecht op haar vormgevende bijdrage aan het boek (en dat dus los van haar auteursrecht op het hele boek) dan wel voor recht te verklaren dat [verweerster] het auteursrecht om niet mag exploiteren;

IV. [eiseres] te verbieden de handelsnaam [A] zelf, buiten het maatschapsverband, te gebruiken, zulks op verbeurte van een dwangsom.

1.9 De rechtbank heeft bij vonnis van 2 oktober 2013 de maatschapsovereenkomst per die datum ontbonden en de zaak voor het overige naar de rol verwezen voor het gelijktijdig nemen van een akte door beide partijen.

1.10 Bij vonnis van 26 maart 2014 heeft de rechtbank in conventie en reconventie aan [verweerster] toegedeeld:

1) het aandeel van [eiseres] in de tot het auteursrecht van [betrokkene 1] behorende exploitatierechten van het boek “ […] ” alsmede het aandeel van [eiseres] in de exploitatierechten van het gemeenschappelijk auteursrecht van [eiseres] en [verweerster] op het boek “ […] ” tegen een vergoeding van 10% van de bruto verkoopprijs (exclusief BTW) per boek, te bepalen en aan [eiseres] af te dragen na het afsluiten van het boekjaar;

2) het aandeel van [eiseres] in de exploitatierechten van het gemeenschappelijk auteursrecht van [eiseres] en [verweerster] op de digitale versie van de derde druk van het boek “[…]”;

3) het aandeel van [eiseres] in de adressenlijst van wederverkopers van het boek “[…]” .

De rechtbank heeft voorts

4) de verdeling van de maatschap [A] die tussen partijen bestaan heeft en bij vonnis van 2 oktober 2013 is ontbonden, aldus vastgesteld dat:

aan [eiseres] zonder enige vergoeding wegens onder- of overbedeling – onder meer – worden toegedeeld:

 de handelsnaam [A] ;

 de domeinnaam […] .nu en de daaraan gekoppelde website;

 een bedrag van per saldo € 11.078,50 uit het maatschapsvermogen op grond van de voorlopige jaarrekening en

dat aan [verweerster] zonder enige vergoeding wegens onder- of overbedeling – onder meer – worden toegedeeld:

 de handelsnaam […];

 de domeinnaam […].nl met de daaraan gekoppelde website;

 een bedrag van € 14.285,50 uit het maatschapsvermogen op grond van de voorlopige jaarrekening.

1.11 [eiseres] is bij appeldagvaarding van 22 april 2014 van dit laatste vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam.

Op 9 mei 2014 heeft zij een herstelexploot doen uitbrengen.

1.12 De zaak is aangebracht op de rol van 20 mei 2014.

1.13 Op de rol van 27 mei 2014 is de zaak ambtshalve geroyeerd, omdat [eiseres] geen gebruik had gemaakt van de geboden gelegenheid om op die roldatum de dagvaarding en het vonnis in eerste aanleg over te leggen.

Nadat [eiseres] dit verzuim op de rol van 17 juni 2014 alsnog had hersteld, is de zaak weer op de rol gebracht en is een termijn van zes weken verleend voor memorie van grieven.

1.14 Bij H-5 formulier van 25 juli 2014 heeft [eiseres] om een gewoon uitstel van zes weken verzocht. [verweerster] heeft daartegen bij H-14 formulier van 28 juli 2014 bezwaar gemaakt.

1.15 Op de rol van 29 juli 2014 is verval verleend van het recht van [eiseres] op het nemen van een memorie van grieven.

1.16 Bij faxbericht van 30 juli 2014 heeft [eiseres] het hof verzocht haar alsnog uitstel te verlenen en terug te komen van het verleende verval.

[verweerster] heeft hiertegen bij faxbericht van 31 juli 2014 bezwaar gemaakt.

[eiseres] heeft bij faxbericht van eveneens 31 juli 2014 hierop gereageerd.

1.17 Bij rolbeslissing van 1 augustus 2014 is het verleende verval van recht van [eiseres] om een memorie van grieven te nemen gehandhaafd.

1.18 Het hof heeft [eiseres] bij arrest van 26 augustus 2014 niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep en haar in de proceskosten veroordeeld.

1.19 [eiseres] heeft tijdig cassatieberoep5 ingesteld tegen voormeld arrest alsmede tegen de rolbeslissingen van 29 juli 2014 waarin het hof ambtshalve akte niet-dienen heeft verleend voor het nemen van een memorie van grieven en van 1 augustus 2014 waarin het hof zijn beslissing van 29 juli 2014 heeft gehandhaafd.

[verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping en schriftelijke toelichting gegeven6.

Partijen hebben afgezien van het geven van re- en dupliek.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

De cassatiedagvaarding vermeldt onder 13 dat de rechtsvragen die in de onderdelen 3 en 4 besloten liggen, reeds in twee eerdere zaken aan de Hoge Raad zijn voorgelegd maar dat op het moment van uitbrengen van de cassatiedagvaarding in die zaken nog geen arrest was gewezen. Indien een klacht zoals opgenomen in de onderdelen 3 en 4 in één van die zaken wordt verworpen, zal [eiseres] de desbetreffende klacht in de onderhavige zaak intrekken. Als dat niet het geval is, verzoekt [eiseres] Uw Raad het cassatieberoep af te doen op het principieelste onderdeel: onderdeel 3 respectievelijk onderdeel 4.

Daarmee kan het cassatieberoep aldus worden opgevat dat de onderdelen 3 en 4 primair worden opgeworpen en de onderdelen 1 en 2 subsidiair. De onderdelen 3 en 4 zal ik derhalve als eerste bespreken.

2.2

Onderdeel 3, met als opschrift “Het Pilot-Reglement is onverbindend althans moet (deels) buiten toepassing worden gelaten” klaagt in subonderdeel 3a dat het hof heeft miskend dat het pilotreglement van het gerechtshof Amsterdam geen recht is in de zin van art. 79 RO en derhalve geen rechtens verbindende regeling is. Het subonderdeel betoogt daartoe dat de formele wetgever in art. 35 lid 1 Rv uitsluitend aan de landelijk rechtsprekende macht de bevoegdheid delegeert om een landelijk procesreglement op te stellen, zodat het gerechtshof Amsterdam geen (zelfstandig) regelgevende bevoegdheid heeft om een lokaal rolreglement op te stellen. Voor zover het gerechtshof Amsterdam die bevoegdheid wel heeft en het pilotreglement wel recht is in de zin van art. 79 RO, heeft het hof volgens subonderdeel 3b miskend dat het pilotreglement buiten toepassing had moeten worden gelaten wegens strijd met art. 35 Rv, althans voor zover het pilotreglement afbreuk doet aan de rechten die het landelijk procesreglement aan partijen toekent.

2.3

Deze klachten zijn ook opgeworpen in de twee zaken waarin Uw Raad op 17 april 20157(met betrekking tot het pilotreglement van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch8) en op 4 september 20159 arrest heeft gewezen. In beide arresten zijn deze klachten als volgt verworpen (rov. 3.6.2 van het eerste arrest):

“ (…). Een procesreglement dat door een daartoe bevoegd rechterlijk orgaan is vastgesteld en behoorlijk is bekendgemaakt, moet worden aangemerkt als recht in de zin van art. 79 RO. Het hof heeft met juistheid overwogen dat de bevoegdheid tot het vaststellen van een procesreglement als het onderhavige voortvloeit uit art. 133 Rv. Voorts staat art. 35 lid 1 Rv niet aan de geldigheid van het pilotreglement in de weg. Die bepaling opent de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen met betrekking tot door de rechter te stellen termijnen voor het verrichten van proceshandelingen en het verlenen van uitstel daarvoor. Anders dan het onderdeel veronderstelt, delegeert deze bepaling geen bevoegdheden aan de (landelijke) rechterlijke macht, maar opent het de mogelijkheid tot het stellen van regels bij algemene maatregel van bestuur. De omstandigheid dat art. 35 Rv uniformering tot doel heeft, doet niet af aan de geldigheid van een bevoegdelijk vastgesteld procesreglement dat afwijkt van het landelijk procesreglement.”

2.4

Uit het hiervoor onder 2.1 vermelde volgt dat [eiseres] onderdeel 3 bij deze stand van het recht intrekt. Het onderdeel, dat op grond van het vorenstaande sowieso niet tot cassatie kan leiden, behoeft derhalve geen beoordeling.

2.5

Voor het geval het derde onderdeel faalt, klaagt onderdeel 4 dat het pilotreglement, althans de toepassing ervan, in strijd is met art. 133 lid 4 Rv en/of de goede procesorde.

Volgens subonderdeel 4a heeft het hof miskend dat op grond van artikel 2.28 van het pilotreglement nog een mogelijkheid bestond om uitstel te krijgen zodat artikel 1.7 waarin is bepaald dat het verval van het recht om een proceshandeling te verrichten mogelijk is wanneer die proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en daarvoor geen uitstel kan worden verkregen, zich niet voordoet.

Subonderdeel 4b klaagt dat het hof het pilotreglement in strijd met de goede procesorde heeft toegepast door na de termijn van zes weken voor het nemen van de memorie van grieven zonder vooraankondiging of zonder een terme de grâce te gunnen, akte niet-dienen te verlenen op de rol van 29 juli 2014.

2.6

Soortgelijke klachten heeft Uw Raad bij arresten van 17 april 201510 als volgt gegrond bevonden:

“(…). Het pilotreglement wordt toegepast bij wijze van experiment en wijkt aanmerkelijk af van het landelijk procesreglement in die zin, dat (a) sprake is van één termijn voor het indienen van memories, die niet wordt verlengd, terwijl (b) bij overschrijding van die termijn, zonder peremptoirstelling of voorafgaande waarschuwing, ambtshalve akte niet-dienen wordt verleend. In zoverre is sprake van een bijzondere situatie. Weliswaar is aan het pilotreglement de nodige bekendheid gegeven en wordt een advocaat op grond van zijn deskundigheid zonder meer geacht op de hoogte te zijn van de geldende termijnen en de verstrekkende gevolgen van overschrijding (vgl. HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2813, NJ 2014/417 en ECLI:NL:HR:2014:2798, NJ 2014/418), maar hier staat tegenover dat strikte naleving van het reglement meebrengt dat [appellanten] door het verzuim van hun advocaat definitief hun zaak niet in hoger beroep aan de rechter kunnen voorleggen. Zeker nu de toegang tot de (appel)rechter in het geding is, behoort de sanctie op het niet in acht nemen van de termijnen van het pilotreglement in een redelijke verhouding te staan tot het verzuim. Een goede procesorde brengt dan in de hiervoor onder (a) en (b) omschreven omstandigheden mee dat het belang van het voorkomen van onredelijke vertraging van het geding moet worden afgewogen tegen de ernst van het verzuim en de gevolgen die strikte naleving van het reglement zou hebben voor de procesvoering van de partij die erdoor wordt getroffen. Art. 1.6 van het pilotreglement maakt deze afweging ook mogelijk. In een geval als het onderhavige dient die afweging zonder meer te leiden tot het verlenen van een (korte) termijn van veertien dagen om het verzuim te herstellen (vgl. art. 2.28 van het reglement). Het hof heeft ten onrechte nagelaten een zodanige termijn te verlenen.”

2.7

In haar schriftelijke toelichting11 wijst [verweerster] er op dat Uw Raad in de ‘17 april-arresten’ overweegt dat de uitkomst van de afweging van het belang om onredelijke vertraging te voorkomen tegen de ernst van het verzuim en de gevolgen van strikte naleving van het reglement “in een geval als het onderhavige” zonder meer tot een korte termijn voor herstel verzuim dient te leiden.

Volgens [verweerster] dient haar zaak echter een andere uitkomst te hebben omdat deze op de volgende “twee springende punten” afwijkt van die van de ‘17 april-arresten’:

a) de zaak had al ernstige vertraging opgelopen voordat de advocaat van [eiseres] naliet tijdig van grieven te dienen, welke vertraging volledig is toe te schrijven aan [eiseres] . Zij heeft – nadat eerst werd verzuimd de zaak bij het hof ter rolle in te schrijven – de zaak pas twee weken na de roldag met een herstelexploot alsnog geïntroduceerd, waarna zij verzuimde de dagvaarding en het bestreden vonnis over te leggen; het hof heeft haar vervolgens gelegenheid geboden tot reparatie van dit herstel, waartoe zij niet is overgegaan, hetgeen leidde tot ambtshalve doorhaling van de zaak door het hof, waarna [eiseres] uiteindelijk enige tijd later alsnog voormelde stukken in het geding heeft gebracht en de zaak weer op de rol heeft geplaatst en

b) [verweerster] heeft een groot belang bij een definitieve beslissing in het slepende verdelingsgeding.

Daarnaast voert [verweerster] aan dat [eiseres] haar met de late indiening van het uitstelverzoek de mogelijkheid ontnam om op het uitstelverzoek te kunnen reageren door niet de ‘klemmende reden regeling’ te volgen, hetgeen in strijd is met het fundamentele rechtsbeginsel van hoor en wederhoor.

2.8

Evenals in het hiervoor onder 2.6 geciteerde ‘17 april-arrest’ gaat het in onderhavige zaak om het pilot-reglement van het gerechtshof Amsterdam waarin in afwijking van het Landelijke procesreglement12 één termijn voor het indienen van memories wordt gegeven, die niet wordt verlengd, terwijl bij overschrijding van die termijn, zonder peremptoirstelling of voorafgaande waarschuwing, ambtshalve akte niet-dienen wordt verleend.

In de onderhavige zaak is, aldus [eiseres] , door een verzuim van haar advocaat niet tijdig van grieven gediend en kan zij haar zaak definitief niet in hoger beroep aan de rechter voorleggen.

2.9

De door [verweerster] aan (de advocaat van) [eiseres] verweten ernstige vertraging behoeft relativering: [eiseres] is bij exploot van 22 april 2014 in hoger beroep gekomen en heeft daarbij [verweerster] opgeroepen om ter rolle van 6 mei 2014 te verschijnen. Op de rol van 17 juni 2014 is de in het pilotreglement genoemde termijn van zes weken voor het nemen van een memorie van grieven verleend.

In de ‘17 april-zaak’ betreffende het Bossche reglement werd de appeldagvaarding op 21 november 2012 uitgebracht en is op de rol van 5 maart 2013 een (tweede) termijn voor memorie van grieven verleend. In de ‘Amsterdamse 17 april-zaak’ dateert de appeldagvaarding van 10 juli 2013 en is ter rolle van 1 oktober 2013 bepaald dat op 12 november 2013 zou moeten worden gediend van grieven.

In de onderhavige zaak beslaat de periode tussen uitbrengen van het appelexploot en de roldatum waarop is bepaald dat (uiteindelijk) van grieven moet worden gediend dus 8 weken, in de twee ‘17 april-zaken’ was dat respectievelijk 15 en 12 weken.

2.10

Dat de wederpartij, zoals [verweerster] , een groot belang heeft bij een definitieve beslissing, speelde en speelt ook in andere zaken. Dit rechtvaardigt op zichzelf echter niet dat de in de ‘17 april-arresten’ voorgeschreven belangenafweging achterwege kan blijven of anders uit moet vallen.

2.11

De stelling van [verweerster] dat [eiseres] haar met de late indiening van het uitstelverzoek de mogelijkheid ontnam om op het uitstelverzoek te kunnen reageren, is niet in overeenstemming met de omstandigheid dat [verweerster] nog vóór de rolbeslissing van het hof op 29 juli 2014 haar bezwaren tegen verlenging van de termijn voor indiening van de memorie van grieven aan het hof kenbaar heeft gemaakt door inzending van een H14-formulier op 28 juli 2014 (zie hiervoor onder 1.14). Bovendien miskent [verweerster] dat het in de onderhavige zaak alsmede in de ‘17 april-zaken’ om de situatie gaat dat de advocaat in de veronderstelling verkeert dat het Landelijk procesreglement van toepassing is, in welk geval de ‘klemmende reden-regeling’ bij een eerste uitstel nog niet hoeft te worden gevolgd.

2.12

Slotsom is derhalve dat ook in deze zaak de sanctie op het niet in acht nemen van de termijn voor indiening van de memorie van grieven niet in redelijke verhouding staat tot het verzuim. Onderdeel 4 slaagt mitsdien.

Dit brengt mee dat de eerste twee, als subsidiair aangemerkte, onderdelen geen bespreking meer behoeven.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 augustus 2014 alsmede van de rolbeslissingen van 29 juli en 1 augustus 2014 en tot terugwijzing naar dit hof.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Pilot gerechtshof Amsterdam, Aanpassing van het landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven.

2 Gelet op de in cassatie voorliggende vraag vermeld ik slechts enkele van de door de rechtbank vastgestelde feiten. Zie voor een volledige opsomming rov. 2.1 t/m 2.8 van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 2 oktober 2013.

3 Zie voor het procesverloop in eerste aanleg rov. 1 van de vonnissen van de rechtbank Noord-Holland van 2 oktober 2013 en van 26 maart 2014, en voor het procesverloop in hoger beroep rov. 1 van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 augustus 2014.

4 Zie rov. 3.1 van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 2 oktober 2013.

5 De cassatiedagvaarding is op 24 november 2014 uitgebracht.

6 Nu het debat in cassatie zich toespitst op een louter processueel punt heeft [verweerster] de producties van ‘enorme omvang’ bij de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie vooralsnog niet overgelegd. Tevens ontbreekt in haar procesdossier:- een akte inbreng producties van [eiseres] van 16 januari 2013 (de producties zijn wel bijgevoegd), nr. 2 in het dossier van [eiseres] ;- Aanvullend stuk van 28 mei 2013, nr. 5 in het dossier van [eiseres] ;- Pleitaantekeningen mr. J. van Rhijn en mr. G.J. Koning van 3 juni 2013, nr. 6 in het dossier van [eiseres] ;- de akte uitlating producties van 22 januari 2014, nr. 16 in het dossier van [eiseres] ;- de rolbeslissing van 29 juli 2014, nr. 21 in het dossier van [eiseres] ;- de brief van 30 juli 2014 van [eiseres] (het document van 30 april 2014, nr. 19 in het dossier van [eiseres] , lijkt nagenoeg hetzelfde te zijn als deze brief), nr. 22 in het dossier van [eiseres] , deze is als productie 2 bij de schriftelijke toelichting van [verweerster] gevoegd;- de brief van 31 juli 2014 van [verweerster] , nr. 23 in het dossier van [eiseres] , deze is als productie 2 bij de schriftelijke toelichting van [verweerster] gevoegd.Niet in de procesdossiers maar wel als productie A en B zijn bij de cassatiedagvaarding te vinden:- het H5-formulier met uitstelverzoek van [eiseres] van 25 juli 2014 en- het H14-formulier van [verweerster] van 28 juli 2014.Evenmin in de procesdossiers, maar als productie 4 bij de schriftelijke toelichting van [verweerster] is te vinden:- de brief van [eiseres] van 31 juli 2014.

7 ECLI:NL:HR:2015:1064, NJ 2015/210.

8 Het ‘Procesreglement per 1 januari 2013 voor de pilot civiele dagvaardingszaken bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch’.

9 ECLI:NL:HR:2015:2464, RvdW 2015/941.

10 Met betrekking tot het pilotreglement Amsterdam HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1075, RvdW 2015/565, rov. 3.7 (deze rov. wordt hierboven enigszins veralgemeend geciteerd) en met betrekking tot het pilotreglement ’s-Hertogenbosch’ HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1064, NJ 2015/210, rov. 3.8.

11 Zie nr. 73, 78 en 83 van de schriftelijke toelichting van [verweerster] .

12 Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (vanaf 1 januari 2014) Stcrt. 2013, nr. 36146.